Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
Part 14
Tot nog toe had Van Galen altijd op eigen verantwoordelijkheid strijd gevoerd, en de gevechten, door hem geleverd, waren voorgevallen in eenzame zeeën, en zonder getuigen. In 1639 werd hem voor 't eerst de lang gewenschte gelegenheid verschaft, om op een groot tooneel, ten aanschouwe van vrienden en vyanden, het bewijs te leveren, dat hy zich, niet alleen in byzondere ontmoetingen, maar ook in een geregelden slag, onderscheiden, en zoowel gehoorzamen als gebieden kon. Ter ondersteuning der vloot van Tromp gezonden, die voor Duins lag, werd hy by diens eskader geplaatst, en genoot de eer, met hem het Spaansche Amiraalschip aan te tasten. Vervolgends was hy het, die Evertsen hielp ontzetten, toen deze in den ongelijken strijd tegen de Mater Teresa te kort schoot: en, toen dit logge zeegevaarte door de branders van Musch vernield was, vervolgde hy in de Hoofden twee zware galjoenen, waarvan hy het eene in den grond schoot en het andere als prijs opbracht.
De volgende acht jaren zagen Van Galen weder op gelijke wijze als vroeger den bezem voeren over zee, en, waar hy zich vertoonde, haar van vrijbuiters schoon vegen.
Maar de vrede met Spanje werd gesloten en een ander veld voor Van Galen geopend. In 1649 naar de Spaansche zeeën gezonden, zoû hy thands de Moorsche roovers bestrijden. Het was hier, dat hy, die zoo vaak aan het gevaar ontgaan was om door het geweer des vyands of in de golven om te komen byna door de handen van vuige moordenaars ware gevallen, en zijn behoud alleen aan zijn alles trotserende dapperheid te danken had. Twee galeien en een fluitschip, op de hoogte van Salee, veroverd hebbende, was hy daarmede voor die stad ten anker gegaan. Van daar met de boot naar Port Maria gevaren, alwaar hy een vrij aanzienlijke som voor verkochte slaven te ontfangen had, werd hy zoolang opgehouden, dat de avond reeds gevallen was, toen hy terugkeerde. Naauwelijks buiten de haven zijnde, zag hy zich achtervolgd door een bark, met gewapend volk bemand, en, terstond vermoedende, dat men het op het geld had gemunt, 't welk hy met zich voerde, gaf hy last aan de zijnen, weder naar wal te roeien. Doch naauwlijks had men op de bark zijn doel bespeurd, of het werd verijdeld. De roovers hadden zestien riemen aan boord, waren hem spoedig op zijde en haalden hun wapens voor den dag, terwijl de roeiers van Van Galen zoodanig van schrik bevangen waren, dat zy de riemen naauwlijks gebruiken konden. Hy-zelf, kalm en onverschrokken als altijd, en, bemerkende, dat men een donderbus aanbracht, om op de boot te schieten, verzaakte ook nu zijn gewoonte niet, om den aanval te beginnen, sprong op den kaerel los, die 't stuk aan zoû steken, en deed hem terugdeinzen. Toen, zich op de plecht zijner boot stellende, weêrstond hy gansch alleen, en zonder ander wapen dan zijn degen, de geheele bende, die van pieken en ander geweer voorzien was. Een oogenblik scheen het, of hy de roovers zoû doen terugdeinzen. Zijn voorbeeld had by de zijnen den gezonken moed weder opgewekt: zy volgden hem ten aanval: hy-zelf, hoezeer met wonden overdekt, deed met een opgevatte riem een zijner bespringers in 't water storten; doch een tweede bark kwam de eerste te hulp: twee zijner manschappen werden door de kogels der roovers gewond: de overigen sprongen over boord en zochten zich met zwemmen te redden, en de boot werd overmand. Van de zijnen verlaten, onmachtig verder weêrstand te bieden, springt ook Van Galen uit de boot. Wadende door het water, voelt hy zich door een riemslag op 't hoofd getroffen: hy zinkt voorover en zijn degen ontvalt hem; doch hy rijst op en bereikt het strand. Daar gekomen, vindt hy, by een molen, waar hy bystand zoekt, een der roovers en een zijner matrozen. Dezen moed in 't lijf sprekende, snelt hy, hoezeer wapenloos, den roover tegen, knypt hem met de beide handen den strot dicht, doet hem den degen ontvallen en werpt hem ter aarde. Doch twee andere moordenaars schieten toe: de een geeft den held een kolfslag op 't hoofd, die hem nedervelt: de ander zoekt hem met een dolk te treffen, waarvan Van Galen nog den steek met de vingers weet te keeren: waarna zy, hun slagtoffer dood wanende of voor ontzet beducht, zich verwijderen. De matroos, hoezeer zelf door elf wonden verzwakt, bracht echter zijn Bevelhebber naar de stad, waar de Landvoogd de Hertog van Medina, zich juist bevond, die alle zorg droeg voor den held, hem zijn lijfarts zond, en de roovers liet vatten en te recht stellen. Tegen alle verwachting genas Van Galen zoo spoedig van zijn wonden, dat hy binnen twaalf dagen weder aan boord was. Al zijn geld, op 20 stukken van achten na, bekwam hy terug.
Men beseft, hoe een man als hem het verwijt moest grieven, hem in 1653 door de Staten gedaan, als ging hy in den oorlog tegen de Engelschen maar slap te werk. Reeds in 't vorige jaar had hy by 't eiland Monte Cristo het smaldeel van den Kommandeur Bodley aangetast, en, in weêrwil dat zijn want aan flarden was geschoten, zijn schip zeven schoten onder water bekomen had en drie malen in brand was geraakt, hy had de Britten binnen Porto Longo gedreven, waar hy hen echter niet mocht aanvallen, daar die haven aan een onzijdige natie behoorde. Thands, het onbillijk verwijt der Staten niet kunnende verduren, schonk hy zijn vyand gelegenheid, de haven te verlaten en zeilde naar Livorno, waar zich de Engelsche Schout-by-Nacht Appleton bevond. Zijn verwachting, dat beide eskaders hem nu te samen zouden aanvallen, werd op 14 Maart verwezenlijkt. Hy houdt alsnu op Bodley aan, die hem van achteren opkomt, doch, eensklaps van koers veranderende, werpt hy zich op Appleton, vernielt drie zijner zeven schepen en dwingt er drie, met hun Bevelhebber, tot de overgave. Slechts één ontkwam en koos, met het eskader van Bodley, de vlucht.
Maar de overwinning, hoe glansrijk ook, was door den dood van den Vlootvoogd duur betaald. Reeds de tweede kogel des vyands had hem het been verbrijzeld. Lang verborg hy de wonde en bleef zijn bevelen geven, zelfs nadat het been hem was afgezet. Naar Livorno gevoerd, overleed hy aldaar den 23. Maart.--Zijn lijk werd op 's Lands kosten in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven, waar zijn graftombe nog is te zien, met zijn beeld in marmer en daaronder deze regels:
Hier leidt in 't graf van eer de dappere Van Galen, Die eerst ging buit op buit Castiliën afhalen En met een Leeuwehart, naby 't Toskaner strant, De Britten heeft verjaegt, verovert en verbrandt.
KONSTANTIJN HUYGENS.
Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap, 't welk gewoon was, zich op 't Muiderslot te vereenigen, een zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen, toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent, maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde, wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens, op den 4. September, 1596, te 's Gravenhage geboren, en tweede zoon van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I, later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren, dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze, ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel- en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd, gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel als over taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die deel hadden aan 't Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan 't bewind, hem by zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by 's Prinsen Vader had vervuld. Mocht ook het huwelijk, 't welk Huygens in 1626 aanging met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar, ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in 't leger doorbracht, by voorkeur t'huis by vrouw en kinderen sleet, het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud, en die 't bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd, het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk, misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden raad wisselende en stekelige puntdichten.
Wy noemden het woord "puntdichten": en, zoo aan Huygens in honderd andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan; doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als buiten af bekend wordt. Als geleerde was hy bestemd, anderen voor te lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht, welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige, treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart, en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die Spieghel t'eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk, maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van 't onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd, in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde, dan door ons zoû kunnen gedaan worden:
Eenen bloemhof, milt van geur, Rijck door zijn verscheidenheden Van gedaente en levend kleur: Een banket voor keurige oogen, Een muzykfeest voor 't gehoor, Als de ziel, omhoog getogen Naer de wolcken vaert door 't oor. . . . . . . gulde spreucken, Aerdige spitsvondigheên, Lessen van geen eeuw te kreucken, Redevormers van 't gemeen, Gestoffeerde galeryen, Vol van kunst en wetenschap, Tafereelen waert te vryen, Honighkorven zoet van sap. Al de Dichters in één Dichter, Keur van stof en keur van maet, Kort of langer, zwaer of lichter En gepast op yders Staet.
Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe, mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht, als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden, die, 't zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in hossende snorwagens samengepakt, 't zij te voet, langs de bekoorlijke dreef of onder 't dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende eiken zich uit 's Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in 't krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door 't liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen, tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen, de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en bekoorlijke natuur--is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt, dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt, hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn Huygens, die 't eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg, die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by de Regeering van 's Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart, even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming, tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren, werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden: "De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds, ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen."
Men gevoelt, dat zoo Huygens hier 't woord "Begrafenis" noemt, hy 't oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.
Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn, welke de laatste in 't politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid; en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings deel namen aan 't bewind van den Staat.
JAN ADRIAENSZ. LEEGHWATER.
Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner, een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz., bygenaamd Leeghwater.
Leeghwater:--wellicht denkt men hier aan iemand, die water leêgt; maar behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart onzer taal, die alsdan waterleêger zoû vereischen, zoo ware zy strijdig met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen water, hy ledigde 't land van 't overtollige water.--Ieder, die weet, dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbele a in vele woorden als e wordt uitgesproken, zal begrijpen dat leegh in 's mans bynaam eenvoudig voor laag staat, en wie bekend is met de byzonderheden van 's mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien bynaam verkregen had.
Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet slechts binnen, maar zelfs buiten 's lands een naam verworven. Veel water had hy alzoo laag gemaakt, en belet buiten zijn boorden te spatten of wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer, was niet dan water.
Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen, onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan 't werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om "waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens." Ook by het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door Frederik Hendrik in het leger voor 's Hertogenbosch ontboden werd, om, gelijk hy zelf verhaalt, "het water uit het leger te malen, en de watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:" wat hy naar eisch volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen der belangrijke vesting.
Maar, gelijk wy 't reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog, die toen met 's Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om, zooals hy 't uitdrukt, "te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz."
Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats: voorts kassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en steden, ook twee "notabele speelwerken," voor den Wester- en den Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte hy zich, als hy 't uitdrukt:
Oock somtyts met de pen te spelen, Te teecknen kercken en kasteelen, Daar by, te schryven grof en fijn, Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.
Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar 't schijnt, geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken, aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van 's Gravenhage, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer, die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een hem verleend Oktrooi ware bevestigd.--Hy was alzoo tevens Landmeter, Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker--ja wat was hy niet? bovendien met de kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de vele reizen, welke hy buiten's lands gedaan had, met een schat van ondervinding toegerust.
Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dat aan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk, dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.
Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het Haarlemmer-meir-boeck, 't welk het eerste ontwerp bevatte tot het bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, 't welk, in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.