Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
Part 4
Verdient Cats onzen lof als zedeschrijver, vooral om den weldadigen invloed, dien hy als zoodanig op de Natie heeft uitgeoefend; wy mogen dien ook aan Cats als regent niet onthouden. 't Is waar, ook een grooter staatsman dan hy was, zoo kort na Oldenbarneveldt en zoo kort voor Jan de Witt aan 't roer komende, zoû moeite hebben gehad, zijn licht te doen schijnen tusschen de schitterende stralen, die van beide zulke sterren der eerste grootte uitgingen; maar Cats achtte zich niet--gelijk de twee groote mannen, hier genoemd--in zijn betrekking geroepen het land te regeeren;--neen, gedreven door denzelfden geest, die hem als schrijver bezielde, zocht hy, eerst als Pensionaris van Dordrecht, later als Raadpensionaris, eenvoudig den plicht, hem door zijn instruktie opgelegd, naar behooren te vervullen, en zich daarby te onderscheiden door naauwgezetheid, eerlijkheid en trouw. Dat hy zulks deed, daarvoor verdient hy onze hulde: en toch mogen wy het misschien bejammeren, dat hy zich, door zijn geboorte en door de omstandigheden, tot hooge eerambten geroepen zag. Had hy zich in nederiger kring bewogen, en in zijn jeugd, in stede van op meer praktische studiën, zich op de beöefening der dichtkunst met nadruk toegelegd, zijn weelderig vernuft leeren besnoeien, den aanleg die zich openbaart in zijn Galatee, en in zoo vele zijne Zinne- en Minnebeelden, zorgvuldig aangekweekt, zijn stijl leeren zuiveren van de onnutte stoplappen die hem ontcieren, hy had wellicht den rang kunnen innemen onder de eerste dichters, die hem thands niet mag worden toegekend.
Misschien zal aan sommigen deze beweering vreemd voorkomen: zy zullen wijzen op het gedenkteeken, dat te Brouwershaven, 's mans geboorteplaats, werd opgericht, en ons vragen, of de omstandigheid, dat hy tot heden de eenige onder onze dichters is, aan wiens nagedachtenis eene zoo openbare hulde is aangeboden, niet het luidst sprekende bewijs oplevert, dat de Natie in 't algemeen een andere meening koestert omtrent Cats dan die wy hier geuit hebben. Wy geven dit toe niet alleen; maar wy hebben hier boven er reeds op gewezen; wy zullen er zelfs byvoegen, dat ook in Belgiën nog altijd de meerderheid der Vlaamsche bevolking in het gevoelen deelt van den Aartsbisschop van Mechelen, Jacob Boonen, die tot Vondel zeggen dorst: "awiel sinjeur Vondel! ghy rijmt zeer aardig; maar ghy zijt nog lang gienen Cats."--Doch wy zien ook in onze dagen, dat aan Tollens een standbeeld wordt opgericht, terwijl Bilderdijk er nog vergeefs op wacht; en wy gelooven met eenigen grond de vraag te mogen stellen, of niet de Natie, by de hulde, welke zy tweewerf by voorkeur aan den minst verhevene van twee beroemde tijdgenooten bracht, niet telken reize door andere beschouwingen geleid is geworden dan door deze: "wie was, als dichter, in de eerste plaats een gedenkteeken waardig?"
Ware onze taal ook buiten 's lands bekend, de vreemdeling zoû ons wellicht leeren het genie van Vondel en dat van Bilderdijk te schatten, gelijk hy ons is voorgegaan in het toekennen aan Rembrand van den rang, die hem behoort.
JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.
Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen in Henegouwen, waar deze 't eerste levenslicht aanschouwde, en een prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit, dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert, zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders, tot diens opvolger werd aangesteld. Den roemvollen naam, die van hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen, en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders dan de organistmaker genoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in 't leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.
Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann, die 's mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs, dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde, maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen: Vir singulari modestia ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam, die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd dit contractus leoninus van een gands ongewonen aart bekroond? Na verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien tijd vooral) aanzienlijke som van f 40,000, waardoor hem, tot aan zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.
Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius opgeteekend: "Deze Apollo," zegt hy, "heeft gehat ten deele van meest alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:
Omnibus hoc vitium est cantoribus inter amicos, Ut numquam inducant animum cantare rogati, Jnjussi numquam desinant,
"dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde, hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken: "Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt," dewelcke hy, sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren, dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven."
Omtrent den juisten tijd van 's mans dood zijn de opgaven eenigzins uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig, maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd: "obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX." zeer aannemelijk.
Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats, wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het navolgende grafschrift:
Hier leit, die stelde wyz' den koninklyken woorde, En Sion galmen deed, dat men 't in Holland hoorde.
Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:
Op meester Johan Pieterszoon Zweling Fenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.
Dit 's Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven. 't Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven. Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor, Een goddelycke galm in aller Englen oor.
Hooren wy nu Baudartius: "Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven."
Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over 's mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald, hier laten volgen, "Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander, met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde, den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-, zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor al de Psalmen Davids."
Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van "den wijdberoemden organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in 't orghelspelen, so dat men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden ghehouden wiert."
Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid en hy nu eens "l' Amphion divin et doux sonnant Harpeur," dan "l'unique Phoenix de nostre Pays" genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk (Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der psalmen Davids gedrukt staat.
"Tout ravi hors de moy, ars d'une douce flamme, Espris d'un sainct amour par ces divins accords, Se rallumer je sens au millieu de mon asme Un Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.
Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasme Le corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts. Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame, Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.
Swelinck, en mariant les sons avec les sens, Fait si bien, que le corps, par sa douce harmonie, Suit et vit en suyvant l'esprit tout en un temps,
Dont David par ses mots tenant l'ame ravie, Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents, A l'esprit et au corps ravis rendent la vie."
Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min hun waarde aan de kritiek te toetsen. Wy meenen genoeg te hebben aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als organist en komponist kunnen blijken.
En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde, althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon, na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.
"Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt, Maar niet zyn' fenixgalm, uit 's Vaders asch geteelt. De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongen Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen. Zoo Thebe door een lier tot zulck een' wasdom quam; Wat zou men dichten van het orgel t' Amsterdam? Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren, Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren."
Hoe hoog de Drossaart 's mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelende aangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit, dat "eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden, een treflijke muzijk zoude zijn", waaromtrent, zoo als Hooft verder schreef, het verkieslijk ware "te volgen den raadt van den Orgelist meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort heeft."
Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift, dat Vondel op hem dichtte:
Gy Zanggodinnen, valt aen 't schreien, Aen 't jammeren met heele reien; De zoon van Orfeus is verscheien.
Nu zwijght de galm der orgeltongen, Die door de pijpen quam gedrongen, Daar hemelsche Engelen op zongen.
Hoe kout en kil zijn deze handen, Daer Jesses snaer mêe komt te stranden, Met zijn Marenssen, en Orlanden.
Hoe juichte 't hart van oude en jongen, Wanneer zijn vingers ongedwongen, Op noten en op steeken sprongen!
Men kon, door Kerckgewelf en Kooren, Den Vader in den Zoone hooren, Nu zal een zerck die stemme smooren.
Gestoelten noch gepropte bancken Niet langer Zwelings kunst bedancken Voor zijn verquickende avontklancken.
Gy die mijn ziel hebt opgeheven Uit dit moerasch in 't eeuwigh leven, Wat zweep heeft u naer 't graf gedreven ?
Ten minste kus, o koor der Zingeren! Met uwen mont dit ijs der vingeren, Daar ieders ooren op verslingeren.
Ten minste draegh hem, naer zijn waerde Die zijn vermaeck voor niemant spaerde, Noch met dit grafgeschrift ter aerde:
"Hier rusten Grootvaer, Zoon en Vader Zy volgen Davids harp te gader, Een eeuw van voore, om hoogh noch nader."
GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.
Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd, in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen, te verrichten overbleef.
De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen, voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken, zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat, gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.
In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst, geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der oude talen gemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd, maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in 't openbaar als in 't byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen, maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem, na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven, een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de ouden niets keurigers geschreven hadden.
Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten, het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels zijn roem ook buiten 's Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in 1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in 't werk gesteld werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg, was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat, toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by de Kantelbergsche abdy liet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht, om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er Holland voor behoefde te verlaten.
Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd, zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën, die hy opdroeg aan de Staten van Holland.
Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen, en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts, en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was, die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.
Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften, die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven, had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.
De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden, uit een andere moeder geboren, had te 's Gravenhage met ongewonen lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet, blijkt.
Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in Liviaansch Latijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande, zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.
Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde, Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in 't Latijn en Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche, Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op 't Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan 't hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van zijn roem.