Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

Part 6

Chapter 63,759 wordsPublic domain

Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch beginsel, 't welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man, die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party, die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn, zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende vernuften--waaronder het genoeg is, De Groot te noemen--en later op een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselen der Italiaansche letterkunde--toen de eerste in Europa--hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in 't Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.--een betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in 't volgende jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen, meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken, die, hoe hemelhoog ook geprezen door 's mans tijdgenooten, hem nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk moet gaan, en met behoud van intrigue, karakters en toestanden, niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden, gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche, Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers, en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord, is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger, van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot in de kleinste byzonderheden over te nemen.

Het was eerst in 1626, dus reeds op vijf-en-veertigjarigen leeftijd, dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in 't licht gaf, te weten zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook van de nasporingen, door hem in 't werk gesteld. Wekte aldus de vorm elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen, de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.

De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader, gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen, waren hem achtereenvolgends ontvallen: en het Huis te Muiden, na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die, toen hy, op den 30sten October 1627, een tweeden echt had aangegaan met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt, waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts, Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.

Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschap noodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn "torentjen" genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:

Somtijts kiest ge 't zeskant huiske Voor uw afgescheiden kluiske, En zijt in deze eenzaamheên Nimmer min dan dus alleen. In dit huiske wert geboren ('t Was zoo van uw lot beschooren) 's Grooten Henrix groote Faam, En de grootheid van zijn naam Quam uit deze kleinheit rennen, Vlugh geworden door uw pennen, Allesins waar 't Duitsche volck Is bekent door tael of tolck.

Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan voortwerkte. 't Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning, met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden, met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad, dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht, beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene Wachtmeester van 't Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles wat het krijgswezen betrof: zoo waren 't Huygens, van den Honert, Schotte, Staeckman, Wickefort, waar 't Staatsaangelegenheden gold. Niet voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van 't werk het licht, terwijl de schrijver inmiddels nog, tot verpozing en stijloefening, een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van den Huize Medicis had bewerkt.

Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige toejuiching vereerd. 't Is waar, het kostte aan sommigen in den aanvang moeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl, aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal, door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over 't geheel meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy er zich aan ergeren, dat hy, op 't spoor van Livius, en van Tacitus vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf, was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in 't voorstellen der feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen, door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht, en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest, als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men die 't minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen, maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.

Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden Kapucijn en bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke vermaardheid behooren: ".... ik hoop binnen korte jaaren noch tien boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want d'eene wordt dikwijls bestreeden, en 't ander fluisterst my, die staa om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar te treeden, in 't oor: Tempus abire mihi."

Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag gereisd, om 's Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een zware koorts aangetast, waaraan hy den 21sten Mei deszelfden jaars overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding door Sandrart geplaatst.

Het brein, gespitst op 't roer der Staten te regeeren, En 's weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren, Den geest, die Tacitus en d'oudste dichters tart, Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart, Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten: De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.

LAURENS REAEL.

Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die, by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig, beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.

En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want, hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.

Op den 20sten October 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in de "gouden Reael," waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek der Stads-Overheid, in 't werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar, een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover den onrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid, betoond in 't leenen eener som van f 10,000 aan Prins Willem I, het kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven, dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.

Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon, om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens, zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid bestudeerde.

Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter--in 1609--overleed Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.--Grooteren lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier, en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de Kamer "In Liefde Bloeyende." By Roemer Visscher was de vernuftige jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida, hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.

De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû, om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te 's Gravenhage in een eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt: hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Een aanbeveling van 's Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het, dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde, niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy, veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen, aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed, Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.

De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren door ontzach in toom te houden. "Dat heet eerst regeeren," zeide Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter bleef hy aan 't hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan, dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy, in 't begin des volgenden jaars, behouden in 't vaderland aan. Dan, hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in 't kerkelijke, door zijn beschermer Oldenbarneveldt in 't staatkundige voorgestaan, als wet en regel golden;--hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden, dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie "over de rampen van het vaderland," en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar evenmin zal het iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van 's Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor 't oogenblik gesloten was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk, in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: "Raad voor hem, die zich naar Indiën begeven wil." Maar bovendien hield hy met Vondel, Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken, waarover men destijds nog maar weinig in 't licht gegeven en zelfs weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625, een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht, en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin te worden opgenomen.

De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik was aan 't bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits, was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig, hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,--gelijk trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de Engelschen ondernomen--geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de beste verstandhouding tusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk lijkdicht in 't Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch grafschrift:

Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor, Has cælum lites solvit, utrique negat.

't welk hy-zelf aldus vertolkte:

Terwyl zee tegen lant Om Nassau is gekant, Komt haar de Hemel scheyden En gunt hem geen van beyden.

Dadelijk na zijn terugkomst in 't Vaderland, was Reael aangesteld tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking, was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde en der zorgen van 't Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.

Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.