Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
Part 7
In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen, onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan, dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden, ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628, met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. 't Was hierop, dat Vondel zinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder 's mans afbeelding plaatste:
Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael, Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael, Voorsien met breyn in 't hooft, met oorloghsmoet in 't harte. 't Was hy, die Spanjen op sijn eygen bodem tartte. Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zee En breng voor 't Vaderlant ontelbre kranssen meê.
De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van Denemarken was voorgekomen, 't zij dat het Deensche Hof, indachtig aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist, maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs naar Weenen op. Het duurde tot aan 't volgend jaar, eer hy ontslagen werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld: naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland, die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van zijn lastgevers.
Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker, een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft, zijn lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. "Toen hy in de hel van Weenen lag," schrijft Hooft, "spoelde de vergetelbeek my niet uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze 't zijner tyd de hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen, gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:
De zoete naam van vaader en gemaal Hadt nu geweekt zijn braave borst van staal."
In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam, later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot, aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op 't papier, waaronder eenige hoogst belangrijke "Aanteekeningen over den magneetsteen en de magnetische kracht der aarde." In 1636 was hy het, aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman, in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten, die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.
Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot, toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke--hoezeer dan ook schitterende--loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637 als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde, door Hooft gedaan, "dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan een Amiraal met hart en harsenen geraken mocht." Een zestal personen, welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden, was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt, en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die op den 10den October van dat jaar--1637--een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.
MARTEN HARPERTSZOON TROMP.
In het jaar 1610 zwierf een roofschip in de Spaansche zeeën, waarop een knaapjen van ruim dertien jaren als kajuitwachter voer. Hard en lastig was de dienst, welken hy te verrichten had: sober en slecht het voedsel, dat hem werd verstrekt: en geen ander loon trok hy voor zijn moeite dan scheldwoorden en slagen. Maar moeilijker te verduren dan dit alles waren de aandoeningen, die den knaap pijnigden zoo dikwijls hy zijn lot overdacht;--want hy had de betrekking, welke hy vervulde, niet vrijwillig gekozen; want over het vaartuig, waarop hy nu ruim twee jaren in slaafsche dienstbaarheid had doorgebracht, had eenmaal zijn vader het bevel gevoerd; want aan den ruwen vrijbuiter, dien hy zijn meester noemde, had hy den dood zijns vaders te wijten; en nog bestendig herriep zijn verbeelding dat verschriklijk tooneel, toen, door den pulverdamp heen, de afschuwwekkende, door zon en kruit gebronsde gelaatstrekken der roovers, die over de verschansing klouterden, zich voor zijn oogen vertoonden, toen moord en vernieling om hem heen woelden, zijn vader in zijn nabyheid met gespleten schedel op het dek werd geworpen, en hy vergeefs den bangen kreet liet hooren: "zal niemand den dood mijns vaders wreken?"--Helaas! er was weldra niemand meer, om aan die roepstem gehoor te geven: en, alleen uit de algemeene slachting gespaard, had hy voortaan aan de bevelen van zijns vaders beulen moeten gehoorzamen. Kan men zich beklagenswaardiger, ellendiger toestand voorstellen dan die van den armen knaap? Kan er hopeloozer toekomst worden uitgedacht dan die hem scheen te verbeiden? En toch, diezelfde knaap, die van allen dus verlaten scheen, God had hem niet verlaten, God had hem bewaard, om, door tijden en beproevingen, eenmaal rijp te worden voor de roeping, tot welke hy bestemd was, om, uit dien staat van diepe vernedering, zich een weg te banen tot de hoogste eerambten, om de hersteller te worden van ons zeewezen en de schepper onzer vloot, en zich een naam te verwerven, naast welken men er weinige, boven welken men er geenen stellen kan;--want die knaap was Marten Harpertszoon Tromp.
Uit zijn drijvenden kerker ontkomen, was hy, verre van afgeschrikt te zijn door de uitgestane rampen, verre van in een stil en rustig leven in zijn vaderstad den Briel vergoeding daarvoor te zoeken, op nieuw die loopbaan ingetreden, welke hem als kind zijn vader gewezen had, en die hem alleen in staat kon stellen, zijns vaders dood te wreken. Een snelle bevordering was het loon zijner plichtsbetrachting. In 1622 Luitenant op een oorlogschip, kreeg hy twee jaren later reeds het bevel over een fregat. In 1629 op den tocht tegen de Duinkerkers, bevond zich Piet Hein op het schip van Tromp, en werd aan zijne zijde doodgeschoten. Maar reeds had de groote Amiraal aangaande hem herhaaldelijk de getuigenis afgelegd, dat hy vele wakkere kapiteins gekend, maar altoos 't een of 't ander gebrek by hen gevonden had; doch nooit in Tromp, die alle deugden bezat, in een scheepsvoogd gevorderd.
En toch scheen het een wijl, als of onze held in zijn loopbaan moest gestuit worden. Miskenning en teleurstelling vielen hem te beurt: zijn schip werd hem ontnomen, en, diep gegriefd, verliet hy voor een tijd den werkelijken dienst om een administratieve betrekking by de zeezaken te bekleeden.--Maar wat schijnbaar nadeelig was voor zijn bevordering tot hoogeren rang moest strekken om hem te meer daarvoor geschikt te maken. Door den aart zijner bediening leerde hy nu, aan praktische ervaring, theoretische kennis paren, de misbruiken, by 't bestier van 't zeewezen ingeslopen, nog meer van naby onderscheiden en op middelen peinzen tot hun herstel. Die misbruiken en het gebrek aan orde en vaste regelmaat, waarover luide geklaagd werd, gaven dan ook aanleiding, dat, in 1637, aan den Luitenant-Amiraal van Dorp zijn ontslag als zoodanig werd gegeven, en de Staten naar iemand omzagen, die van de noodige veerkracht en kennis was voorzien en geschikt om de zaken op een beteren voet te brengen. Men had het oog op Reael, die, zoo wel toen hy onder Willem van Nassau 's Lands vloot had aangevoerd, als gedurende zijn bestuur in de Oost-Indiën, blijken zijner bekwaamheid had gegeven; doch het onverwacht overlijden van dezen verdienstelijken man was oorzaak, dat de keuze op Tromp viel en de Staten hadden geen reden om zich over deze keus te beklagen. Niet alleen deed hy terstond zijn wakend oog over alles gaan wat herstel of verbetering noodig had; maar geen jaar verliep er na zijn aanstelling of hy gaf het schitterendste bewijs van zijn geschiktheid voor den hoogen rang, waartoe hy zich geroepen zag.
Reeds sedert lang was het hier te lande bekend, dat de Koning van Spanje uit de onderscheidene Staten, aan zijn heerschappy onderworpen, de kloekste en meest bekwame vaartuigen vereenigde, ten einde daarmede een vloot samen te stellen, die--zoo vleidde men zich in Spanje--aan de onze de zee zou doen ruimen. Men wist hier insgelijks, dat naar Duinkerken last gezonden was, de grootste schepen naar Spanje te zenden, om die vloot te versterken. In den aanvang van 1639 waren dan ook twintig vaartuigen uit die haven gezeild; doch niet te vergeefs kruiste Tromp op de Vlaamsche kusten. Ofschoon hy niet meer dan elf schepen by zich had schuwde hy den ongelijken strijd niet. Moedig tastte hy, op den 28sten February, de Duinkerkers aan, veroverde, na een hardnekkig gevecht van acht uren, twee van 's vyands zwaarste schepen, joeg dat van hun Vice-amiraal op het strand, waar het verbrandde, en noodzaakte de overige hun behoud in de vlucht te zoeken en zich weder te bergen in de haven, die zy verlaten hadden. De Markies van Fuentes, de kommandant van Duinkerken, die met zijn koets naar 't strand gereden was om getuige te zijn van de viktorie, door de zijnen behaald, was alleen getuige van hun nederlaag.
De haven kon echter niet voortdurend geblokkeerd blijven en zoo gelukte het later den Duinkerkers, aan het hun gegeven bevel te voldoen. De Spaansche vloot was hierdoor niet weinig versterkt; want de Duinkerker schepen waren niet alleen voortreffelijk gebouwd en bezeild, maar ook bemand met wakkere zeelieden, die met onze zeegaten en stroomen bekend waren.
In dezen stand van zaken en by de onzekerheid waarin men omtrent het doel der afgezonden vloot verkeerde, kreeg Tromp bevel, met een smaldeel in 't kanaal te kruisen, terwijl Banckert de haven van Duinkerken bezette en de Witte zich met een klein getal schepen gereed moest houden om by te springen wie hulp behoefde. Dubbele waakzaamheid was er noodig; daar men niet alleen op de Spanjaarts te passen had, maar ook op onze Engelsche zoogenaamde bondgenooten, die, nayverig op het aanwassen onzer macht ter zee, volgaarne de middelen by de hand namen die zich aanboden om ons afbreuk te doen, en, in 't geheim onzen vyand begunstigden. Dit bleek onder anderen, toen men, by 't onderzoek van drie Engelsche koopvaarders, daarin een duizendtal Spaansche soldaten vond en gevangen nam, die er mede waren overgevoerd.
Het was eerst op den 15den September, dat Tromp, op de hoogte van Bevezier, de Spaansche vloot ontdekte. Zy bestond uit niet minder dan zeven-en-zestig schepen, meest van de zwaarste soort. Het amiraalschip was van 800 last en voerde 66 stukken: die van de Amiraals van Kastiliën en van Napels van 600 last, voerden, het eene 54, het andere 60 stukken. Doch de mater Teresa, waarop de Amiraal van Portugal gebood, was van 1210 last, met 68 stukken en 1200 man gewapend. Het gezamentlijk getal stukken, die de vloot voerde, was 1700 en dat der manschappen 24,000, waarby zich de puik der Spaansche en Portugeesche legerbenden bevond en de bloem van den adel uit beide Rijken. Aan het hoofd der vloot stond Don Antonio d'Oquendo, een zeeman en bevelhebber van beproefde ervaring.
En wat kon Tromp overstellen tegen zulk een zeemacht?--Niet meer dan een smaldeel van dertien schepen: welk getal, ook al gelukte het hem, den bystand van de Witte en van Banckert te bekomen, slechts tot een dertigtal kon gebracht worden, dat ter naauwernood zoo vele stukken voerde als des vyands Amiraalschepen alleen. Maar op die schepen van Tromp waren zeelieden, in den krijg op de Vlaamsche kusten, in de Middellandsche en Indische zeeën en op den grooten Oceaan, geoefend en gehard, en Bevelhebbers, die nooit gewoon waren geweest, hun vyanden te tellen. Daar toch vond men den onverschrokken de Witte, wien de hem gegeven naam van "Vechtvraag" reeds genoeg afschildert: daar Joost Banckert, die de zilvervloot had helpen winnen en aan de Duinkerkers slag op slag had toegebracht; de man, die den dood zoo weinig schroomde, dat hy eens, door overmacht van vyanden benaauwd, zijn eigen zoon met een brandende lont in de kruitkamer geplaatst had, met last, die daarin te werpen, zoodra tegenweer noodeloos werd: daar zoo velen, waarvan elk in deze galery een plaats verdiend had, indien die aan anderen dan aan de meest uitschitterenden kon gegeven worden.
Was het wonder, dat, toen een krijgsraad, uit mannen als de hier genoemden samengesteld, door Tromp werd geraadpleegd, hoe onder de bestaande omstandigheden te handelen, het besluit algemeen genomen werd, al het mogelijke te beproeven om den vyand afbreuk te doen. Een der kleinste schepen werd afgezonden aan de Witte, die in de Cingels kruiste, en aan Banckert, die voor Duinkerken lag, met last, zich onverwijld by hem te voegen. Reeds den volgenden dag was de Witte, met de vijf schepen die hy aanvoerde, by Tromp: en met dit kleine getal van zeventien schepen besloot men nu, de zeven-en-zestig des vyands aan te tasten.
De Spaansche vloot, die den wind in haar voordeel had, kwam nu tegen de onze opzetten, welke d'Oquendo zich voorstelde spoedig uit zee te zullen drijven. Maar jammerlijk vond hy zich in zijn verwachting bedrogen. In stede van te wijken, wenden de schepen van Tromp op eenmaal den boeg, storten zich midden tusschen hun vyanden, en brengen er schrik en verwoesting. De kracht van den metalen boog, gelijk Tromp de Spaansche vloot genoemd had, was gebroken en d'Oquendo, geen geneigdheid hebbende den strijd langer voort te zetten, naar de Cingels geweken. Maar het schip van de Witte was reddeloos geschoten en een ander onzer vaartuigen in de lucht gesprongen. De reeds zoo onbeduidende macht der Nederlanders was dus nog meer verzwakt: Des-niet-te-min bleef Tromp by het eens genomen besluit volharden, en, op den 17den door mist opgehouden, kwam hy op den 18den de Spaansche vloot weder op zijde en hernieuwde het gevecht, dat, terwijl de beide vlooten met schoon weer en zuidoosten wind naar de Hoofden dreven, de geheele nacht by maanlicht voortduurde. Niet weinig klom de moed der onzen, toen, met den dageraad, Banckert met twaalf schepen kwam opdagen. Die tijdige bystand besliste de overwinning. Twee Spaansche schepen vielen den onzen in handen: de rest week, tegen tien ure in den morgen, onder het geschut der Engelsche kasteelen van Duins. Terwijl hier eenige moeilijkheden tusschen de Britsche en Spaansche Bevelhebbers vereffend werden over het strijken der vlag, zeilde Tromp naar Calais, voorzag er zich van versche krijgsbehoeften, hem door den Franschen Bevelhebber goedgunstig afgestaan, en was reeds den volgenden dag in staat, ten zuiden van Duins het anker te laten vallen; terwijl Banckert aan de Spaansche vloot ten noorden den uittocht afsneed, die haar ten oosten door een zandbank werd belet.
Naauwlijks had de Witte, die met zijn beschadigd schip naar het Vaderland gezonden was om verslag van het gebeurde te geven, aan de Staten-Generaal medegedeeld, hoe onze geringe scheepsmacht de Spaansche vloot niet alleen met goed gevolg had aangetast, maar zelfs voor Duins hield ingesloten, of alles werd in 't werk gesteld om Tromp de middelen te verleenen, ten einde het begonnen werk te voltooien. Overheden en onderzaten, Holland en Zeeland, Amiraliteiten en Indische Maatschappyen, allen wedyverden, wie 't spoedigst het noodige verschaffen zoû: alle kleine oneenigheden en jaloezyen schenen vergeten en by kollegies noch personen heerschte een andere gedachte meer, dan die, om het grootsche doel, dat men voor oogen had, te bereiken. Dagelijks verlieten behoorlijk uitgeruste schepen onze havens, en vervoegden zich, door een aanhoudenden oostewind begunstigd, by de vloot, die alzoo, tot verbazing van geheel Europa, binnen den tijd van vier weken, tot een aantal van 96 oorlogschepen en elf branders was aangegroeid.
Maar was Tromp nu in staat gesteld, met hoop op goeden uitslag den kamp voort te zetten, de Spanjaart was niet de eenige vyand, van wien hy tegenstand te wachten had. Karel I had reeds aan onzen Gezant doen weten, dat hy op zijn reede geen gevecht zoû dulden, maar hem, die het begon, als vyand zoû behandelen. Aan dertien Spaansche schepen liet hy gelegenheid verschaffen om onder geleide van Engelsche vaartuigen by nacht te ontsnappen, langs een weg, door de Engelschen zelve als onbevaarbaar opgegeven. Een Britsche zeemacht werd by Duins verzameld om tegen de schending der reede te waken, met andere woorden, om den Spanjaart tegen ons te beschermen: en de Engelsche vlootvoogd bleef dag aan dag by Tromp, nu eens op vleienden, dan op dreigenden toon, aandringen, dat hy zijn opzet zoû laten varen. Maar Tromp had nu eenmaal uitdrukkelijk bevel bekomen om de Spaansche vloot aan te tasten en, zoo mogelijk, te vernielen; en geen vleitaal of bedreiging was in staat hem te verhinderen in 't volbrengen van dien last. Hy bleef voor Duins liggen, verdubbelde in waakzaamheid en sloot de vloot des vyands al naauwer en naauwer in. Intusschen beseffende, dat een aanval op deze, terwijl zy ter reede van Duins lag, onder bescherming der Britsche kasteelen en in de nabyheid eener Britsche vloot, op zich zelf een hachlijke zaak ware, wenschte hy haar de reede te doen verlaten en in de open zee te kunnen aantasten, waardoor aan de Engelschen alle voorwendsel om den strijd te verhinderen zoû worden ontnomen. En toen d'Oquendo, hiervan verwittigd, allerlei voorwendsels te baat nam, om op de reede te blijven, onder anderen, dat hy masten en stengen noodig had, die te Dover lagen, liet Tromp die door een zijner schepen halen en by den Spaanschen Amiraal aan boord brengen. Nu kwam deze met een andere uitvlucht te baat: hy had gebrek aan kruit. En nu dorst de Engelsche opperbevelhebber aan Tromp, uit d'Oquendoos naam, het voorstel doen, dat hy dezen eenige duizenden ponden kruit zou verschaffen!--Zonderling moge dit voorstel schijnen, nog zonderlinger is het, dat Tromp het in den krijgsraad bracht: en het zonderlingst van allen is, dat de krijgsraad genoeg vertrouwen stelde op de Nederlandsche dapperheid, om te besluiten d'Oquendo het kruit te sturen dat hy behoefde. "Zy verstonden" zegt het dagboek van Tromp, "dat men dat kwaad zou willen doen."
d'Oquendo behielp zich nu langer met geen uitvluchten, maar bleef in Duins. Het geduld van Tromp was ten einde en hy besloot, in spijt der Engelschen, den aanval te doen. Op den 21sten October begon de vloot den aanval. By die der Spanjaarts, door de engten der plaats in haar bewegingen belemmerd, ontstond aldra verwarring, en, naauwlijks had de strijd een aanvang genomen of de Amiraal van Kastiliën met twee-en-twintig andere schepen raakten aan wal. Zoo hevig werden deze beschoten dat zy weldra van hun volk verlaten werden, en zeventien daarvan door onze branders vernield. Intusschen hadden andere branders, door Kapitein Musch bestuurd, de Mater Teresa in vlammen doen opgaan, van wier manschap naauwlijks 200 behouden werden. d'Oquendo was er in geslaagd, met een gedeelte zijner macht uit Duins in zee te loopen. Snel als de honden, die het boschzwijn uit zijn schuilplaats hebben opgejaagd, vervolgden hem de schepen van Tromp. Dertien Spaansche oorlogsvaartuigen werden veroverd: andere verzeilden op de zandbanken: aan tien of twaalf mocht het gelukken, met d'Oquendo, de tijding der geleden nederlaag binnen Duinkerken te brengen.
Zoo noodlottig liep voor de Spanjaarts een onderneming af, die zulke onmetelijke schatten had gekost! Grooter zee-triomf dan die van Tromp was, by ongelijker kans, nimmer bevochten geweest. Was het wonder, dat, toen hy aan wal stapte, zijn reis naar den Haag een zegetocht geleek; en dat zoowel de machtigste Regenten als de nederigste burgers hem om strijd lof en eere toebrachten, als aan den grootsten zeeheld, dien Nederland ooit had bezeten?