Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden
Part 9
Twee dagen later verliet hij Utrecht als marskramer. Niemand zou thans in hem gemakkelijk Fulco herkend hebben. Hij had zijne kleederen verwisseld tegen andere, die een eenigszins uitheemschen snit hadden. De kap, die anders zijn hoofd bedekte, had hij vervangen door eene muts, die zijne lange, zwarte haren vrijheid gaf, hem langs de schouders te zwieren, en daar hij zich gedurende de laatste dagen niet geschoren had; begonnen baard en knevel zijn gelaat met een zwart dons te bedekken. Hij liep, zeker door de zwaarte van zijne mars, sterk voorover, en steunde met de hand op een dikken knuppel, waarin een lange, vlijmscherpe dolk verborgen was. Zoo trok hij van stad tot stad en van kasteel tot kasteel, en trachtte overal zijne koopwaren aan den man te brengen. Dat deed hij met voordacht, omdat hij vreesde, dat anders zijne onervarenheid hem op Crayenstein verraden zou. Eerst viel zijne koopmanschap hem ook werkelijk wel wat vreemd, maar al spoedig begon hij er den slag van te krijgen, en toen in de verre de torens van Dordrecht voor hem oprezen, kon hij zijn woord doen als de beste koopman. Toch klopte hem het hart onstuimig in de borst, toen hij de poort doorging, maar het was niet van angst, neen, alleen de gedachte, dat hij zich met zijn ongelukkigen Heer in dezelfde plaats bevond en de hoop, dat het hem zou mogen gelukken, diens kerker te ontsluiten, joeg hem het bloed onstuimig door de aderen.
't Was tegen den avond, toen hij voor Crayenstein kwam. De wachter stond aan de poort.
"Goeden avond!" zeide Fulco vriendelijk. "Den kramer wordt zeker geen toegang geweigerd?"
"Je kunt binnengaan," zei de wachter, "doch als uwe mars niet bijzonder goed voorzien is, raad ik je aan, uw geluk liever elders te beproeven."
"Zoo? Waarom?" vroeg Fulco.
"Omdat Heer Aloud en de edelvrouwe er niet van, houden, dat men hun prullen aanbiedt," hernam de wachter. "Je zoudt de eerste niet zijn, die met stokslagen de poort werd uitgejaagd."
"Ik waag het er bij, wachter," zeide Fulco. "Mijne mars mag gezien wezen."
Fulco ging de poort door en kwam op het binnenplein.
Dadelijk werd hij door eenige dienaren omringd, die met nieuwsgierige blikken den inhoud van zijne mars opnamen. Sommigen wilden hem zelfs de behulpzame hand bieden, om hem van zijne vracht te ontdoen.
"Ho, vrienden, wacht even!" riep hij, toen hij dat bemerkte. "Ieder op zijne beurt, hoor! Eerst de Burchtheer en de Burchtvrouwe en dan kom ik bij jelui. Zoekt je geld maar vast op, want als ge ziet, wat ik bij mij heb, koop je mijne geheele mars leeg. Wie wil mij even aandienen?"
"Dat zal ik wel doen, kramer," zeide eene schildknaap, die ook was komen toeloopen. "Heb je ook mooie dolken bij je?"
"Met goud ingelegd, zoowel als met zilver, Jonker," antwoordde Fulco. "Gij zult ze nergens schooner vinden."
"Mooi! Straks zullen we zien, of je de waarheid spreekt. Volg mij maar, dan zal ik je naar de zaal brengen."
Heer Aloud en diens gemalinne hadden plaats genomen aan eene tafel in den hoek van het vertrek.
"Kom nader, marskramer," sprak Heer Aloud op bevelenden toon. "Laat zien, wat je hebt. Is het de moeite waard?"
Met eene diepe buiging voldeed Fulco aan dat bevel. Hij plaatste zijne mars op den grond en begon den inhoud zoo verleidelijk mogelijk uit te stallen.
Den edelman legde hij schoone zwaardriemen voor, smaakvol met rood en geel koper versierd; blinkende messen en dolken, met ivoren heften en met goud of zilver gemonteerd.
"Alles van het beste soort, Edele Heer, en geen penning duurder dan op de jaarmarkt. Fijner leder zal Uwe Edelheid op geene enkele plaats ter wereld vinden!"
"En die dolken, hoe duur zijn die?" vroeg de schildknaap, die ook naderbij gekomen was.
"Bepaal eerst uwe keus maar, Jonker. Over den prijs zullen wij het wel eens worden."
Onderwijl de Edelman en zijn schildknaap de verschillende voorwerpen bezichtigden, begon Fulco voor de Burchtvrouwe alles uit te pakken, wat van hare gading kon wezen.
"Fijn lijnwaad, Edele Vrouw?" vroeg hij, terwijl hij een stuk linnen ontrolde, zoo helderwit van kleur als versch gevallen sneeuw.
"Of prachtige zijde? Fijner en schooner is er nog niet gezien, dat verzeker ik u. Zie eens welk een heerlijk beeldwerk daar met gouddraad op aangebracht is."
"'t Is waarlijk schoon, kramer," zeide de edelvrouwe begeerig. "Wat is de prijs van dit stuk?"
"En wat kost deze dolk?" vroeg de schildkaap, terwijl hij op het voorwerp zijner keus wees.
"Ik zal het u dadelijk zeggen, Jonker. Deze zijde, Edele Vrouwe? 't Is een duur stuk, maar in schoonheid en deugd vind het zijns gelijke niet. Het moet eigenlijk drie pond kosten, maar..."
"Drie pond?" riep de edelvrouw uit. "Dat is een hooge prijs, kramer."
"Ja, Edele Vrouwe, 't is waar, de prijs is hoog, maar zie ook eens, hoe heerlijk fijn het is. Doch ik mag het uiterste ook niet vragen: voor twee pond en tien ons wordt het uw eigendom, en dan verzeker ik u, dat er in geheel Holland geen edelvrouw gevonden zal worden wier stof deze kan evenaren."
"En deze zwaardriem?" vroeg Heer Aloud. "Niet overvragen, hoor."
"Een schoone riem, Heer," zeide Fulco. "Toch kan ik hem u voor weinig geld geven; slechts achttien denariën. Valt u dat niet mede?"
"Dat is niet duur!" riep Aloud vergenoegd uit. "Mijn vorige riem is op verre na zoo mooi niet en kost mij de helft meer. De koop is gesloten, hoor."
"En deze dolk, kramer?" vroeg de schildknaap weer. "'t Is de mooiste uit de geheele verzameling, Jonker," zeide Fulco. "Hij kost zeventien schellingen."
"Dat is te veel, kramer," zeide de jonker verdrietig. "Zooveel kan ik niet besteden."
"Deze is goedkooper," zeide Fulco, terwijl hij er een van de tafel opnam.
"Dat wil ik graag gelooven," hernam de jonker, "maar hij is ook lang zoo mooi niet. Kunt ge hem geven voor twaalf schellingen?"
"Onmogelijk, Jonker. Ik heb er zelf meer voor betaald. Maar ik wil het goed met u maken; laten wij het verschil deelen. Een klein winstje, een zoet winstje, zal ik dan maar denken."
"Aangenomen!" riep de jonker, terwijl hij zich verwijderde om het geld te halen.
"Heeft u geene mooie slingers noodig, Edele Heer? Of een prachtigen jachthoren? Zie eens hier. Deze is van elpenbeen, en eene geheele jacht is er op gebeeldhouwd. Mooie gespen of naalden, om uw mantel vast te steken? Ik heb ze met parelen, zoowel als met edelgesteente, te kust en te keur."
Fulco legde zijne geheele verzameling voor den edelman op de tafel. "Zijn ze niet mooi?" vroeg hij, met een trotsch gebaar naar zijne koopwaar wijzende.
"Je hebt een goeden voorraad, kramer, dat moet ik zeggen. Wat kost deze juweelen speld?"
"Een pond, machtige Heer. Geen penning minder."
"Ik zal dit stuk zijde toch maar van u nemen, koopman," besloot de edelvrouw na lange weifeling, "hoewel ik het zeer duur vind."
"Ik geef niet meer dan tien ons," sprak Heer Aloud kortaf.
"Nu, Heer, geluk er mede. Eigenlijk kan het niet, maar het eene moet het andere dan maar weer goed maken."
Nog lang bleven de edelman en zijne gemalinne met Fulco bezig, en verscheidene dure stukken gingen in hunne handen over. Het was al geheel donker, toen hij zijne mars weer op den rug nam en met eene diepe buiging de burchtzaal verliet. Nu begaf hij zich naar het vertrek, waar de kooplustige bedienden al met verlangen naar hem uitkeken.
"Kom binnen! Kom binnen!" riep men hem toe, zoodra hij in de deur verscheen.
Met een vriendelijken avondgroet voldeed hij aan die uitnoodiging, en vlug keek hij in het rond, om te zien, wie hunner wel de gevangenbewaarder zou zijn. Al spoedig viel zijn oog op een dikken man, die met een pijnlijk en knorrig gezicht in den hoek van de kamer zat. Blijkbaar had hij hevige kiespijn, want zijn gelaat was onnatuurlijk opgezet en hij had een doek om het hoofd gebonden. Met een enkelen oogopslag bemerkte Fulco, dat hij aan zijn gordelriem een aantal sleutels had hangen.
"Hem moet ik hebben," dacht Fulco, terwijl hij de tafel naderde. Hij maakte evenwel geen aanstalten om te gaan zitten of zich van zijne mars te ontdoen.
"Het spijt mij wel, goede vrienden," zeide hij, "maar het is nu waarlijk te laat, om mijne mars nog uit te pakken .... "
"Och, kom!" viel men hem van verschillende kanten in de rede, "'t is nog vroeg genoeg. Wij hebben den geheelen avond nog vóór ons."
"Gijlieden wel," hernam Fulco, "maar ik niet. Ik ben vreemd hier in de stad, weet-je, en ik moet nog een onderkomen zien te vinden. Het spijt me werkelijk, want ik heb veel moois bij me en ik wil graag wat verdienen, maar het kan waarlijk niet. Of kan ik hier overnachten? Dan ben ik gaarne tot je dienst."
"Mag dat, Coenraad?" vroegen verscheidene stemmen aan den dikken cipier.
"Neen, zeker niet," bromde deze terug, terwijl hij zijne beide handen tegen zijne wangen drukte, daar hij juist weer een hevigen aanval van kiespijn kreeg. "'t Is hier geen herberg."
"Nu, vrienden!" riep Fulco, terwijl hij opstond, "je hoort het; ik kan hier den nacht niet doorbrengen, dus is het voor mij hoog tijd, om te vertrekken. Heb je zulk eene hevige kiespijn?" vroeg hij op meewarigen toon aan den cipier.
"Verschrikkelijk!" kreunde de dikke sleutelbewaarder.
"Je zoudt eigenlijk van mijn onfeilbaar middel gebruik moeten maken, goede vriend," zeide hij. "Probatum est!"
"Heb-je dan een goed middel tegen kiespijn?" vroeg de cipier verheugd.
"Een goed middel?" vroeg Fulco. "Neen, man, een best, onfeilbaar middel. In een halven dag is de pijn over en wat nog het mooist is, zij komt nooit weerom. Jammer, dat het heel onder in mijne mars ligt. Ik kan er moeilijk bij komen. Nu, goeden avond, vrienden. Tot weerziens!"
Fulco begaf zich langzaam naar de deur. Doch hij had nog geen drie schreden gedaan, of de cipier riep:
"Het, kramer, ho, wacht even! Hoe duur is dat middel?"
"Twee denariën!" riep Fulco.
"Wat? Twee denariën?" vroeg de cipier.
"Twee denariën," herhaalde Fulco, "en geen penning minder. Maar ik wil je een voorstel doen. Geef mij verlof, om den nacht hier door te brengen. Misschien verdien ik dezen avond dan nog genoeg, om u dat heerlijke middel, waardoor al honderden lijders voorgoed hersteld zijn, ten geschenke te geven. Mooier voorstel kan ik toch niet doen. Zoo helpen wij elkander."
"Aangenomen!" riep de cipier. "Zoek het maar gauw op, want ik verga van de pijn."
"Bravo!" riepen de anderen. "Ga zitten koopman, en laat zien, wat je hebt."
"Veel meer dan je koopen zult!" riep Fulco. "Maar kijken kost geen geld, niet waar? Doch laat ik eerst den armen zieke helpen. Ziedaar, hier is het. 't Is het heerlijke middel van Hippocrates, een beroemd kruidkundige uit de oudheid. Wrijf er de zieke plaats aan alle zijden mede in en binnen korten tijd is de pijn geheel verdwenen. Als het noodig is, moet de inwrijving een- of tweemaal herhaald worden."
Coenraad volgde het voorschrift getrouw op, en nu begon Fulco zijne koopwaren op de groote tafel uit te stallen.
"Waar is de kok?" riep hij. "Hier heb ik peper, gember, kruidnagelen, komijn en muskaatnoten. Niet noodig? En hier heb ik hozen van de fijnste soort in allerlei kleur. Je kunt maar kiezen, alles gaat van avond voor een koopje, want ik heb een goeden dag gehad. En ziet eens hier: fijne, sterke haarbanden, gespen, naalden, messen, alles sterk en goedkoop. Linnen en fluweel, dolken van tien penningen en dolken van een pond. Is het geen pracht om te zien?"
Fulco pakte zijne geheele mars uit en liet alles van hand tot hand gaan, zoodat bijna de geheele avond besteed werd aan het uit- en inpakken en bezichtigen van de schoone koopwaren. Het was al laat, eer alle handel afgeloopen en de mars in een hoek van de kamer geplaatst was.
"En hoe gaat het nu met de kiespijn, Coenraad?" vroeg Fulco.
"'t Is niet erger, kramer; ik zou haast zeggen, dat het iets beter is."
"Vóór je naar bed gaat, zullen we de kies nog eens goed inwrijven," zeide Fulco vriendelijk. "En dan moet je mijne spoeling van kruipenden ganzerik eens probeeren. Die helpt ook uitstekend."
"Hoeveel kost die?" vroeg Coenraad. Fulco maakte eene afwerende beweging met de hand en zeide:
"De ééne dienst is den anderen waard, goede vriend. Laten we daarover niet meer spreken."
En zich tot den cipier overbuigende, fluisterde hij hem in het oor:
"Ik slaap hier niet voor niets. In eene herberg zou ik ook moeten betalen, niet waar? Straks, als we alleen zijn, heb ik nog een mooien gordelriem voor je. Ik heb graag overal, waar ik kom, goede vrienden. Doch laat er niets van merken, voor ik vertrokken ben."
Coenraad knikte. De marskramer beviel hem wel, en al spoedig daarna stond hij op, om zich ter ruste te begeven.
"Indien gij wilt, kunt ge wel op mijne kamer slapen," zeide hij tegen Fulco.
"Als ik u daar niet tot overlast ben, heel gaarne," antwoordde Fulco opstaande.
Hij nam zijne mars op den rug, en na allen een goeden nacht toegewenscht te hebben, volgde hij den dikken cipier naar diens vertrek. Hier haalde Fulco een gordelriem uit zijne mars en gaf hem dien.
"Hartelijk dank, kramer!" riep Coenraad verheugd. "Wees er verzekerd van, dat ge voortaan een vriend in mij zult vinden, en als ge weer te Dordrecht komt, kunt ge hier overnachten, hoor."
"Dat neem ik gaarne aan," zeide Fulco. "Hoe is het nu met de kiespijn?"
"'t Wordt al veel beter, maar toch moesten we nog maar eens insmeren."
"Heb ik het niet gezegd? Geen beter middel dan dat van den beroemden Hippocrates. Gebruik nu deze spoeling van ganzerik nog en je zult slapen als een roos, dat verzeker ik u."
Een half uur later lagen Coenraad en Fulco ieder op een rustbed, doch geen van beiden sliep. Coenraad kon niet in slaap komen, omdat de pijn weer heviger geworden was, zoodra hij in het warme bed kwam, en Fulco was wakker, omdat hij niet slapen wilde. Onafgebroken luisterde hij naar de ademhaling van Coenraad, met het vaste plan, om zich, zoodra deze sliep, van de sleutels meester te maken en zich naar de onderaardsche holen te spoeden, in één waarvan Heer Gijsbrecht zijn ongelukkig lot voortsleepte.
Doch zijn geduld werd op eene zware proef gesteld, want het eene uur na het andere ging voorbij, en nog altoos sliep Coenraad niet. Onophoudelijk hoorde Fulco hem kreunen van de pijn. Maar hij verloor zijn geduld niet. Roerloos lag hij op zijne legerstede en door eene rustige en diepe ademhaling trachtte hij Coenraad in den waan te brengen, dat hij sliep.
Eindelijk werd zijn kamergenoot rustiger en korten tijd daarna scheen het Fulco toe, dat hij sliep. Ja, zijne ademhaling werd meer en meer hoorbaar en ging eindelijk over in een luid gesnork.
Fulco wachtte nog wel een half uur, en bemerkte tot zijne groote vreugde, dat Coenraad rustig bleef doorslapen.
"Nu of nooit!" mompelde hij zacht. "De sleutels heeft hij bij zich op bed genomen, als ik goed gezien heb. Het zal niet gemakkelijk gaan, om ze in handen te krijgen, doch die niet waagt, wint ook niet."
Voorzichtig richtte hij zich op. Gelukkig, het ledekant kraakte niet. Nu wachtte hij weer eenigen tijd en hield zijne oogen onafgebroken op de plaats gericht, waar Coenraad lag. Het was donker in het vertrek, zoodat hij hem niet zien kon. Doch aan zijne rustige ademhaling bemerkte hij, dat hij sliep. Zoo langzaam mogelijk liet Fulco zich nu van het bed afglijden, dat hem gelukte zonder eenig gedruisch gemaakt te hebben. Weer hield hij zich een oogenblik stil om te luisteren. Coenraad sliep rustig door. Hij begon zelfs hardop te droomen, waarvan Fulco niet weinig schrikte.
Onhoorbaar plaatste hij nu zijn ééne been vooruit .... Coenraad snorkte door.., nu zijn andere... "krits!" ... daar stootte hij zacht tegen de mars aan, die hij tegen de tafel geplaatst had. Veel gedruisch maakte het niet, maar toch genoeg om onmiddellijk aan het luide gesnork van Coenraad een einde te maken. Fulco voelde, dat hij doodsbleek werd.
"O God, zou het mislukken?" mompelde hij onhoorbaar. Doodstil bleef hij staan. Zou Coenraad wakker zijn? Hij luisterde. Neen, het scheen, dat hij sliep, althans zijne ademhaling was diep en zwaar. Maar snorken en droomen deed hij niet meer.
Fulco wachtte wel een kwartier lang. Toen ging hij zacht met één been weer eene schrede verder. Even later verplaatste hij zijn andere been. Toen bleef hij weer eenige minuten staan. Alles bleef stil. Hij hoorde niets dan de ademhaling van Coenraad. Zacht strekte hij zijn arm uit om te onderzoeken, of hij diens bed al genaderd was. Ja, nog ééne schrede, en hij had zijn doel bereikt. Voorzichtig sloop hij verder. Hij boog zich een weinig voorover, zoodat hij Coenraads adem in zijn gelaat voelde. Waar zouden de sleutels zijn? Onder zijn hoofdkussen? Waarschijnlijk wel. Hij strekte zonder het minste geruisch opnieuw zijn arm uit. Zijn hart klopte hem onstuimig in de borst. Zou het gelukken?
Hij voelde de sleutels niet. Ja toch, daar lag iets kouds. Dat moesten ze zijn. Ha, daar...
Doch plotseling slaakte hij een kreet van schrik, want onverwachts richtte Coenraad zich op en greep hem met beide handen om zijn hals.
"Ha, mannetje, dat dacht je niet, hè?" riep hij uit, terwijl hij zich van zijn bed liet glijden.
Met kracht rukte Fulco zich los. Hij had zich geheel van den schrik hersteld en begreep, dat kalmte alleen hem nog kon redden.
"Kerel, ben je razend geworden?" riep hij uit, terwijl hij zich Coenraad van het lijf hield. "Wat scheelt je toch, om een goed vriend zoo onzacht om zijn hals te pakken? Wat denk-je wel van me?"
"Niet veel goeds, vriendje!" lachte Coenraad. "Ha, ha, dacht je nu waarlijk, dat je Coenraad te slim waart?"
"Maar, beste man," riep Fulco, die zich nog altoos dom hield, "wat denk je dan toch van me? Geloof je soms, dat ik een dief ben?"
"Dat weet ik niet," zeide Coenraad sarrend, "maar veel goeds had-je niet in den zin! Wat moest je anders aan mijn bed doen?"
"Wel, nu nog mooier!" riep Fulco lachend. "Begrijp je dat dan niet? O, Coenraad, Coenraad! Nu dacht ik toch, dat je verstandiger waart."
"Hoe bedoel je dat?" vroeg Coenraad, die inderdaad begon te gelooven, dat hij zich vergist had.
"Zulk eene behandeling heb ik niet aan je verdiend, Coenraad!" hernam Fulco op verwijtenden toon. "Het was niets dan belangstelling van me, dat ik naar je bed ging. Ik wilde alleen even luisteren, of je pijn over was of niet, met het plan, om je kies, zoo dat noodig was, nog eens goed in te wrijven. Ik meende, dat ik je hoorde kreunen."
"Zoo?" zeide Coenraad wantrouwend. "Maar wat moest je dan met je hand aan mijn hoofdkussen doen?"
"Dat is mijn geheim, Coenraad," zeide Fulco op eenigszins geheimzinnigen toon. "Alleen wil ik je zeggen, dat ik je de kiespijn afnam, maar hoe ik dat deed, heen, dat zeg ik niet; dat mag ik ook niet zeggen. Geloof je me nu?"
"'t Is mogelijk," zeide Coenraad schouderophalend.
Blijkbaar was zijn wantrouwen nog niet geheel geweken. "Weet-je wat we doen moesten?" vroeg Fulco lachend. "Nu, wat dan?"
"Wel, we moesten gaan slapen. Weet-je wel, dat je me geducht aan het schrikken gemaakt hebt?"
"Jij mij zeker niet!" bromde Coenraad. "Nu, ga dan maar weer in bed, doch nu haal je niet weer zulke kunsten uit, versta je!"
"Dat is afgesproken," zeide Fulco.
De beide mannen stapten weer in bed.
"Misschien gaat hij weer slapen," dacht Fulco, bedroefd over het mislukken van zijne poging.
Doch dien nacht viel Coenraad niet weer in slaap. Hoewel de woorden van Fulco hem eenigszins hadden gerustgesteld, vertrouwde hij zijn kamergenoot toch niet weer geheel. Slapen althans durfde hij niet, en onophoudelijk luisterde hij, of hij beweging in het andere bed hoorde. Zoo ging de nacht langzaam voorbij.
Coenraad begroette den dag met vreugde. Fulco daarentegen zag de eerste zonnestraal met een bezwaard hart. Bedroefd en terneergeslagen verliet hij, met zijne mars op den rug, den burcht, en moedeloos kwam hij een dag later op Heukelom aan.
"Heb ik het niet gezegd?" riep Heer Otto uit, toen Fulco hem zijn wedervaren vertelde. "'t Is een onbegonnen werk en ik zou verder de moeite maar sparen. Je moogt van geluk spreken, dat je er zoo afgekomen bent."
"Toch geef ik den moed nog niet verloren, Heer!" zeide Fulco. "Wel is mijn eerste plan mislukt, maar misschien ben ik met het tweede gelukkiger."
Den volgenden dag begaf Fulco zich weer op weg, nu echter zonder mars. Hij ging naar Vlaanderen.
Daar oefende hij zich ijverig in de muziek en verbond zich met eenige jongelieden, die bereid waren hem op zijne rondreis als minstreel te vergezellen. Het waren talentvolle jongelieden, die met elkander een voor dien tijd volledig orkest vormden. Fulco zelf bespeelde de viool; zijne metgezellen ieder een ander instrument, namelijk de lier, een instrument met twaalf snaren, dat bespeeld werd met de vingers, een monocordion, een strijkinstrument met één snaar, een chorus, een blaasinstrument, een psalterium en een cyther.
Met dat gezelschap begaf Fulco zich op weg naar Dordrecht, om eene laatste poging tot redding van Heer Gijsbrecht te doen.
Hoe hoopte de brave jongen, dat het hem nu zou mogen gelukken!
HOOFDSTUK 8
De grijze minstreel
't Was feest op Crayenstein, het machtige slot van den gevreesden Aloud, 's Graven Baljuw. De burchtzaal was door een tal van lampen en fakkels verlicht, die hun schijnsel door de ramen naar buiten wierpen, en vroolijk klonk het rinkelen der bekers en het gejuich der gasten zelfs tot buiten de muren.
Wist dan de machtige Aloud niet, hoe het kookte en bruiste in de harten en hoofden der Dordtenaars, die het gejuich van uit de verte konden hooren? Wist hij het niet, hoe gekrenkt die vrije poorters waren door zijne trotschheid en heerschzucht, en hoe zij zich in hunne rechten aangetast achtten door zijn eigenmachtig bestuur? Zag hij niet de dreigende blikken der voorbijgangers, die vol ergernis en toorn de vuist tegen het machtige slot ophieven? Hoorde hij niet, hoe hunne zwaarden kletterden in hunne handen, als zij voorbijgaande het gerest met eene vreeselijke verwensching op de lippen aangrepen? Begreep hij niet, de trotsche Aloud, die van de hoogte zijner adellijke geboorte met minachting neerzag op de vrije poorters, dat hij als op een vulkaan zat, die inwendig beefde van een gloeiend vuur, dat weldra zou uitbarsten en hem vernietigen? Neen, wel wist hij, dat de burgerij hem haatte, maar--wat zou dat? Hij was immers nog meer gevreesd? Wie zou het durven wagen de hand op te heffen tegen den gunsteling van den machtigen Van Borselen, die in's Graven naam het bewind voerde en die zijne handlangers steeds aanmoedigde, den adel te verheffen ten koste van de burgerij? Wie zou het zwaard durven trekken om hem te treffen?
Neen, Aloud zat gerust op zijn kasteel Crayenstein, en hij vierde feest met zijne vrienden. Had hij dan geen reden om te juichen? Had hij den poorters van Dordrecht hunne grootste rechten niet ontnomen en hunne wettige privilegiën geschonden, zonder dat zij zich, een paar woestelingen uitgezonderd, hadden durven verzetten? En die woestelingen, waren zij niet voorbeeldig gestraft ten aanschouwe van de geheele stad, die sidderend van angst het schouwspel had aangezien, zonder het te durven wagen een enkelen kreet van verzet te slaken? En had hij heden de stad niet in het hart aangegrepen, door de Merwede met palen af te zetten, om den handel geheel in zijne macht te hebben? En toch--toch had niemand zijne stem durven laten hooren, om zich tegen zooveel willekeur te verzetten. Neen, hij zat rustig op zijn kasteel Crayenstein, en hij vierde vroolijk feest, want de fiere poorters hadden deemoedig het hoofd gebogen voor den machtigen dwingeland. Hij had het bevel zijns meesters ten uitvoer gebracht. Laat het onder hen gisten en bruisen, laten zij de vuisten dreigend opheffen, als zij zijn kasteel voorbijgaan, of het zwaard met trillende hand bij het gevest grijpen, hij vreest hen niet. Zij zullen het niet wagen, zich tegen hem te verzetten. Zij vreezen zijne wraak.