Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven

Part 11

Chapter 11468 wordsPublic domain

Vraag hem eens af, of hij gedurende zijn vele en langdurige krijgstochten veel heeft moeten uitstaan en hij zal u glimlachend antwoorden: „Mijnheer, wat zal ik u zeggen? We hebben wel eens honger moeten lijden en lang moeten sjouwen voor we de kerels te pakken kregen; maar dan hebben ze er duchtig van langs gehad.”

In die weinige woorden ligt een geheele lijdensgeschiedenis opgesloten. Doch deze man heeft niet de phantasie van een Stanley, wiens reisbeschrijving thans door iederen Nederlander verslonden wordt.

Een profeet is niet geëerd in zijn vaderland, vooral niet wanneer dat vaderland Nederland heet.

Zie de uitgeteerde en vermagerde gezichten van onze Indische officieren en soldaten eens aan, als zij in het vaderland herstel komen zoeken voor hun ondermijnde gezondheid, om, wanneer ze weer eenigszins daartoe in staat zijn, den strijd opnieuw voor u, Nederlanders, te gaan aanvaarden. Vraag hun eens af of ze niet dagen lang met sabel of geweer in de eene en het kapmes in de andere hand, in de Indische wildernissen hebben moeten doordringen, evenals Stanley voor wien iedere gevelde boom een eerezuil geworden is!

Vraag hun af of ze niet uit zuiver plichtgevoel dagen lang honger en dorst gestild hebben met een handvol droge rijst en een slok stinkend sawah-water!

Daarbij waren ze niet, evenals Stanley, omringd door laffe natuurkinderen, die bij het afgaan van een geweer de vlucht namen.

Neen, dappere krijgers, die zich met de grootste doodsverachting in den strijd stortten, waren dagelijks hun tegenstanders!

Hun leven hing bijna altijd aan de punt van sabel of bajonet. Wanneer dan zulk een oud-Indisch soldaat tot u komt en u om eene voor hem geschikte betrekking vraagt, die gij te vergeven hebt, laat dan die zoo dikwijls belachelijk gemaakte „blikslagerswinkel” eene betere aanbeveling zijn dan niets zeggende recommandatiebrieven. Dan zal er eenmaal een tijd geboren worden dat elk gewezen Indisch militair met trots zal kunnen zeggen:

„Ik ben koloniaal geweest.”

AANTEEKENINGEN

[1] Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.

[2] Gebakken pisang.

[3] Masseeren.

[4] Stroosigaren.

[5] Muskieten-gordijn.

[6] Komt.

[7] Hagedis.

[8] Help, help!

[9] Rijksdaalders en guldens.

[10] Waarachtig lekker!

[11] Dansmeid.

[12] O, wat ben ik ziek!

[13] Help, help, wat doet mijn lichaam mij pijn!

[14] Wel verbazend!

[15] Artsenij.

[16] Vrouw.

[17] Markt.

[18] Gaarkeukentjes.

[19] Smakelijk eten.

[20] Inlandsche hond.

[21] Fakkels.

[22] Droegen.

[23] Draagstokken.

[24] Dicht struikgewas.

[25] Kleine kanonnen.

[26] Handen.

[27] Aan reepen gesneden en gedroogd vleesch.

[28] Vooruit Hollandsche honden, vooruit ongeloovigen!

[29] In groote hospitalen een afzonderlijke zaal, waarin lichte zieken, die zich aan de tucht vergrepen hebben, verpleegd worden.

[30] Lievelings-uitdrukking van fatten, die nooit grooter gevaar onder de oogen hebben gezien dan het op- en afspringen van een tram, voor de eereteekenen, waarmede in den regel een Indisch militair is versierd.