Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

Part 5

Chapter 53,281 wordsPublic domain

Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard, gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde, leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van Vellejus Paterculus en vervaardigde aanteekeningen op Valerius Flakkus en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten, zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:

Verstant, in honighraat gedoopt, Geleertheid, daar al 't huis op hoopt, Hadt Geeraert, die zoo vroegh Zijn broeders overwoegh En dreighde alreê des Vaders faem En vlught te volgen, als zijn naem.

Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen, en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.

Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich bevonden?--Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar--onbestendigheid der aardsche dingen!--hoe weinige jaren verliepen er, en niets dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam gegrondvest scheen.

De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden, hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te vergezellen--een aanbod 'twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des jongelings niet was aangenomen--die vervolgens, zoo naar Engeland als naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar 't Noorden geroepen was, werd, toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen, op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast, die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.--Men weet, in hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong, die Vossius trof. "Wat," schreef hy aan Van Baerle,

Wat gaat het sterflot over, Dat het de beste lover Van Febus lauwer schent!

Of trof hem 't heiloos weder, Omdat de Zweedsche veder Zijn hant was toebetrouwt, Die, zwanger van history, Gustaefs verdiende glory Beschrijven woû met gout?

Of kon de nijd niet lijen Dat hem de Teems quam vrijen, Of dat hy docht te treên In onze Fredrix laerzen Met zoete vredevaerzen Als in triomf voorheen?

enz.

En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen vader ter vertroosting toezond:

Wat treurt ge, hooghgeleerde Vos En fronst het voorhooft van verdriet? Beny uw zoon den hemel niet, De hemel trekt: ay, laet hem los.

Ay, staeck dees ydle tranen wat, En offer, welgetroost en bly, Den allerbesten vader vry Het puick van uwen aertschen schat.

Men klaeght, indien de kiele strant, Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen, Uit den verbolgen Oceaen In een behoude haven lant.

Men klaeght, wanneer de balssem stort Om 't spillen van den dieren reuck, Maar niet, zoo 't glas bekomt een breuck Als 't edel nat geborgen wort.

enz.

Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de uiterlijke rouw over 's jongelings dood voorby, toen een treurmaar het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn komst aldaar, bezweken.

Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius, een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden gereden. By 't overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig, door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af; alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.

"Een oogenblik," zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,

Een oogenblick heeft zoo veel gaven, Gedaelt van 't hemelsch paradijs, Op u verslingert, in het ijs En sneeuw, op 't onverzienst begraven: Een waterslang verbeet die bloem Van onze jeught, der maegden roem.

Nu zwijgen al uw schelle snaren, d'Yvoire fluit, de zoete keel, Daer 's vryers goddelijkste deel, De ziele om hoogh op plagh te varen, Toen zy ten ooren uitgelockt, Gy haer tot in den hemel trockt.

Uw onvolwrochte beelden treuren En roepen al: ick sterf, ick sterf! Papier, panneel verschiet zijn verf, Men ziet geen leven in de kleuren Van uw tapijten, met de naelt En zijde naer de kunst gemaelt.

Nu zult ge geest noch wijsheit zoecken In 't Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch, Noch u vermaeken in het Spaensch En lezen 't keurighst uit de boecken; Of 't antwoort geven op 't Latijn In Duitsch als u gevraeght zal zijn.

enz.

Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen, toen de pest in 't huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.

Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in December 1645.

Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in 't beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te vergelijken. In 1645 in 't vaderland teruggekeerd, om Mattheus als stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen, had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem ontbood. "O Izak!" riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,

O Izak! eenigh pant Van Vossius, gy die zoo verre Om 't licht der koninklijke sterre Verliet uw vaderlant; Verlaet om ons de kroon van Zweden! Gy kunt uws vaders stoel herkleden, Zijn doorgeleert gebouw Van schriften voort in top voltrecken En moeders hart ten balsem strecken Die anders smilt van rouw.

Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd, door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken, de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin, waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in 't algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.

Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels, welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends, vervaardigd door Sandrart:

Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen; Noch grijzer is het brein dan 't grijze hair op 't hooft: Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwen En al heur wetenschap, in boeken afgeslooft. Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren; Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.

WILLEM EN JOAN BLAEU.

Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere glorie streven dan aan 't algemeen van nut te zijn, en daaronder schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden en op 't papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en, op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers, wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.

Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen, die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen, dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere voorwaarde kon niet verkregen worden, zoo niet hy, die aan 't hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed, schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat, door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting, voor hen, die zich aan 't laatste schuldig maken en onheilig vuur op het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.

Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust, welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd, beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken: en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.

Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht, ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen, die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.

Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren, had hy zich zoo binnen als buiten 's lands in al de vakken, welke hem dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde het vak, voor 't welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een aanmerkelijke hoogte bereikte, en 't welk de hoofdrichting bepaalde, door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoon ook talrijke werken van smaak, en menige dichtvrucht--als b. v. Vondels "Verovering van Grol," diens "Begroetenis van Frederik Hendrik," "Geboorte-klock van Willem van Nassou," "Zege-zangh op den Bosch" en "Gysbreght van Aemstel"--op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer, met de zinspreuk indefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde--inzonderheid de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven geschreven, en daaronder genoten het "Graedt Boeck" en het "Licht der Zeevaert" de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637 met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel verhief 's mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:

Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen: En selden een vernuft alleen bequaem tot een: Noch seldener een man bequaem geacht tot velen: Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen, Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem. Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.

Maar zoû de roem, dien Willem Blaeu zich verworven had, hem overleven, evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die, geplaatst aan 't hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis, van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:

De wackre Blaeu sloegh 's avonds spae Het gulden heyr des hemels gae En monsterde alle stralen, Die vast staen, of verschralen;

Als Venus, dochter van Jupijn, Hem in een ongemaeckten schijn Verscheen; en quam voor oogen, Daer hy stond opgetogen.

Sy sprack: mijn allerwaerdste soon, Die lust hebt in der Goden troon En 't eeuwighdurend leven Met uwen geest te sweven;

Al langh genoegh met ongemack Gedragen 't aerdsch en hemelsch pack, En Herkles nagetreden En Atlas wijde schreden.

Al lang genoegh tot 's vaders troost, Sijn swacken ouderdom verpoost: 't Is tijt om eens te hooren Nae 't geen u is beschoren.

Ick wijs u nae de goude stad, Daer is voor u een eedle schat, Een schoone Maeghd ten beste, Treck heen nae dese veste.

Ghy sult er vinden aen de Gou De lieve lang beloofde trou, En u in hare kaecken En heusch onthael vermaecken.

Of deystse met bevreesden gang Ick salse met een minneprang Bedwingen tot mijn wetten En 't harde hart versetten.

Soo sprack de moeder van de min, En liet hem met verbaesden sin, (Terwijle sy ging strijcken) Verbaest ten hemel kijcken.

Sijn boesem brande stracx van hoop, Die hem den lust van starrenloop En 't schrander hemelmeten Benam en deed vergeten.

Ghy handelt passer, boogh noch kaart O Blaeu, wat of u wedervaert? Noch Tychoos wijze boecken: Ghy gaet uw weêrga soecken;

En Venus voortgang maeckt het spoor, En wijst u met haer starre voor, En opent Geertruys armen, Genegen tot ontfarmen.

Geluck, ô blijde Bruydegom! In Hymens vrolijck heyligdom. Uw Bruyd heeft u genesen. Laet sy uw spieghel wesen.

Nu staroogh op geen ander licht Als dat er straelt uyt haer gesicht. Nu staroogh op haer oogen, Die alle dingh vermogen.

Nu druck, in 't kussen even kloeck, Met mond op mond een minneboeck, Nu druck met inckt van weelden Een huys vol minnebeelden.

Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond, bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog 't Blaauw-straatjen zijn naam van draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in den ramp die hem trof, toen op den 22sten February 1672 dat treflijke gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28sten December van 't volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen, Al 't aertrijk door bekent, Hoe quam hy aan zijn endt? De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.

PIETER CORNELISZOON HOOFT.

De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo zy nog leefde, 't was in de oude spreekwoorden en refereinen en in den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en Fransche bastertwoorden--om van de Latijnsche niet te spreken--elkander verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer, en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in 't werk stelden, om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. 't Is waar, mannen als Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd, dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was de Amsterdamsche Kamer "In Liefde Bloeyende"--tot wier leden niet alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde--die de taak aanvaardde, om, als zy 't uitdrukte, "de Hollandsche taal van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in zuiver Dietsch te leeren." Maar geene omwenteling--'t zij dan in Kerk, in Staat of in Taal--werd immer volbracht door mannen van bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat, die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.