# Gedichten

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/gedichten-15273/index.md

Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team.

BASTIAANSE

GEDICHTEN

* * * * * Van dit werk zijn 175 exemplaren gedrukt op zwaar papier en in keurband gebonden á f 1.

* * * * *

NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

FRANS BASTIAANSE

GEDICHTEN

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR AMSTERDAM

* * * * *

VOORWOORD.

In dezen bundel heb ik verzen vereenigd, die--niet wat het schrijven maar--wat het beleven betreft, behooren tot vier achtereenvolgende perioden.

Van het boek "Jeugd" vindt men hier het eerste deel, voor zoo ver dat geschreven was en voor publicatie geschikt werd gerekend, nagenoeg compleet.

De gedichten uit het boek "Natuur en Leven" zijn bestemd te worden opgenomen in een eventueelen herdruk van dat bundeltje; die uit "Dood" zijn ontleend aan een klein geheel, dat wellicht later zal worden gepubliceerd, terwijl de hier gegeven en andere verzen uit "Van Later Dagen" bestemd zijn om den ganschen cyclus af te sluiten.

FRANS BASTIAANSE.

Hilversum, Maart 1909.

* * * * *

I. Verzen uit het Boek "Jeugd".

* * * * *

AAN IDA DE V.

If by misadventure, chance should bring Thee to base company (as chance may do), Quite unaware of what thou dost contain, I prithee, comfort thy sweet self again, My last delight! tell them that they are dull And bid them own that thou art beautiful.

_Percy Bysshe Shelley_.

* * * * *

OPDRACHT.

Gij, die als een stille nachtvlam Voor mijn venster hebt gebrand, Toen de diepe diepe nacht kwam Over 't donker levensland;

Gij die als een hand waart, wenkend Toen mijn voet naar de afgrond gleed, Wie ik was altijd gedenkend Met een glimlach door mijn leed;

Wie ik, eens zoo trotsch, beloofd heb Dat mij 't Leven heffen zou Schoon 't van alles mij beroofd hebb'-- Voor U, wondervolle vrouw,

Zijn mijn verzen, neergeschreven Bitter soms, maar schoon en waar, En gij vindt er weergegeven Wat er menig menig jaar

Bleef aan wanhoop en verlangen In mijn ziel--zoo néém ze nu Als een verren groet, mijn zangen, Zoo ze zijn, ze zijn voor U.

* * * * *

OCHTEND.

Tusschen weien groen en welig Staan geboomten vroeg ontbloeid, Blanke dropp'len op 't fluweelig Gras zijn, met den dag, ontgloeid; Zachter gaan hier menscheschreden Als in een betooverd Eden, Waar voor de' allereerste maal Langs de bladeren komt gegleden Daagraads klare morgenstraal.

Door der boomen breede kronen Gaat de wind met zachten gang, En de vogels die er wonen Maken een verliefd gezang; Eén, met luider orglen wil er Anderen, die, met zwak getriller Sjirpen naar het bekje staat, Overstemmen, maar wordt stiller Als mijn nade'ring zich verraadt.

Zie nú, waar de blanke plassen Spiegelen der wolken tocht, Tusschen paarse heigewassen Wolfsklauw, die naar water zocht,--

Waar het zilverwitte berkje --Voor de spits van 't verre kerkje-- Staat op 't neevlig blauw geheeld Zweeft op zijn citroengeel vlerkje Vlinder, die met vlinder speelt.

O! de groote bloeiende aarde, O! de hemel blauw en goud, Wist ik wat zij mij bewaarde, Wát zij mij verborgen houdt! Wist ik, dat na lange nachten Mijn verlangende gedachten Eénmaal vonden 't heerlijk schoon, Dat van heel der aarde pracht, en Hemel dragen zal de króón.

* * * * *

EEN LEVEND BEELD...

Een levend beeld is nu verrezen En vult mij gansch met klaarder pracht Dan ooit de droom een wereldsch wezen 't Verlangend hart te binnen bracht.

Ik zie de glorie van twee oogen Mij voorgaan, waar mijn voet ook treed', En 't hart, als nooit voorheen bewogen, Al wat het eens bewoog, vergeet.

En allen--O! ik kon mijn armen Om heel de wereld henenslaan, Want in mijn ziel is een erbarmen Met al wat leeft, in bloei gegaan,

Behoefte om ieder troost te geven, Die thans nog in zijn duister schreit, Te zeggen: zie, vertrouw op 't Leven Ook U is de ure straks bereid.

* * * * *

TEN AANVANG.

De lucht was vol van zilverglansen, Vol roode tulpen 't groenend gras; De aloude dom liet vroolijk dansen Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.

En waar ik ieder blad zag groenen, Ontbloeid der bloemen blij gezicht, En later achter de plantsoenen Met elken dag het avondlicht;

De stad met feestlijke geluiden, De vogels in de' ontloken boom, Doortoog, als in het wit der bruiden, Mijn ziel haar schoonste levensdroom.

En drinkend met de zaal'ge zinnen Des levens reinste en hoogste vreugd, Trad ik het schoone leven binnen: Het wereldsch paradijs der jeugd.

* * * * *

DIEN EENEN....

"Ik zou dien Eénen willen zien Aan wien ik denk altijd, Als ik hem zag vandaag, misschien Was ik mijn vreugde kwijt;

Maar ook--wie weet--misschien mijn leed, Want, dít is mij zoo vreemd: Ik weet niet wat hij geeft, ik weet Niet wat hij van mij neemt.

Ik weet niet wat hij met mij doet, Ik weet alleen maar dat Ik hem nog ééns iets zeggen moet, Maar niet wanneer of wát.

Want altijd als ik spreken wil Dan bonst mij in de keel Mijn hart alsof het breken wil En zegt: "gij zegt te veel."

En altijd als ik zwijgen wil Dan zegt mijn hart in mij: "Spreek nu, want zwijgt ge nú nog stil, Dan gaat het uur voorbij."

Zoo komt er nooit iets uit mijn mond, Dat spreekt als ik het meen, En vind ik wat ik straks niet vond... Dan ben ik weer alleen."

* * * * *

LIEDJE....

Ik zou niet graag Alleen, vandaag, Door hoven gaan van love'ren schoone, Als ik niet kon De lucht, de zon En waar zij óp schijnt, aan u toonen.

Hoe licht de schijn Der zonne rein Langs 's werelds eeuw'ge kleurenweelde! Maar wat zou mij Dit hooggetij Der schoonheid zijn, zoo gij 't niet deelde?

Want uw gelaat In schoonheid gaat Der wereld schoon zóó zeer te boven, Waar dat niet is Blijft droefenis Op 't blauw der lucht, op 't groen der hoven.

* * * * *

IN HET LICHT VAN DEN GLORIEDAG.

Zij loopen achter de hagen In het licht van den glorie-dag; Zij kunnen het niet verdragen Maar lachen een luiden lach.

De landen liggen beneden Hun zalige voeten gespreid, En boven hun hoofd is het Eden Der blauw-gouden oneindigheid.

De wolken beginnen te varen, De boomen in wiegeling Hebben gezang van blaren, En alles--Herinnering,

Het Heden nú, en het Verwachten, Het nooit moede licht van de zon, Het korengeel, het smaragd en Het bloemenrood bij de bron,

Het geluid van een vogel, jeugdig, Vol uitgelaten genot, En hun eigen stemmen, vreugdig, Als een levens-danklied tot God--

Het leeft alles te zamen in den Glans van dien glorie-dag, In het hart van die twee beminden In den blijden klank van hun lach.

* * * * *

AANBIDDING.

"Uw oogen zijn Koningsoogen Uw lokken zijn godenblond, Op uw lippen vol honingtogen Drink ik mijn nooden gezond.

Uw armen zijn marmeren zuilen Uw lichaam mijn levend altaar, Mijn droefenis kan ik ontschuilen Mijn blijdschap belijd ik u daar.

Gij straalt, marmerblank aan de poorte Van mijn scheem'rende vrouwenziel, 't Is het uur mijner wedergeboorte Het uur, waarop ik viel

Omvattend, uw blanke knieën Kussend uw Koningsvoet, U zingend de litanieën, Waarmee, men de Godheid begroet."

* * * * *

HEL EN HEMEL.

"Ik kan u niet van mij weren Die mijn Hel en mijn Hemel zijt, Ik moet uw omarming begeeren, Tot den dag, dat de Dood mij verbeidt:

O! neem, als een vrucht, die levend Rijp-rood voor u is gegroeid Mijn mond, waarin, zich gevend, Mijn hartstochtleven vervloeit!

En, kwam al God daartusschen En wees op zíjn Hemel, zíjn Hel, Ik zou u kussen en blusschen Mijn gloed aan die Liefde-wel.

Al mocht mijn ziel verderven En ter eeuwige marteling gaan, Ik zou u verheerlijkend sterven En trotsch voor Gods trone staan."

* * * * *

VAN HOOGEN TORENTRANS.

"Wanneer men staat op hoogen torentrans te droomen, Ziend in het diep alom der wereld breeden vrêe, Het groene weideland, de torens en de boomen, En 't parelmoerig blauw der schemerende zee,

Dan voelt men over zich dat vreemd verlangen komen, Om, zelfvernietigend, het hart vol lust en wee, Zich neer te storten in het diep der diepste stroomen En nemen al zijn droome' in 't glanzend lichtgraf mee.

Niet anders wordt het mij zoo'k uw gelaat aanstare, Waar mij het diep van on-doorgrondlijke oogen noodt, En hoe ik vrees dat mij daar leed komt aangevaren, Die levendige glans een weelde heeft zóó groot, Dat ik mij zelf niet voor mijzelve kan bewaren, Mijn leven aan U geve, al ware ook 't loon de Dood."

* * * * *

VOOR ALTIJD.

"Van mijn bezit zal ik U schenken Het allerschoonste gouden cieraad, Opdat gij mijns nog zult gedenken Wanneer gij verre van mij gaat.

Het medaljon aan mijn hals gehangen Onder den kraag van kanten fijn Zal van mijn hopen, van mijn verlangen Een altijd-durend getuige zijn.

Gij moogt daarin het schoonst bewaren Van wat gij ooit op aarde vond, Een vlok van mijne donkre haren Ten teeken van ons ziels-verbond.

Gij moogt dan over de aarde zwerven En eenzaam dwalen van oord tot oord, Mijn lief, mijn Liefde zal niet sterven Zoolang als dit U toebehoort."

* * * * *

VOOR U ALLEEN.

't Is zoet te schrijven, als het licht Des zomers op mijn handen daalt En 't rijm zijn blijden plicht verricht En wat mijn hart voelt U verhaalt.

Mijn handen beven van genot; Zij dragen den gewijden schat, Die 'k diep in mijne ziele tot Nu toe voor elk verborgen had.

Zij zetten bevend woorden neer Tot de' avond-late zon verbleekt, En woorden glanzen rein en teer Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.

En toch, hoe mooi die woorden zijn, Die vingen 't licht aan allen kant, Zij hebben slechts een zwakken schijn Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,

Omdat er altijd in het woord Iets is, dat is van iedereen, En ik wou geven iets dat hoort Aan U, voor wie ik leef, alleen.

Maar toch is 't zoet, wanneer het licht Des zomers op mijn handen daalt En 't rijm zijn blijden plicht verricht En wat het kan vertaalt.

* * * * *

ÉÉN WEZEN.

Ik wist wel, dat éénmaal mijn leven, Dat naast Uw leven zich ontspon, Zich tot één leven saam zou weven, Dat niemand ooit weer scheiden kon.

Maar dat het zoo volmaakt zou wezen Ineengevloeid als thans geschiedt, Twee wezens in één zelfde Wezen, Dát droomde ik wel, maar wist ik niet....

* * * * *

MID-ZOMER.

Het korenveld, goudgeel, naast paarse vakken Van bouwland, trilde in heeten middaggloed; In 't violet des hemels steeg de strakke Mid-zomer-zon haar Zenith tegemoet.

Van bruinen beuk, vol zwaar bekroonde takken, Zonlicht-doorschoten, met geblaârt als bloed, Vloeide op 't geschroeide land in breede vlakken De koeler schaduw rond den knoest'gen voet.

Wij waren tot den donk'ren boom genaderd, Een vogel zong, in 't flonkrend kroongebladert, Zijn lied, dat als een hymne aan 't zonlicht klonk, En gij, het hoofd op blanken hals gebogen, Met rooden mond, en toegelokene oogen, Hergaf den kus, dien U mijn mond ontdronk.

* * * * *

ZOMERMORGEN.

Wit als tulpen zijn haar handen, Rood als rozen haar gezicht; Warmer dan op morgenlanden Ooit de zon, haar oogen branden Liefdevol op mij gericht.

Ja! heur oogen tintlend stralen! Venus' licht heeft minder gloed, Waar zij laat in 't West gaat dalen, Maar ... de zaligste verhalen Zijn het, die haar stem mij doet,

Als ik tot haar neergebogen Zeg, dat háár mijn hart begeert, En, door zelfden drang bewogen, 't Hart haar 's werelds zoetst vermogen: 't Kussen van liefs lippen leert.

Ik weet ook wel meerder dingen Waar ik niet van spreken mag; Zilverwitte Mei-seringen, Die de lucht van geur doordringen In den zoelen voorjaarsdag,

'k Zag ze in 't bosch, een zomermorgen, Bloeie' op hals en schouderblond; 't Maagdlijk hart had duizend zorgen, Toen, wat ieder bleef verborgen, 't Oog van den geliefde vond.

Wonder, wonder om te aanschouwen Lichaamsblank in 't witte kleed, "Schooner" dacht ik toen zijn vrouwen "En wat zij verborgen houen "Dan welk wereldsch schoon ik weet."

"Schoonst"--maar 'k vrees: zij mocht dit lezen: Is mijn woord te ver gegaan? Heb ik, wat voor *mij* moest wezen, 't Teederst van haar schuchter wezen Roek'loos anderen verraân?

'k Denk: zij zal het mij vergeven, Dat ik het niet zwijgen kon; Wat mijn hart van vreugd deed beven, 'k Heb het bevend neergeschreven, 'k Moest het in mijn lied doen leven Zóó als vogels in de dreven 't Lief bezingen voor de Zon.

* * * * *

HAAR OOGEN.

I.

Als ik haar oogen zie wordt sprakeloos Mijn mond, mijn ziel voor haar geluk Éen Bede: "Geen wolk koom langs dit vlekloos blauw gegleden Gelijk geen kwaad haar ziel ter woning koos."

Nooit kan ik in dat diepe' oneindig staren, Of tranen, waar het koel verstand mee spot, Komen en zeggen: "wil *dit* beeld bewaren, Want wat gij daar gezien hebt is van God."

En doet der schoonheid vocht mijn wimpers blinken, En vraagt zij mij, waarom ik heb geschreid, Dan zeg ik haar: "omdat Gij Godlijk zijt, Omdat mijn ziel wil in Uw ziel verzinken, En ik U ziende, 't bitterst leed wil drinken, Als ik maar bij U blijven mag altijd.

II.

Ja, moest ik zeggen, wat haar oogen spreken, Hoe schoon van gloed en hoe oneindig teer, Dan zoek ik naar den glans van 't doodstil meer, Waarin de zomermiddagstralen breken.

Maar zie: dan denk ik "neen, zóó zijn zij niet, Zij zijn als verre gouden morgenlanden, Waarboven in een bevend blauw verschiet Het zachte licht der vroege zon komt branden."

En als dan de eerste starre in de' avond troont, Haar diadeem spreidt, waar de zon gaat keeren, Dan denk ik: "dat heeft zij, maar zéér verschoond, "Geheiligd door het hart, dat starre' ontberen." Zóó: meerblauw, morgenglans, en avondster Zijn beelden wel, maar van de waarheid ver.

* * * * *

NA DROOMNACHT.

Toen ik op hooge heuv'len stond En zag den morgen komen Verguldend, wijd en zijd in 't rond, De bleeke waterstroomen, Heb ik gedacht, waar gij mocht zijn, Die, schoon als de ochtendzonneschijn, Het licht zijt mijner droomen.

Des daags, als door mijn zinnen speelt Mijn bezige gedachte, Bouw ik altijd 't afwezig beeld Met al te zwakke krachten; Want hoe me ook U 't herdenken schiep, Het mist de pracht van 't beeld, dat diep Rijst uit doordroomde nachten.

Daarom was ik zoo blij vandaag, Nu, wat ik steeds moet denken, Me een droom, niet als ver weg, niet vaag, Maar kwam, als werkelijk schenken; En, schoon ge ook zelf afwezig waart Mijn ziel werd als de ontwakende aard Die zonnestralen drenken.

Want zie: nóg voor mijn oogen staat Uw schoon gelaat geteekend, Der wangen teeder incarnaat Als roze uit windselen brekend, De schijning van Uw voorhoofd klaar, Dat, bij de kroon van donker haar, Is wonder-wit afstekend.

Hoe zag 'k de klare straling weer Dier groote diep-blauwe oogen, Die, als in 't bosch verborgen meer, Een hemel, beelden mogen, Waar 't, met den hemel, 't aardsche goud Dat van den dag zijn glorie houdt, In 't diep draagt onbewogen.

Hoe kuste ik op het koele blank Uw handen, slank van lijnen, En, voorloog van verlangens drank, Die 't hart doet wilder deinen, Hoe dronk ik zoeter geuren van Uw bloeiend lijf, véél zoeter dan Van rozen of jasmijnen.

Zoo is mijn gansche dag geweest, De middag als de morgen, Eén uitgelaten Lentefeest, Eén Meidag zonder zorgen, Daar 'k door bebloeide velden trad En 't schoonst kleinood voor oogen had, Dat de aarde houdt geborgen.

En nu, waar de avondzon verzonk Achter de dichte lanen, Der meer'len laatste triller klonk, En, die zijn lied van tranen Den koelen Meinacht hooren doet Als wie om 't lief verloren bloedt Totdat de starren tanen,

Heeft de eerste accoorden ingezet En beurtzang wekt in 't loover, Nu zoek ik 't, wee! nog eenzaam, bed En geef me aan droomen over, In hoop dat deze als de andre nacht Die mij uw beeld te binnen bracht 't Mij wéér voor oogen toover.

* * * * *

NACHTLIED.

I.

Ik schrijf U thans Waar de avondglans Nog nalicht; en van verre Klokketoon klinkt; waar langzaam aan De koeien door den avond gaan En opblinkt ster na sterre.

O weten zoet Dat gij nu doet Naar mij, als ik, verlangen... En de oogen heft, op 't eender uur Naar 't eender vuur, om, gloed in gloed, Te geven en te ontvangen.

En, onbewust, Waar alles rust, Het huis, het dorp, in duister Strek ik de biddende armen uit En kus, als kuste ik U mijn bruid, Der heil'ge starren luister.

II.

De vleermuis zwingt om 't donker huis, Ik moet mijn venster sluiten; Reeds menig vlinder op de vlam Van 't nachtlijk licht naar binnen kwam Of gonsde voor de ruiten.

Hoe dicht is het kastanjeloof Hoe geuren de seringen, Hoe gaat de krekel ginds in 't gras Alsof de dag al komend was Opnieuw aan 't zingen!

En drinkend lang de geuren van De blank-bloeiende boomen, Denk ik: zou, voor de slaap mij vindt, De vogel, die de nachten mint Nog zingen komen?

III.

"Ik heb U lief," herhaal ik zacht, "Ik heb U lief" en duizend malen Schijnt mij dat lichtend woord te stralen In 't diep van den bestarnden nacht.

Hoe stil in 't rond; voor 't eerst wij beiden Sinds ik u zag, voor kort van een, Nog slechts één enkelen dag van u gescheiden En.... 't is me als gingen jaren heen.

* * * * *

ZOMER.

Ik zat waar zon op 't warme water scheen En gele bloemen bloeiden aan den kant; Het grazend vee ging door de weiden heen, De zomerlucht hing walmend over 't land.

De wilgen waren zilverbleek en stil Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij; Een glazenmaker vloog, met lichtgetril Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

De schuwe visschen, in 't koeldonker diep, Verschoten snel, of stonden lang op wacht, Waar d'aarde zich, in beeld, nog schooner schiep, Droomend den zomerdroom van eigen pracht.

En over 't hooiland, waar een wagen stond Met versch-groen gras te geuren in de zon, En verder waar het drachtig korenblond Met breede golving boog ten horizon,

Tot waar een scheem'rend bosch zich flauw verhief, De wereld wegsmolt in der hemelen gloed, Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief Uw schoone ziel verlangend tegemoet.

* * * * *

DE NACHT.

Het Landschap ligt in klare manestralen, Die maken weide en groenen heuvel bleek, Waar, uit de donker-overschauwde kreek, Een blanke beek met val op val komt dalen.

En, door 't gerucht van menschlijk ademhalen, Waarmee de wind langs 't hoog geboomte streek, Slaat, op de torens van de gansche streek, De klok haar zachte slagen twalef malen

Dan sluimert alles in voorgoed en staat Doodstil op de aard, wijl slechts de sterrebeelden Met tragen gang vergaan door 't firmament, En, peinzend aan uw goddelijk gelaat, Dat zich zoo lang voor mijnen blik verheelde Wacht ik den morgen, die me uw groetnis zendt.

* * * * *

DE MORGEN.

De morgenkoelt, die (over kruid en varen En eikenhakhout) door de boomen strijkt Van 't donker bosch, dat in de diepte wijkt, En geuren draagt, die dal en kreek bewaren,

Kwam, speels, u langs de donkre lokken waren En 't lief gelaat, dat zelf een bloem gelijkt Zoo schoon als niet één in die dalen prijkt, Tenzij der wilde roze bleeke blaren.

Uw handen gingen toen--wat is zoo blank Als meisjeshanden tot dat doel geheven-- Weer ord'nen 't haar door dartlen wind verward;

Ik kon niet wachten toen, maar moest u geven U, boos om stoornis, tegen wil en dank Den kus van een té zeer verlangend hart.

* * * * *

OP DEN HEUVELTOP.

Wij stonden op een heuvel, hoog, en de aarde Lag ziedend in het gloeiend zonlicht neer, En strekte zich, een eindloos lichtend meer Van bloeiend groen naar blauwe bosschen waar de

Gewelfde hemel, parelmoerig teer, Op verre kim zijn groot geheim bewaarde. Toen, waar zij naar die verre verten staarde Vroeg ik: "Wenscht dan mijn Lief nog altijd meer?"

En met een trotsch gebaar van eenvoud groot, Wijl zij haar oogen, die als heem'len blauwden Met zachten glans, op mij gevestigd had: "Ik zocht of de aarde een grooter schoonheid bood, "Maar nergens, wat mijn oogen ooit aanschouwden, "Zag ik een schoon, schooner dan gij bezat."

* * * * *

HET KIND.

"Het schoonst geluk, dat gij mij ooit kunt geven Zal wezen als eenmaal een nieuw gelaat, Uit u en mij geboren bloeien gaat, Maar toch het meest heeft van uw stralend leven;

En, zooals naar het gouden pracht-cieraad Een kleiner wordt in fijner goud gedreven, Zal 't flonkrend blond zijn voorhoofd-blank omgeven Als 't graan, dat in de zon te gloeien staat."

Toen kuste ik om dat schoone woord mijn lief, Die om mijn hals de streelende armen hief En 'k sprak: "ja! dat zal groot en heerlijk wezen,

Als ik u zien zal in hetzelfde kind, Waarin gij mij opnieuw geboren vindt: Twee-eenheid in één eenig beeld te lezen."

* * * * *

'T TIJDLOOZE EN 'T TIJDLIJKE.

De dennen wiegen de eeuwig groene kronen In 't zachte blauw, dat aarde en al omspant, En in de diepte voor ons ligt het land, Waar duizend nijvren hof bij hof bewonen:

Hier drijft een landman met de kracht'ge hand De vore' in de aard, die tijd en arbeid loonen, Oogst reeds een ander 't ooft welks roode koonen De almachtige zomerzon heeft rijp gebrand.

En de ovens langs, waar roode steenen drogen In 't zelfde zonlicht, kronkt de blauwe stroom, Dien booten met een zacht geraas bevaren;

Zoo zag ik, wie maar even leven mogen, Met wat reeds daar was meer dan duizend jaren, 't Tijdlooze en 't tijdlijke als droom van een droom.

* * * * *

