Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden
Part 13
"Heer Baljuw," sprak hij met ernst en waardigheid, "het is verre van mij, om den Heer van Vianen zijn recht op de bezetting van het veroverde IJselstein te betwisten. Ik weet het: de overwinnaar kan haar lot naar zijn welbehagen bepalen. Wil hij hen allen dooden -- niemand kan hem dat beletten. Maar toch zou ik den Heer van Vianen wel willen vragen, of hij het voor zijn geweten verantwoorden kan, acht menschen, waarvan de meest, en nog in de kracht van hun leven zijn, te laten sterven, alleen--omdat zij hun plicht met voorbeeldeloozen moed getrouw zijn geweest! Hebben die mannen, voor wiens moed iedereen de hoogste bewondering koestert, den dood verdiend? En dan nog wel den dood aan de galg? Ik huiver alleen bij de gedachte daaraan, en ik aarzel niet te verklaren, dat hun dood niet zal zijn eene terechtstelling, maar een gerechtelijke moord, die voor eeuwig schande zal brengen over onze goede stad. En het afschuwelijkste in deze zaak is nog, dat hier eene jonge edelvrouwe veroordeeld is, in datzelfde lof te deelen! Nooit of nimmer zal ik mijne toestemming geven tot eene zoo lage daad, die slechts uit de afschuwelijkste wraakzucht voortgesproten kan zijn! Indien het niet anders kan, indien de Heer van Vianen bepaald den dood dier dapperen eischt, welnu, dat dan de mannen door het lot doen beslissen, wie hunner sterven zal, maar der moedige edelvrouwe worde de vrijheid geschonken! Voor haar worde in Dordrecht geen galg opgericht!"
Nauwelijks had de Heer van Putten uitgesproken, of een daverend gejuich steeg op uit de menigte. Vianen en Aloud zagen bleek van woede, en bulderend gebood de laatste stilte.
Toen trad Bertha een weinig vooruit en zeide:
"Heer Baljuw, hoe dankbaar ik ook ben voor de ridderlijke woorden van dezen Heer, verzoek ik toch met mijne dappere verdedigers in hetzelfde lot te mogen deelen. Ik heb werkelijk tot de bezetting behoord en had de leiding der verdediging in handen. 't Is dus niet meer dan billijk, dat hun lot ook het mijne zij."
Een goedkeurend gemompel liet zich hooren en aller oogen vestigden zich met bewondering op de edele Vrouwe.
"Dat zal geschieden, ook zonder uw verzoek!" sprak Aloud norsch. "Laat de Heer van Putten niet vergeten, dat zijne woorden wel eens konden worden opgevat als muiterij, die gewoonlijk ook aan de galg eindigt. Bode! doe die penningen in deze balletjes, en zorg, dat zij onzichtbaar zijn."
De bode voldeed aan dat bevel, en spoedig lagen de ballen in eene zilveren schaal, die voor Aloud op de tafel geplaatst werd.
Er heerschte eene doodsche stilte onder de toeschouwers. Aloud verhief zijne stem en riep:
"Dat de Vrouwe van IJselstein nader trede, en het lot over haar leven beslisse!"
Met vasten tred kwam Bertha nader. Iedereen rekte den hals om haar te zien, en gloeiende van haat waren de blikken, die op Aloud werden geworpen. Zij stak de hand uit en nam haar vonnis uit de schaal. Zonder de minste beving in de teedere hand reikte zij het Heer Aloud toe. Deze brak het balletje open. Een vreeselijke spanning heerschte in de zaal en ieder drong zooveel mogelijk naar voren, om te zien, welke penning te voorschijn zou komen. Nu had Aloud hem in de hand en bezag hem met de grootste nauwkeurigheid. Een trek van teleurstelling verscheen op zijn gelaat.
"Een Hollandsche!" riep hij, en nauwelijks waren die woorden gehoord, of van mond tot mond ging het:
"Een Hollandsche! Een Hollandsche! De dappere edelvrouwe is vrij!"
Opnieuw deed zich een daverend gejuich hooren, waaraan Aloud tevergeefs een einde trachtte te maken. Wel stonden er schutters achter hem, doch zij waren niet talrijk genoeg, om de zaal te doen ontruimen. Te laat begreep Aloud, dat hij vreeselijk onvoorzichtig was geweest, door de deuren voor iedereen open te zetten.
Nu trad Jonker Jan van Asperen nader; vreugde over het gelukkige lot, dat Bertha had getrokken, stond in zijne schitterende oogen te lezen. Hij nam een balletje en gaf het met eene forsche beweging aan Heer Aloud over. Helaas, zijn vonnis was de dood; een Leuvensche penning viel rinkelend in de schaal. Daarna kwam de oude Dodo. Ook hij werd tot de galg verwezen. Zoo kregen allen eene beurt, en eindelijk kwam de laatste. 't Was dikke IJsbrand. Hij wist zijn lot reeds vooruit, want al acht hadden er een Hollandschen penning getrokken. Toch trad hij nader en greep het overgebleven balletje. Het bevatte een Leuvenschen penning.
"Dat de beul en zijne knechten komen!" beval Aloud den bode. "Het vonnis zal onmiddellijk worden voltrokken!"
De bode verliet de zaal en kwam weldra met den beul en twee dienaren terug. Op bevel van Aloud grepen zij Jonker Jan het eerst aan en begonnen hem de handen op den rug te binden; doch--dat was Bertha te veel. Met tranen op de bleeke wangen trad zij op Aloud toe.
"Genade, Heer, genade voor mijne trouwe dienaren!" smeekte zij. "O, wees toch niet zoo wreed, zooveel onschuldigen te dooden, alleen omdat zij getrouw waren aan mij, hunne meesteres! Heer, geef hun genade, ik smeek het u."
Aloud stond op. Een onmenschelijke glimlach ontsierde zijn gelaat.
"Doe uw werk, beul," gebood hij. "Geen genade voor die opstandelingen tegen hun wettigen Graaf. Zij zullen hangen!"
Het werd rumoeriger onder de toeschouwers. Blijkbaar hield alleen de vrees voor Alouds geduchte macht de zwaarden in de scheeden.
Thans wierp Bertha, de fiere Bertha, zich op de knieën. "Genade!" smeekte zij snikkend, "genade voor die ongelukkigen. Is het u dan niet genoeg, dat ik mij dus voor u verneder, Heer Aloud? O, heb medelijden met deze dappere mannen, die niets gedaan hebben om zulk een vreeselijken dood te moeten sterven. Zie mijne tranen, Heer, en erbarm u. Genade, smeek ik u, o, heb toch genade! Moet mij dan alles ontnomen worden? O, laat mij die dapperen behouden ..... "
"Voort met hen!" bulderde Aloud. "Geen genade voor de opstandelingen! Alle acht zullen zij hangen en gij, Vrouwe van IJselstein, gij en de anderen, die de galg ontloopen, gij allen zult gekerkerd worden. Ha, ha, dacht ge dan waarlijk, dat we u vrij zouden laten heengaan, om opnieuw in opstand te komen tegen uw wettigen Heer? Naar den kerker met hen! En dat de vonnissen spoedig worden voltrokken!"
"Maar dat is onrechtvaardig en verraderlijk!" riep Heer Nicolaas van Putten, terwijl hij zijn zwaard trok en zich voor Bertha plaatste. "Nooit zal ik gedoogen, dat zulk eene lage daad geschiedt! Volgens de voorwaarden, bij de overgave van den burcht gesteld, zijn de Edelvrouwe en hare zeven dienaren vrij, en kunnen zij gaan, waarheen zij willen, en niemand, zelfs gij niet, Heer Aloud, mag hen wederrechtelijk gevangen houden. Met mijn leven sta ik borg, dat die bepalingen worden uitgevoerd! Te wapen, poorters van Dordrecht! Te wapen! Die schande moet niet over onze stad komen. Te wapen!"
"Dat is oproer!" bulderde Aloud. "Grijpt den muiter!" "Te wapen!" donderde eene andere stem en nu plaatste de forsche monnik zich naast den Heer van Putten. Vlug rukte hij de grauwe monnikspij los en trok een schitterend zwaard uit de scheede. "Verraad! Te wapen!" dreunde zijne stem den poorters in de ooren. "Weg met den verrader! Weg met Aloud!"
"Weg met Aloud!" klonk het woest door de zaal, en van alle kanten drongen de getergde poorters op den Baljuw aan. Van Putten en de monnik hielden bij Bertha en de gevangenen stand. Op dit oogenblik drongen de schutters, die gewaarschuwd waren, onder bevel van den Schout de zaal binnen, doch--zoodra zij zagen, dat het getergde volk eindelijk begonnen was zich te wreken, kozen zij de zijde van hunne stadgenooten.
"Weg met Aloud! Weg met den handlanger van Van Borselen. Aan de galg! Aan de galg!" klonken hunne kreten. 't Werd een onbeschrijflijk tumult.
De monnik drong met het zwaard in de vuist op Vianen toe.
"Verdedig u, ellendeling!" donderde hij hem toe, "of ik steek u overhoop als een hond!"
Vianen hier het zwaard op. Vlug wierp de monnik de kap naar achteren, en--verschrikt deinsde Vianen achteruit.
"IJselstein!" mompelde hij onthutst.
"Ja, IJselstein!" riep Heer Gijsbrecht, terwijl hij Vianen een geweldigen slag op den schouder toebracht.
"Daar, verrader, daar hebt ge uw loon!"
Maar Vianen gaf zich zoo spoedig niet gewonnen. IJzingwekkend flikkerde zijn zwaard boven het hoofd van zijn vijand, doch deze wist behendig zijne slagen af te weren. 't Werd een vreeselijke strijd, die lang onbeslist bleef. Eindelijk begonnen de bewegingen van Vianen zwakker te worden. Het was duidelijk, dat zijn gewonde schouder hem hinderde in den strijd.
Gijsbrecht daarentegen werd voortdurend woester en krachtiger. Daar hief hij het zwaard op, en met duizelingwekkende snelheid daalde het op Vianens hoofd neder. Met verbrijzelden schedel stortte deze achterover op den grond.
Intusschen was de opstand algemeen geworden. Aloud verdedigde zich met wanhopigen moed,--maar hij was verloren. De schutters, op wie hij al zijne hoop gevestigd had, maakten met de poorters gemeene zaak en vielen op hem aan. "Grijpt den verrader! Aan de galg met den schender van onze rechten en privilegiën! Weg met den handlanger van Van Borselen!"
Van alle kanten drong men op hem aan en als de kreten der verwoede poorters hem nog in het onzekere lieten, welk lot hem beschoren was, dan zeiden die dreigende blikken hem genoeg.
Spoedig werd hem het zwaard uit de hand geslagen en honderd armen grepen hem aan. Woest sleurde men hem de rechtzaal uit en het marktplein op. Ook daar was alles in de grootste beroering. De opstand was reeds overgeslagen tot hen, die geen plaatsje in de zaal hadden kunnen bemachtigen. Overal klonk het den ongelukkige tegen: "Aan de galg met den schender van onze rechten en privilegiën. Den dood aan den verrader!"
't Was een woest en ontzettend tooneel, wat er nu volgde; de verwoede poorters namen eene ijselijke wraak, en rustten niet, voordat het lichaam van den trotschen dwingeland hing aan de galg, die hij voor een ander had bestemd.
In de gerechtszaal was intusschen een ander tooneel afgespeeld, even treffend als dat daar buiten, doch oneindig veel lieflijker. Zoodra Vianen voor het zwaard van Heer Gijsbrecht bezweken was, had deze zich naar de plaats begeven, waar Bertha in den grootsten angst het einde van den strijd verbeidde, want niet zoodra had Gijsbrecht zich de monnikskap van het hoofd geschoven, of zij had haar dierbaren gemaal herkend. "Gijsbrecht, mijn Gijsbrecht!" had zij uitgeroepen, en daarna was zij half bewusteloos in de armen van haar trouwen schildknaap nedergezonken. Doch spoedig had zij zich hersteld en met een kloppend hart den strijd gadeslagen. Daar viel Vianen. Godlof, Gijsbrecht overwint. Nu nadert hij haar met een glimlach van geluk op de lippen. Hij breidt de armen uit en vurig omhelzen zij eikander. "Bertha, lieve moedige Bertha!" zegt hij, terwijl hij haar de tranen van de oogen kust. En Bertha fluistert: "O, Gijsbrecht, welk een geluk. Dat had ik niet durven hopen." Snikken beletten haar verder te spreken, doch vast houdt zij de armen om haar dierbaren gemaal geklemd.
Eindelijk maakt Gijsbrecht zich zacht uit die omarming los.
"Zie eens, Bertha, daar nadert mijn bevrijder. Aan hem dank ik het leven!"
Bertha ziet op, doch zij ontdekt niemand dan een roodharigen man, wiens kleeding den schipper verraadt.
Zijne wangen zijn bedekt met een ontzaglijken baard, die hem een woest en ruw uiterlijk geeft. Glimlachend treedt hij nader en buigt voor haar de knie.
"Edele Vrouwe," zegt hij vroolijk, "ontvang mijne hulde voor zooveel moed, als nog nooit eene Vrouwe te bewonderen gaf. Voortaan zal iedereen beamen, wat ik eens voor u zong:
Brederoô het edelste, Wassenaar het oudste, Egmond het rijkste, ... maar Arkel het stoutste!"
"Fulco, gij zijt Fulco!" riep plotseling Bertha uit. "'t Kan niet anders, of gij moet Fulco zijn!"
IJlings stond de schipper op, en vlug verwijderde hij baard en pruik.
"Fulco!" riep Jonker Jan, hem de hand toestekende. "Fulco!" riep Dodo.
"Fulco!" riepen allen uit, en iedereen drong op hem toe, om hem de hand te drukken.
Gijsbrecht begroette de dappere mannen, die zijne gemalinne zoo trouw ter zijde hadden gestaan.
Maar Bertha sloeg Fulco de armen om den hals en gaf hem een kus.
"Dat is mijn schoonste loon!" riep Fulco met tranen in de oogen. --
HOOFDSTUK 11
Besluit
Hoewel de rust in Dordrecht spoedig hersteld was, had toch het gebeurde voor het Graafschap de gewichtigste gevolgen. Wolfert van Borselen, wiens macht thans schier onbeperkt was, verklaarde de Dordtenaars tot oproerlingen en zond eene krijgsmacht af, om de stad te tuchtigen, maar dat was gemakkelijker bevolen dan uitgevoerd. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten, wien Gijsbrecht van IJselstein getrouw ter zijde stond, verdedigden zich met groote dapperheid en wisten de stad te behouden.
Alom in den lande ontstond gemor en misnoegen tegen den machtigen dwingeland, die voortging den Graaf te bewaken en in diens naam de willekeurigste daden te plegen. Wolfert van Borselen begon zich in 's-Gravenhage minder veilig te achten, en besloot daarom, naar Zeeland terug te keeren en vandaar eene geduchtte krijgsmacht af te zenden, ten einde elk verzet te fnuiken. In den nacht verliet hij heimelijk de stad en vertrok over Delft naar Vlaardingen. Den jongen Graaf dwong hij, hem te vergezellen. Hij durfde hem niet achterlaten, uit, vrees dat misschien een ander invloed op hem mocht verkrijgen, waardoor aan zijne, Van Borselens macht, een einde zou komen. Overal waar hij kwam, liet hij, om eene mogelijke vervolging te verijdelen, de bruggen achter zich af breken. Maar dat middel baatte hem niet. Nauwelijks was de vlucht van Van Borselen en de ontvoering van den Graaf ruchtbaar geworden, of ijlings zette men de vluchtelingen na. Te Vlaardingen vernam men, dat zij reeds van wal waren gestoken, om zich naar Zeeland te begeven, doch dat zij door windstilte verhinderd waren, verder te gaan. IJlings begaf men zich in booten en visschersvaartuigen en roeide hen achterna. Weldra werden zij ingehaald en naar den wal teruggebracht. Onder gejuich voerde men den Graaf naar 's-Gravenhage terug, doch Van Borselen werd in het Steenen Huis te Delft gevangen gezet. Maar nauwelijks hadden de poorters dier stad vernomen, dat de gehate Van Borselen zich binnen hunne muren in gevangenschap bevond, of zij begaven zich onder het slaken van de vreeselijkste kreten naar het Steenen Huis en eischten de uitlevering van den dwingeland. Spoedig begonnen zij de deur te rammeien en drongen, toen deze bezweek, met woest geweld naar binnen. Als verscheurende dieren vielen zij op den edelman aan en sleurden hem naar buiten, waar hij onder de vreeselijkste martelingen werd vermoord.
Graaf Jan, nu van zijn leidsman beroofd, voelde zich niet bij machte, zelf de teugels van het bewind in handen te nemen, en noodigde daarom zijn neef, Jan van Avennes, den Graaf van Henegouwen uit naar Holland te komen, om hem in de regeering behulpzaam te zijn. En deze liet zich niet lang bidden. Hij gaf dadelijk aan die uitnoodiging gehoor en nam het gezag in handen. Een zijner eerste daden was, alle schenkingen, die Van Borselen zichzelven of zijne gemalin gedaan had, te vernietigen, en IJselstein terug te geven aan Heer Gijsbrecht, den rechtmatigen eigenaar.
Onder een daverend gejuich deed deze, op zijn schimmel gezeten, met de fiere Bertha aan zijne zijde en door zijne dappere dienaren gevolgd, zijn intocht in het bijna geheel herstelde kasteel. Groot was de vreugde, die in de harten der dappere verdedigers heerschte, toen zij op den geliefden burcht terugkeerden; tranen van dankbaarheid stonden in veler oogen, en jubelend begroette men het vaandel van IJselstein, toen Fulco het op den toren plantte.
Den volgenden dag begaf ieder zich naar de burchtkapel, om God te danken voor Zijne redding uit het dreigende gevaar. Een priester verrichtte onder de plechtigste stilte den heiligen dienst, en aandoenlijk klonk zijn gebed voor de dapperen, die het leven in den strijd verloren hadden. Toen de gewone dienst geëindigd was, kwamen twee koorknapen binnen, die elk een volledig harnas droegen en het voor het altaar nederlegden. De priester verhief zijne stem en riep Jonker Jan van Asperen en Fulco bij hunne namen, hen opdragende voor het altaar neder te knielen.
Ieder begreep, wat er gebeuren zou. Ongetwijfeld zouden deze beide dappere jongelieden den ridderslag ontvangen.
De priester nam het zwaard en zegende het, en nu trad Heer Gijsbrecht naar voren en plaatste zich voor de knielenden. Met eene stem, die beefde van ontroering, sprak hij:
"Jonker Jan van Asperen, moedige verdediger van dezen fel bestookten burcht, en gij Fulco, die mij onder de grootste gevaren getrouw zijt gebleven en mij uit de handen mijner vijanden hebt verlost, goud is niet in staat, om u den dank te bewijzen, dien mijne gemalinne en ik voor u in het hart dragen, doch ontvangt als loon voor zooveel trouw en moed de hoogste belooning, die ik u kan schenken. Belooft gij, immer den godsdienst getrouw te zullen blijven?"
"Dat beloof ik!" klonk het zacht uit beider mond.
"Belooft gij, zwakken en verdrukten te zullen beschermen en weduwen en weezen een helper te zijn?"
En weer klonk het: "Dat beloof ik!"
"En eindelijk belooft gij, altijd recht te zullen doen en onrecht te zullen wreken, waar gij het ook ontmoet, en u in alles te gedragen, zooals het een vroom Ridder betaamt?"
En nogmaals klonk het: "Dat beloof ik. Zoo waarlijk helpe mij de Almachtige!"
"Dan sla ik u met dezen slag tot Ridder," sprak Gijsbrecht, terwijl hij elk een lichten slag met het platte zwaard op den rug gaf.
Ontroerd stonden de jongelieden op en trokken het harnas aan, dat voor hen gereed lag; daarna gespte Gijsbrecht hun de gouden sporen aan. Toen knielden zij weder neder en ontvingen den zegen van den priester.
Daarmede was de plechtigheid afgeloopen.
En hiermede, waarde lezer, is mijn verhaal ten einde. Alleen moet ik nog vertellen, dat Fulco door Heer Gijsbrecht benoemd werd tot Kastelein van het sterke slot te Heukelom, Bertha's persoonlijk eigendom, welk slot hij tot aan het einde van zijn leven bewoond heeft, geeerd en bemind door al zijne onderdanen.
Gijsbrecht en Bertha hebben een lang en gelukkig leven geleid, en wanneer ge ooit het stedeke IJselstein bezoekt, verzuim dan niet het praalgraf te gaan zien, waarin nog, zij aan zij, hun stoffelijk overschot rust. Zelfs in den dood hebben zij elkander niet weer verlaten.