Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
Part 15
Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer, 't eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben; niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld minder kostbare manier had kunnen plaats hebben.
PAULUS POTTER.
--"Neen! daar is geen veranderen aan: hy zal mijn dochter niet krijgen."
En waarom niet? Op zijn geboorte of afkomst kunt gy toch geen aanmerking maken? Hy is van deftige ouders; ja zelfs, van moederszijde, uit het doorluchtig Huis der Egmonden voortgesproten, en voor u, een eenvoudig Haagsch burger, zoû de verzwagering met hem alzoo waarlijk niet als een vernedering zijn aan te merken.
--"Zijn geboorte, nu ja, die is goed genoeg: zoo hy die maar niet ontluisterde...."
Ontluisterde, zegt gy.--Is er dan op zijn gedrag iets aan te merken? Drinkt hy? is hy een speler? een lichtmis?
--"Niets van dat alles: ik heb niets tot zijn nadeel gehoord: hy is, naar ik my verzekerd houde, van onbesproken zeden; maar dit is nog niet genoeg: de man, aan wien ik mijn dochter geve, moet in staat zijn, op een betamelijke wijze in haar onderhoud te voorzien."
Die zwarigheid was ik verre van te verwachten. De jongeling is gands niet onbemiddeld: hy begint zich door zijn talent reeds naam te verwerven en hy zal weldra zelf den prijs voor zijn schilderijen kunnen bepalen. Uwe dochter zal dus met hem voor geen armoede te vreezen hebben.
--"Nu ja, maar het is juist die wijze van geld te verdienen, waarmede ik my niet kan vereenigen."
Ik versta u niet.
--"Wel!--Is hy geen schilder?"
Nu! en....?
--"En dat is, dunkt my, genoeg. Mijn voorouders hebben altijd deftige officiën bekleed, en nooit met schilders of zulk slach van volk omgang, veel min verzwagering gehad."
Hm!--'t Is dus de uitoefening van de Schilderkunst, waardoor, naar uw inzien, Potter zijn geboorte ontluistert en zich onbekwaam maakt, naar de hand uwer dochter te dingen!
--"Juist zoo!--Nam hy een eerlijk bedrijf by de hand, ware hy timmerman of slager, ik zoû geen bezwaar maken, of huisschilder,--maar kunstschilder!--Neen vriend! dat gaat niet."
Versta ik u wel? Het is dus by u een reden van uitsluiting, een man van talent, van hoogdravend vernuft te zijn?
--"Talent! vernuft! Fraaie zaken: waar hy, die ze bezit, doorgaands grond in vindt, om niets degelijks uit te voeren, den boêl er door te brassen, en zich en de zijnen tot armoê te brengen."
Dat hebben de Heeren Rubens en van Dijck toch anders getoond, en, om nader by honk te blijven, de eerzame Gerrit Honthorst en Bart van der Helst verdienen geen onaardigen stuiver met hun penceel.
--"Ja, dat zijn uitzonderingen; maar zelfs geen van die lieden, die gy daar noemt, zoû ik anders dan schoorvoetende tot schoonzoon hebben aangenomen.--Met dat al, zoo hy nog, als zylieden, portretten maakte, ik zoû, nu het meisken haar zinnen op hem gezet heeft, misschien nog toegeven; want, ziet gy, dat portretten schilderen opent de deuren van lieden van rang en aanzien, en verschaft zelfs omgang met Vorsten;--maar wat schildert Potter? koeien en nog reis koeien.--Welke deuren opent dat? die van stallen en schuren; met wie verschaft dat omgang? met vee en nog 'reis vee!--Een mooi gezelschap voor mijn dochter."
Maar, beste vriend! bedenk toch, dat de rang, dien de schilder bekleedt, niet afhangt van de onderwerpen, die hy behandelt, maar van de wijze van voorstelling. Bedenk verder: er zijn wel vijftig knappe portretschilders tegen één veeschilder, en Potter heeft, juist ten gevolge van het kunstvak, dat hy zich gekozen heeft, een standpunt ingenomen, waar hy weinig of geen mededinger heeft.
--"Fraai geredeneerd! Dat hy een boerschen smaak heeft, en zich by verkiezing met ongure en gemeene zaken bezig houdt; dat zoû hem boven anderen verheffen! 't Is of gy het beroep van beulsknecht aanpreest, omdat er minder beulsknechten zijn dan b. v. soldaten."
Maar, vriend! die gelijkenis....
--"'t Is waar: gy zult zeggen, soldaten zijn maar huurlingen, en de scherprechter met zijn handlangers zijn ambtenaren in dienst der hoogloffelijke Justitie;--maar toch, over 't algemeen bewijst men grootere eere aan Kornellen en Hopluiden, dan aan hen, die met de exekutie van vonnissen zijn belast. Nu! dit in 't voorbygaan;--en om weder op het behandelde kapittel terug te komen: 't is, zooals ik zeide: ware hy portretschilder, ik zoû om der wille van mijn dochter, en omdat ik den knecht wel lijden mag, my niet onverbiddelijk toonen; maar een beesteschilder!--neen, in de daad, dat gaat niet."
En toch, het ging: de voorspraak van aanzienlijke lieden te 's Gravenhage, die den bekwamen jongeling genegen waren, ja, zoo men beweert, van Vorst Joan Maurits van Nassau, bracht te weeg, dat onze Hagenaar, spijt zijn vooroordeelen, toegaf, en dat zijn dochter de bruid werd van den vijf-en-twintig jarigen veeschilder Paulus Potter.
Ik weet niet of een gesprek, als hetgeen hierboven door my werd te boek gesteld, ooit tusschen den schoonvader van Paulus Potter en zijn vriend is gevoerd geworden: ik weet zelfs niet--wanneer ik naga met hoevele verdichtselen men goedgevonden heeft, de zoogenaamde "Levens der Schilders" te doorvlechten--of aan hetgeen verteld wordt betrekkelijk Potters vrijaadje en den tegenstand, welken zy, uithoofde zijner hoedanigheid van veeschilder, zoû ondervonden hebben, onbepaald geloof moet geslagen worden: ik weet alleen, dat hetgeen ik den Haagschen burger zeggen laat, gezegd is geworden en nog zelfs heden ten dage gezegd wordt door lieden, die aanspraak maken op deftigheid en soliditeit.
In de oogen der zoodanigen is de kunstenaar een exceptioneel wezen, bestemd, om, gedurende zijn leven, naar mate van de eeuw, waarin hy zich beroemd maakt, met een halsketen, een medalje of een eikenkroon vereerd, en na zijn dood met veel toeloop begraven en tot in de wolken verheven te worden; maar dien men, als een onpraktisch mensch, in geen maatschappelijke betrekking gebruiken, en wien men zijn dochter niet ten huwelijk geven kan.
Zelfs zijn er nog in onze dagen, die verder gaan dan de Haagsche burger uit de zeventiende eeuw: een historieschilder vindt evenmin genade in hunne oogen als een veeschilder.
Maar, zoo het vak, dat zich een schilder koos, in de oogen van den materieelen hoop van hen, die in de kunst alleen een behagelijke, maar overtollige weelde zien, geenszins tot maatstaf strekt naar welken hy zich laat beoordeelen, en hy in hun oog, alleen reeds omdat hy schilder is, op een lagen sport van den maatschappelijken ladder staat, wy, die de kunst als de schoonste gave beschouwen, van God geschonken, wy vragen evenmin naar het kunstvak, wy vragen alleen: heeft hy in het beoefenen daarvan getoond, een sprank te bezitten van dat goddelijke vuur, waarmede hy, als weleer Prometheus, het stof weet te bezielen?--en is dit zoo, dan brengen wy hem lof en hulde toe als aan den man, wiens naam zal leven, ook eeuwen nadat de namen lang vergeten zijn van hen, die thands hem minachting toonen:--en daarom is het ook niet dan met eerbied, dat wy spreken van den treffelijksten veeschilder, die immer het penceel ter hand nam, van Paulus Potter.
't Is waar, Potter heeft de natuur niet geïdealigeerd: hy heeft zich vergenoegd, haar terug te geven, gelijk hy haar voor zich zag; maar hy heeft dit weten te doen met zoodanige volkomenheid, dat alleen het leven aan zijn werk schijnt te ontbreken, en de toeschouwer, in zijn opgetogenheid over de treffende waarheid der voorstelling, er niet aan denkt, andere en meerdere eischen te doen. Zoodanig althands was de indruk, door die honderden van nieuwsgierigen ontfangen, die dag aan dag Potters meesterstuk stonden te bewonderen, toen het uit ons Land, als een kostbare roof, naar Frankrijk weggedragen, in de galery van het Louvre onder de pronkjuweelen der kunst was opgehangen.
Kort was de loopbaan, door Potter als kunstenaar afgelegd: in 1625, te Enkhuizen, geboren, was hy reeds in 1654 ten grave gedaald, maar hy had de jaren, die hy op aarde doorleefde, wèl besteed. Hy had gewerkt, terwijl het dag was; hy had de zaligheden van het huislijk leven genoten; hem was de vriendschap van edele en weldenkende mannen, ook uit den hoogsten stand de achting van allen geschonken: en reeds by zijn leven, had hy zich een roem verworven, die anderen veelal eerst na hun dood ten deel valt. Welke billijke wenschen had hy verder kunnen voeden? En voor welke te-leur-stelling, voor welke aanvallen van nijd en afgunst is hy niet gespaard gebleven!--Neen, zoo als de dichter zegt:
Wie leefde als hy, al stierf hy schijnbaar vroeg, Hy leefde voor geluk en roem genoeg.
JAKOB VAN KAMPEN.
Toen de bloedige strijd van tachtig jaren was volstreden en, met den vrede, te Munster gesloten, de vrijheid en onafhankelijkheid, welke de jeugdige Republiek zich reeds met het staal verworven had, door Europaas Mogendheden was erkend, wist Amsterdam eene zoo gewichtige gebeurtenis te vereeuwigen door het grondvesten van een gedenkteeken als nog geene stad in haar midden had opgericht: en nog in 't vredejaar 1648 werd de eerste steen van 't nieuwe Stadhuis gelegd, van dat Stadhuis, 't welk na weinige jaren de verbazing van Europa verwekken, den lof van elken kunstkenner verwerven, ja een achtste waereldwonder genoemd zoû worden.--Die eerste steen moge, ja, gelegd zijn geworden, toen Frederik Hendrik reeds dit waereldtooneel had verlaten; geruimen tijd te voren, in 1639, was het besluit tot de stichting genomen en gedurende negen jaren de voorbereidende arbeid voortgezet: het gebouw mag dus gezegd worden, uit dat tijdvak van Frederik Hendrik te zijn ontstaan: en als zoodanig is het niet alleen het hechtste en duurzaamste monument dat van dat tijdvak blijft spreken, maar ook mag het beschouwd worden als het schoonste onder de nog blijvende rezultaten, die ons dat tijdvak heeft opgeleverd: terwijl het in allen gevalle ontegenzeggelijk is, dat de man, wiens naam door den bouw van dat gesticht vereeuwigd werd, tot dat tijdvak behoort.
Wy weten niet, welk aandeel, 't zij als ontwerper, 't zij als bouwmeester van het Stadhuis moet worden toegekend aan Daniël Stalpert: wy mogen het zelfs betreuren, dat, door schrijvers en dichters, zijne verdiensten zoo geheel in de schaduw zijn gesteld; maar die gedachte mag ons niet weêrhouden in deze galery een plaats toe te kennen en een kroon te vlechten aan hem, wiens naam aan de stichting onafscheidelyk verbonden is gebleven, aan Jakob van Kampen.
Wy hebben het reeds by meer dan eene gelegenheid kunnen opmerken, het hier gevierde tijdvak was zoo rijk aan groote mannen, dat de schrijvers van die dagen zich minder om de personen zelve bekommerden dan om de werken, die zy leverden: daarby werd over 't geheel weinig belang gesteld in biografiën: zoo men te dezen opzichte een uitzondering maakte, 't was voor staatslieden, zeehelden, geleerden of dichters: zelden gebeurde het, dat iemand zijn pen versneed om narichten te geven aangaande krijgsbevelhebbers of kunstenaars. Gene beschouwde men als huurlingen, deze als leveranciers, die men betaalde voor den dienst, dien zy deden, of den arbeid, dien zy verrichtten, en wier geboortejaar, herkomst en lotgevallen aan den betaalsheer even onverschillig waren, als die van den bakker, die brood aan huis bezorgde of van den smid, die de geldkoffers van sloten voorzag. Er was te Amsterdam een nieuw Stadhuis gekomen, dat in allen deele voldeed aan de vereischten: wat had men zich te bekommeren over de bouwmeesters? Hun rekening was immers betaald, zoo goed als die van steenhouwer, metselaar, timmerman, loodgieter, glazemaker of vergulder,--en zoo kwam het, dat het volk den eenen bouwmeester geheel vergat, om van den anderen alleen te onthouden, dat hy Van Kampen heette. Waar, in welk jaar hy geboren was, welke opleiding hy genoten, hoe hy het tot zulk een hoogte in zijn vak had gebracht, kon niemand scheelen.
Is het niet een merkwaardig verschijnsel, dat wy, die omtrent zulke punten meer belangstellend zijn, ons wederom, ter voldoening onzer opgewekte nieuwsgierigheid, in de eerste plaats tot Vondel moeten wenden, die, wel is waar, in zijn uitvoerig gedicht op de inwijding van 't Stadhuis, Van Kampen niet eenmaal by name vermeldt, en in een ander gedicht, waar men 't niet verwachten zoû, slechts vier regelen en nog maar in 't voorbygaan aan van Kampen wijdt, doch in die vier regelen vijf gewichtige byzonderheden aangaande hem doen kennen. Sprekende van Amersfoort zegt hy namelijk:
De Helt van Randebroek, de bouwheer van de Vorsten En 't Raethuis t' Amsterdam, verheerlyckt haeren lof. Want zy hem baerde en zooghde aen haer getrouwe borsten Om bouw- en tekenkonst te heffen uit het stof.
Uit deze regels, voorkomende in het gedicht, dat ten tytel voert: "de Nachtegaal van Amersfoort," zijn, als ik zeide, vijf zaken te leeren, te weten: dat Jakob van Kampen te Amersfoort geboren was: dat hy schilder of althands teekenaar was zoo wel als bouwmeester: dat hy in deze laatste hoedanigheid door "de Vorsten", d. i. door Prins Frederik Hendrik, en ook, als blijken zal, door Vorst Joan Maurits van Nassau, gebezigd werd, dat hy het Stadhuis had gebouwd; en eindelijk, dat hy, in 1657, het jaartal der vervaardiging van 't gedicht, zich onthield op den huize Randenbroek, even buiten eene der poorten van Amersfoort gelegen. Aan de juistheid der narichten van Vondel, die sedert zijn jeugd goed bekend was met al wat Kampen heette, valt wel niet te twijfelen: en de berichten, die wy elders by waarheidminnende schrijvers over den Amersfoortschen bouwmeester aantreffen, zijn niet meer dan aanvullingen van 't geen Vondel vermeldt.
Jakob van Kampen dan schijnt aanvankelijk meer byzonder de schilderkunst te hebben beoefend, en de wetenschap, dat hy dit met grooten lof, en wel te Haarlem, deed, ontleenen wy wederom aan een dichter en wel aan Samuel Ampsing, die in zijn Beschrijving en Lof der stad Haarlem blz. 871, zulks op 't jaar 1628 vermeldt.--Het waren misschien de woorden, te dezer gelegenheid door Ampsing gesproken, die stof gaven tot de valsche veronderstelling van Houbraken en Weyerman, dat Van Kampen een Haarlemmer van geboorte zoû zijn geweest. Maar wy behoeven geen gronden te zoeken voor de berichten van Houbraken en Weyerman, van wie wy weten, hoe gewoon zy zijn zonder grond te spreken.
't Zij voor, 't zij na zijn verblijf te Haarlem had van Kampen Italiën bezocht en aldaar, by het beschouwen der meesterstukken van bouwkunst, te Rome, in Venetiën en elders aanwezig, zijn lust voelen opwekken om Vitruvius en Palladio op 't spoor te volgen. Wy zullen hier de vraag niet behandelen, of het overbrengen van een bouwstijl, die onder den warmen hemel van Italiën voegde, naar ons vochtige Noorden, gelukkig mocht genoemd worden: wy weten niet, in hoe verre Van Kampen het aanwenden daarvan ook voor het binnenste van byzondere woningen heeft aangeprezen: wy gelooven het zelfs niet;--want al plaatste hy voor het huis van Cooymans (thands van Jhr. J. Huydecoper van Zeyst) op de Keizersgracht te Amsterdam, een antieken gevel, hy wist het van binnen op zoodanige wijze in te richten, als met ons klimaat en 't gemak des bewoners overeenstemde:--en 't zelfde was het geval met het Raadhuis, door hem op den Dam gebouwd, en hetwelk zy voor wie 't dienen moest niet anders konden wenschen dan het werd.--Noch Gothische aspiratiën, noch Byzantijnsche weelderigheid, noch overdaad van vercieringen, noch hooge voorportalen en breede poort, kwamen te pas by een gebouw, dat aan burger-overheden tot vergaderplaats, kantoor, vierschaar en kasteel moest dienen. Hier waren vierkante kracht, strenge deftigheid, eigenaardig verband der deelen, gepaste inrichting van elk deel--'t zij gaandery, 't zij kamers, 't zij trap, 't zij gewelf, 't zij zolder, 't zij portaal--tot het gebruik waar het toe bestemd zoû worden, hoofdvereischten, voor welke alle zucht tot praal moest achter staan: en die vereischten wist het scheppend genie des bouwheers aan te brengen op een wyze, die 't volmaakte zoo naby komt, dat geen aanmerking van bedillers, zelfs zoodanige, die schijnbaar gegrond was, tot heden toe niet op zegevierende wijze is wederlegd kunnen worden. Met recht mocht er Vondel dan ook van zingen:
De bouwkunst, toen ze in 't werck beooghde haeren wensch, Koos tot haer voorbeelt uit het lichaem van den mensch, Zoo meesterlijck volbouwt, van buiten en van binnen, Dat niets hieraen ontbreeckt, en d'allersnelste zinnen, Die dit doorsnuffelen, van 't meeste aan 't minste lidt, Bekennen moeten dat het allerminst miszit Wat hieraen wordt herstelt. Herstellen is misstellen. Wie dit hervormt, misvormt.
Dat heeft men bewaarheid gezien toen men het Stadhuis behandelde als men een flinken, vierkanten grenadier behandelen zoû, wien men witte glacé handschoenen, een paar verlakte dansschoentjens en een gekleurd vest aantrok, en het tot een paleis misschiep:
Laet overmeeten, tellen, En weegen, wien dit lust; het lichaem schroomt geen licht, Geen klaere middaghzon, noch maet, getal, en wight. Zoo blijckt dit bouwsel dan van lidt tot lidt rechtvaerdigh In evenredenheit, en zulck een bouwheer waerdigh, Die ieder bouwer wijst, en, als Godts leerkint, trouw Het oogh leert slaen op hem, en zijnen schoonsten bouw. De bouwers van 't Stadthuis den eisch der wet voldeden, En volghden zulx de kunst, dat geen van all' de leden In zijnen stant bezwijckt: Vitruvius trede aen, En zelf Apollodoor, bouwmeester van Trajaen, Wiens naelt noch heden praelt te Rome, voor onze oogen. Zy vinden dit gebouw door al zijn leên voltogen, Van boven tot beneên. Geene outheit dit verdooft. Het heeft zijn middenlijf, zijn voeten, armen, hooft, En schouders, elk om 't netst. Het heeft zijn ingewanden, Elck lidt, elck ingewant zijn ambt, gebruick en standen. Hier leeft en zweeft de ziel van ons Wethoudery, Gelijck een Godtheit in, en ziet het zeilryck Y Met 't weerelts ooghsten en Oostindiën geladen, De Zeven landen zelfs ons Heeren en ons Raeden, Orakels van den staet, bezoecken, reis op reis, In tijt van oorelog en ongestoorden pais, En leeren, beter dan by Griecken, en Romeinen, Hoe zich de Grooten hier tot 's nabuurs dienst verkleinen.
Behalve van het Stadhuis en van het straks genoemde huis te Amsterdam, was Van Kampen ook de bouwmeester der prachtige huizinge, welke Vorst Joan Maurits, na zijn terugkomst uit Braziliën, zich te 's Gravenhage naby het Plein liet stichten, doch die, in 1704 geheel afgebrand, door een andere vervangen is: van het Huis te Rijswijk, beroemd om de vredesonderhandelingen, aldaar in 1679 gehouden: van het huis des Heeren van Zuilichem op het Plein in den Haag enz. Van zijn bekwaamheid als schilder en teekenaar getuigen, onder meer, een afbeelding van Laurens Coster, in de "Laure-crans" aan den uitvinder der Boekdrukkunst door Petrus Scriverius gevlochten; een onthoofding van Johannes den Dooper, met levensgroote beelden, een verzameling van vijftig uitmuntende platen, naar teekeningen, door hem te Venetiën vervaardigd, en een aantal keurig in het graauw geschilderde friezen, boven de glasramen eener kamer in het "Hooger huis" naby Amersfoort, welke hofstede, even als later Randenbroek, door hem gebouwd en bewoond werd. Het was op het laatstgenoemde landgoed, dat hy op den 13. September van het jaar 1657 overleed. De Groote Kerk te Amersfoort bevat zijn graf, boven 't welk een gedenkteeken, hem door zijn vrienden opgericht en voor eenige jaren hersteld, van zijn verdiensten gewaagt.
ANNA MARIA SCHURMANS.
Wanneer wy de jaarboeken van eenig beschaafd volk doorbladeren, dan vinden wy daar altijd melding in gemaakt van een of hoogstens twee dier zeldzaam bevoorrechte wezens, die, reeds van hun eerste kindschheid af beroemd, boven hun tijdgenooten blijven uitblinken, niet door hun bekwaamheid in eenig bepaald vak, maar door hun vatbaarheid om elk vak zonder uitzondering, met gelukkig gevolg, te beoefenen: wondermenschen, die zonder moeite en als uit spel zich al die talenten verschaffen, welke voor anderen niet dan na jaren van arbeid en inspanning verkrijgbaar zijn; gelukkigen, van wie men zoû zeggen, dat de Natuur hen als bedorven kinderen heeft willen behandelen, en wie men geneigd zoû zijn boven elk ander te benijden, ware het niet, dat zy althans in een enkel opzicht achterstaan by de zoodanigen, wier genie zich meer uitsluitend in eene richting bewogen heeft, te weten, dat zy over 't geheel geen merkbaren invloed op de beschaving of verlichting van hun tijdvak hebben uitgeöefend, en alzoo meer overeenkomst hebben met de prachtige vuurwerken--die een poos elk ander licht verduisteren om aan de verbaasde toeschouwers een wonderbare mengeling der schoonste kleuren en glansen te vertoonen, doch later weêr verdwijnen, zonder eenig spoor achter te laten,--dan met de gasvlam, wier schijnsel maar ééne kleur vertoont, doch, duurzaam gevoed, een helder en verwarmend licht om zich heen blijft spreiden. Zoodanig een zeldzame verschijning was, b. v., in Italiën Pico de la Mirandola, in Schotland Jakobus Crighton, in de Nederlanden--en wel in dat zelfde tijdvak, aan 't welk geene soort van opluistering ontbrak, Anna Maria Schurmans.
Gewis, zoo immer een vrouw aanspraak heeft mogen maken op den naam van Pandora of "Albegaafde," dan is zy het geweest: en hadde niet de kring, waarin zy verkeerde, en de getuigenis der meest achtbare en meest geloofwaardige personen allen twijfel doen verdwijnen aangaande haar recht om dien naam te voeren, dan zouden wy al licht geneigd zijn, te gelooven, óf dat de lof, haar geschonken, overdreven is geweest, óf dat haar enkele van die geheime kunstmiddelen ten dienste stonden, waarvan zich Albertus Magnus of andere biologen uit vroegeren of lateren tijd bedienden. Zeker is het, dat de Jezuïeten, die haar in 't gevolg van Koningin Kristina bezochten, haar wonderbare begaafdheid niet wisten toe te schrijven dan aan een verbond met den Duivel: een oordeel, dat zeker noch galant jegens een beminlijke en achtingswaardige vrouw, noch liefderijk jegens een vrome Kristin genoemd mag worden.
Vleiender oordeel sprak Cats, in de Voorrede van zijn Trouwring, over haar uit: 't is waar, hy was te haren voordeele ingenomen, althands, het praatjen gaat, dat hy haar ten huwelijk gevraagd had. Is dit werkelijk geschied, en wel, toen zy naauwlijks den veertienjarigen leeftijd bereikte, dan bewijst dit reeds op zich-zelf hoe vroeg zy naar verstand en hart ontwikkeld moet geweest zijn:--en dat hy nog even loflijk over haar bleef spreken, ofschoon het huwelijk tusschen hen beiden geen voortgang had, mag misschien als een nog sterker bewijs te haren voordeele gelden.
En nu ten behoeve van de zoodanigen onder onze lezers, die noch de getuigenissen van Cats aangaande Anna Maria Schurmans, noch zelfs haar levensschets in de werkjens van 't Nut van 't Algemeen gelezen hebben, de gronden aangevoerd, waarop wy ons gerechtigd achten haar den naam van Pandora toe te kennen.