Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
Part 12
Zoo kwijnde de edele vrouw langzaam weg, tot zy in Junij 1649 de panden, die haar waren voorafgegaan, volgde in 't graf. Jan Vos en Alida Bruno bezongen haar dood; maar geen van beiden deed het in vaerzen, harer waardig. Aandoenlijker--omdat zy niet zoo zeer de vernuftige dichteres, niet de begaafde zangster, maar alleen de moeder golden--klonken de regels, die Huygens haar wijdde:
Dit 's Tesselschades graf: Laat niemand zich vermeten Haer onwaerdeerlickheit in woorden uit te meten. Al wat men van de zon kan zeggen gaat haer af, Hoe dat 's om 't leven quam Verhael ik even noode: Wat dunckt u, moeders?--'t was haer dochter, die haer doodde. En die sy 't leven gaf, was die haer 't leven nam.
Zoo was het treurig uiteinde der eenmaal zoo vrolijke, zoo schitterende, zoo algemeen gevierde, nu zoo diep bedroefde vervallen, zoo verlatene, maar altijd door ieder, die haar kende, zoo hoog geachte, zoo oprecht beminde vrouw. Haar zuster Anna, weduwe als zy, had haar, gelijk wy hierboven gezien hebben, in de ure der beproeving ter zijde gestaan. Zy overleefde haar nog twee jaren, maar had by haar sterven voor 't minst het voorrecht, dat haar kinderen haar de oogen sloten. Of Geertruida hare beide zusters in den dood voorafging of volgde, is ons onbekend. Zeker is het, dat zy nog leefde in 1644, toen Tesselschade by haar te Amsterdam huisvesting genoot.
CASPAR VAN BAERLE.
By het sluiten van het Twaalfjarig Bestand, was Amsterdam uit de worsteling met Spanje rijk en machtig voor den dag getreden. De schatten uit de Indiën stroomden naar de kantoren en magazijnen der handelaren, en alle volkeren der waereld waren cijnsbaar geworden aan het Y. Waar de beschaving zich, door gedurige wrijving met vreemdelingen, meer en meer ontwikkelt, doet zy steeds nieuwe behoeften ontstaan en nieuwe wenschen voeden. Het was weldra voor de Regenten van Amsterdam niet genoeg, de stoffelijke welvaart in hun Staat te zien vermeerderen; ook voor de zedelijke moest gezorgd worden. Aan Leyden--zoo oordeelden zy--moest niet langer het uitsluitend monopolie van het hooger onderwijs verblijven: by de eenzijdigheid in begrippen en leerstellingen, die aldaar heerschte, kon het noch ongepast, noch onnut worden beschouwd, dat er nog een tweede instelling bestond, waar een andere richting werd aangenomen: nevens het nieuwe Bedehuis, door de Remonstranten gesticht, mocht ook wel een School bestaan, in welke de openlijke of bedekte aanhangers hunner gevoelens de beginsels, welke zy waren toegedaan, hoorden verkondigen, althands niet hoorden verketteren: en zoo werd in 1632 het Athenaeum illustre te Amsterdam gesticht. De Regeering begreep echter wijslijk, alle botsing met de Staatskerk te moeten vermijden: zy gaf daarom aan de nieuwe Kweekschool een bloot wetenschappelijke, geen godgeleerde leuze: twee leerstoelen werden er by opgericht: de een, voor het onderwijs in de geschiedenis bestemd, werd aan Vossius gegeven: tot den anderen, bestemd voor het onderwijs in de wijsbegeerte en welsprekendheid, beriep men Caspar van Baerle.
Ware de keuze van dezen laatste gelukkig geweest onder alle omstandigheden, zy was het vooral daarom, omdat zy aan den nieuw gekozen leeraar wederom een loopbaan openstelde, welke hy eenmaal was ingetreden, doch sints een geruimen tijd voor zich gesloten achtte. In 1617 tot Hoogleeraar te Leyden beroepen, had hy zich, in 1621, ten gevolge van zijn verkleefdheid aan de beginselen der Remonstranten, van zijn ambt ontzet gezien, en daardoor tien jaren lang de gelegenheid gemist, om in uitgebreiden kring nuttig te zijn door de mededeeling zijner veelvuldige kundigheden. Die gelegenheid was hem nu weder verschaft; en de vermaardheid, welke hy zoo wel als zijn ambtgenoot zich bereid hadden verworven, lokte aldra naar hun onderwijs een tal van leerlingen, 't welk dat der Leydsche Akademie-burgers bykans evenaarde. De verdiensten, waardoor zich een voortreffelijke leermeester onderscheidt, behooren niet tot de zoodanige, welke haren bezitter een roem verschaffen, die den tijdgenoot verblindt en by de nakomelingen voort blijft leven: zy worden alleen bekend en bewezen uit hare middelijke gevolgen op anderen: zy zijn, by andere, meer in 't oogloopende verdiensten vergeleken, wat de lucht is, vergeleken by het vuur. Van het vuur gevoelen wy niet alleen den gloed; maar wy zien het vonkelen, flikkeren, blaken: en het wekt door den glans, door de verscheidenheid zijner kleuren, onze bewondering;--de lucht daar-en-tegen wordt niet gezien; doch haar invloed blijft daarom niet minder wezentlijk, niet minder weldadig, ja gezegend. Gezegend en weldadig was dan ook de invloed, dien Van Baerle door zijn lessen, door zijn raadgevingen, door zijn goeden smaak, door zijn voorbeeld, uitoefende op de jonge lieden, die 't voorrecht hadden, zijn onderwijs te genieten: en zoo danken wy het grootendeels aan hem, dat het tijdvak van Frederik Hendrik zich ook door wetenschappelijk-wijsgeerige ontwikkeling kenmerkte.
Maar, al ware het niet geweest krachtens zijn verdiensten als leeraar aan de Doorluchtige School, in elk geval had Van Baerle een plaats in deze Galery van beroemde mannen verdiend: zoo door zijn keurige en talrijke proefschriften, over de meest uiteenloopende onderwerpen, als om de voortreffelijke wijze, waarop hy de eer der Latijnsche Zanggodinnen in Nederland ophield. Weinigen onder hen, die 't waagden, de oude dichters in hun eigen taal na te zingen, slaagden daarin even gelukkig als Van Baerle: nog zeldzamer werd hy daarin overtroffen. 't Zij hy op verheven toon den lofgalm aanheft ter eere des Verlossers, de troonsbestijging van Karel I, of de uitvaart van Gustaaf Adolf viert, Bernhard van Saxe of Richelieu bezingt, 't zij hy triomfklanken doet hooren op de overwinningen, door Frederik Hendrik behaald, Vorst Joan Maurits by zijn terugkomst uit Braziel of Prins Willem by zijn echtverbintenis met Maria van Engeland, of Maria de Medicis, by haar bezoek te Amsterdam, geluk wenscht, 't zij hy zijnen talrijken vrienden by de belangrijkste gebeurtenissen huns levens zijn deelneming in korte of meer uitgebreide zangen betuigt, 't zij hy de meest treffende bybelstoffen in roerende elegiën behandelt, 't zij hy, nu eens ernstige, dan eens boertige onderwerpen van den meest uiteenloopenden aart behandelt, altijd is de vorm in overeenstemming met den inhoud: zijn stijl, naar 't past, beurtelings grootsch, statig, zwierig, deftig, vrolijk, schalksch, maar altijd cierlijk, altijd zuiver en behagelijk, vrij van noodeloozen opschik, doch aan wel gekozen beelden en aan gelukkige gedachten rijk.
Nu en dan, ofschoon dan ook maar zeldzaam, sloeg Van Baerle de hand ook aan de Hollandsche lier. Zoo b. v. toen Tesselschade haar vrienden op het Muiderslot verrast had met een geestig bewerkt en vercierd festoen van herfstvruchten, bedankte hy haar op staande voet met dit geestig gedicht:
Geluckige Sale, daer 't Weeutjen in spoockt, Geluckige Schouwe, daer 't selden in roockt! Wie schildert u dus, wie stelt u te pronck? Wie maeckt u dus kruydig, dus aerdigh, dus jonck? Is Flora gevallen uyt Junoos paleys? Is Pales in aentocht? Is Ceres op reys? Heeft Hebe gevlochten dit trotse festoen? Pomona getempert het root met het groen? Neen, 't is noch Godinnen noch Goden hun vondt, Zelfs staen zy verbaest, en sy seggen in 't rondt: De wasdom is ons, die konst van een handt, Die self oock de nydt door haer geest heeft vermant. Ick sie, seyde Ceres, mijn lof en mijn halm: Ick hoor, sey Pomoon, mijner bladeren galm: Ick rieck, seyde Flora, de vrucht en de blom, Die 't son'tje van 't Oost treckt westerwaert om: Ick voel, sprak Juventa, mijn appeltjens ront, Ick proeve, sprack Pales, mijn pruymtjes gesont. Doe sey de Poeêt: het is Tesseltjens doen, Die 't oude maackt jonck en de steenen maeckt groen. O Tesselscha! leeft van de Goden gekust, Die al de vijf sinnen kunt geven haer lust.
Ook in de overige Nederduitsche gedichtjes van Van Baerle heerscht een gelijke losheid en bevalligheid, die aan den lezer, voor zoo verre hy geen Latijn verstaat, een denkbeeld kan geven van het poeëtisch vernuft des vervaardigers.
Onder de redenen, waarom Van Baerle met zooveel zegen werkzaam was te Amsterdam mogen wy vooral rekenen de beminnelijkheid van zijn zacht en vredelievend karakter, dat, zoo wel tot luchtige vreugde als statigen ernst gevormd, bestemd scheen by al wie hem kende genegenheid en vertrouwen in te boezemen. In 1627 had hy het tweede huwlijk van den Drossaert bezongen, en van dat tijdstip was tusschen hen beiden een vriendschap ontstaan, die zonder verkoeling tot aan hun dood bleef voortduren. De vrienden van Hooft bleven ook de zijne. Voor Tesselschade voedde hy een meer teeder gevoel en, toen zijn gade hem ontvallen was, zocht hy--hoewel vruchteloos--de schoone Alkmaarsche weduwe te bewegen, hem dat verlies te vergoeden. Met Vondel bleef hy bestendig op den besten voet, en aan zijn trouwen medestrijder voor de zaak der Remonstranten en Staatsgezinden vergaf hy diens overgang tot het Pausdom, en--wat vrij wat zwaarder vergrijp was in zijn oogen--diens min naauwkeurige overzetting van Virgilius. Vondel, altijd dankbaar voor elk bewijs van hartelijkheid, liet geen gelegenheid ongebruikt, om hem van zijn zijde te toonen, hoe hoogen prijs hy op zijn vriendschap stelde, zoo wel als degeen die hem als dichter en geleerde vercierde. Van die achting en genegenheid van Vondel voor Van Baerle getuigen de talrijke vertalingen in 't Nederduitsch door den eerstgemelde vervaardigd, en de onderscheidene gedichten welke hy hem toezong, of waarin hy zijner gedachtig was. Als voorbeelden mogen hier dienen, in de eerste plaats, de dichtregelen welke Vondel stelde onder het afbeeldsel van Van Baerle door Sandrart:
Zoo zien wy Baerle noch, als 't lichaam leit vergaen; Doch niet zijn wakkren geest, belast, als Klaudiaen En Aristoteles, met onvermoeide schatten, Op maet en zonder maet, de laeghte te verachten. Augustus eeuw komt zelf beluistren zijnen geest, Het zy hy vaerzen dicht, of goude lessen leest.
en, ten anderen, het bevallig byschrift op Van Baerles dochter Suzanna, als bruid van Geeraert Brandt geschilderd:
In geenen trouringh blonck oit Indiaensche paerle Zoo zuiver als Suzan, in 't huisgezin van Baerle. Zy dooft met haer gesicht den klaersten diamant, En stoockt in 't kilste hart een overkuischen brant. De Schoonheit, Jeught en Deught vergaêren hier te gader, Maar 't rijp verstant verbeelt het oordeel van haer Vader.
Maar vooral bleek de hooge schatting, waarin Vondel zijn geleerden vriend hield, uit den aandoenlijken treurzang, dien hy aanhief, toen, op den 14en January 1648, de beroemde man, in ruim drie-en-zestigjarigen ouderdom, het leven liet:
Nu daelt de gansche Helikon In rouwe, en schreit een Hengstebron Van tranen op Apolloos zoon. Apollo treet zijn lauwerkroon Met voeten, en verteert en smilt Tot water. Och, wie paeit en stilt Den Vader, die, zoo root beschreit, Zijn goude stralen nederleit Om dien herboren Klaudiaen? Een Godt stort nimmermeer een traen. 't En zy om iemant van zijn bloet, Op Pindus toppen opgevoedt. Nu zwijght de honighzoete long Des nachtegaels, die eeuwigh zong En quinkeleerde 't heele jaer; Die harp, teorb en cimbelsnaer En orgels mengde met zijn keel Dees Koopstadt, die een lustprieel, Een Tempel scheen, vol zangk en klanck, Begint te quynen en leit kranck Voorover op dien kouden zerck. Een zantkuil, een bekrompen perck Begrijpt dat groote lijck, wiens faem De werelt valt te kleen, en aêm En leven schept uit 's Dichters stof, Waar eenigh Rijck of Vorstenhof Hem eert voor zijne heldenmaet, Zoo langh hy luit of trommel slaet. Ons Hollant mist zijn Zanggoddes, En Aristotels wijze les, En Hippokraet, en Cicero In 't eene lijck. Helaes, hoe noô Verliest een kenner zijn juweel! Zoo valt oock 't eelste een graf ten deel. Men houwe'r, in een lauwerkrans, Dees letters op, ten roem des mans: HIER SLUIMERT BAERLE NEFFENS HOOFT, GEEN ZERK HUN GLANS NOCH VRIENTSCHAP DOOFT.
LEONARDUS MARIUS.
Hoe talrijk ook de mannen waren, die in de dagen van Frederik Hendrik zich aan de wetenschap hadden toegewijd, en hoe velen onder hen by hun tijdgenooten hoogen lof en eere hadden verworven, toch viel niet aan elk hunner, ook waar de verdiensten gelijk stonden, gelijke vermaardheid by het nageslacht te beurt. Reeds by een oppervlakkig onderzoek zal men kunnen opmerken, dat de namen der geleerde Nederlanders uit die eeuw, voor zoo verre zy nog heden ten dage, niet by enkelen, maar algemeen, bekend en beroemd zijn gebleven, gevoerd zijn geworden door personen, die zoo niet tot de Remonstrantsche Broederschap, althands tot de Remonstrantsgezinden behoorden. Byna by uitsluiting zijn het hunne schriften, die, zoo niet algemeen gelezen, dan voor 't minst algemeen aangehaald of op krediet geprezen worden; terwijl de schriften hunner tegenstanders of geheel vergeten of weinig meer bekend zijn. Zoo heeft b. v. de Kerkelijke Historie van Brandt by de nakomelingschap die van Triglandt geheel verdrongen, niet zoo zeer omdat zy, later komende, vollediger geächt kon worden, niet om dat de styl van Triglandt in voortreflijkheid zoo zeer by dien van Brandt zoû achterstaan, maar om dat Brandt een geestverwant was van Arminius, terwijl Triglandt tot de Synodale party behoorde. Welke redenen men aanvoere, om het verschijnsel te verklaren, waarvan wy zoo even gewaagden, die verklaring moet vooral gezocht worden in de omstandigheid, dat de letterkundigen, de critici, zy in één woord, die later in Nederland de uitdeelers waren van den roem, niet tot de heerschende Kerk behoorden, of, al mochten zy in naam Gereformeerden heeten, toch in de daad tot de begrippen der dissenters overhelden. De bontgenootschaplijke geest, die, oorspronklijk door behoefte aan verdediging tegen vervolgzieke overheersching in 't leven geroepen, zich reeds in de eerste helft der zeventiende eeuw gevormd, en op 't veld der letteren alras den boventoon verkregen had, bleef dien ook later, bleef dien ook nog tot in onze eeuw behouden, en het was zijn bestendige politiek, al de verdiensten van al wie niet tot de party behoord had, te verkleinen, te ontkennen, of, wat erger was, er geheel geen gewach van te maken. Het natuurlijk gevolg hiervan moest zijn, dat by de menigte, die van haar meest invloedrijke leermeesters geen ander dan een zeer éénzijdig onderricht ontfing, de letterkundige aanspraken van hen, die elders teruggezet waren, van lieverlede niet dan met minachting werden vermeld, of geheel in 't vergeetboek raakten. Maar trof een zoodanig lot velen onder de Contra-remonstrantsche schrijvers van vroegeren tijd, nog vrij wat meer trof het de Roomsgezinden. De rol, welke de Contraremonstranten der zeventiende eeuw ook op het politiek tooneel gespeeld, het aandeel, dat zy in de heftige twisten van dien tijd hadden genomen, had ten gevolge, dat, zoo al hun schriften niet meer genoemd werden, hun namen toch by ieder bekend bleven. Doch met de Roomschgezinden was het geval geheel anders geweest: buiten de Staatskerk geplaatst, hadden zy den strijd, die daar gestreden werd, die verdeeldheid in 't vyandelijke kamp, met welgevallen kunnen beschouwen, doch zy hadden zich by geene der partyen als bondgenooten kunnen aansluiten, vooral zich niet wagen op dat politiek terrein, waarop zoo herhaaldelijk de oorlog werd overgebracht. Hun beschouwingen moesten uit den grond der zake dan ook meer uitsluitend van bespiegelenden aart zijn, en meer uitsluitend ten behoeve hunner geloofsgenooten geschreven; doch daarom ook minder by andersdenkenden in 't oog vallende, minder de aandacht trekkende van 't algemeen. De kritiek las hun schriften niet. Zy vestigde er niemands aandacht op, en wie later kwam hoorde zelfs de namen der schrijvers niet noemen.
't Is waar, men kan ons het voorbeeld van Vondel tegenwerpen. Vondel was katholiek, tastte als zoodanig de andersdenkenden aan, dorst zich daarby op politiek terrein begeven,--en toch--zijn naam is nog steeds boven dien van alle andere Nederlandsche schrijvers vermaard. Intusschen, de tegenwerping heeft slechts schijnbaar eenige kracht. Vondel had zijn standpunt als Nederlands hoofddichter reeds ingenomen, toen hy tot de Roomsche Kerk overging, en het is de vraag, of, zoo hy niet aanvankelijk in geheel Remonstrantschen zin geschreven en daarom ook tot loftrompetters de volgers en vrienden van Armijn had gehad, mannen als de Groot, Reael, Hooft, Vossius, van Baerle en dergelijken, (juist de zoodanigen, wier uitspraken door de latere beoordeelaars werden nagebaauwd), of dan wel immer aan zijn genie de hulde, die er aan toekomt, ware gebracht. Wy gelooven het niet: en wy meenen zelfs deze onze bewering te kunnen bewijzen uit de omstandigheid, dat, terwijl de letterkundige gidsen uit vroegeren en lateren tijd bestendig met veel ophef spreken over Vondels treurspelen en Anti-Synodale hekeldichten, zy zelden ook met een woord gewach maken van de talrijke gedichten, door hem tot verdediging en verheerlijking van de Roomsche kerk en hare dienaars geschreven. Maar zelden was er een onder hen, die ze las, en de massa, die Vondel kent als den dichter van Gijsbreght en van het liedtjen op de "Weeghschael van Holland", zoû hem vermoedelijk nimmer gekend hebben, indien hy alleen de "Altaergeheimenissen" en de "Bespiegelingen" geschreven had, in weêrwil van al het heerlijke, dat er in voorkomt. 't Is waar, men kent vrij algemeen zijn "Maria Stuart;" maar juist in dat Treurspel had hy zich, ofschoon Katholiek, en als zoodanig, op politiek terrein durven wagen: en 't bekwam hem slecht genoeg om 't nooit weêr te beproeven.
Maar van hen, die nimmer, gelijk Vondel, het voorrecht hadden, door de toongevers te worden opgehemeld, van hen kan men zeggen, wat Horatius zegt van de helden, die vóór Agamemnons tijden geleefd hadden:
Omnes illacrimabili Iacent ignotique longa Nocte, carent quia vate sacro:
Zy slapen in de nacht der vergetelheid, omdat zy--een heiligen zanger, zegt Horatius, maar wy zeggen--de gunst der lofbedeelers misten.--Ons echter, die, het tijdvak van Frederik Hendrik beschouwende, in deze onze galery geene soort van verdienste onherdacht mogen laten, ons betaamt, een billijker maatstaf te bezigen, dan waarvan zich eene aan sleur gewende kritiek bediende, en wanneer wy den roem van die groote mannen verheffen, wier namen wy van oudsher op den voorgrond geplaatst en, eeuw uit eeuw in, met uitbundigen lof vermeld vonden, dan past het ons, ook verder te zoeken en op te sporen, of zich niet hier of daar op den stillen achtergrond een naam bevindt, die, al is hy minder schitterend, toch evenzeer verdient in een helder licht geplaatst te worden. Zoo alleen ontgaan wy het verwijt, dat wy ons zouden vergenoegen, den blooten weêrklank terug te geven van wat vroeger gezegd is.
En stellen wy zoodanig onderzoek in, dan treffen wy er spoedig meer dan een onder die Roomschgezinde geleerden aan, die in onze galery een waardige plaats bekleeden zoû, en aarzelen wy slechts of wy die zullen inruimen aan cierlijke dichters, als de Plempen, aan hooggeplaatste Kerkvoogden als Rovenius, aan bekwame theologen als Wuytiers of Kracht. Maar de overweging, dat ten deze de voorkeur moet gegeven worden aan zoodanig een, die zich vooral onderscheidde door den invloed, welken hy, schoon dan ook op minder in 't oog vallende wijze, op zijn tijdgenooten uitoefende, heeft ons doen besluiten, die plaats te geven aan een man, die, in de dagen van Frederik Hendrik, door handel en wandel, door leering en geschriften, de eer en de belangen der Roomsche kerk niet alleen met wondere bekwaamheid, maar ook met wonderen voorspoed handhaafde, een man, die, wellicht meer dan een zijner ambtgenooten, zijn arbeid vruchten dragen zag, den even geleerden als beschaafden en beminnelijken Leonardus Marius.
Te Goes, in de stad, die Eversdijk en Smallegange had voortgebracht, en eerlang het licht zoû schenken aan Antonides, was Marius in den jare 1588 geboren. Voor den geestelijken stand opgeleid, had hy, reeds op jeugdigen leeftijd, door zijn kennis der beschaafde wetenschappen, der Oostersche talen in 't byzonder, een schitterende vermaardheid verworven, zoo zelfs, dat hy, nog maar even dertig jaren oud zijnde, aan 't hoofd gesteld werd der kweekschool, te Keulen opgericht, ten behoeve van hen, die uit Holland werden gezonden, om zich voor den geestelijken stand te vormen. Vandaar werd hy in 1631 naar Amsterdam geroepen en aldaar tot Pastoor van de Oude Zijde en tot Overste van 't Begijnhof aangesteld; terwijl hy zich eerlang ook de voornaamste bedieningen, als het Deken- en Vikarisschap van Haarlem, op zag dragen. Talrijke schriften in de Latijnsche taal getuigden van zijn vlijt en geleerdheid, en nog bewaart de boekery te Leuven niet minder dan twintig deelen van zijn hand geschreven, en aanteekeningen behelzende op de Heilige Schrift. Doch prijkt zijn naam voluit voor de werken, welke hy, in de taal der geleerden, en voornamelijk te Keulen, in het licht zond, meer omzichtig ging hy te werk, toen hy te Amsterdam en in 't Nederduitsch over geloofspunten handelde, en het was niet dan onder verdichte namen, dat hy zich tegen Episcopius en anderen in een kampstrijd begaf.
Maar werkte hy door middel der pers, het was vooral door mondeling onderwijs en vromen wandel. Geen dag schier ging er voorby, waarop hy niet, 't zij in zijn huiskapel, 't zij elders in de stad gepredikt had. Aan vastheid van karakter en kracht van redeneertrant de grootste minzaamheid parende, bevestigde hy metterdaad de zinspreuk fortiter et suaviter, welke hy zich gekozen had, en met recht kon Vondel, zinspelende op die spreuk en tevens op 's mans voornaam, tot hem zeggen:
Gy, Leo, zijt wel sterk, maer zoet als Nardus geur.
Door beide hoedanigheden wist Marius de achting en het vertrouwen zijner stadgenooten te verwerven, waarvan dagelijks vele, ook Onroomschen, zijn raad in moeilijke omstandigheden kwamen inwinnen. Was het wonder, dat meer dan een, die er zich wel by bevonden had, by een volgende gelegenheid terugkeerde, zijn bezoeken eerlang herhaalde, meer en meer op gemeenzamen voet met hem omging, tot dat hy, nu ook over geloofspunten met hem redeneerende, allengs zwichtte voor 's mans scherpzinnige dialektiek en overredingskracht en van zijn vereerder zijn prozeliet werd. Groot althands was het aantal der nieuwe ledematen, welke Marius, ook uit de aanzienlijkste Gereformeerde geslachten der stad, voor zijn Kerk wist te winnen, en, wat voor hem een streelende zelfvoldoening wezen moest, onder zijn bekeerlingen mocht hy mannen tellen, met kunde, geleerdheid en vernuft bedeeld, hoedanigen het genoeg is, den vermaarden Bernhard Nieuhusius, die by de Lutherschen--en Jacob Ouzeels, die by de Gereformeerden--het predikambt had bekleed, maar bovenal Joost van den Vondel te noemen: en waar wy laatstgemelde in de heerlijkste poëzy en tevens met verwonderingswaardige belezenheid, aan ongelijkbare klaarheid in de voorstelling gepaard, de voornaamste gronden voor het Pausdom zien verdedigen, daar beseffen wy, hoe bekwaam de onderwijzer zijn moest, die zulk een leerling overtuigen en tot medestrijder vormen kon.
Zoo milddadig was Marius by zijn leven geweest, dat, toen hy den 18 October 1652 overleed, er geen genoegzame gelden by hem gevonden werden, om hem ter aarde te doen bestellen. Diep werd dan ook zijn overlijden betreurd, en gewis stemden velen in met de aandoenlijke regels, waarmede Vondel zijn lijkzang op zijn vriend en leermeester besluit: