Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden

Part 2

Chapter 2 3,859 words Public domain Markdown

Hoe droevig viel der Jonkvrouw 't scheiden Van ouder en van speelgenoot. Slechts hoop op weerzien deed berusten, En ook 't geloof aan hulp in nood. Sinds gaat zij trouw den trans bestijgen, Doorvorscht den omtrek heinde en veer, Maar schoon de jaren snel verdwijnen ..... Het ridderpaar keert nimmer weer."

Hier zweeg Fulco een oogenblik.

"Dat was een treurig einde," zeide Bertha zacht, terwijl ze Gijsbrechts hand vaster in de hare drukte.

"Arme ridders! Zoover van uw vaderland te moeten sterven. Zou het waar gebeurd zijn?"

"Ongetwijfeld, Edele Jonkvrouw!" antwoordde Fulco.

"En zijn ze werkelijk nooit teruggekeerd?" vroeg de schildknaap.

"Neen, Jonker, zij waren in den strijd tegen de Mooren gesneuveld, evenals zoovele anderen. Zij waren als dappere ridders met het zwaard in de vuist gestorven."

"Ach, wat zal die arme Adelheide zich ongelukkig en verlaten gevoeld hebben. Nu kon haar dappere Deodaar niet meer ter hulp snellen, als gevaren haar bedreigden. De dood maakte het hem onmogelijk, om aan zijn ridderwoord getrouw te blijven."

"Toch niet, Edele Jonkvrouw," hernam Fulco... "Luister slechts; het lied is nog niet ten einde."

"Neen Fulco!" riep de Jonker angstig, "nu niet! Zing dat dan liever later eens. 't Is nu middernacht, en .... "

"Kom, dwaasheid!" zei de ridder lachend. "Toe Fulco, laat ons nu hooren, wat er verder gebeurde."

De plaaglustige Fulco had geen verdere aanmoediging noodig.

"Luister dan," zeide hij.

De woeste Noorman trekt door 't land En plundert kloosters en kasteelen. Geen slot is voor zijn macht bestand, 't Moet al in d'eigen rampspoed deelen. Wie slechts den minsten weerstand waagt Wordt spottend in den dood gejaagd.

De Noorman Godfried komt voor 't slot En eischt het op van Adelheide, Die vruchteloos, bij 't dreigend lof, Van Vorst of Ridder hulp verbeidde. Maar, schoon zij ook geen uitkomst ziet, Zich overgeven wil zij niet.

De dienaars toonen trouw en moed; Men weet, er is geen hulp te wachten. Verbitterd door 't vergoten bloed, Dien weerstand achter wal en grachten, Zweert woeste Godfried brand en moord En dreigt vergramd met galg en koord.

Maar kost het krachten, hij wint veld; De overmacht is niet te keeren. Elk dienstkecht op 't kasteel is held, Wenscht tot het uiterst zich te weren. Steeds feller wordt het slot benard! De hoop verflauwt in 't moedigst hart.

De vijand legt een sterken dam, Begint met woede storm te loopen. Schoon menigeen om 't leven kwam, Rammeit men deur en slotpoort open. Verlamd wordt elke weerstandskracht: 't Kasteel is dra in 's vijands macht ....

De Noorman Godfried dringt vooruit. Daar ziet hij Jonkvrouw Adelheide. "Ik eisch de meesteres tot buit, Die zeker lang mijn komst verbeidde. Schenkt aan geen sterveling genâ! Voor mij de bruid, haha! haha!"

Hij sleept haar ijlings met zich meê En spot met tranen en met klachten. De Jonkvrouw, overstelpt van wee, Beproeft vergeefs haar zwakke krachten. Zij dekt zich jamm'rend het gelaat En roept verward: "help, Deodaat!"

Een slag weergalmt!... Daar splijt de aard! .... Een zwarte Ridder springt naar voren. Hij zwaait een scherp en vlammend zwaard .... Werpt onversaagd zich op de Noren. En Godfried, overmand van schrik, Deinst sidd'rend voor dien vuur'gen blik.

Wat baat het of hij weerstand biedt? Eén bliksemslag .... hij stort ter neder. Al wat ontvluchten kan, ontvliedt, En keert naar 't spookslot nimmer weder. Een hol gelach klinkt spottend na: "Voor mij de bruid, haha! haha!"

"Verschrikkelijk!" riep de Jonker, wiens gelaat nu doodsbleek geworden was. "Dat was eene ontzettende gebeurtenis, en ik noem het dwaas, ja roekeloos, om zulk een lied in het holst van den nacht te zingen, en dan nog wel midden in een dicht woud. 't Is goed, om .... "

"Och kom, Jonker," viel Jonkvrouw Bertha hem in de rede, "wees toch niet zoo kinderachtig en bang. Ik begin bijna te gelooven, dat er nog heel wat veranderen moet, eer je den ridderslag waardig zijt. 't Was een mooi lied, Fulco, en ik dank u er wel voor. 't Was werkelijk zeer mooi!"

Fulco's oogen tintelden van genoegen. Hij had zijn doel, den jonker bang te maken, volkomen bereikt, en ook was hij gevleid door de vriendelijke woorden van de schoone ridderbruid.

Maar Jonker Jan had geen genoegen. Hij gevoelde zich gekrenkt en vernederd. Hij trad op de jonkvrouw toe, en zeide, het gevest van zijn zwaard grijpende:

"Eenmaal hoop ik Uwe Edelheid metterdaad te kunnen toonen, dat dit zwaard geen lafaard toebehoort. Een Jonker van Asperen kent geen vrees!"

"Behalve voor spoken!" lachte Fulco.

"Zwijg, ellendige dorper!" bulderde Jan, het zwaard thans uit de scheede trekkende, "waag jij het, den spot te drijven met een edelman? Bij St. Joris .... "

"Genoeg, genoeg!" kwam Heer Gijsbrecht thans tusschenbeide. "Geen twist hier in het bijzijn der Jonkvrouw. Steek dat zwaard op, Jonker. Je weet het immers zelf zeer goed, dat we niet aan je moed twijfelen. Daarvoor kenden we je reeds te lang. En Fulco .... "

"Twijfelt er ook niet aan, Jonker," vervolgde Fulco, den jonker de hand toestekende. "Ik wilde u alleen maar een weinig plagen."

De jonker nam de hem toegestoken hand aan.

"Dat is dus weer in orde," hernam de ridder. "Ik geloof, dat de regen eindelijk opgehouden is. Laten we vertrekken. Heer Otto zal wel ongerust over u zijn, Bertha."

Fulco haalde de paarden, en een oogenblik later ging het in galop verder. Het edele bruidspaar reed voorop, de jonker en Fulco volgden. Het was nu niet zoo duister meer tusschen de boomen. De maan goot hare zilveren stralen door het bladerdak en teekende scherpe schaduwen op den grond, die door jonker Jan niet zonder wantrouwen werden aangezien. Hij vreesde, dat Fulco's lied maar al te zeer geschikt was geweest, om de aandacht der gevreesde Nacht-alven op hen te doen vestigen. Doch niets verdachts liet zich zien. Zij hadden ongeveer een half uur gereden, toen zij een drom van ruiters zagen naderen.

"Dat zal uw Heer Vader met zijne gasten zijn, Bertha," zeide Gijsbrecht van IJselstein. "Ik denk, dat hij ongerust geworden is en u komt zoeken."

"Ik denk het ook, hoewel ik mij die vrees niet begrijpen kan," antwoordde Bertha.

Het vermoeden was juist. Heer Otto van Heukelom had zich over zijne dochter ongerust gemaakt, en was haar met zijn edele gasten tegemoet gereden.

"Daar zijn ze! Daar zijn ze!" klonk het uit verscheidene monden, toen de verschillende ruiters elkander genaderd waren.

Heer Otto reed vooruit en begroette zijn aanstaanden schoonzoon en diens gevolg met groote hartelijkheid.

"Wij werden ongerust, Bertha," zeide hij vriendelijk. "'t Was ook al te onvoorzichtig, om zoo laat nog zonder geleide uit te rijden. Waarom geen schildknaap medegenomen?"

"Omdat eene Jonkvrouw van Arkel geen vrees mag koesteren, Heer Vader," antwoordde Bertha lachend. "In dat geslacht kent men immers dat woord niet?"

"Je hebt gelijk," antwoordde de edelman eveneens lachende, "maar mijne fiere dochter vergete niet, dat er een groote afstand bestaat tusschen moed en roekeloosheid. Doch laten we naar het kasteel terugkeeren. 't Is al middernacht."

Een half uur later reden zij de hooge poort van het slot binnen. De edelen begaven zich naar de Vrouwen, die in de groote burchtzaal waren, en Fulco ging naar de keuken, waar hij als een oude bekende en welkome gast begroet werd.

HOOFDSTUK 2

In en om den burcht

Den volgenden morgen was alles al vroeg in de weer op den adellijken burcht te Heukelom. De hooge gasten, die het slot herbergde, waren nauwelijks van de sierlijk gebeeldhouwde ledikanten opgestaan, of zij begaven zich naar de diep naar binnen gemetselde vensters, om door de kleine, in lood gevatte ruitjes een nieuwsgierigen blik naar buiten te werpen.

Met blijdschap zagen zij, dat de donderbui, die den vorigen avond had gewoed, plaats gemaakt had voor een lachenden hemel en een helder zonnetje. Op het binnenplein trof hun een levendig schouwspel. Alles was daar in beweging. Bedienden liepen ijverig heen en weer, om alles voor het feest in gereedheid te brengen.

De paarden werden uit de stallen gehaald en gereinigd. De hoofdstellen werden gepoetst en opgeknapt, de dekkleeden geschuierd. Het was een gelach en gepraat van de bedienden, een brieschen en hinniken van de paarden, en een kakelen en snateren van het opgeschrikte pluimvee zonder einde. Ginds, buiten de poort, op dat weiland, zagen zij een ander tooneel. Op een vierkant afgezet plein waren werklieden ijverig bezig met het hijschen van een groot aantal vlaggen. Elke vlag verschilde van de overige en alle droegen verschillende kleuren en wapens. Door de zon beschenen en door een zacht windje licht bewogen, geven zij aan het tooneel een aanstekelijk vroolijk aanzien. Op die afgezette weide zullen de edele ridders dien dag hunne krachten met elkander meten, want daar zal, ter eere van het bruidspaar, een steekspel worden gehouden.

Heerlijk vooruitzicht voor de ridders en edelvrouwen, die zich vol blijde verwachting van de vensters af keeren, om zich voor de feestelijkheid te kleeden.

Op de binnenplaats vinden wij onzen ouden bekende, Fulco, terug. Hij is bezig den vurigen schimmel van Heer Gijsbrecht met de meeste zorg te reinigen en op te sieren. Hij heeft het fraaie dier juist geroskamd en haalt er nu met een schuier de losse haartjes af, zoodat het beest glimt in de heldere zonnestralen. Geduldig laat het Fulco zijn gang gaan. 't Schijnt, of het dier begrijpt, dat er heden een wedstrijd gehouden zal worden in schoonheid, moed en kracht.

"Ziezoo, Schimmel," zegt Fulco, het dier liefkoozend op den blanken hals kloppende, "nu mag zelfs de keizer van Duitschland je zien, hoewel ik moet zeggen, dat jouw en mijn Heer minstens evenveel waard is. Kijk, daar komt Jonker Jan aan. Goeden morgen, Jonker!"

"Goeden morgen, Fulco. Jongen, daar heb je eer van. Wat is die schimmel toch een edel dier. Ik heb zijn weergâ nog nooit gezien."

"U heeft gelijk, Jonker. 't Is een edel, fier beest. Hij is zijn meester waardig."

"Dat mag je zeggen. Ben je al op de kampplaats geweest? 't Is er in orde, hoor! Het mag gezien worden. O, Fulco, dat ik slechts de riddersporen hadde. Hoe gaarne zou ik meêkampen om den eerepalm!"

"Dat kan ik me begrijpen, Jonker. Zou Heer Hendrik van Vianen ook komen? In dat geval hebben de andere ridders niet veel kans op den prijs. Hij is nog nooit overwonnen, naar ik hoor."

"Volkomen waar. Jammer dat hij er zoo trotsch en prat op is. Ik wou, dat hij eindelijk zijn meester toch eens vond."

"En dat die meester onze Heer Gijsbrecht ware," zeide Fulco. "Ha, wat zou ik lachen! Maar wie komt daar de poort binnenrijden? Als men van den duivel spreekt, trapt men hem op den staart, zegt het spreekwoord, en nu geloof ik, dat het waarheid bevat. Dat is immers de Heer van Vianen?"

"Niemand anders. Dat kun je aan zijn trotsch en barsch uiterlijk wel zien."

"Phoe, wat een gezicht. Hij kijkt als een oorworm, en hier mag men met recht zeggen: zoo heer, zoo knecht. Zie eens, wat een galgentronie die dienaar heeft."

De ruiters waren genaderd en stegen van hunne paarden af. Een klein hoofdknikje van den edelman moest als groet gelden.

"Hier, pak aan!" zeide hij norsch tot Jonker Jan, hem de teugels toereikende. "Je moet het beest zacht met een wollen doek afwrijven en water geven."

Jonker Jan verroerde zich niet. Ware de vraag op wat vriendelijker toon tot hem gericht, hij zou geen oogenblik geaarzeld hebben, dadelijk een stalknecht te ontbieden, hoewel het volstrekt zijn werk niet was, evenmin als dat van Fulco. Zij hadden alleen hun Heer te dienen. Maar aan een zoo onbeschoft bevel wilde hij niet voldoen.

Fulco gaf ook niet veel blijken van bereidwilligheid om het bevel op te volgen. Hij kon zijn lachen bijna niet bedwingen, toen hij zag, hoe woedend de barsche edelman werd.

"Ik ben geen stalboef, Heer!" gaf jonker Jan koel ten antwoord. "Mijn naam is Jonker Jan van Asperen, en ik ben schildknaap van Heer Gijsbrecht van IJselstein."

"Pak jij dan aan, hondsvot!" gebood de ridder aan Fulco.

"Uwe Edelheid vergist zich," klonk het spottend uit Fulco's mond. "Mijn naam is geen hondsvot; ik heet Fulco, en ben dienaar van .... "

"Loop naar den duivel!" bulderde Vianen woedend, terwijl hij dreigend zijne rijzweep ophief.

"Sla mij niet, Heer!" riep Fulco hem met fonkelende oogen toe. "Die tijd is voorbij, dank zij onzen edelen Graaf Floris! Waag het niet, die zweep te gebruiken of ik vergeet, dat gij een edelman zijt!"

Bij die woorden was Fulco, dìe terwijl hij zijn werk verrichtte, ongewapend was, op Jonker Jan toegeloopen en trok diens zwaard uit de scheede.

De edelman weifelde nog een oogenblik en liet toen de zweep zakken. 't Scheen, dat hij een weinig ontzag had voor dat blinkende voorwerp. Vloekend gaf hij zijn paard aan zijn eigen dienaar over, en begaf zich in het kasteel.

Toen hij geheel uit het gezicht was, keken Jan en Fulco elkander aan en barstten in een schaterend lachen uit.

"Wat een opgeblazen en norsch Heer is dat," zeide de jonker. "Die man leeft tweehonderd jaar te laat. Hij verbeeldt zich, geloof ik, dat de wereld alleen voor hem gemaakt is, en dat iedereen voor zijn wil moet buigen."

"Is die vriendelijke man jouw Heer?" vroeg Fulco spottend aan den vreemden dienstman.

"Ik behoor hem met lijf en .... "

"Ben je een lijfeigene?"

"Dat ben ik, helaas. 't Is niet alles, om zoo'n Heer geheel en al toe te behooren. Gij hebt gezien, hoe gauw hij met de zweep in de weer is. Ik ten minste heb in mijn leven meer slaag gehad .... "

"Dan eten?" lachte Fulco. "Je ziet er bleek genoeg voor uit."

.... "Neen, meer slaag dan mij lief is, wilde ik zeggen."

"Daar geef je misschien wel reden toe?" hernam Fulco plagend, daar de uitdrukking van 's mans gelaat hem in 't geheel niet beviel.

"Toch niet, toch niet! Doch laat ik de paarden maar op stal zetten. Ik heb geen lust, om .... "

"Je hebt toch gehoord, dat je Heer je geboden heeft, zijn paard af te wrijven en te drenken?"

"Laat hij dat zelf doen," mompelde de lijfeigene. "Ik bedank er hartelijk voor. Er loopen hier dienstlui genoeg."

"Als je nu mijn knecht waart, kreeg je vast zoo'n pak slaag met de hondenzweep, dat je het op een anderen tijd wel zoudt laten, om onnoozele dieren slecht te behandelen, en dat zou je verdiend hebben ook."

"Dan ben ik blij, dat jij mijn Heer niet bent!" zei de andere droogjes, terwijl hij de beesten op stal bracht.

"Ziet u wel, Jonker, dat ik gelijk had, toen ik zeide: 'zoo heer, zoo knecht?' Toch bevalt de knecht me nog minder dan de heer."

"Mij ook. Maar nu ga ik nog eens naar de kampplaats kijken. 't Zal er zoetjes aan wel al druk worden."

"Nog een oogenblik, Jonker. Heeft u aan dien lijfeigene niets bijzonders gemerkt?" vroeg Fulco zacht.

"Bijzonders? Neen, volstrekt niet. Alleen vond ik, dat hij er slecht uitzag. Heb jij dan wat aan hem gezien?"

"Ja, Jonker, ik heb verschillende dingen aan hem opgemerkt, die mij op een vermoeden brengen."

"Je maakt me nieuwsgierig, Fulco. Wat heb je dan gezien?"

"Ten eerste, dat hij een schurkengezicht heeft, waardoor ik hem, zoolang ik van het tegendeel niet ten volle overtuigd ben, tot alles in staat acht."

"Ik ook. En ten tweede?"

"Ten tweede houdt hij, niettegenstaande het zeer warm wordt en hij een flinken rit achter den rug heeft, zorgvuldig zijne kap over het hoofd. Uit vrees, dat zij weg zou glijden, heeft hij haar zelfs een paar maal vaster op het hoofd getrokken."

"En ten derde?"

"Ten derde is die kap aan het achterhoofd met garen hersteld en ziet zij er tamelijk morsig en gevlekt uit."

"Daarvoor wordt zij gedragen door een lijfeigene," viel Jonker Jan in.

"Toegegeven, Jonker. Maar, en dat is ten vierde: de man ziet er lijdend en bleek uit."

"Dat is waar. Hij kijkt precies, alsof iemand hem op zijne eksteroogen trapt. Nu, en ten vijfde?"

"Dat is er niet, Jonker. Maar aan deze vier gegevens heb ik genoeg om de gevolgtrekking te maken, dat niemand anders dan hij gisterenavond Jonkvrouw Bertha heeft aangerand!"

"Daar zeg je zoo wat!" riep de Jonker verrast uit. "Wat ben jij toch een slimmerd, Fulco; ik zou niet op die gedachte gekomen zijn, maar nu je het zegt, ja, 't heeft er allen schijn van."

"Dat meen ik ook," hernam Fulco, "en het moet al raar loopen, als ik hem vandaag niet eens onder zijne smerige kap kijk. Ik moet er het mijne van hebben."

"Natuurlijk, en als .... maar daar komen weer nieuwe gasten aan. Ik groet je, 't wordt mijn tijd."

"En ik zal den schimmel op stal zetten. Maar neen, daar nadert Heer Gijsbrecht. Ik zal nog een oogenblik wachten. Wien heeft hij daar bij zich? Dat schijnt een geestelijke te zijn."

"'t Is de Bisschop van Utrecht," antwoordde de Jonker, zich verwijderende.

"Welk een krijgshaftig uiterlijk onder dat geestelijk gewaad," mompelde Fulco. "Waarlijk, ik had mij den dapperen Bisschop Willem van Mechelen niet anders voorgesteld. Doch," en nu klopte hij het vurige ros op den blanken hals: "laat ik je maar op stal zetten, Schimmeltje. Heer Gijsbrecht schijnt te veel in zijn gesprek verdiept om oog voor ons te hebben."

Inderdaad, de ridder had hen niet opgemerkt. Luisteren wij naar het gesprek, dat hem zoozeer schijnt te boeien, dat hij alles vergeet, wat om hem heen gebeurt.

"Alleen om mijne vroegere rechten op Drechterland terug te krijgen," aldus klinkt de stem van den Bisschop, "heb ik dadelijk na den dood van Graaf Floris..."

"Na den afschuwelijken moord," mompelde Heer Gijsbrecht, terwijl hij de wenkbrauwen fronste, "die het Graafschap van den edelsten vorst beroofde, dien het ooit gehad heeft, en het eene prooi deed worden van zijne talrijke vijanden .... "

"Waaronder ook ik behoorde," hernam de Bisschop. "Doch met het recht aan mijne zijde, zooals ge weet. Drechterland behoort rechtens aan het Sticht, en de Hollandsche Graven hebben het alleen in hun bezit door het recht van den sterkste."

"Uw Hoogeerwaarde heeft gelijk, maar gij vergeet, dat het bij het sluiten van den vrede voor goed aan Holland werd afgestaan."

"Ik onderwerp mij aan geene vredesbepalingen, die den belangen van het Sticht schade berokkenen," zeide de Bisschop trotsch. "Daarom heb ik na Floris' dood den opstand der West-Friezen krachtig gesteund en mij van bijna geheel Noord-Holland meester gemaakt. Jammer, driewerf jammer, dat ik voor den Henegouwschen Graaf, Jan van Avennes, heb moeten wijken. Bijna was ik meester geweest in Holland: de West-Friezen waren in opstand, de Vlamingen waren in Zeeland gevallen en mijn leger trok zegevierend tot Medemblik door."

"Totdat Jan van Henegouwen u dwong het beleg op te breken," zeide Gijsbrecht. "Ik weet het."

"Indien gij mij bijgestaan hadden, wie weet hoe dan de uitslag zou geweest zijn," zei de Bisschop op verwijtenden toon. "Misschien ware Holland dan met het Sticht vereenigd."

"Ik mag de wapenen niet voeren tegen mijn leenheer, Hoogeerwaarde. IJselstein is een Hollandsch leen."

"Maar zijt ge dan ook niet Maarschalk van Utrecht, en mij als zoodanig hulp verschuldigd?"

"Ik ben uw Maarschalk, Hoogeerwaarde, en stel daar grooten prijs op. Ik zou ook nimmer de wapenen tegen het Sticht voeren, evenmin als tegen den Graaf van Holland."

"Het zij zoo, hoe het mij ook spijt. Doch 't is nu voorbij. Mijn leger is verslagen, en ik heb vredesvoorwaarden aangeboden, die voorloopig aangenomen zijn. Graaf Jan I is uit Engeland teruggekomen en Jan van Avennes, die Holland voor zijn neef, den Graaf, uit de handen van de vijanden gered heeft, met schande het land uitgejaagd. Een schoone dank!" spotte de Bisschop.

"Voorzeker, 't is schande, dat stem ik toe, doch dat is niet het werk van Graaf Jan, maar van den heerschzuchtigen Zeeuw Wolfert van Borselen, die onzen Graaf geheel in zijne macht schijnt te hebben."

"Schijnt te hebben?" herhaalde de Bisschop vragend. "'t Is volstrekt geen schijn, wat ik u verzeker. De Heer van Borselen heeft den zestienjarigen graaf zoo geheel in zijne macht, dat deze zelfs een stuk heeft onderteekend, waarin hij verklaart, dat hij in alle regeeringsaangelegenheden den raad en het goedvinden van den Heer van Borselen zal opvolgen."

"Maar dat is meer dan ergerlijk," riep Heer Gijsbrecht uit, terwijl hij plotseling bleef staan en den Bisschop aanzag. "Dan zal het dus nog zoover komen, dat wij, Hollandsche edelen, het hoofd moeten buigen voor dien Zeeuwschen moordenaar, die op den koop toe den onmondigen zoon van zijn slachtoffer, wellicht als een gevangene, op zijn kasteel bewaart, alleen om zelf den scepter te kunnen zwaaien? Dat nooit! Hem, dien verwaten moordenaar, ben ik geene gehoorzaamheid verschuldigd. Liever grijp ik naar de wapenen en ontruk den jongen Graaf aan zijne macht."

"Hetgeen u ongetwijfeld zou mislukken, IJselstein," viel de Bisschop in. "Van Borselen heeft een groot deel van den adel op zijne hand, en die is sterk, al geef ik gaarne toe, dat de macht der vrije poorters niet spoedig te hoog geschat wordt. Doch heb maar geduld: heel lang zal Van Borselen niet regeeren. Hij jaagt door zijne eigenmachtige handelingen de steden al meer en meer tegen zich in het harnas; hij schendt hare rechten en vrijheden met de grootste willekeur. En wat voor zijne heerschappij nog erger is: hij ontneemt den Hollandschen edelen hunne hooge betrekkingen en schenkt die aan zijne Zeeuwsche gunstelingen. Heeft hij niet den geachten Heer Dirk van Brederode uit's Graven dienst ontslagen en Jan van Renesse in zijne plaats tot Baljuw van Zuid-Holland aangesteld? En toen hij zag, dat deze edelman bij den Graaf in hooge gunst begon te geraken, heeft hij hem toen niet in een valstrik gelokt en hem met schande het land doen verlaten? Nu is Heer Aloud, Van Borselen's getrouwe handlanger, tot Baljuw benoemd."

"Zulk eene dwingelandij gaat alle perken te buiten!" riep Gijsbrecht vertoornd uit. "Maar dat kan niet lang duren! Wanneer de beleedigde edelen zich met de verdrukte steden verbinden ...."

"Is zijn rijk ten einde," vulde de Bisschop aan. "Doch nu moet er nog rekening met hem gehouden worden en ik in de eerste plaats ben daartoe verplicht, want de vredesvoorwaarden, die mij gesteld worden, zijn zeer hard. Ik moet zelfs afstand doen van de leenheerschappij over de kasteelen van Amstel en Woerden."

"Een zware eisch, Hoogeerwaarde."

"Dien gij moet trachten, minder zwaar te maken, IJselstein."

"Ik?" vroeg Gijsbrecht verwonderd.

"Ja, gij, want u draag ik op, persoonlijk naar het hof te Veere te gaan, om daar de vredesonderhandelingen ten einde te brengen."

De jonge ridder, getroffen door de eervolle onderscheiding, die hem te beurt viel, maakte eene hoffelijke buiging en zeide:

"Ik dank Uw Hoogeerwaarde wel voor die groote eer, maar ...."

"O!" riep de Bisschop lachend, "ik weet, wat gij zeggen wilt; gij denkt aan uwe schoone en lieve bruid, en hoe eenzaam zij zich zal gevoelen op het kasteel te IJselstein. Maar stel u gerust. Gij kunt eerst uwe gemalin naar hare nieuwe woonplaats vergezellen en daar op uw gemak uwe zaken in orde brengen. Indien gij over twee of drie weken vertrekt, is het nog vroeg genoeg.

"Dan neem ik uwe opdracht gaarne en met blijdschap aan, Hoogeerwaarde Vader, en het zal aan mij niet liggen, indien de onderhandelingen geen goed einde hebben. Doch laten wij naar de zaal terugkeeren, waar wij zeker al met ongeduld gewacht worden."