# Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/fulco-de-minstreel-een-historisch-verhaal-uit-den-tijd-van-graa-e4fb3982/index.md

Weinig uren daarna klonken de heldere klokketonen van de burchtkapel over veld en weide, en verkondigden ver in 't rond, dat de huwelijksplechtigheid een aanvang zou nemen. Edele ridders, in hunne schoonste en sierlijkste kleederen gehuld, kwamen met hunne vrouwen en dochters, schitterende van diamanten en edelgesteenten, de kapel binnen en namen plaats. En nauwelijks waren zij gezeten, of daar verscheen Gijsbrecht van IJselstein met zijne schoone bruid aan den arm. Het bruidspaar begaf zich naar de zetels die voor het altaar waren geplaatst. Aller oogen waren op hen gericht, en dat was waarlijk geen wonder, want zelden nog was er een schooner paar voor het echtaltaar geknield.

Welk eene vorstelijke gestalte gaf die bruidegom, welk eene fierheid, gepaard met innemende lieftalligheid, die bruid te bewonderen.

Zoodra zij hadden plaats genomen, begon het koorgezang. De Bisschop trad door eene zijdeur binnen en knielde voor het altaar neder, waar hij bad, totdat het koorgezang zweeg. Toen stond hij op, om den gewonen kerkdienst te doen, waarna hij het jonge paar in den echt vereenigde. Schoon was de toespraak, waarin hij hun de dure verplichtingen voorhield, die zij in dit oogenblik jegens elkander op zich namen, hartelijk en van vriendschap getuigende waren de woorden, waarmede hij hun al het geluk toewenschte, dat op de aarde gesmaakt kan worden.

Innig geroerd knielden Gijsbrecht en Bertha voor hem neder en ontvingen zijn zegen. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Onder koorgezang en orgelmuziek verlieten allen het kerkgebouw, om zich naar de burchtzaal te begeven. En dat het daar niet aan gelukwenschen en hartelijke handdrukken ontbrak, is licht te begrijpen. Als bruidsgeschenk ontving Bertha van hare ouders het rijke slot, waarin het feest gevierd werd.

Intusschen was het daarbuiten, om het afgezette tournooiveld, nog veel drukker en woeliger geworden dan in den burcht. Honderden menschen, misschien wel duizenden, waren van de omliggende plaatsen samengestroomd, om het steekspel bij te wonen, dat ter eere van dit huwelijk zou worden gehouden. En de menschen troffen het bijzonder, want het was prachtig weer.

Geen wolkje was er aan den hemel te zien, en de zon scheen wel te spelen met de schitterende kleuren der vaandels, die het tournooiveld versierden. Pratende, lachende en joelende bewoog zich de menigte rondom het veld of verdrong zich om de stellages, door rondreizende kunstenmakers of kooplieden opgericht. Hier trachtte een potsenmaker door een vloed van snaaksche gezegden en het trekken van allerlei leelijke gezichten, die, naar het algemeen gelach te oordeelen, blijkbaar in den smaak van zijne hoorders vielen, de snuisterijen van zijn meester aan den man te brengen, terwijl deze er voor zorgde, ze zoo uitlokkend mogelijk op eene tafel te rangschikken. Daar vertelde een andere grappenmaker,--en hij zette zijne woorden kracht bij, door af en toe zoo geweldig op een trompet te blazen, alsof de toenmalige gehoorvliezen van olifantsvel waren,--dat zijn meester een beroemde Oosterling was, die tot heil van de lijdende menschheid uit zuivere liefde voor zijne medeschepselen, uit het Heilige Land was overgekomen met onfeilbare geneesmiddedelen voor alle mogelijke kwalen. Voor eene kleinigheid kon men bij hem terecht, want het was hem volstrekt niet te doen om rijk te worden. O neen, hij kwam alleen met het doel, om zieke menschen weer gezond te maken. Hij trok zonder pijn kiezen, alsof het grassprietjes waren, maakte recht wat krom, en hoorende, wat doof was. Kortom, hij was een ware wonderdokter.

Elders weer werd de schare gelokt door het heldere geluid van eene vedel. Daar laat een rondreizende minstreel zijne zangen hooren, en hij heeft eer van zijn werk. Zie slechts, hoe iedereen met aandacht luistert, hoe al die oogen schitteren, waar de zanger met krachtige tonen de roemrijke daden van zijn held bezingt, hoe een angstige trek op ieders gelaat verschijnt, waar hun wordt verteld hoe hij gewond en stervende van zijn ros geslingerd wordt, hoe een traan in menig oog opwelt, als in roerende klanken de smart der liefhebbende en treurende Edelvrouw wordt verhaald.

Onder de hoorders, die aan de lippen van den zanger hingen, bevond zich ook Fulco, wiens hulp op den burcht wel eenigen tijd gemist kon worden. En een vurig bewonderaar van zang en muziek als hij was, hadden de tonen der vedel hem al spoedig naar de plaats gelokt, waar de minstreel zijne liederen zong.

"Mooi, dat was mooi!" mompelde Fulco, toen het lied uit was, zich haastig, als schaamde hij zich er voor, een traan uit het oog vegende. En na den minstreel met een geldstukje voor zijne kunst beloond te hebben, sloeg hij den weg in naar den potsenmaker, die nog altoos bezig was, de groote bekwaamheden van den Oosterschen wonderdokter te verkondigen. Weldra schudde hij van het lachen bij de snakerijen, die hij hoorde, en die hem al spoedig den indruk deden verliezen, door den zanger bij hem gewekt.

"Komt, menschen," klinkt het van de stellage, "blijft daar toch niet langer staan, alsof je wortel geschoten hadt in den grond! Voor alle kwalen, geen enkele uitgezonderd, weet deze beroemde Oosterling raad. Heb-je hoofdpijn,--hij strijkt je driemaal met zijn heiligen steen langs het voorhoofd, blaast, en--pfff, weg vliegt de pijn! Heb-je eksteroogen, bloedvinnen of puisten,--zijne zachte olie doet ze in drie dagen tijds verdwijnen als erwtensoep in eene hongerige maag! Heb-je een bochel of kromme beenen, in twee maanden maakt zijne zalf je zoo recht als de stok, waarmede mijne lieve grootmoeder me placht af te ranselen in mijne prille jeugd! En die was recht hoor, niet mijne grootmoeder, neen, die volstrekt niet, maar de stok, en taai ook, dat verzeker ik je. 't Is, of ik het nog voel!" En hierbij trekt de grappenmaker weer zoo'n leelijk gezicht, dat iedereen het uitschatert. "Komt menschen, voor alle kwalen weet hij raad, en hij reist de geheele wereld door, alleen uit liefde tot zijn lijdenden evenmensch. Geen ziekte, geen kwaal is er, waarvoor hij geen raad weet, en zelfs die voor ongeneeslijk zijn verklaard, herstellen nog door zijne beroemde wonderzalf, die, wonder boven wonder, een been of arm weer doet aangroeien, waar zulk een lichaamsdeel verloren is gegaan! En dat in hoogstens drie maanden tijds!"

En de spreker heeft eer van zijn werk, want verscheidene omstanders richten hunne schreden naar den beroemden man, om voor goed geld slechte medicijnen te koopen. Doch den potsenmaker gaat het nog niet vlug genoeg. Er moeten meer koopers komen; daarom laat hij zijne oogen onder de menigte ronddwalen, tot hij iemand opmerkt, die er zeer bleek en lijdend uitziet. Dien man met den vinger aanwijzend, gaat hij voort:

"Zie me daar nu dien ongelukkigen stumper staan. Wat eene kleur! Hoe vermagerd! Ik vraag u, menschen, staat hij al niet met zijn éénen voet in het graf?"

Aller oogen richten zich op den aangewezen persoon, die zich thans daar wel honderd mijlen vandaan wenscht. Ook Fulco kijkt dien kant uit, en--herkent dadelijk den lijfeigene van den Heer van Vianen.

"Ha, ha," mompelt hij, "dat is mijn lieve vriend. Wacht, daar moet ik bij wezen. Schooner gelegenheid komt er misschien nooit weer terug."

En zich tusschen het volk doordringende, gaat hij ongemerkt achter den lijfeigene staan, die, hoe warm hij het ook heeft, nog altoos de kap van zijne lijfrok over het hoofd houdt.

"En wat zal hem schelen?" gaat de bediende van den wonderdokter voort. "Wat zal hem schelen? Zóó erg of zóó vreemd kan het niet wezen, of mijn beroemde meester maakt het in korten tijd beter. Heb-je 't in de ingewanden, goede vriend? Of heb-je pijn of ben-je ziek? In een oogwenk ben-je zoo gezond als een vischje. Kom, draal niet langer, 't kost maar eene kleinigheid, en, kun-je niet betalen, dan kost het je niets, totaal niets! Kan het nog mooier? Wat, blijf-je nog staan? Durf-je niet? Dan zal ik het nog beter met je maken. Zeg maar, wat je scheelt, en ik zal zelf de kruiden halen, die je noodig hebt, en je genezen, daar iedereen bijstaat. Zeg maar, wat je deert."

Doch de lijfeigene blijft zwijgen.

"Dan zal ik het wel zeggen," roept Fulco lachend. En de vuile kap bij de punt vastgrijpende, trekt hij die plotseling achterover, wat met een kreet van pijn door den dienaar wordt beantwoord. En nu is het iedereen duidelijk, wat den man scheelt. Aan zijn hoofd heeft hij eene slecht verbonden wond, die, ongereinigd, veel erger schijnt, dan zij werkelijk is.

"Kom maar hier, goede man, ik zal je wel helpen!" roept de potsenmaker. "In eene week is het genezen, dat beloof ik je."

Fulco luisterde niet langer. Hij had zijn doel bereikt. Hij boog zich tot den dienstman over en fluisterde hem in 't oor: "Schurk, durf jij wel weerlooze jonkvrouwen aanranden? Dat dacht je niet, hè, dat het zoo gauw aan het licht zou komen. Bereid je maar voor op hetgeen je te wachten staat!"

En zich omdraaiende, verliet hij de groep, om op eene andere plaats naar iets anders te gaan kijken. Doch daartoe had hij geen gelegenheid, want plotseling werd zijne aandacht getrokken door schetterende muziek, getrappel van paarden en kletteren van wapens. De ridders waren in aantocht. Het steekspel zou beginnen.

HOOFDSTUK 3

Een steekspel en wat er de gevolgen van waren

Welk een schoonen stoet vormden die ridders op hunne vurige rossen. Hoe schitterden die wapenrustingen in de helle zonnestralen, hoe kostbaar waren zoowel paarden als ruiters getooid, hoe vroolijk wapperden de vaandels boven hunne hoofden, hoe fier zaten die ridders te paard!

Voorop rijdt Hendrik van Vianen, de geduchte kampioen, wien reeds bij voorbaat door bijna iedereen, ook door hem zelven, de overwinning wordt toegeschreven. Hoe trotsch laat hij zijne oogen ronddwalen over de menigte, die het tournooiveld omringt, en een verwaten glimlach komt over zijn norsch gelaat, als hij ziet, hoe daar de hoofden bij elkaar worden gestoken en men fluistert:

"Dat is de Heer van Vianen, die nog nooit overwonnen is."

"Kent ge hem?" vraagt een ander.

"Kennen, neen, doch ik zie het aan het wapen, dat op zijn maliënkolder geschilderd is; zie maar: drie zwarte zuilen op een veld van zilver."

"Wat ziet hij er trotsch uit!"

"Geen wonder waarlijk. Hij heeft in kracht en moed zijne partij nog nooit gevonden!"

"En wie is dat, die ridder met de gekanteelde baren op zilver?"

"Weet je dat niet? 't Is de Heer van Arkel. Maar zie eens, daar komen de edelvrouwen. Wat zijn ze prachtig gekleed!"

"Prachtig? Dat zou ik meenen! 't Is bekend, dat bijna elke edelvrouw wel zooveel juweelen aan haar lijfrok en gordelriem draagt, dat men er wel een kasteel voor koopen kan. Kijk, kijk, daar is de heer van IJselstein met zijne bruid. Wat een schoon paar! Hij doet zeker niet mede aan het steekspel, want hij neemt in de hooge tent bij de Vrouwen plaats. Zeker de eereplaats. Dat is jammer. Ik had hem wel eens tegen Vianen willen zien."

"Dat zal hij wel niet durven. 't Is ook niet alles, om voor de oogen van je bruid van 't paard te worden geworpen.

"Bang is hij anders niet; dat heeft hij getoond na den dood van Graaf Floris, toen hij een van de eersten was, die te velde trok om den moord te wreken. En toen heeft hij zich dapper gedragen, zooals iedereen weet."

"Dat is waar. Nu, misschien doet hij dan niet mede, om den Bisschop gezelschap te houden. Kijk, die zit naast hem."

Terwijl deze en dergelijke gesprekken gehouden werden door de omstanders, reden de ridders in optocht het tournooiveld eenige malen rond. Telkens als zij voorbij het bruidspaar reden, maakten zij eene sierlijke buiging en lieten zij de speren zakken.

Op een teeken van de kamprechters, aan wie de leiding van het spel was toevertrouwd, hielden de ridders halt en werden hun de tournooiwetten voorgelezen. Daarna verdeelden zij zich in twee groepen, die aan weerszijden van een touw, dat het krijt in twee gelijke helften verdeelde, plaats namen en ieder een aanvoerder kozen.

Aan de eene zijde viel die eer te beurt aan den Heer van Heusden, kenbaar aan zijn blazoen, dat een rad van keel voerde op goud, aan de andere zijde aan den Heer van Vianen, wiens vroegere overwinningen hem ook bijna recht gaven op die onderscheiding. De ridders reden terug tot aan het einde van het krijt en monsterden met een laatsten blik den toestand van hunne rusting en de tuigage van hun paard.

De kamprechters, gewapend met lange staven en omringd door hunne dienaren, die, als krijtwaarders, kortere staven in de hand droegen, namen plaats aan de einden van het touw.

Alles is gereed. Ademloos bijna wacht ieder op hetgeen gebeuren zal. Daar heft Bertha van Arkel, nu Vrouwe van IJselstein, de hand ten teeken op, het touw valt en wordt snel verwijderd, de muziek, bestaande uit bazuinen, pauken, trommen en schalmeiën, valt schetterend in, en onder het geroep van Vianen! Vianen! aan de eene, Heusden! Heusden! aan de andere zijde storten de ruiters met gevelde glaviën en gesloten vizier, op elkander in. De grond dreunt onder de hoefslagen der strijdrossen, de lucht davert van het gekletter der wapenrustingen en van het geroep der strijdenden, en opgetogen en meêgesleept door het schoone schouwspel, barst het volk in een donderend gejuich los. De edel- en jonkvrouwen werpen den strijdenden linten, handschoenen en andere voorwerpen toe, om hen aan de moedigen, en met verdubbelde kracht zetten dezen den strijd voort. Hier vliegt eene glavie aan stukken in de lucht, daar trachten er twee tevergeefs elkander uit den zadel te lichten, ginds stort een derde bewusteloos op den grond. IJlings schieten de dienaren toe om hem uit het strijdperk te dragen.

Daar rijden Vianen en Heusden op elkander in. 't Wordt stiller in en om de kampplaats. De beide strijdenden trekken ieders aandacht. Met welk eene woeste kracht heeft de botsing plaats, en verwondering baart het, dat niemand den zadel ruimt. De glavie van Van Heusden is aan splinters geslagen. Haastig grijpt hij eene andere en opnieuw valt hij Vianen aan, doch nogmaals breekt zijne glavie en bijna kantelt hij uit den zadel. Daar grijpt hij zijn zwaard, welk voorbeeld Vianen volgt, en met bliksemsnelheid volgen de slagen elkander op. Doch Heusden, hoe ook toegejuicht, want men gunde den trotschen Vianen de overwinning niet zoo graag als hém, voelt langzamerhand zijne krachten minderen. Eene laatste poging wil hij doen; hij drukt zijn paard de gouden sporen in de zijden en rijdt onstuimig op Vianen in, om hem door zijne verpletterende slagen tot wijken te dwingen, doch zijne tegenpartij houdt stand als eene rots, slaat hem het schild in tweeën en had hem ongetwijfeld uit den zadel doen storten, indien niet Bertha een teeken had gegeven. Dadelijk traden de krijtwaarders toe en wierpen hunne staven tusschen de strijdenden. Dat was het teeken, dat de strijd geëindigd was. Vianen had als altoos de zege behaald.

Er zal een uur pauze gehouden worden, welken tijd de ridders gebruiken, om zich te ververschen en hunne rustingen in orde te brengen. Daarna zal de strijd beginnen van man tegen mail, en dan eerst zal blijken, wie de sterkste is.

Niet zoodra is het uur verschenen, of door bazuinen klaroengeschal worden de ridders opnieuw ten strijde opgeroepen. De kamprechters met hunne dienaren hebben hunne plaatsen wederom ingenomen. Weer geven de bazuinen een sein, en nu rijdt een zwaar gewapend ridder gevolgd door zijn schildknaap, het krijt binnen. Voor den wapenkoning houdt hij halt. Op de vraag van deze, wie hij is en wat hij verlangt, klinkt zijn antwoord:

"Ik Witte, Heer van Haemstede, daag elken ridder, wie hij ook zij, ten strijde met speer en zwaard ter eere van de schoone Jonkvrouw Bertha van Arkel."

En nauwelijks heeft hij uitgesproken, of luide klinkt het gekletter der bazuinen en klaroenen. Zijne uitdaging wordt aangenomen, want een andere ridder rijdt het perk binnen en plaatst zich tegenover den Heer van Haemstede. Uit zijn wapen, een geharnasseerden keelen liebaard op goud, blijkt, dat hij tot het edele geslacht der Brederodes behoort.

De strijd begint. Met eene woeste vaart rijden de beide edelen op elkander in en met een geweldigen schok heeft de botsing plaats. De speren vliegen aan splinters, de ruiters waggelen op hunne tossen. Snel neemt ieder van zijn schildknaap eene nieuwe speer, en weer rijden zij op elkander in, doch juist op het oogenblik, dat zij elkander genaderd zijn, struikelt het paard van Witte van Haemstede, valt en werpt zijn ruiter over zich heen, onder de hoeven van het andere dier. IJlings schieten de bedienden toe en brengen den gevallene buiten het perk. Niemand heeft de overwinning behaald, doch nu laat Brederode zijne uitdaging hooren, en nauwelijks is dat geschied, of daar rijdt de Heer van Vianen het perk binnen.

"Arme Brederode," klinkt het zacht uit den mond der omstanders. "Nu zal hij het kwaad te verantwoorden hebben."

En dat was ook zoo, want reeds bij den eersten schok kon hij zich ternauwernood in den zadel houden. Toch bleef hij zitten, wat een luid gejuich van de menigte uitlokte. Maar nu kwam Vianen met zulk eene ontstuimige vaart op hem aanrennen, dat Brederode met een hevigen dreun van het paard stortte. Ook hij werd door zijn schildknaap buiten het strijdperk gebracht.

In galop reed Vianen het perk rond, en trotsch lachte hij, nu van alle kanten een donderend gejuich opsteeg ter eere van den overwinnaar. Eindelijk hield hij voor den wapenkoning stil, en met eene luide stem, die door iedereen gehoord werd, riep hij:

"Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke, daag elken ridder, wie hij ook zijn moge, ten strijde, ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, de schoone Bruid!" En zijn paard de sporen gevende, reed hij, onder het schallen der muziek, in vliegenden galop de kampplaats rond. Doch hij bleef alleen.

Geen enkele ridder, hoe beleedigd ook door zijne tergende uitdaging, durfde den strijd met hem wagen. Met een minachtenden glimlach op het gelaat naderde Vianen den wapenkoning ten tweeden male en herhaalde zijne uitdaging in zoo mogelijk nog tergender bewoordingen.

En opnieuw werd zijne uitdaging beantwoord door bazuin- en trompetgeschal. Doch geen enkele ridder reed het perk binnen. Tartend keek Vianen in het voorbijrijden den kring van edellieden aan, en 't was waarlijk bij zulk een beleedigend gedrag geen wonder, dat zijne trotsche gestalte meer met haat dan met bewondering werd nagezien. Ten derden male naderde hij den wapenkoning, en luid klonk zijne uitdaging in het rond:

"Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke, daag ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, elken ridder tot een eerlijken strijd met speer en zwaard, en mocht deze uitdaging, die nu voor de laatste maal geschiedt, onbeantwoord blijven, dan maak ik als overwinnaar aanspraak op den uitgeloofden prijs: het met goud versierde schild!"

Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of met gesloten vizier rende een ridder het strijdperk binnen, gezeten op een fieren schimmel, die, dartel als hij was, zich niet dan met groote moeite door zijn meester liet bedwingen. Aan 's ridders speer prijkte een gele handschoen, ongetwijfeld het eigendom van eene of andere Jonkvrouw, te wier eere de Ridder streed.

Met onbeschrijfelijke geestdrift werd deze verschijning door het volk begroet, want ieder had zich geërgerd aan de trotsche woorden van den stuggen edelman. En, al wist men niet, wie die fiere ridder was, toch gunde ieder hem gaarne de overwinning. Hij reed, gevolgd door zijn schildknaap, die ook het vizier gesloten hield, naar den wapenkoning en sprak:

"Ik, genaamd de Onbekende Ridder met de gele Handschoen, verklaar ter eere van Jonkvrouw van Arkel de uitdaging van Heer Hendrik van Vianen aan te nemen."

Daarop plaatsten de beide ridders zich op een grooten afstand van elkander en maakten zich strijdvaardig.

Er heerschte eene doodsche stilte onder de menigte. Ieder was vol spanning, hoe deze kamp zou eindigen, en die spanning werd bovendien nog geprikkeld door het geheimzinnige van dien vreemdeling.

Daar gaf de jonge bruid het teeken en de kamprechter riep met luide stem:

"Laisser aller!" (Laat begaan.)

De ruiters drukten de sporen in de zijden hunner paarden en reden met eene ongekende vaart op elkander in. 't Was, alsof zij elkander verpletteren wilden. Al bij den eersten schok bleek het Vianen, dat hij, zooal niet zijn meester, dan toch stellig zijne evenknie gevonden had, want de Onbekende bleef rechtop in den zadel zitten, terwijl hij zelf slechts met moeite zijn evenwicht bewaren kon en zijne glavie tot aan zijne hand toe scheurde. Een daverend gejuich, waaraan bijna geen einde scheen te zullen komen, steeg uit het volk op. De ridders zwaaiden met hunne speren, de jonk- en edelvrouwen waren van hare zitplaatsen opgestaan en juichten den Onbekende toe. Honderden kleinigheden, meest sieraden, werden hem toegeworpen. Met een hoffelijke buiging reed hij terug, om zich tot een nieuwen aanval gereed te maken. Ook Vianen deed dat,--doch geprikkeld door de toejuìchingen, die zijn tegenstander ten deel vielen, met woede in het hart. Daar vlogen zij opnieuw op elkaar in, zoo mogelijk nog woester dan te voren, en weer met denzelfden uitslag. De Onbekende hield stand als eene rots, Vianen bleef, terwijl de speer aan zijne hand ontviel, slechts met groote moeite in den zadel. De geestdrift van de toeschouwers klom tot uitbundige op gewondenheid. Aan het gejubel kwam schier geen einde. Verbitterd trok Vianen zijn zwaard. De Onbekende deed evenzoo, en nu zag men eene kracht en behendigheid ontwikkelen, zooals misschien nog nooit op eenig tournooiveld te bewonderen was geweest. Onophoudelijk kletterden de slagen op helm of schild. Onstuimig drongen de vurige rossen met snuivende neusgaten op elkander in. Stofwolken maakten hen bijna onzichtbaar. Daar ging plotseling een kreet op uit de menigte, die weldra in een eindeloos gejuich en gejubel overging.

De Onbekende sloeg den Heer van Vianen het schild in tweeën en het zwaard uit de hand. Door den schok wankelde de Onoverwinnelijke in den zadel, en met een zwaren slag viel hij op den grond.

De Onoverwinnelijke was voor het eerst overwonnen.

"Eere den Overwinnaar! Eere den Onbekende!" juichte het volk. Men zwaaide met stokken en doeken, de muziek schetterde, de lucht daverde van het gejubel.

"Eere den Onbekende! Eere Heer Gijsbrecht van IJselstein!" schreeuwde Fulco, die met ademlooze spanning het gevecht gevolgd had.

"Eere Gijsbrecht van IJselstein, den dapperste onder de ridders!"

Daar sloeg de Ridder zijn vizier op, en waarlijk, niemand anders dan Gijsbrecht van IJselstein had den Heer van Vianen overwonnen.

Nieuw gejubel, nieuw gejuich! De ridders voegden zich achter hem en reden met hem het strijdperk rond. Daarna hielden zij stil voor Jonkvrouw Bertha van Arkel.

Gijsbrecht knielde voor haar neder en ontving uit de handen zijner bruid den prijs, die voor den overwinnaar was uitgeloofd. Hoe blonken hare oogen daarbij van edelen trots op haar bruidegom, hoe fier klopte haar het hart bij de daverende toejuichingen, die hem ten deel vielen, hoe innig bewonderde zij thans haar jongen echtgenoot!

Onder het schetteren van bazuinen en klaroenen keerden de edelen naar den burcht terug, waar zij zich van hunne zware rustingen ontdeden en die verwisselden voor sierlijke lijfrokken en kostbare mantels. Nauwelijks waren zij daarmede gereed, of reeds werd het teeken gegeven, om aan den feestdisch te verschijnen.

