Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik
Part 10
De betrekking als Schepen, welke hy ook na 1622 herhaaldelijk bekleedde, stelde hem in de gelegenheid, de schuilhoeken van het menschelijk hart te bespieden, en lessen en wenken te vergaderen, dienstbaar zoo voor de gerechtelijke als voor de zielsgeneeskunde. Hoe gelukkig hy deze laatste beöefende, bewees hy door de genezing, welke twee waanzinnigen, waarvan de een zich verbeeldde aan blindheid, de ander aan beenverzwakking te lijden, aan zijn scherpzinnigheid en geduld te danken hadden. Ook de kruidkunde was het voorwerp zijner studiën: getrouw aan zijn stelling, dat overal de natuur voor den mensch waakt, stelde hy vast, dat geen land zoo stiefmoederlijk is bedeeld, of het levert inlandsche geneeskruiden voor inheemsche ziekten, en wy moeten het bejammeren, dat hy het werk, waarin hy deze stelling uiteenzette, voor zijn dood heeft verbrand.
Maar ook de grondigste theoretische kennis is op zich zelve niet voldoende om den Arts het vertrouwen zijner medeburgers te verwerven. Aan hem, gelijk aan den Veldheer of aan den Staatsman, mogen de snelle en wisse blik, die het gevaar doorschouwt, en de tegenwoordigheid van geest, die het afwendt, niet ontbreken. Dat Tulp een en ander in een zeldzame mate bezat, dat getuigden zijn tijdgenooten: dat getuigen zijn geschriften, die de slotsom zijner waarnemingen behelzen.--Voegt men hierby, dat hy, door zijn onbaatzuchtige menschlievendheid, zoo wel de troost der zieken was als de toevlucht der armen, dan zal men, naar wy vertrouwen, kunnen geloof hechten aan zijn verklaring, dat het getal der door hem geredden en geheelden ontelbaar was. Byna onbegrijpelijk is het, hoe, by een zoo gestadig en yverig waarnemen der praktijk en een voortdurend geven van onderricht, hy den tijd nog kan gevonden hebben, op zoo veelzijdige wijze aan zijn vaderstad ten dienste te staan. En toch, de ambten, door hem bekleed reeds voor zijn dertigste jaar, als Lid van den Raad, later als weesmeester, Kommissaris van de Bank van Leening en van Huwlijks zaken, als voorzittend Schepen, en eindelijk als Burgemeester, zijn benoeming tot Afgevaardigde--in 1650 aan Prins Willem II, in 1653 naar 's Gravenhage om over den vrede met Engeland te handelen--zijn betrekking als Curator van het Atheneum en als Voorzitter der kommissie van Geneeskundig Toevoorzicht, zijn gedrag vooral in 1672, toen hy, de tachtigjarige grijzaart, met jongelingsvuur en mannemoed in de Statenvergadering van Holland den lafhartigen wederstond, die ons land aan den Franschen geweldenaar zouden hebben overgeleverd, dat alles geeft hem aanspraken genoeg op den eerbied van tijdgenoot en nakomelingschap: en, zonder grootspraak, zonder eigenwaan, kon hy, die, met opoffering van eigen tijd, geld, voordeel en krachten, zoo veel voor zijn medeburgers deed, tot zinnebeeld een brandende kaars voeren, met dit onderschrift: aliis inserviendo consumor, d. i. "door anderen ten dienste te staan, word ik zelf verteerd."
Talrijk waren de maatregelen, die, ter bevordering van de gezondheid der ingezetenen, op aanraden en door den invloed van Tulp, vooral onder zijn bestuur, werden genomen. Om die te leeren kennen heeft men slechts de Keurboeken van Amsterdam na te slaan, en in 't byzonder dat van 1655, toen een wreede pestziekte de stad dreigde te ontvolken. Het was op aandrijven van Tulp dat het venten van oude kleêren en vodden anders dan op een bolwerk buiten de poort, het inbrengen en verkoopen van pruimen, krieken en komkommers, het nering doen of slachten van vee binnen zekeren tijd in huizen, waar iemand aan de pest gestorven was, het opschikken der lijken, het medegaan op de kerkhoven van andere personen dan de dragers, het behangen der sterfhuizen met wollen rouwstoffen, enz., gestreng verboden werd: dat vaste genees- en heelmeesters en apothekers werden aangesteld om de kranken van behoorlijke hulpmiddelen te voorzien, dat het verbranden van het stroo of beddegoed der gestorvenen, het reinigen der straatgoten, het dichtpekken der doodkisten, het zuiveren der lucht door 't branden van pektonnen, het verruimen en vermeerderen der kerkhoven, en het tijdig begraven, werd voorgeschreven. Van dien zelfden tijd is ook een befaamde keur op de maaltijden, die zich begonnen te kenmerken door kwistigen overdaad. Het getal der gerechten en schotels werd beperkt en onder anderen verboden op het nagerecht suikergebak of zoogenaamde gentillesses op te dragen. Intusschen had deze laatste keur het lot van enkele anderen, als o. a. van die tegen het begraven by avond met fakkellicht: zy scheen namelijk alleen uitgevaardigd om overtreden te worden. Immers het feestmaal, dat reeds in datzelfde jaar 1655, ter gelegenheid der bruiloft van Jan de Witt met Wendela Bickersdochter te Amsterdam aan het huis der Bruid gegeven werd, verschilde, wat pracht, overvloed en keur van uitgezochte spijzen betreft, in geen opzicht van die, tegen welke men het noodig geächt had een keur uit te vaardigen, en, mocht Tulp andere verordeningen, door hem tot heil zijner medeburgers ingesteld, getrouw zien nakomen, met opzicht tot die omtrent de gastmalen moest hy ondervinden, dat de mode en de zucht tot schitteren sterker zijn dan alle wettelijke bepalingen die de Overheid kan maken. Hy gaf 't dan ook op, en toen hy op den 28 Januarij 1672, in den tuin achter zijn woning op de Keizersgracht tusschen de Westermarkt en Reestraat, in een opgeslagen loods, die met blaauwe stof behangen was, het vijftigste verjaarfeest vierde van zijn aanstelling tot Raad, en de gasten, voor dat men opdischte al heimelijk vreesden, of wellicht de Burgemeester, door trouwe inachtneming zijner keur, hun toonen zoû, hoe Amsterdam door eenvoud en zuinigheid was groot geworden, werden zy aangenaam verrast, toen zy ontdekten dat de maaltijd niet anders noch minder was, dan men by dergelijke gelegenheden gewoon was. De les van Cats werd echter daarby in acht genomen, waar hy zegt:
Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesen Of iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen: Het is van outs geseght: het is de beste feest, Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.
Immers, by elk gerecht werd een Latijnsch gedicht voorgelezen en omgedeeld: het eerste, vervaardigd door Schepen Joan Six, des Burgemeesters schoonzoon: het tweede, door den beroemden Hoogleeraar Francius: het derde, door Dr. François de Vicq. By het tweede gedicht werd aan ieder der gasten een zilveren gedenkpenning vereerd: en--wel een bewijs dat de keur niet meer gold--ieder mocht een zwaren schotel met suikergebak en konfituren naar huis dragen.
WITTE CORNELISZOON DE WITH.
In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin--gelijk het oude Latijnsche spreekwoord luidt--begunstigt den stoutmoedige: en in stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking voor het Luitenant-Amiraalschap, 't welk aan Tromp werd gegeven, en te recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With om te handelen. Weldra bleek dit, op den gedenkwaardigen dag van 16 September 1639, toen de Spaansche Armada onder d'Oquendo by Bevezier kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd, niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te richten tegen den metalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde, wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning, overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling, die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn, bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken: rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven beantwoorden en, na den strijd, "besmeerd en begruisd; hinkende en ontoonbaar," by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag, "of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?"
Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid van den zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien 't zeevolk den naam van "Vechtgraag" gegeven had, hy bood edelmoedig aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy, als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden, zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep, ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons, of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?
Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd, en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door 't sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy--zoo bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden--gewis meer dan iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid, wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8 November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken toestand wordt De With door een nieuw vyandelijk schip aangetast, dat hem, zonder dat hy 't verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held, zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De With het denkbeeld, dat vaartuig in 's vyands handen te zien vallen: schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken, nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor 't Vaderland gevoerd, weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende ziet hy voor 't minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld: de Brederode is geen vyand in handen gevallen.
Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd en met rouwwindsels behangen.
Te Rotterdam werd op 's Lands kosten aan De With een praalgraf opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen levensloop, luidt als volgt:
Meritis et aeternitati
WITTENII CORNELII DE WIT.
Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit, cui praecipuam hactenus Hollandia debet: totum terrarum ambitum circumnavigavit Utramque Indiam, Nauta, Miles, Praefectusque Nautarum ac Militum vidit; expugnato speculatorio navigio, cum viribus ipsi multum inferior, animo maior esset, argentiferae Classi Americanae capiundae viam patefecit.
Innumeras variarum gentium naves Cepit, incendit, submersit. Per omnes gradus militiae navalis eluctatus Propraetor Patriae Classes et expeditiones maritimas Annis XX rexit. Decies quinque Classibus collatis cum hoste conflixit, Raro aequata clade; plerumque Victor ac Triumphator praeliis rediit. Restabat magnus tot belli facinoribus Imponendus dies VIII Nov. A. M D CLVIII. In recto Maris Baltici supremum Virtutis opus edidit. Ibi primum in praelium ruens, Praetoriam Suecorum invasit, afflixit, Dein propraetorianac praegrandes alias, Eorundem aliquot, Armis, viris, animis Instructissimas, sola propraetoria sua, rejecit, afflixit, submersit; Donec a sociis undique desertus, ab hostibus undique circumfusus, discerpto globis corpore, Bellatricem animam coelo reddidit.
Corpus Ipse Rex hostis generosa fortitudinis hostilis admiratione, splendide compositum in patriam remisit. Vixit LIX annos. Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.
JAN JANSZOON STARTER.
Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. "of niet onze taal even goed voor den zang geschikt is als elke andere?" of wel: "of onze Natie niet even muzykaal is als elke andere?"--dan verkondigt men reeds als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men 't nimmer in 't hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.
In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand, landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal, aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en op bevallige wijze te doen hooren.
Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk: toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in 't leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal, waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.
Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen, daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijk is het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende namen, meest onder die van "mopsjens", gedrukt en een ruimen voorraad bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen, ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;--maar wie onder hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is Jan Janszoon Starter.
Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander in 't hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden, hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero, streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot.
In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef, onder den tytel van "Friesche Lusthof" tot een bundel verzameld, en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten, "den grooten Bruilofts-Hymen." In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd, kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde opgelegd en voltooide de "Angeniet", door dezen begonnen. Van zijn verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is, de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in zoo blijde toonen had bezongen.