Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

Part 11

Chapter 113,763 wordsPublic domain

Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden, terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;--men daar en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van onzedelijkheid werpende op den "Frieschen Lusthof" van Starter--en dat nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich, in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing over den invloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen, die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen, een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy, afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust, en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere verschoning aan te voeren, dan dat hy dien "Frieschen Lusthof," om de vervaardiging waarvan hy den maker naar 't helsche vuur zendt, nimmer onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens van denzelfden schrijver, onder den naam van "Boertigheden" gedrukt, en werkelijk minder geschikt in een editie in usum Delphini opgenomen te worden.--De slotsom van dit alles is, dat de "Friesche Lusthof", achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt, en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste en liefelijkste vormen voorgedragen.

Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd, en zijn liederen aan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven: mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde in staat is ons aan te wijzen:--mogen toonkunstenaars zich opgewekt gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte worden gezongen.

DE DOCHTERS VAN ROEMER VISSCHER.

In de nabyheid van den Schreierstoren en aan de noordoostelijke grens van Amsterdam stond, in den aanvang der zeventiende Eeuw, een burgerwoning, die als een vereenigingspunt kon worden opgemerkt van de meest uitstekende vernuften van hun tijd. Het was die van Roemer Visscher, een uit het drietal bekwame taalvorschers, aan wie de Rederijkerskamer "In Liefde Bloeyende", en by gevolg de letterkunde in Nederland, zooveel danks verschuldigd was. Het huis van den man, wien Hooft om zijn gulheid den "ronden Roemer" noemde, stond altijd open voor wie zich opgewekt gevoelde, een uur, des noods den geheelen avond, 't zij met scherts en kout, zang en snarenspel, 't zij met geleerde nasporingen, aangenaam of nuttig door te brengen. 's Mans zinspreuk luidde "Elck wat wils", en het stond aan ieder vrij, die tot zijnent in praktijk te brengen. Maar het waren niet alleen de hartelijkheid des gastheers, zijn geestig onderhoud en het uitzicht, om rondom zijnen haard eenige der kloekste verstanden, waarop Amsterdam zich verhoovaardigen mocht, vereenigd te vinden, die zoo velen naar zijn woning lokte: die woning bevatte drie trekpleisters in de dochters van den huize, Anna, Geertruida en Tesselschade.

Geleerde juffers, in den gewonen zin van 't woord, en maar eenigermate gelijk aan die, welke Molières onvergelijkelijke pen naar 't leven heeft afgeschetst, zal ieder man van smaak en verstand veeleer ontloopen dan opzoeken. Maar niet tot die soort behoorden de dochters van den ronden Roemer, welke wy vooral niet moeten beoordeelen naar de voorstelling, die er de schrijvers uit het laatst der voorgaande of het begin dezer eeuw van geven. Liever schetsen wy haar met de woorden van een tijdgenoot, den Harderwijker Staatsman Ernestus Brink, die zich aldus over haar uitlaat: "Romer die Visscher," schrijft hy, "heeft 3 dochters, die alle in seer fraje exercitiën sijn opgetoogen, connen seer fray musique, schilderen, in glas schrijven ofte graveren, referein maken, emblemata inciseren, allerlei manufacturen borduren, oock goet swemmen, en het zich geleert hebben in haar Vaders tuyn, alwaar een gracht met water was, buyten de stadt."

Maar zoo de dochters van Visscher al de hier vermelde bekwaamheden bezaten, en bovendien de dichtkunst beminden, ja beoefenden, zy waren bovenal meisjens van hooge beschaving en die ten volle de kunst verstonden om door een, dan eens vrolijk, dan eens leerzaam, maar altijd boeiend onderhoud, haar gasten den tijd te korten.

Anna, de oudste, was in 1584 geboren. Aan haar, die zelve dichteres was, droeg haar Vader de taak op, zijne gedichten te verbeteren en te beschaven. Geertruida, of Truitjen, gelijk zy meest genoemd werd, was iets jonger dan hare zuster, en zoo de nakomelingschap, byna twee eeuwen lang, een vrij onbeleefd stilzwijgen omtrent haar bewaard en zich alleen met haar zusters bezig gehouden heeft, 't was geenszins omdat haar naam niet verdiende tot ons over te gaan: de aangehaalde getuigenis van Brink bewijst het tegendeel, en de rede, dat men haar vergeten heeft, is, dat zy reeds vroeg in 't huwelijk trad en wel met Nikolaas van Buyl, Onderschout te Amsterdam. De plichten, die zy als vrouw en moeder te vervullen had, boeiden haar aan haar huis, en hielden haar langzamerhand meer en meer verwijderd van den kring harer bekende vrienden: en zy werd niet meer bewierookt en bezongen gelijk haar nog ongehuwde zusters. Hoe zy echter de kunst bleef liefhebben en voorstaan, blijkt uit de omstandigheid, dat, in 1630, de Poëet van Swoll zijn Margrietje uitgaf "onder de gunst van Juff. Geertruyt Roemers."

Tesselschade, die in 1594 geboren, en dus tien jaar jonger was dan Anna, ontleende haar vreemdklinkenden naam aan de zware schade, die, drie maanden voor dat zy ter waereld kwam, veroorzaakt werd door een hoogen storm op de reede van Texel, waaronder vele Amsterdamsche kooplieden, ook haar vader, geleden hadden. Toen, eenigen tijd na haar geboorte, de vest voor zijn huis werd afgebroken om de stad te vergrooten, noemde hy zijn hond Schae-baet, om dat hy, schaê in Texel geleden hebbende, nu wederom baet kreeg by het afbreken der stadsmuren, die recht over zijn huis stonden, en dat daarom nu zijn huis midden in de stad zoû komen en meer waard zijn.--Vlug, vol geest en gevoel, had Tesselschade reeds van haar vroegste jeugd af de belangstelling opgewekt van haar Vaders vrienden, en bleef, zoolang zy leefden, hun genegenheid behouden.

In 1620 overleed Roemer Visscher; doch de kring, dien hy om zich heen gevormd had, werd daarom niet verbroken. Nog drie jaren later sprak Vondel in zijn "lof der Zeevaert" tot Reaal van

't Zaligh Roemers huis, Wiens vloer betreden wort, wiens drempel is gesleten Van Schilders, Kunstenaers, van Zangers en Poëten.

De beide meisjens, die in dat huis gebleven waren, ontfingen er dus haar gasten nog als te voren, die voor 't overige een nieuwe gelegenheid om zich te vereenigen hadden gevonden op 't slot te Muiden. By den Drost stelden zich Vondel, Coster, Mostert, Reael, Baeck, Vechters en zoo vele anderen schadeloos voor 't gemis van Roemer: in hem hadden diens dochters een vaderlijken vriend behouden, steeds met raad en hulp gereed, en wederkeerig werden de genoegens, welke men ten zijnent smaakte, door haar tegenwoordigheid niet zelden verhoogd. Anna las er de "Sinne-Poppen" haars vaders, waarvan zy de uitgave bezorgd had, en Tesselschade nam het oordeel harer vrienden in over een vertaling van Tassoos verlost Jeruzalem, door haar ondernomen; maar vooral waren het beider muzykale gaven, die Hooft zoo zeer op haar gezelschap gesteld deden zijn. Talrijk zijn de plaatsen in zijn brieven, waarin hy uitweidt over de fraaie stem van Tesselschade en over het genot, dat zy aan haar toehoorders verschafte. Anna schijnt meer bepaald in 't snarenspel bedreven te zijn geweest, gelijk wy kunnen opmaken uit de vergelijking van de navolgende plaatsen uit Vondels gedichten. De eerste is gehaald uit zijn "Lof der Zeevaert," en luidt aldus:

Wy naecken Schreyers-hoeck, daer lieffelijck en bly Een Waterlandsche Rey, de Juffers van ons Y, Met ongehuifde pruick en kletten, geestigh zingen, En naer den toon van zang en spel, haer treden dwingen. Twee diertjens [2] in den hoep aanminnig groeten ons. d'Een volght met zoet muzyck des andren violons.

De andere plaats is uit het bruiloftdicht op Tesselschade.

Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom: d'Een, uit een parkement of: halfgerolde cedel, Las nooten met haer galm, en d'ander met een vedel.

En aan wien, onder dien zwerm van dichters en geleerden, die haar omringden, werd het gegeven, de gedachten dier lieve meisjens af te trekken van de Sinne-Poppen en 't Verlost Jeruzalem, en meer diepe aandoeningen by haar te doen ontstaan, dan de melody der woorden van een lied verwekken kunnen? Gewis werd de Oude Spreuk, volgends welke ieder op zijne beurt voor den invloed der liefde zwicht, ook ten opzichte der gezusters beantwoord; maar niet op zoodanige wijze als men zoû hebben verwacht. Het was geen dichter, geen toonkunstenaar, geen man van de wetenschap, die het hart van Tesseltjen wist te treffen: het was--wy schamen ons byna het te zeggen, en toch mag het niet verzwegen worden, al zoû het onzen lezeressen een blos van spijt op de wangen jagen over de schijnbaar zonderlinge keuze, door eene der meest begaafden van hare sexe gedaan--? het was een zeeofficier, en die nog daarby den alles behalve dichterlijk luidenden naam van Allart Krombalck droeg.--Intusschen, bezat de jongeling noch poëtischen aanleg, noch poëtischen naam, hy was, naar de getuigenis van Hooft, rijk met vernuft, en, wat meer zegt, met voortreffelijke zielshoedanigheden bedeeld. In 1623 werd het huwelijk tusschen de beide gelieven voltrokken, en door de vrienden der Bruid, onder anderen door Vondel, in cierlijke vaerzen bezongen.

Niet lang duurde het, of Anna volgde het voorbeeld harer zuster. Zij huwde in 1624 Dominicus Boot van Wezel, Johansz., mede geen geleerde, maar toch een man van smaak, en gesproten uit een aanzienlijk geslacht, dat te Dordrecht bloeide. Zy volgde derwaarts haren man, gelijk het Tesselschade den haren naar Alkmaar had gedaan.

Te Dordrecht, waar Cats omtrent dien tijd Pensionaris geworden was en aan 't hoofd stond eener dichtschool, die juist niet op den besten voet was met de Amsterdamsche, maakte Anna nieuwe kennissen, waarby, als 't in den aart der zaken lag, de oude eenigzins tekort kwamen.

Dat zy echter met hen in voortdurende betrekking bleef staan, daarvan getuigen, onder anderen, de aanbevelingen, haar in 1642 naar de Zuidelijke Nederlanden mede gegeven door Huygens en Van Baerle. Zy had namelijk het onderwijs van haar beide zonen aan de Paters Jezuïeten te Brussel opgedragen, doch, hen derwaarts geleidende, wilde zy tevens van die gelegenheid gebruik maken, om kennis te maken met de Belgische geleerden, en de brieven van hare twee genoemde vrienden baanden haar daartoe den weg. Wil men weten, hoe men in Belgiën over haar oordeelde, men hoore, hoe de beroemde Leuvensche Hoogleeraar Puteanus zich deswegens uitliet. "Ware ik by u" schreef hy in zwierig Latijn aan Van Baerle, "ik zoû my aan uw gulden boezem werpen en er u vele kussen op drukken: deze toch reken ik uw brief, uw lieven, geestigen, vriendelijken brief waardig, deze ook de beroemde vrouw, my zoo beleefdelijk en cierlijk aanbevolen. Toen ik toch den naam van Anna Roemers las, was ik enkel vreugde, en ik reikte haar de gastvrije rechte, die door haar welwillend werd aangevat; zy toefde niet, maar kwam ten mijnent, en, meer nog, aan mijn hart, my, mijner echtgenoote, mijnen dochteren en gandsche gezin welkom. Onze gulle rondheid mocht haar aangenaam zijn, de schoonheid dezer plaats haar bewondering wekken, het overige deed haar eigen geest. Ik had een Muze ontfangen; slechts Apollo ontbreekt." Aan Huygens schreef hy: "Wel is Anna Roemers een vrouw uwer aanbeveling waardig. Zy heeft door haar beschaving mijn diensten meer dan beloond: haar byzijn heeft mijn woning opgeluisterd, en zy heeft my in haar vernuft doen deelen. Maar, wanneer gy dergelijke vrouwen ten uwent bezit, wat moeten dan wel uw mannen zijn!" enz.

Aan Tesselschade, die zich met haar man te Alkmaar had nedergezet, en alzoo minder dan haar zuster van Amsterdam verwijderd was, viel het dan ook lichter, den omgang met haar vrienden en betrekkingen aldaar te doen voortduren, en zy bleef voor Hooft, Van Baerle en Vondel

Ons kameraetje Het soete Tesselschaetje,

gelijk laatstgemelde haar in een zijner gedichtjens noemde. Over en weder bezocht men elkander en de briefwisseling, vooral met Hooft, duurde onafgebroken voort. Meer dan eens zond zy hem haar poëtische invallen ter verbetering: zoo onder meer een antwoord op zekere beruchte Prijsvraag, die in 1630 door de Amsterdamsche Akademie was voorgesteld, en niet weinig beweging in de geletterde waereld veroorzaakte. Zy luidde aldus:

Apoll', op Helikon gezeten, Vraeght al sijn heylige Poëten Wat beste en slimste tongen zijn? Of waerheyd saligh maeckt, of schijn? Of dwang van vrome Christen-sielen Niet streckt om Hollant te vernielen? Of Vrijheyd niet en was de schat, Waarom men eerst in oorlogh trad?

Of oock in welbestierde steden Een Oproer-maecker wordt geleden? Of Huyse-plond'ren vesten sticht? Of d'Eed geen Burgery verplicht? En of zich Leeraers niet verloopen Wanneer ze desen bandt ontknoopen?

Wiens antwoort kortst en bondighst is En klaerst in dese duysternis, Dien zullen d'Akademiheeren Met eenen Princen-Roemer eeren, Daer Pallas, met haer diamant, In sne den Veltheer van het landt, Die met 's Hartogenbosch gaet strijcken, Daer Maurits tweemael of most wijcken.

De vraag was van Vondel, en het antwoord, dat den roemer verdiende, was de hand van Roemers dochter, die het afbeeldsel des Prinsen op het glas gesneden had. Het luidde aldus:

De beste tong die stemmen smeede Zong Gode loff, den menschen vreede. Die swijgent meest haer deught betoont, Is die met vuer d'Apostels kroont. De snoodst' op aerde deed de menschen Nae Godts verborgen wijsheyt wenschen. De booste sprack uit heemelrijck, Mijn macht sy d'hooghste macht gelijck. In hun sticht Godt Zyn heerschappyen, Die met het doen 't geloof belyen. Schyn, als een drogh en dwaellicht, leidt Wie dat haer volght ter duysterheit. De vrome zielen te belaegen Kan Hollants zachte grond niet dragen. De Roomse geus het smeekent blad, Tot Brussel, ondertekent had Soowel als d'ander; en versocht er 's Lants vryheyt by, aen 's Kaizars dochter. Den muiter die gerustheyt haet Looft altyt een geschockte Staet. Daer d'eene burger 's anders muiren Bestormt, die stadt en kan niet duiren. Geen aerdtsche Godt [3], off hy wordt by Een Eedt verknocht: meer [4] schuttery, Wat leeraers ook dien bant ontlitsen, Die tergen 't snoer der zeeven flitsen.

In 1635 trof Tesselschade een dubbele slag. Vondel had haar juist een geestig dichtstukjen gezonden over zekere vaerzen, uit het vrij duister Engelsch van John Donne in niet zeer helder Hollandsch door Huygens overgezet, en Hooft, verwonderd, dat zy hem over die vertaling haar meening niet mededeelde, had juist aan zijn vrouw, die naar Amsterdam ging, een brief mede gegeven ter verdere bezorging aan Tesselschade, toen hij de tijding bekwam, dat het oudste dochtertjen van Krombalck en deze zelf byna gelijktijdig overleden en te samen begraven waren.

Alle rouw slijt; doch schoon Tesselschade haar verlies droeg met geduld en Kristelijke onderwerping en eerlang haar blijmoedigheid terugkreeg, zy hertrouwde niet. Het had haar echter niet aan gelegenheid ontbroken. Van Baerle, die een paar jaren te voren weduwenaar geworden was, trachtte, door brieven en vaerzen vol teederheid, haar genegenheid te winnen; maar, welke vriendschap hem Tesselschade toedroeg, hy kon als man haar niet lijken. Zy mocht zijn geleerdheid en zacht karakter op prijs stellen; maar zy was te veel vrouw om ingenomen te zijn met zijn zoete klachten en verliefde zuchten, die hem de bestendige plageryen van Hooft op den hals haalden. Zy had--om met Van Vloten te spreken--te veel van den hartigen smaak haars vaders weg, die geen bier zonder hop, geen spijs zonder zout smaakte, om in de verliefde blikken en woorden van een bloot "zoetsappig" vryer veel aantrekkelijks te vinden; zy bracht dat later, by een geheel andere gelegenheid, argeloos maar duidelijk uit, toen zy zijn "pleyster over haer oogh, goedt, en soet, en sacht, en troostelijck, en goddelijck" noemde, maar toch "het nerpend heyl van den hoogh Hofwijckschen poëet" de voorkeur gaf.

Gewis, "de Hofwijksche poëet", de wakkere Konstantyn Huygens, die in 1637 zijn vrouw verloor, ware een meer geschikt man voor Tesselschade geweest dan Van Baerle: hy, vast en zelfstandig gelijk zijn naam, en daarby zoo edel van aart als vlug van vernuft. De Amsterdamsche Hoogleeraar had zelf gevoeld, dat hy voor den Haagschen vriend moest wijken, die bovendien nog 't voorrecht boven hem had, een goed deel jonger te zijn: en Tesselschade van hare zijde voedde een onbepaalde hoogachting, ja een meer dan gewone vriendschap, voor den begaafden Geheimschrijver des Prinsen. Maar het kwam van zijne zijde nimmer tot een verklaring, die dan ook van de hare niet werd aangemoedigd. Zy wisselden geestige puntdichtjens over de Leer; doch, al schenen zy oppervlakkig die zaak schertsende te behandelen, in den grond was Tesselschade te goed Roomsch en Huygens te zeer aan de Staatskerk gehecht, dan dat het verschil van godsdienst niet voor beiden een onoverkomelijk bezwaar zoû gebleven zijn, ook al ware het hun mogelijk geweest, hem, de nagedachtenis zijner Suzanna, haar, die van haren Adelaert, te vergeten. Datzelfde bezwaar bestond niet tegen een verbindtenis met een derden, haar niet min genegen vriend. Ook Vondel was, en reeds voorlang, weduwenaar: ook hy was gevoelig voor haar bekoorlijkheden en wendde pogingen aan, om haar liefde te verwerven; doch ook zijn aanzoek liep vruchteloos af. Wellicht waren hier financiële belemmeringen: misschien ook dat zy, die zich in meer hoofsche kringen bewoog, geen trek gevoelde, een kousewinkel in de Warmoesstraat te betrekken. Wat er van zij, zy nam evenmin den Katholiek Vondel, als den Remonstrant Van Baerle, of den Kalvinist Huygens; maar bleef met alle drie op een goeden voet.

Hooft, die noch 't een noch 't ander was, strekte haar by voortduring, en meer dan een der overigen, tot vraagbaak en vertrouweling. Jaarlijks bezocht zy hem, en zijn brieven vloeien over van haar lof, nu eens over haar fraaie stem, dan eens over haar geestige brieven, of over de cierlijke Italiaansche vaerzen, die zy vervaardigde, o. a. by de komst van Maria de Medicis te Amsterdam.

In 't jaar 1642 overkwam Tesselschade een lastig ongeval. Te Amsterdam zijnde, en voorby een smidswinkel gaande, spatte haar een vonk in 't oog, 't welk zy daardoor kwijt raakte: welk ongeval door Van Baerle en door Huygens werd bezongen. Zy troostte zich echter spoedig in een verlies, 't welk voor 't overige geen gevolgen schijnt gehad te hebben.

Vijf jaren later had zy zwaarder verliezen te betreuren. Den 24. Mei 1647 werd zy--door den dood van Hooft--als vriendin getroffen: op den 31. Augustus van dat jaar werd haar moederhart verscheurd. "Maria Krombalcks," schrijft Hendrik Bruno aan Huygens, "dat schrandere meisjen, Tessels dochter en eenig kint, en daarby naar haar moeder Tessel aardende, is, in den bloei der jeughd, en de omhelzingen harer moeder en harer moei Anna, heden, in een hevige koorts, overleden: een sterfgeval, dat mijner zuster--de dichteresse Alida Bruno--veel tranen, my vele zuchten gekost heeft, soo dat het mijne ziel heeft geschokt, en ik naauw myzelven meester ben."

De slag trof haar diep. Het eenige doel, dat zy nog op de waereld had, was haar ontnomen: zy stond er voortaan alléén: wat had zy hier nog te verrichten? Hoe "gehoorsaam" en zwijgend zy zich onder haar beproeving hield, haar gezondheid had een knak gekregen, waarvan die niet weder opkwam.

"Ik moet u," schrijft Bruno, op den 4. February 1648, aan zijn vriend, "ik moet u, voor ik van myself spreek, de groete overbrengen van Tesselschade, onze heldin, die, hoewel steets door koortse gekwelt, haer ziekte en haer leedt door stantvastig dulden overwint. Ik was gister by haer, zoo als ik veel, en meer by deze eene weduwe ben, dan by al de meisjens, die hier ter stede in de beschaafde wereld zijn. Ik vertolckte haer mijn tranen, by den doodt van onzen, ja vroeger onzen--Van Baerle"--die 14. January overleden was--"en zy hielt haer aendacht zoo op mijne nietige-vaerzen gespannen, dat zy de koortse toen of niet voelde of niet kreegh."