Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

Part 16

Chapter 163,578 wordsPublic domain

Gewis, hadden wy in de zeventiende eeuw geleefd, wy hadden wel den Duivel buiten 't spel gelaten, maar toch misschien geloofd, dat er by de geboorte onzer heldin iets bovennatuurlijks had plaats gehad, ja dat, even als wy zulks in de toovergeschiedenissen lezen, Feën by hare moeder op kraambezoek geweest waren en de jonggeborene ieder met een geschenk begiftigd hadden. Zoo had zy reeds, in de eerste plaats, een aanzienlijken stand in de maatschappy. Haar vader, Frederik Schurmans, stamde af van de Graven van der Mark: haar moeder, Eva de Harf, was een adelijke Jonkvrouw uit het Land van Keulen: en het was in de stad van dien naam, dat zy op den 5den November, 1607, geboren werd. En alsnu aan het spel onzer verbeelding toegevende, laten wy haar door een tweede Feë beschenken met aanzienlijke betrekkingen: immers, door de huwelijken, welke haar broeders en zusters aangingen, vermaagschapte zy zich met de machtigste Regenten. Een derde schonk haar die schoonheid van gelaat en bevalligheid van leest, die haar tot in haren ouderdom bybleven: een vierde, die ongemeene vlugheid van bevatting, waardoor zy reeds op haar derde jaar lezen, op haar zevende in drie uren tijds het borduren leeren kon, op haar elfde, alleen door toe te luisteren naar het onderwijs, dat haar broeders gegeven werd, zich het Latijn eigen maakte en in weinige jaren niet alleen de meeste nieuwste talen, maar ook de Grieksche en Hebreeuwsche volkomen sprak en schreef, ja vrij bedreven werd in het Syrisch, Kaldeeuwsch, Arabisch en Ethiopisch: het, zonder moeite in de wis-, natuur- en aardrijkskunde zeer verre bracht, en, over allerlei punten van godgeleerdheid en wijsbegeerte met de bekwaamste doktoren kon redetwisten. Een vijfde Feë deelde haar de gave mede, om door keurig schrift de beste meesters naar de kroon te steken: een zesde den aanleg tot de beeldende kunsten. Reeds op haar zesde jaar sneed zy met een schaar en pennemes de geestigste figuren: weldra hanteerde zy 't penceel en verpoosde zich van wetenschappelijke nasporingen, door 't schilderen van bloemen, van vliegend en kruipend gedierte: zonder ander gereedschap dan een mes, wist zy uit palmhout de meest gelijkende portretten te vormen: met een diamant graveerde zy bevallige groepen op glas: in de boetseerkunst bracht zy het tot zoodanige hoogte, dat zy niet alleen bloemen, vruchten en edelgesteenten, maar ook haar eigen borstbeeld uit wasch wist te kneden, zoo volkomen gelijkend, dat er enkel het leven aan ontbrak. Van een zevende Feë ontfing zy de gave der poëzy, en nog getuigen enkele Hollandsche zoowel als Latijnsche dichtstukjens, hoe fiksch zy de lier hanteerde. Een achtste Feë boezemde haar smaak in voor de muziek, die zy met een gelukkig gevolg beoefende, en, om de waardy van al die gaven te verhoogen, werd haar door een negende een lieftallige zedigheid geschonken. Wanneer zy, in den kring harer gezellinnen gezeten, zich onledig hield met vrouwlijk handwerk en koutte over de meest alledaagsche onderwerpen, had niemand in haar die wonderbare geleerdheid vermoed, waardoor zy niet alleen boven hare speelnooten, maar boven vele beroemde mannen van haar tijd uitblonk: ja, zoo warsch was zy van het najagen van onderscheiding en roem, dat haar verdiensten nimmer in al haar omvang bekend zouden geworden zijn, indien niet mannen als Rivetus, Vossius, Salmazius, Spanheim, Beverwijk, Huyghens, haar, tegen haar wil, op het tooneel der waereld gebracht hadden. Deze rekenden het zich tot eere, briefwisseling met haar te houden, haar antwoorden te vertoonen en haar lof alom te verkondigen. Zoo kwam het, dat ook de beroemdste geleerden uit den vreemde, als Balzac, Gassendi, Marsenne, Bochart, en anderen, aan haar schreven en wederkeerig brieven van haar ontfingen. Op deze wijze bracht de faam haar naam geheel Europa door. Was 't wonder, dat de Princes van Boheme haar lief had, dat Richelieu haar blijken zijner hoogachting toezond, dat Louise Marie de Gonzaga, toen zy als Bruid van Vladislaus naar Polen reisde, dat de Hertogin van Longueville, by gelegenheid van den vrede van Munster hier gekomen, en later Kristina van Zweden, haar in haar woning te Utrecht bezochten?

Maar weinige van haar lettervruchten leverde zy, en nog gedwongen, aan de pers: de eerste verscheen in 1636: 't was een gedicht op de stichting der Hooge School te Utrecht. In 1641 verscheen haar Latijnsche redevoering over de vraag: "of het studeeren aan vrouwen geoorloofd is:" in 1658 eerst, een verzameling van werkjens, in Hebreeuwsch, Grieksch, Latijnsch en Fransch rijm en onrijm vervaardigd.

Zoo begaafd was zy--en zoovele gaven bracht zy tot een vrijwillig offer aan haar overtuiging, dat alle wetenschap ydel was, en dat de Heer haar geboden had, afstand te doen van haar vroegere levenswijze, om zich uitsluitend aan Zijn dienst te wijden. De waereld vergeeft het nooit, dat men de eer, die zy schenken kan, met voeten treedt, en brandmerkte voortaan met den naam van Dweepster haar, die zy als Tiende Muze bewierookt had. Ja, toen Anna Maria Schurmans in 1678 te Wiewert in Friesland stierf, was zy door haar tijdgenooten vergeten. Maar wy, wy herhalen nog, met trots, de regels, die Cats onder haar afbeelding schreef:

Wie oyt dit aerdig beelt sult komen aen te schouwen, Hout vast, dat gy hier siet een roem voor alle vrouwen. Van dat de waerelt stond tot heden op ten dagh, Niet een die haar geleeck of nu bereycken magh.

Anna Maria Schurmans mocht in geen haar gelijkend kroost herleven. Op het kraambezoek, dat wy verdicht hebben, was, zoo als dit in alle toovergeschiedenissen regelmatig plaats heeft, eene enkele Feë by ongeluk niet gebeden, en deze, hierover vergramd, had den vloek over haar uitgesproken, dat--ofschoon aan alle mannen behagende--zy des-niet-te-min maagd zoû sterven.

JAN STEEN.

Onder die werkjens, welke de Maatschappy "tot Nut van 't Algemeen" heeft uitgegeven met het loffelijk doel, om de geschiedenis van ons Vaderland en van de groote mannen, die het heeft voortgebracht, aan den volke bekend te maken, doch waarvan het noodlottig gevolg geen ander is geweest, dan dat, "tot algemeen nadeel", aan den volke talrijke onwaarheden opgedischt en talrijke valsche begrippen zijn verkondigd geworden, behoort vooral zekere galery, die begint met Jan Steen en eindigt met Gravin Jacoba. Over deze laatste, die er zeer dwaaslijk op een plaatjen wordt voorgesteld als een pottebakster, hebben wy hier niet te spreken; wel over den eerstgenoemde, wien plaatsnijder en verhaler ons afschilderen als een dronken lichtmis, wiens geheele leven getuigenis draagt van liederlijke zorgeloosheid en brassery. Het is tegen dezen groven laster, jegens een onzer grootste schilders gepleegd, dat wy beginnen moeten, met protest aan te teekenen.

Zoeken wy naar den oorsprong van al de sprookjens, waarmede schrijvers, die 't beter hadden kunnen en moeten weten, hun lezers hebben zoeken te vermaken ten koste van Jan Steen, zonder zich te laten terughouden door de gedachte, dat hun logens, door andere, ook vreemde schrijvers voor goede munt opgenomen, ten gevolge moesten hebben, dat de goede naam van een landgenoot bezwalkt en de eer zelve van dat land er door verminderd werd, wy vinden dien oorsprong wederom by Houbraken en Campo Weyerman terug. Intusschen, waar de eerste, misschien te goeder trouw, maar zeker zonder eenig onpartijdig en naauwgezet onderzoek, en bovendien geheel verstoken van alle oordeel des onderscheids, alles aannam en opteekende wat hem werd overgebriefd, schepte de laatste een kwaadaardig genoegen in het verlagen en bekladden van het karakter zijner kunstgenooten, zamelde hy gretig en met voorbedachten rade alle vertellingen op, hoe vuiler en onwaardiger hoe liever, die hy in kroegen en kitten vernomen had, en stelde die op rekening van dezen of genen kunstenaar, wiens leven hy heette te schetsen. Zoo heeft hy gehandeld ten opzichte van Rembrandt, van Van der Helst, van vijftig anderen, inzonderheid van Jan Steen.

Wy willen ons de moeite niet geven, al de grollen, welke men van dezen laatste verteld heeft, op te halen en er het logenachtige van aan te toonen. Alleen ernstige schrijvers en die geen werk het licht doen zien zonder dat zy uit overtuiging spreken, verdienen wederlegd te worden. Wy willen ons zelfs de moeite niet geven, Jan Steen te zuiveren van den op hem geworpen blaam van dronkenschap en lichtmissery, en zulks om de zeer eenvoudige reden, dat voor al wie maar eenig gezond verstand bezit en het verkiest te gebruiken, de beschuldiging van zelve wegvalt, wanneer hy nagaat, dat Jan Steen, in een leven van drie-en-vijftig jaren, dus in een tijdsverloop van een groote dertig jaren, ongeveer vijfhonderd schilderyen--zestien a zeventien 's jaars--(om niet van een aantal teekeningen te spreken) vervaardigd heeft, waarvan verre weg de meesten met een aantal figuren voorzien, en die, byna zonder onderscheid, met de grootste zorg en uitvoerigheid beärbeid zijn.--Wie in dronkenschap verkeert, moge al een vluchtige schets maken, waar geest in doorstraalt: het zal hem onmogelijk zijn, zuiverheid in zijn omtrekken, naauwkeurigheid in zijn teekenen, harmonie in proportiën en kleuren, volkomenheid in zijn ordonnantie te brengen: hy zal kunnen aanvangen, nimmer voltooien: juist dat voltooien, dat in elk deel afwerken van een reeks van meesterstukken, wier aantal door weinigen is geëvenaard, door iemand, die er de weinige nuchtere uren aan moet doorbrengen, aan een liederlijk leven ontwoekerd, is meer dan iets ongelooflijks; het is dood eenvoudig een onmogelijkheid.

't Is waar, de ontwerpen, welke Jan Steen 't liefst en 't gelukkigst behandelde, zijn tooneelen, waarin drinken en smullen de hoofdrol speelt: 't zijn voorstellingen van kermissen, van vrolijke partyen, van dartele vermaken, van de gevolgen, die zy na zich slepen: en hoe meer waarheid er in de behandeling daarvan heerscht, hoe meer men het gevolg er uit meent te mogen trekken, dat alleen de yverige en trouwe deelnemer aan zulke tooneelen ook in staat kon zijn ze naar 't leven terug te geven.--Die gevolgtrekking is echter onjuist. De goede Jean de la Fontaine was in 't geheel geen lichtmis of verleider, al volgde hy--zelf op onnavolgbare wijze--in zijn vertellingen het spoor, door Boccacio en Aretijn gewezen: en Molière, als blijgeestig dichter door niemand overtroffen, was zelf van nature zwaarmoedig.--Omgekeerd vindt men schrijvers, wier werken niets ademen dan godsdienst en zedelijkheid, en die in handel en wandel zich gedroegen of er voor hen noch God noch gebod bestond.

Wy noemden Molière:--en mist Nederland de eer, een blijspeldichter te kunnen vertoonen, hem gelijk, de eeuw van Frederik Hendrik heeft in Jan Steen een genie voortgebracht, Molière op zijde strevende waar het aankomt op geest van opmerking, op naieve oorspronkelijkheid van gedachten, op vernuftige opvatting, op natuurlijkheid van voorstelling, op vrolijke scherts, op het naar waarheid schetsen van karakters, hartstochten en gebreken.--Elke schildery van Jan Steen is een blij- of kluchtspel, al naar dat het onderwerp het mede brengt, vol gelukkigen luim, in al zijn deelen volkomen: hoe langer en hoe aandachtiger men het beschouwt, hoe meer men niet alleen er geest en leven in ontdekt, maar hoe meer men ook de overtuiging in zich voelt oprijzen, dat achter menige scherts, die schijnbaar alleen dient om de lachspieren op te wekken, een wijsgeerige gedachte verborgen ligt. Vele schilderyen, ook der grootste meesters, moet men zich vergenoegen te bewonderen: die van Jan Steen dwingen ons ook, te denken.--Neen, in zijn driedubbele hoedanigheid van zorgvuldig opmerker, van wijsgeer, die lachend de waarheid verkondigt, en van uitmuntend schilder, is Jan Steen tot heden niet geëvenaard, veel min overtroffen. Wie toch is beter dan hy er in geslaagd, om, wat het burgerlijk leven om zich heen zag, met zooveel juistheid en smaak op het doek terug te geven?--By Jan Steen is altijd een hoofdgedachte aanwezig, die hy op de gelukkigste manier weet uit te werken. Niet alleen is de ordonnantie boven allen lof verheven; maar elk détail, met overleg gekozen en, 't zij meer of min belangrijk, altijd met gelijke zorg behandeld, werkt mede, om den indruk te verhoogen, dien 't geheel op den toeschouwer maken moet: alle voorwerpen redden zich: licht en bruin zijn geschakeerd gelijk dit enkel door den zoodanige geschieden kan, die in de geheimste verborgenheden der kunst is ingewijd;--in een woord, overal paart zich by hem, aan de grootste waarheid van opvatting, de grootste waarheid in de wijze waarop hy die opvatting heeft teruggegeven.--Nogmaals, de man, die, niet een enkele reize, niet gedurende een byzonder tijdperk van zijn leven, maar keer op keer, maar bestendig, maar in geheel zijn schildersloopbaan, zulke kunstgewrochten wist voort-te-brengen, diens vernuft was door geen brassery verstompt, diens hand was door geen dronkenschap aan 't beven geraakt.

Even fabelachtig als de vertellingen van Houbraken en Weyerman aangaande de levenswijze en het gedrag van Jan Steen, even onnaauwkeurig zijn hun opgaven betreffende zijn geboorte, bedrijf en levensloop.--Het is met onloochenbare bewijzen gestaafd, dat Jan Steen in 1626, alzoo tien jaren vroeger dan men tot dus verre meende, is geboren; en wel te Leyden, waar zijn geheele familie al meer dan een eeuw met eere bekend en gezeten was. Niet Brouwer, als men verhaald heeft--zeker om meer kleur van waarheid by te zetten aan de sprookjens over zijn ongeregeld leven--niet Brouwer, die reeds overleden was toen Jan Steen nog een knaap was, maar Ostade, wiens voortreffelijk koloriet--en Van Goyen, wiens manier in 't landschapschilderen--hy navolgde, waren zijn meesters: en het was met de dochter van laatstgemelde, dat hy zich in September 1649 in den echt verbond. Zoo hy al een tijd lang te Delft aan 't hoofd stond van een brouwery, zijn naam bleef te Leyden prijken op de registers der broederschap van Sint Lukas, die hem in 1648 had opgenomen onder haar leden; 't zij, dat zijn beroep hem verdroot, als hem te weinig tijd overlatende voor zijn geliefkoosde studiën, 't zij, dat werkelijk die studiën hem dat beroep meer deden verwaarlozen dan op den duur met zijn belang als huisvader overeenkwam,--en dit kunnen wy gereedelijk aannemen zonder dat wy daarby aan eenig wangedrag hebben te denken--hy gaf het op en zijn woonplaats te Delft meteen, om zich wederom te Leyden te vestigen. Weduwenaar geworden hertrouwde hy met Maayken van Egmond, weduwe van den boekverkooper Claes Herculens, en uit al wat men, niet uit beuzelachtige praatjens, maar uit waarachtige oirkonden van hem weet, is niet anders op te maken, dan dat hy er als een stil en ordentelijk gezeten burger leefde, die zich de achting zijner medeburgers wist te verwerven. De oude en rechtschapen Jan Lievensz, toen de Nestor der Hollandsche schilders, was zijn vriend: en de toen nog jeugdige Karel de Moor verhaalde lang naderhand met opgewondenheid van de gesprekken over kunst, welke hy met Jan Steen gevoerd had.

"Is er daarom geen enkel woord waar van de vertellingen, die betreffende Jan Steen in omloop zijn? Heeft hy niet eene van die snakeryen bedreven, niet een van die koddige gezegden gebezigd, die hem worden toegeschreven?"--Ziedaar wat wellicht meer dan een ons vragen zal, wien 't zelfs misschien heimlijk verdrieten zoû, betere gedachten dan te voren aangaande den schilder te moeten voeden, die tot nog toe hem voor den geest gestaan had als het ideaal van geniale dwaasheid.--Wy durven hier geen bepaald antwoord op geven: het is zeer mogelijk, niet onwaarschijnlijk zelfs, dat iemand, wiens brein zoo vruchtbaar was in 't uitdenken van kluchtige toestanden op 't paneel, nu en dan ook zelf een klucht bedreven, aan dezen of genen een vrolijke poets gespeeld heeft. Maar daarom behoefde nog de uitdrukking: "het is een stukjen van Jan Steen" niet, in plaats van op zijn schilderyen, op den man zelven te worden toegepast, in dien zin, als ware zijn leven een voortdurende klucht geweest:--en wellicht is in den aanvang alleen aan de valsche toepassing dier uitdrukking de slechte dunk te wijten, dien men zich van Jan Steen heeft gevormd, en waaruit zijn biografen aanleiding hebben genomen zoo veel zotte bedrijven op zijnen hals te schuiven.--

Jan Steen overleed den 3den February 1679 en werd in de Pieters-kerk te Leyden begraven, vijf kinderen, niet in een berooiden boedel, maar in goeden doen achterlatende.

JAN EVERTSEN.

Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank van 't Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur in deze galery een plaats heeft bekomen, 't is niet alleen omdat de meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd, was den dood voor 't Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren, en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om, door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10en February klampte hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben, toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht, onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd Banckert--van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den Staat waren--en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd een der Duinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers gevankelijk te Vlissingen opgebracht.

In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd, deelde Evertsen op den 21sten October 1639 in de glorie, by Duins behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,--en evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem, welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken, niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.

Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men zulks te danken had.

In 1652--om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet te gewagen--was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10den December van dat zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de overwinning zich voor de onzen verklaarde.

Geen minderen roem verwierf hy zich in 't volgende jaar, toen in de Hoofden, drie dagen lang--van 28 February tot 2 Maart--nogmaals tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12den Juny, in den zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde, en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.

Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen, maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel, waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. 't Is waar, hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend; maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd, waardoor mannen, die hun leven aan boord en in 't heetst der zeegevaren hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die, hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat, was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook, dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor 's Lands eer niet zonder grond was.