Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden

Part 8

Chapter 8 3,872 words Public domain Markdown

"Ja, Edele Vrouw, ik heb u een voorstel te doen," antwoordde Fulco zacht, terwijl hij naderbij kwam.

"Dan zal het wel wat goeds wezen," hernam Bertha. "Laat hooren, Fulco, wat ge te zeggen hebt. Het zal ongetwijfeld iets zijn in mijn belang, zooals ik dat van u gewoon ben. "

"Uwe Edelheid heeft al te goede gedachten van mij," zeide Fulco bescheiden, "en bewijst mij meer vriendelijkheid, dan ik verdien."

"Volstrekt niet, Fulco, dat moogt ge niet zeggen!" riep Bertha met tranen in de oogen uit. "Immers, zonder uwe hulp ware mijn dappere gemaal reeds lang een schandelijken dood gestorven, en hoe zou ik het ooit kunnen vergeten, met welk een heldenmoed gij steeds voor zijne belangen hebt gestreden? Neen, Fulco, mijn leven lang zal ik u dankbaar zijn. Doch spreek, welk voorstel wilt gij mij doen; ik ben nieuwsgierig geworden."

"Edele Vrouwe," zeide Fulco bewogen, "mijn dappere Heer mag niet wegkwijnen in een ellendigen kerker. Ik kan het hier niet langer uithouden, de muren van heb kasteel zijn mij te eng, zoolang ik weet, dat hij gevangen zit. Ik bid u, geef mij oorlof, om den burcht te verlaten. Laat mij beproeven, door geweld of door list tot hem door te dringen om hem te verlossen. Hier kan ik wel gemist worden, en wie weet, hoe mijn plan mij misschien gelukken mocht. Laat mij gaan, Edele Vrouwe .... "

"'t Is te laat, dappere Fulco," zeide Bertha zacht. "De vijand omringt den burcht met eene groote macht en niemand kan ongemerkt door hem heenbreken. God weet, hoe gaarne ik u anders zou laten gaan, want zoo iemand, dan zoudt gij in staat zijn, om de kerkerdeur voor hem te openen. Maar ik mag en wil u niet noodeloos opofferen, goede Fulco. Vianen zou u ongetwijfeld dooden. Het is onmogelijk."

"En toch, laat mij gaan!" zeide Fulco met aandrang.

"Ik weet wel een middel om te ontkomen. Laat mij gaan, bid ik u!"

"Welk middel is dat?" vroeg Bertha ongeloovig.

"'t Is heel eenvoudig, Edele Vrouwe; ik maak straks bij den uitval van de verwarring gebruik, om door de vijanden heen te breken. Dat zal mij zooveel moeite niet kosten en ongetwijfeld gelukken."

"En wat denkt ge daarna te doen?"

"Dat weet ik nog niet. Ik zal moeten handelen al naar de omstandigheden zich voordoen. Doch ik zal niet rusten, voor mijn Heer in vrijheid is, dat weet ik zeker."

"Welnu, brave Fulco, ga dan!" sprak Bertha ontroerd, "en dat de goede God u helpe in uwe poging. Volg mij in mijn vertrek, waar ik u alles zal geven, wat u van dienst kan zijn."

Korten tijd daarna kwam Fulco bij de overige krijgsknechten op de binnenplaats, waar iedereen voor den strijd gereed was. Het rammeien van den muur werd onophoudelijk voortgezet. Blijkbaar had Vianen bevolen, ook gedurende den nacht door te werken. De meeste krijgsknechten zaten te paard. De overigen hadden alles bij zich, wat geschikt was, om snel brand te doen ontstaan. Iedereen was zwaar gewapend. Sommigen droegen lansen en speren, anderen hadden dikke knuppels of goedendags, die erin die gespierde armen vreeselijk moorddadig uitzagen.

Fulco trad op Jonker Jan toe en ging met hem een weinig ter zijde.

"Jonker," sprak hij, "ik kom afscheid van u nemen. Ik ga den burcht verlaten."

"Wat?" vroeg de schildknaap verwonderd, "afscheid nemen en den burcht verlaten? Wat gaat ge dan doen?"

"Ik ga trachten Heer Gijsbrecht te verlossen, Jonker. Ik kan het niet van mij verkrijgen, hem aan zijn lot over te laten. 't Zal wel moeilijk gaan, daaraan twijfel ik niet, maar toch wil ik het beproeven. Tijdens het gevecht zal ik trachten, door den vijand heen te breken en mij in veiligheid te brengen. Vaarwel, Jonker, en houd goeden moed!"

"Dat is een edel plan, waarvan ik u niet mag terughouden. Vaarwel, Fulco, en dat uw streven met een goeden uitslag bekroond moge worden. Vaarwel!"

Hartelijk drukten de beide dapperen elkander de hand.

"Nog iets," zeide Fulco fluisterend. "Houd een wakend oog over Peer. Hij is tot alles in staat. Ge weet, wie en wat hij is."

"Heb daarover geen zorg, Fulco; hij zal mij niet gemakkelijk bedriegen, en bij de minste daad, die mij verdacht voorkomt, laat ik hem opsluiten. Maar 't wordt tijd. Laten we gaan."

De krijgers gingen eene nauwe gang door, aan welker einde zich eene deur bevond. Dikke IJsbrand en nog een paar anderen zouden daar de wacht houden, en haar achter de krijgslieden sluiten. Het steken van de trompet zou het teeken zijn, dat zij weer binnengelaten wilden worden.

Langzaam en stil slopen zij de poort uit, waarbij de zware mist hun zeer dienstig was. De vijand merkte niets van hunne nadering, dan toen het reeds te laat was.

"Valt aan! Valt aan!" donderde Jonker Jan, terwijl zijn zwaard een vijand den schedel verpletterde. "Voor IJselstein en Bertha!" en met eene woeste vaart vielen zij op de verschrikte vijanden aan.

"Verraad, verraad! Slaat dood! Te wapen!" schreeuwde Vianen in de grootste woede. Maar zijne brullende kreten waren niet in staat de verwarring te herstellen, die onder zijne verschrikte krijgsknechten ontstond. De een vlood hier-, de ander daarheen. Bijna niemand dacht in zijne ontsteltenis aan tegenweer.

"Vlucht, vlucht!" klonk het overal in de grootste verwarring, terwijl de slagen van Jonker Jan en zijne krijgers verpletterend op de vijanden nederdaalden. "Voor IJselstein en Bertha! Voor IJselstein en Bertha!" galmde het aan alle kanten en die kreet verspreidde overal schrik en ontsteltenis, waar zij gehoord werd. De duisternis maakte de verwarring nog grooter. Vianen was te paard gesprongen en rende als dol heen en weer. Zijn gevreesd zwaard flikkerde door de lucht en daalde telkens doodend op eene of andere donkere gedaante neder. In zijn blinde razernij bemerkte hij niet eens, dat hij zijn eigen dienaren velde.

"Voor IJselstein en Bertha! Voor IJselstein en Bertha!" klonk het jubelend rondom de muren, toen de vijanden ijlings op de vlucht sloegen. Weldra werd het tooneel van den vreeselijken strijd door een rossen gloed verlicht en flikkerden aan alle zijden de vlammen hoog op, daverend begroet door den kreet: "Voor IJselstein en Bertha!"

Maar zoo gemakkelijk liet Vianen zich niet verslaan. Hij had een deel der vluchtenden verzameld en viel met onstuimigen moed op zijne vijanden aan.

"Vianen! Vianen!" klonk het woest.

Doch zij werden niet malsch ontvangen. Jonker Jan met zijne ruiters vocht met heldenmoed, en daar kwamen ook nog de voetknechten, die hun vernielend werk hadden verricht, met opgeheven knuppels en goedendags aangesneld. Het werd een moorddadig gevecht, dat velen het leven kostte. Zoo verwoed vielen de slagen der voetknechten op de maliënkolders en helmen der vijanden neder, dat opnieuw de schrik onder hen kwam en zij ijlings op de vlucht sloegen. Vianen hield het langst stand, doch eindelijk wendde ook hij den teugel en volgde zijne krijgsknechten.

Nu werd het vernielingswerk met vereende kracht voortgezet. Geen blijde bleef heel, geen schietscherm bruikbaar. De kat, dat gevreesde werktuig, werd tot den laatsten splinter door de vlammen verteerd. Het kasteel werd spookachtig verlicht.

"Geef het sein tot verzamelen, Bouke," sprak de jonker tot zijn dienaar. "Ons werk is afgedaan."

Daar klonken de heldere tonen der trompet, en van alle kanten kwamen de strijders te zamen.

"Nu terug naar den burcht," riep de jonker. "De vlammen zullen ons wel bijlichten. Een lustig deuntje, Bouke!"

Onder vroolijk geschetter en daverend gejuich reed men weer door de sluippoort naar binnen, waar zij door de angstige vrouwen met tranen van blijdschap werden begroet. Zij hadden eene groote overwinning behaald, en gelukkig geen enkelen doode te betreuren. Maar Fulco keerde niet terug.

Dien nacht konden zij zich gerust aan den slaap overgeven. De vijand was niet bij machte, iets van belang tegen hen te ondernemen. Hij was met machteloosheid geslagen. Alleen aan de hoofd- en sluippoorten werden wachters gesteld, en dat die hun plicht deden, daarvan ging jonker Jan zich verscheidene malen in den nacht overtuigen. Den braven schildknaap was het geen oogenblik uit de gedachte, wat hij zijn Heer bij diens vertrek had beloofd.

Over de aangerichte verwoesting konden zij pas goed oordeelen, toen de zon hare bleeke najaarsstralen weer over het aardrijk zond, en -- die overtrof nog verre hunne verwachting. Geen enkel werktuig was er overgebleven, alles was verbrand of verwoest. Zelfs de tenten en hutten waren niet gespaard. Alles was door de vlammen verkeerd. Met een daverend gejuich werd die ontdekking door de belegerden begroet. De vijanden daarentegen waren zoo luidruchtig niet. Groot was het aantal dooden, dat het slagveld bedekte, talrijk de vrienden, die zij nimmermeer zouden terugzien. Vianen was woedend over de geleden nederlaag, al zijn werk was vergeefsch geweest, en hij verkeerde in de noodzakelijkheid, alles weer opnieuw te beginnen.

Het zou stellig langer dan eene week duren, eer de vijandelijkheden konden worden voortgezet.

"Toch zal IJselstein vallen!" knarsetandde hij, terwijl hij dreigend de vuist ophief tegen het vaandel, dat, als om hem te tergen, vroolijk van den toren wapperde.

"Voor IJselstein en Bertha!" dreunde het, van de muren.

Vianen zette het beleg met kracht voort. Moeite noch kosten ontzag hij, om zijn doel te bereiken, maar.., de dagen werden weken en de weken zwollen tot maanden, en nog altijd rezen de torens van het machtige kasteel trotsch omhoog, nog altijd wapperde het wapen van IJselstein uitdagend van de tinnen. De moedige Edelvrouwe hield wakker stand, in spijt van Vianens woede. --

HOOFDSTUK 7

Een kramer, die heel wat in zijne mars voerde

Alleen Fulco was niet in den burcht teruggekeerd. Zoodra hij door de sluippoort op het vlakke veld gekomen was, had hij zich van zijne makkers verwijderd, met het doel den strijd te ontwijken en zich in veiligheid te brengen. Doch nauwelijks dreunde hem de strijdkreet van Jonker Jan in de ooren, en hoorde hij het gekletter der wapenen, of een onbedwingbare lust om aan het gevecht deel te nemen maakte zich van hem meester en deed hem in galop terugkeeren. Onder het geroep "Voor IJselstein en Bertha!" wierp hij zich met getrokken zwaard op de vijanden en verspreidde schrik en verwarring overal, waar hij zich op zijn steigerend ros vertoonde. Angstwekkend flikkerde zijn blinkend zwaard door de lucht, en wee den ongelukkige, wien het gold! Met een luid gejuich begroette hij de vernielende vlammen, die hier en daar het slagveld begonnen te verlichten, en bij haar schijnsel mat hij met zijne oogen den omtrek, of hij niet de forsche gestalte van Heer Hendrik van Vianen zag. O, zoo gaarne had hij met het zwaard in de vuist tegenover dien geduchten krijgsman gestaan en met hem gestreden op leven en dood. Doch het geluk was hem niet gunstig. Bevond Fulco zich aan deze zijde van den burcht, dan klonk Vianens strijdkreet aan gene, en spoedde hij zich naar gene zijde, dan hoorde hij aan deze diens aanmoedigende stem. En lang gunde hij zich geen tijd tot zoeken; hij kon dien beter besteden. Met mannenmoed wierp hij zich overal tusschen de strijdenden, waar het gevecht het heetst was, en telkens week de vijand, als zijne gevreesde strijdleus gehoord, de scherpte van zijn zwaard gevoeld werd. Eerst toen aan alle kanten de vlammen zich hoog verhieven en de vijand in eene overhaaste vlucht een goed heenkomen zocht, wendde hij den teugel en verliet in galop het slagveld. Een oogenblik daarna hoorde hij het sein tot verzamelen geven.

"Die uitval heeft doel getroffen," dacht hij, terwijl hij zijn zwaard in de scheede stak. "Goddank, de dappere Edelvrouw behoeft den eersten tijd niet ongerust te wezen, dat Vianen den burcht overmeesteren zal, want hij is voorloopig tot werkeloosheid gedwongen. Ik zou mij al erg bedriegen, als al de belegeringswerktuigen niet verbrand waren, en dan heeft hij minstens veertien dagen noodig, om weer zoover gereed te komen als hij nu reeds was. En tijd gewonnen is veel gewonnen, misschien zelfs wel alles. Toch zie ik de toekomst donker in, als Heer Gijsbrecht niet verlost wordt. Neen, hij mòèt gered worden, al zat hij ook met honderd ketens aan den muur geklonken en al moest ik hem ook halen uit het slot van den machtigen Van Borselen! Maar hoe zal ik het aanleggen, om de meeste kans van slagen te hebben? Daar moet ik eens goed over nadenken. Het beste zal misschien zijn, dat ik eerst naar Heukelom ga. Heer Otto zal ook wel in groote ongerustheid verkeeren, en misschien kan hij mij goeden raad geven. Twee weten in elk geval méér dan één. Ja, dat moest ik doen. Kom Blesje, op een draf! We hebben nog een mooi ritje voor ons!"

Het was nog nacht, toen Fulco te Heukelom aankwam. De brug was opgehaald en de aanwezigheid van de wachters op den toren bewees, dat het oorlogstijd was. Fulco besloot den nacht op eene naburige hoeve door te brengen, teneinde de burchtbewoners niet te storen in hunne rust. Hij reed langzaam verder en kwam weldra, waar hij wezen wilde. Op zijn geroep verscheen de pachter voor een geopend luikje ter zijde van de deur en riep:

"Wie daar?"

"Ik ben het, Fulco, de dienaar van Heer Gijsbrecht van IJselstein. Mag ik den nacht verder bij u doorbrengen, Wijbrand?"

"Wat, ben jij dat, Fulco? Hoe later op den dag, hoe schooner volk, zou ik haast zeggen," zei Wijbrand, die er blijkbaar geen erg had, dat het al na middernacht was. "Wacht, ik kom dadelijk. Ik zal mij even kleeden."

Een oogenblik later werd de deur geopend en trad Wijbrand naar buiten.

"Wel, wel, wie zou dat nu gedacht hebben," zeide hij, terwijl hij Fulco hartelijk de hand drukte. "Ik wist niet beter, of je zat op IJselstein!"

"Daar was ik eenige uren geleden ook nog, Wijbrand," zeide Fulco. "Maar nu ben ik hier, zooals je ziet, en ik verlang erg naar bed, want ik heb drukke dagen achter den rug. Waar zal ik mijn paard laten?"

"Geef mij de teugels maar, dan zal ik het op stal zetten, en ga vast naar binnen. Wel, wel, daar begrijp ik niets van. Je kunt toch niet vliegen, Fulco? IJselstein wordt toch belegerd? Of waren de Hollanders zoo vriendelijk, om je door te laten?"

Fulco begon hartelijk te lachen.

"Neen, Wijbrand, zoo vriendelijk waren ze niet, en de kunst van vliegen ben ik niet machtig. Maar we hebben een uitval gedaan en daar heb ik gebruik van gemaakt, om weg te komen. Ik heb eene boodschap aan Heer Otto, weet je?"

"O, zoo, zoo! Nu begrijp ik het, maar het is toch een stout stuk van je, Fulco. Dat zou iedereen je niet nadoen!"

"Dat moet ook niet, want dan bleef er niemand over, om den burcht te verdedigen," zeide Fulco lachend, terwijl hij naar binnen ging.

Een oogenblik later kwam ook Wijbrand terug, die niet ophield, allerlei vragen tot Fulco te richten, doch deze maakte er een kort einde aan, door hem te vragen, waar hij slapen moest. Wijbrand wees hem zijne rustplaats aan en na korten tijd lag Fulco in een diepen slaap.

Toch was het nog vroeg op den dag, toen hij zich naar het kasteel begaf. Niet zoodra was hij op de ruime binnenplaats aangekomen, of van alle zijden kwam men naar hem toe, om nieuws van het belegerde slot te hooren. Blijkbaar verkeerde iedereen in angst over het lot van de jonge Edelvrouwe, die zoo kort na haar huwelijk reeds in zulke benarde omstandigheden verkeerde. Hij vertelde in korte woorden, hoe de zaken te IJselstein stonden en ging het kasteel binnen, waar hij dadelijk in de burchtzaal werd toegelaten.

Zoodra hij binnenkwam trad Heer Otto hem al te gemoet en vroeg:

"Wat nu, Fulco! Wat is er gebeurd?"

"Niets om u ongerust over te maken, Edele Heer. Wel heeft Vianen al zijne krachten ingespannen, om den burcht zoo spoedig mogelijk te bemachtigen, maar op dit oogenblik heeft hij meer verloren, dan gewonnen. Vooreerst loopt IJselstein geen gevaar."

"Hoe bedoel je dat, Fulco?" vroeg Heer Otto.

"De bezetting heeft gisterenavond een uitval gedaan en al de belegeringswerktuigen verbrand. Vianen is voor geruimen tijd tot werkeloosheid gedwongen."

"Mooi! Mooi!" riep de Heer van Heukelom verheugd uit, terwijl hij zich de handen wreef. "Dat zal hem niet meegevallen zijn! En hoe houdt zich mijne dochter, de Burchtvrouwe?"

"Als eene heldin, Edele Heer. Haar moed en hare vastberadenheid bezielt de geheele bezetting. Uwe Edelheid weet zeker, dat het kind van Vianen zich in hare macht bevindt?"

"Dat weet ik! Dat weet ik! 't Is een meesterlijke zet geweest, en het zou mij niet verwonderen, als jij daar de hand in hadt gehad. Nu, heb ik het mis?"

"Neen, Heer. De Edelvrouw had die eervolle taak aan mij opgedragen en het geluk is mij dienstig geweest."

"Je verdient den ridderslag, Fulco!" riep Heer Otto opgetogen uit. "Wacht even. Ik zal eerst mijne gemalinne met het nieuws op de hoogte brengen. Ik kom dadelijk terug."

Nauwelijks had hij de zaal verlaten, of hij kwam weer binnen, gevolgd door de Burchtvrouwe, die haastig op Fulco toetrad en hem met vragen als het ware overstelpte. Toen hare eerste nieuwsgierigheid een weinig bevredigd was, zeide Heer Otto:

"En wat is nu eigenlijk het doel van uw tocht, Fulco? Ik kan mij niet voorstellen, dat gij den burcht verlaten hebt, alleen om ons dit alles te komen mededeelen. Ongetwijfeld voert gij wat anders in uw schild?"

"Dat is ook zoo, Edele Heer. Ik ben hierheen gekomen, om uw raad in te winnen over een zeer gewichtig plan, dat ik u onder de grootste geheimhouding mededeel, Mijn voornemen is, Heer Gijsbrecht uit den kerker te verlossen."

"Dat is een dwaas plan, Fulco, omdat het eenvoudig onmogelijk is. Nu had ik je wijzer gedacht. Het zou vrij wat verstandiger van je geweest zijn, als je op den burcht gebleven waart."

"Acht u het zoo dwaas, Edele Heer?" vroeg Fulco, wel een weinig ontmoedigd door de woorden van Heer Otto.

"'t Is een onmogelijk plan, Fulco, hetwelk ik u raad, zoo spoedig mogelijk uit uwe gedachten te zetten. Hoe kunt ge zoo dwaas zijn, om zoo ondoordacht den burcht te verlaten."

"Ik ging met verlof van de Burchtvrouwe, Edele Heer, en zoo heel dwaas acht ik het niet. Wel weet ik dat het moeilijk te volvoeren zal zijn en dat het met groote gevaren gepaard zal gaan, maar ik acht het evengoed uitvoerbaar als het opzet, om Vianen zijn kind te ontrooven, en dat is toch ook wel gelukt."

"Dat is waar, Fulco, je hebt gelijk, maar dit,--neen, ik geloof niet, dat het uitvoerbaar is. Het zal je ongetwijfeld het leven kosten."

"Mijn leven heb ik er voor over, Heer," zeide Fulco ernstig. "Ik hoop, dat de goede God mij helpen zal."

Heer Otto schudde peinzend het hoofd, maar de Vrouwe van Heukelom stond op en drukte Fulco geroerd de hand.

"Trouwe Fulco," zeide zij. "Gij hebt een edel hart. Ga met God. Als het Zijn wil is, zullen de kerkerdeuten voor mijn ongelukkigen schoonzoon geopend worden. Ik ben het met u eens: het plan is niet moeilijker uit te voeren, dan het rooven van Vianens kind."

"Ik hoop het van harte," zeide Heer Otto. "Maar weet ge wel eens, waar hij gevangen gehouden wordt?"

"Neen, Heer, dat weet ik niet."

"Hij is te Dordrecht, in een der kerkers van Crayenstein, het slot, dat door Heer Aloud bewoond wordt.

"Ziet gij nu nog het onmogelijke van uw plan niet in?"

"Op Crayenstein?" vroeg Fulco ontsteld.

"Ja, op Crayenstein," herhaalde Heer Otto.

"Toch zal ik het beproeven," hernam Fulco, "al moet het mij ook het leven kosten. Nu is het nog maar de vraag, op welke wijze ik mij daar toegang zal verschaffen."

"Misschien zoudt ge u daar als bediende kunnen laten aanstellen?" opperde de edelvrouwe. "Als dat gelukte, zoudt ge waarschijnlijk wel een middel kunnen vinden, om den kerker te ontsluiten."

"Ja," zeide Fulco peinzend, "àls dat gelukte, maar dat zou al heel toevallig zijn. Heer Aloud zal wel geen gebrek aan dienaars hebben, en als hij mij afwijst, is alles voorbij. Dan zouden zij mij later dadelijk herkennen, als ik mij onder een of ander voorwendsel weer aanmeldde. Neen, ik moet iets anders trachten te vinden, en ik geloof, dat ik iets beters weet."

"Een beter plan?" vroeg Heer Otto nieuwsgierig. "Ja, Edele Heer, eigenlijk heb ik wel twee plannen. Het is nu maar de vraag, welk daarvan de meeste kans van slagen aanbiedt."

"Laat hooren, Fulco. Ik vrees, dat ze beide wel mislukken zullen, maar in elk geval kunnen we dan toch het beste uitkiezen."

"Dat zal de tijd leeren, Heer. Gelooft u, dat het een marskramer onmogelijk zou zijn, voor een nacht herberg op Crayenstein te vinden?"

"Dus je zoudt als marskramer naar Dordrecht willen gaan?" riep de Heer van Heukelom uit, terwijl hij Fulco met bewondering aanzag.

"Ja, Heer. Een marskramer is altoos op elk kasteel nog welkom geweest, althans als zijne mars goed voorzien was. Indien ik mij bij de dienaars van Heer Aloud wat aangenaam weet te maken, zullen zij mij, dunkt me, geen nachtverblijf weigeren, en in dien nacht zou ik dan mijn slag moeten slaan."

"'t Is een uitnemend plan, Fulco, maar hoogst gevaarlijk," riep Heer Otto opgetogen uit. "Ik bewonder je scherpzinnigheid. Je hebt gelijk, zóó zou het kunnen gelukken."

"En het tweede, Fulco?" vroeg de Edelvrouwe bedaard, terwijl ze den jongman met welgevallen aanzag.

"Mijn tweede plan is moeilijker, Vrouwe, en vereischt meer voorbereiding. Misschien is het u niet onbekend, dat men mij te IJselstein wel eens den Minstreel noemt?"

"Dat weet ik."

"Welnu, ook als Minstreel zou men mij den toegang tot het kasteel niet weigeren, en waarschijnlijk evenmin een nachtverblijf."

"Dat is waar," hernam de Edelvrouwe, "maar hebt gij het wel ver genoeg in de kunst van spelen en zingen gebracht, om als Minstreel te kunnen optreden?"

"Ik zou mij eerst nog eenigen tijd moeten oefenen, voor ik het zou kunnen wagen. Ook kan ik dat niet alleen doen. Ik zou eenige muzikanten noodig hebben met veel talent, op wie ik tevens geheel vertrouwen kon. Doch die zullen voor veel geld en goede woorden wel te vinden zijn, daaraan twijfel ik niet. Wat dunkt u van dit plan?"

"Ik vind het zeer goed," zeide de edelvrouw peinzend, "hoewel het even gevaarlijk is, als het eerste. Ik weet waarlijk niet, welk het beste is."

"Mij dunkt, het eerste!" riep Heer Otto uit. "Ik ging als marskramer.

"'t Is wel het eenvoudigste," zeide Fulco.

"En daarom aan te bevelen!" meende de edelman.

"Het zou ook dit voor hebben, dat het spoediger beslist is," hernam de burchtvrouwe.

"Welnu," zeide Fulco, "dan zal ik het wagen. Morgen ga ik naar Utrecht, om mij alles aan te schaffen, wat ik noodig heb, en eer we eene week verder zijn, is Heer Gijsbrecht hier, of .... "

"Nu, of...?"

"Of ik deel zijne gevangenschap."

"Laten we hopen, dat het zoover niet komen zal," sprak de edelvrouw; "o, Fulco, wat zou het gelukkig zijn, als gij uw Heer kondt verlossen."

's Anderendaags nam Fulco afscheid, en sloeg te paard den weg naar Utrecht in. Hij was geheel vervuld van zijn plan, en de brave jongeling dacht meer aan het ongelukkige lot van zijn Heer dan aan het gevaar, waaraan hij zichzelven ging blootstellen. Tegen den middag bereikte hij de Bisschopsstad, en, voortvarend en onvermoeid als hij was, begon hij dadelijk de noodige inkoopen te doen, om in zijne nieuwe rol te kunnen optreden.