Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden

Part 7

Chapter 74,003 wordsPublic domain

En Fulco gevoelde zich ook gelukkig. Met angstvallige zorg hield hij het schreiende knaapje in zijne armen gekneld. Ja, hij was gelukkig met zijn buit en al het goud ter wereld zou niet in staat geweest zijn, om hem te bewegen er afstand van te doen. Hij wist immers, dat dit kind het leven van zijn meester kon redden! Toch had hij medelijden met het arme kind, dat zoo onbarmhartig uit de armen zijner moeder was gescheurd, en dat nu werd weggevoerd, om aan zijne vijanden te worden overgeleverd.

"Arm kind," zeide hij teeder, "wees maar stil, hoor, mijn ventje, wij zullen je geen kwaad doen. 't Is toch ongelukkig," vervolgde hij tegen Peer, "dat zoo'n onnoozel schaap zoo jong reeds lijden moet voor de misdaden van zijn vader. Maar zeg, waarom bleef je toch zoo verbazend lang weg?"

"Omdat ik niet eerder in de gelegenheid kwam," zeide Peer, voor de honderdste maal achterom kijkende, uit vrees, dat hij vervolgd zou worden. En waarlijk, ver achter zich zag hij eene stofwolk, die ongetwijfeld door ruiters veroorzaakt werd.

"Daar komen ze!" riep hij angstig. "We zijn verloren!"

Fulco keek om.

"Ben je dwaas!" riep hij. "Zoo gauw hebben ze ons niet. Over een goed half uur zijn we te IJselstein en we zijn ze een mooi eindje vóór. Maar toch moeten we zoo hard rijden, als we kunnen. Vooruit, beestje. Laat nu eens zien, wat je kunt!"

Met groote snelheid reden zij voort. Zij waren bijna voortdurend in galop. Peers hoofd lag bijna op den nek van het paard. Blijkbaar verkeerde hij in den hevigsten angst.

Na eenigen tijd keek Fulco nog eens om, en bemerkte nu tot zijn schrik, dat zijne vervolgers vrij wat op hem gewonnen hadden.

"Dat gaat verkeerd!" riep hij Peer toe. "Wij verliezen!"

"O, hemel!" kermde Peer. "Wat zal mij nu gebeuren!"

"Niet veel goeds!" riep Fulco, terwijl hij opnieuw zijn paard de sporen gaf, een voorbeeld, dat Peer hem zoo ijverig navolgde, dat het bloed zijn arme paard langs de beenen droop.

Nog eenmaal keek Fulco om. 't Gevaar naderde.

"Vooruit! Vooruit!" riep hij, zich ook zoover mogelijk voorover buigende. Daar hoorde hij kreten achter zich. Men gebood hen halt te houden.

"Al te vriendelijk!" mompelde Fulco. "Vooruit Zwart, nog een kwartier! Vooruit!"

Doch Zwart kon niet meer. Het arme dier had gedaan, wat het kon. Het paard van Peer was vlugger en sterker, naar het scheen. Het ging Fulco vooruit. Deze begreep, dat het hem niet mogelijk zou zijn, den burcht tijdig te bereiken.

"Peer!" riep hij. "Halt, Peer!"

Maar Peer had geen lust, zijn leven in gevaar te stellen. Hij geraakte hoe langer hoe meer vóór.

"Peer!" riep Fulco nu met donderende stem, "Peer, hier, zeg ik je! Neem jij het kind en breng het op IJselstein. Mijn paard kan bijna niet meer voort. Peer, hoor je niet, wat ik zeg? Alléén laten ze je daar toch niet binnen. Hier, neem het kind!"

Deze bedreiging hielp. In den grootsten angst hield Peer zijn paard een weinig in, zoodat Fulco hem spoedig had ingehaald. Peer nam snel het kind over. Voort ging het weer. Peer reed hem dadelijk weer vooruit, hoezeer Fulco zijn paard ook tot spoed aanzette.

"Ik ben verloren!" mompelde Fulco, "maar Peer zal het kasteel wel bereiken. Als hem dat gelukt, sterf ik met vreugde, want dan is mijn Heer in elk geval gered. Ha, nu dien hoek nog om, en dan ligt IJselstein voor ons. Voort, Zwart, voort, voort!"

Daar verrezen de torens van het machtige kasteel vóór hem, maar nog dichter hoorde hij zijne vijanden achter zich.

"Ho, roover, kinderdief!" hoorde hij zich toeroepen. Hij gaf zijn paard onophoudelijk de sporen, en zwaaide met zijn arm, in de hoop, dat de wachters op den toren hem bemerken zouden. Meer en meer naderden zijne vijanden. Zijn paard sleepte zich met moeite voort. Daar hoorde hij ze vlak achter zich. Snel trok hij zijn zwaard en maakte zich gereed, zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

"Halt, roover! Halt, kinderdief!"

Zijne vervolgers waren hem nu genaderd, en hij hoorde, hoe de zwaarden uit de scheeden vlogen,--maar, hij zag met een snellen blik ook, dat Peer voor de poort gekomen was en dat de brug neêrgelaten werd. Zijn paard hijgde naar adem. Het kon niet meer. Snel liet Fulco er zich afglijden en plaatste zich met zijn rug er tegen. Zoo was hij van achteren tegen elken aanval gedekt. Zijne vervolgers waren vijf in getal.

"Te laat!" schreeuwden zij, toen zij zagen, dat Peer de brug overging. "Maar deze roover zal in elk geval sterven!"

Woest drongen zij op Fulco aan, maar hij verdedigde zich met den moed der wanhoop. Toch was het een hopelooze strijd, hoe angstwekkend zijn zwaard ook door de lucht flikkerde.

Maar daar kwam hulp. In vliegenden galop reed een aantal ruiters den burcht uit.

"Houd je goed, Fulco, houd moed!" hoorde hij zich toeroepen, en Fulco hield moed. Wel voelde hij, dat zijne krachten begonnen te verminderen, maar toch hield hij zijne vijanden op een afstand.

Nog een oogenblik--en daar waren zijne vrienden genaderd. Tegen hen waren de vijanden niet opgewassen. Met groote haast sloegen zij op de vlucht.

"Bij St. Joris, dat was bijtijds!" riep Jonker Jan, terwijl hij Fulco vol vreugde de beide handen drukte. "Jongen, je hebt er eer van; onze Heer is gered! Kom mede, naar den burcht, naar de Edele Vrouwe, wier dankbaarheid grenzenloos zal zijn."

"Naar den burcht!" riepen allen. "Leve de dappere Fulco!"

HOOFDSTUK 6

De vijand is voor de poort!

Geweldig was de woede van Vianen, toen deze bij zijne thuiskomst het gebeurde vernam, want hij had zijn kind hartstochtelijk lief. 't Was het eenige wezen, dat hij met teederheid behandelde, ja zelfs soms met liefkoozingen overstelpte. Dat kind was zijn trots, zijn oogappel. Het was immers zijn stamhouder? Op hem zouden eenmaal de groote bezittingen en de geduchte naam van hem, Hendrik van Vianen, overgaan. En nu--nu was dat kind in de handen zijner vijanden, nu zuchtte het onnoozele schepseltje wellicht reeds in een onderaardsch gewelf, waarin geen zonnestraaltje kon doordringen en waarin allerlei kruipend gedierte het zou doen sterven van angst.

Want hij, de onbarmhartige Vianen, die zijne gevangenen nooit anders dan met de grootste onmenschelijkheid behandelde, hij kon zich niet voorstellen, dat de Edele Vrouwe van IJselstein het kind met zachtheid en liefde verzorgde en er over waakte als eene moeder. Vianen wist niet wat adel der ziel was, al was hij prat op zijn geërfden adeldom.

En daarbij ontging hem nu nog zijne prooi, de gehate Gijsbrecht, in wiens dood hij zich zoo innig verheugd zou hebben. Dat plan moest hij nu opgeven, zoo hij zijn kind niet in hetzelfde lot wilde doen deelen, want hij begreep natuurlijk zeer goed dat het dan leven om leven zou gaan.

Zoo onmenschelijk en wreed waren de straffen, die hij den dienaren oplegde, aan wier zorgeloosheid hij de ontvoering van zijn kind toeschreef, dat zij niet dan met den grootsten weerzin door de overige dienaars werden uitgevoerd. En wat Peer betrof, hij zwoer hem den vreeselijksten dood toe, die er te bedenken viel, indien hij hem ooit in handen mocht krijgen.

Toen hij zijne woede eenigszins op zijn onschuldige dienaren gekoeld had, verzamelde hij zijne krijgslieden en reed dadelijk naar Culemborg terug. Daar liet hij den ongelukkigen Heer Gijsbrecht uit den kerker halen en op een paard binden. Zoo bracht hij hem naar Dordrecht, waar Heer Aloud, 's Graven Baljuw, het machtige slot Crayenstein bewoonde. Vianen deed afstand van zijn gevangene, die nu, op bevel van den wreeden Aloud in den vunzigsten kerker werd opgesloten, dien het slot bezat.

Aloud was in alle opzichten het evenbeeld van Vianen. Hij was wreed en heerschzuchtig en toonde zich den trouwen dienaar van Wolfert van Borselen, wiens willekeurig bestuur hij maar al te getrouw navolgde. Met de meeste zorgeloosheid maakte hij misbruik van het groote gezag, waarmede hij bekleed was, en hij stoorde zich bij zijne daden aan wetten noch privilegiën, tot groote ontevredenheid van al zijne onderdanen, maar in het bijzonder van de Dordtenaars, die het meest van zijne onderdrukkingen en eigenmachtige handelingen te lijden hadden. Hunne rechtmatige klachten beantwoordde hij met een spottend lachen of met de verklaring, dat het hoog tijd werd, de privilegiën der te machtige poorters wat in te korten. Geen wonder, dat dezen zich in hunne rechten verkort achtten en niet dan noode zijn gehaat bestuur duldden. Er behoefde al spoedig niet veel meer te gebeuren, om het volk tot een opstand te brengen.

Hendrik van Vianen plaatste zich nog denzelfden dag aan het hoofd van het leger, dat ter heirvaart tegen IJselstein was opgeroepen, en sloeg het beleg om dien sterken burcht.

Daar verscheen hij niet onverwacht, zooals de lezer reeds weet. Alles was tot tegenweer gereed. Bertha had besloten, zich tot het uiterste te verdedigen. De dienaars, ongeveer honderd in getal, hadden zich van het hoofd tot de voeten gewapend met het beste wat in de groote wapenzaal te vinden was. Velen hunner droegen maliënkolders, die zoo prachtig waren, dat zij zelfs den rijksten ridder niet tot schande zouden zijn, en die geen maliënkolder hadden kunnen bemachtigen, trachtten zich tegen de pijlen der belegeraars te beschutten, door zich in beestenvellen of lederen kolders te steken. Allen hadden een helm op het hoofd en waren gewapend met zwaarden, lansen en speren, of knodsen en goedendags. Duizenden steenen lagen op de muren opeengestapeld, om naar de hoofden der vijanden te worden geslingerd. De boogschutters hadden zich tusschen de kanteelen verborgen, gereed om hunne doodende pijlen door de lucht te doen snorren.

Toen 's middags de wachters op den toren door trompetgeschal Bertha waarschuwden, dat in de verre groote stofwolken de nadering van den vijand aankondigden, had zij al hare dienaren op het plein bijeen laten komen, en tot hen gezegd:

"Mannen, de vijand nadert, en een hevige strijd staat ons te wachten, een strijd op leven en dood. Want hij, die het leger aanvoert, zal niet rusten voor hij IJselstein in zijne macht heeft. Ik ben van plan, het kasteel tot het uiterste te verdedigen. Wij kunnen den strijd lang volhouden, want we zijn ongeveer honderd man sterk, het kasteel is in alle opzichten weerbaar en we hebben een grooten voorraad levensmiddelen in onze schuren. De tijd zal misschien hulp brengen, maar in de eerste plaats moeten we op ons zelven rekenen. Wie zich zelven helpt, dien helpt God. Wel missen wij mijn dapperen gemaal, om ons aan te voeren in den strijd, maar wij hebben zijn vaandel, niet waar? Wilt gij mij dat helpen verdedigen?"

Bij die woorden wees Bertha naar het vaandel, dat van den toren wapperde.

"Dat willen we! Dat willen we!" klonk het uit honderd monden. "Laat de vijanden komen! Wij zullen ze afwachten! Leve onze dappere Edelvrouwe!"

Bertha wenkte met de hand om stilte.

"Mocht er evenwel iemand onder u zijn," ging zij voort, "die den burcht liever verlaten wil,--nog is het tijd. Hij kan gaan; de brug zal voor hem worden neergelaten. Alleen door getrouwen wil ik omringd zijn!"

Allen zwegen.

"Niemand?" vroeg Bertha nog eens. "Bedenkt, vrienden, dat het een hevige strijd zal zijn, en dat er geen genade is, indien we overwonnen worden."

Doch niemand verlangde heen te gaan; zelfs Peer niet. Bij hem was het evenwel geen liefde of getrouwheid jegens de edele Vrouwe, neen, bij hem was 't vrees, dat hij buiten het kasteel gevangen genomen en van zijne geliefde goudstukken beroofd zou worden.

"Dan zij onze strijdleus 'IJselstein!'" riep Bertha met verheffing van stem. "Dat God ons behoede! Op uw post, mannen, de vijand is voor de poort! Voor IJselstein!"

"Voor IJselstein en Bertha!" klonk het met geestdrift onder de dappere schare, "voor IJselstein en Bertha!"

Onder het slaken van dien oorlogskreet beklommen zij de trappen en ijlden naar boven, gereed om elken aanval af te slaan.

Doch de vijandelijkheden werden nog niet geopend. De belegeraars, wel begrijpende, dat het een beleg van langen duur zou zijn, begonnen tenten op te slaan en hutten te bouwen, waarin zij verblijven konden. Zorgvuldig hielden zij zich buiten schot.

Zij wilden zich niet bloot geven, voor het noodig was. Vianens tent was de grootste en was met een prachtig vaandel versierd. Hij spoorde de krijgslieden voortdurend tot den grootsten spoed aan, want hij hunkerde naar den aanvang van den strijd. IJselstein moest verwoest worden, dat stond bij hem vast; hoe machtig het ook was, hij zou het spoedig tot de overgave dwingen. En wee dan de trotsche Vrouwe, die den strijd tegen hem durfde aanvaarden!

Op den middag van den volgenden dag kwam er verandering in het tooneel. De vijanden begonnen voorzichtig den burcht te naderen. Zij hielden zich verborgen achter breede planken, die op lage wielen stonden en waarin eene breede gleuf was, die dienen moest, om de pijlen door te laten, die zij straks op den burcht zouden afschieten. Op die wijze waren zij voor de verdedigers onzichtbaar en konden dezen hen niet treffen, dan alleen als de pijl toevallig door de gleuf vloog. Deze voorwerpen, voor de belegeraars van onberekenbaar veel nut, werden schietschermen genoemd. Het kasteel werd er aan alle zijden mede omringd en al spoedig vloog de eerste pijl over den hoogen burchtmuur, waar hij met zooveel kracht in een luik drong, dat het moeite zou kosten, hem daaruit te trekken. Ware iemand getroffen, stellig zou het schot doodelijk geweest zijn.

In een oogenblik hadden de verdedigers wederkeerig hun pijl op den boog, om het schot te beantwoorden, doch Jonker Jan riep:

"Halt, mannen, niet in het wild schieten. We moeten zuinig zijn op onzen voorraad, want het beleg kan lang duren. Laten we alleen schieten als iemand zich bloot geeft."

"Zooals die slimmerd daar!" riep Rolf, de smid, terwijl hij aanlegde en aftrok. "Ha, die heeft genoeg. Eigen schuld, vriend. Dan moet je maar beter uitkijken."

"Die was raak, Rolf!" riep Baldric, de brouwer. "Hij blijft stil liggen. Zou hij nu in eens al genoeg hebben?"

"Terug, bij St. Joris!" riep de Jonker, en 't was tijd ook, dat zij hunne hoofden in veiligheid brachten, want wel drie of vier pijlen vlogen dicht bij hen in het houtwerk.

"We rekenen op jouw voortreffelijke rozenzalf, Dodo," lachte Wouter, de jonge stalknecht. "Zoo lang we daar nog voorraad van hebben, hindert het niet veel."

"Dat is waar, Wouter," lachte Dodo terug, "maar het zou toch jammer wezen van je mooien krullebol, als er daar een doorheen vloog!"

"Jelui hebt goed grappenmaken," zeide de dikke IJsbrand, een van Heer Gijsbrechts pachters. "'t Is nog maar een voorspelletje. Wacht maar, de lust tot lachen zal je straks wel vergaan. Ginds richten zij de blijden reeds op en daar, aan de andere zijde, wordt de kat in elkander geslagen. Als ze daarmede gereed zijn, zullen we de handen vol werk krijgen."

Inderdaad waren de vijanden bezig, die geduchte werktuigen in orde te brengen. Een blijde was een balk, die, evenals een wip, om eene spil draaide, maar de eene arm was zeer kort en droeg een bak met zware steenen. Aan den langen arm was ook een bak, waarin één of twee steenen werden gelegd. Als nu de lange arm, van het kasteel af, naar beneden getrokken en dan losgelaten werd, vloog hij, door de zwaarte aan de andere zijde, met groote snelheid omhoog en wierp den inhoud van den bovensten bak met ontzettende kracht tegen of in het kasteel. Met zulke werktuigen konden groote verwoestingen worden aangericht en sommigen wisten er zeer juist mede te treffen.

Nog gevaarlijker echter was het tweede straks genoemde werktuig, de kat genaamd, Het had den vorm van eene groote schuur, die van boven met versche koehuiden was bedekt, teneinde tegen vuur bestand te zijn. Zulk eene kat werd op balken, door de lieden, die er in plaats genomen hadden, langzaam vooruit geschoven, totdat zij, de gracht had bereikt, die het kasteel omringde. Zij bevatte alles, wat noodig was, om die gracht te dempen. Was er een gedeelte dichtgeworpen, dan schoof de kat weer langzaam verder, om het dempingswerk voort te zetten, tot het eindelijk voltooid en de kat het kasteel genaderd was. Dan bracht men den ram in beweging. Dat was een zware balk, met ijzer beslagen, die aan kettingen in de kat hing. Die balk werd met vereende kracht achteruit getrokken en plotseling losgelaten, waardoor hij dan met zooveel kracht tegen den kasteelmuur beukte, dat de steenen in het rond vlogen. De sterkste muren waren op den duur niet tegen dat rammeien bestand.

Dikke IJsbrand had gelijk; 't werd spoedig anders en de verdedigers kregen de handen vol werk. Vianen liet aan alle kanten tegelijk aan vallen. Onophoudelijk snorden de pijlen door de lucht, het kasteel daverde en dreunde van de zware steenen, die tegen de muren bonsden, en de blijden wierpen bijna zonder tusschenpoozen hun gevaarlijken inhoud over de muren. Het was daar hoogst gevaarlijk en de verdedigers trachtten zich zooveel mogelijk te verschuilen. Aan hunne voorzichtigheid alleen was het dan ook te danken, dat al laat op den dag nog niemand hunner getroffen was. Toch zaten zij niet stil. Elk schot van den vijand werd met woeker teruggegeven, en daar de belegeraars zich onmogelijk steeds gedekt konden houden, stortte er menigeen doodelijk getroffen ter aarde.

"Dat gaat niet goed!" riep Vianen. "Wacht, ik zal ze wel uit hunne schuilplaatsen opjagen.--Werpt met blijden brandende stoffen in den burcht!" gebood hij.

Dat geschiedde. Brandende takkenbossen, begoten met teer, pek of andere brandbare waar, vlogen als vurige ballen door de lucht en staken het kasteel op verscheidene plaatsen in brand.

"De boogschutters blijven waar zij zijn," gebood Jonker Jan, toen hij dat bemerkte. "De overigen blusschen overal het vuur! Brengt ook de blijden in beweging en werpt alles, wat nog brandt, terug! We nemen van Vianen geen geschenken aan!"

Nu werd het een verschrikkelijke strijd. De trouwe dienaars verdedigden zich met waren heldenmoed, en wisten de vlammen spoedig meester te worden, maar helaas, sommigen hunner stortten ter aarde om nooit weer op te staan, en weer anderen werden door hevige kwetsuren voor geruimen tijd buiten gevecht gesteld. De goede Dodo kreeg het druk met zijne zalfjes en smeersels, maar tot zijne eer moet het gezegd worden: met de meeste doodsverachting begaf hij zich met zijne medicijnkast naar de gevaarlijkste plaatsen, als zijne hulp daar noodig was. Onophoudelijk vlogen de pijlen van en naar den burcht, zware steenen snorden en gierden door de lucht en beukten tegen de muren, en brandende takkenbossen vielen als een vurige regen op het kasteel neder. En onder dat alles klonken de woeste kreten der belegeraars, die de lucht deden daveren door hun geroep van: "Vianen! Vianen!" terwijl de verdedigers hun "Voor IJselstein en Bertha!" deden hooren.

De strijd duurde voort, tot de duisternis tot eindigen dwong. De vermoeide verdedigers kregen nu tijd, om zich te herstellen van hunne vermoeienis. Toen Bertha hare manschappen na den strijd monsterde, kwam zij tot de treurige ontdekking, dat vijf van hare krachtigste dienaren het leven hadden gelaten. De dikke IJsbrand en nog twee anderen waren zoo ernstig gekwetst, dat zij, de eerste dagen althans, buiten gevecht waren gesteld.

De dooden werden onder den grootsten lindeboom van de binnenplaats in aller tegenwoordigheid begraven. Daarna werden de wachten voor den nacht verdeeld, en begaven de overigen zich ter ruste, om nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag.

Maar toen scheen Vianen geen lust te hebben den strijd te heropenen. Reeds was het bijna middag en nog was er geen pijl afgeschoten. Nieuwsgierig vroegen de verdedigers zich af, wat daarvan de reden kon zijn, doch niemand wist antwoord te geven op die vraag. Spoedig evenwel werd hunne nieuwsgierigheid bevredigd. Daar naderde Vianen den burcht, terwijl een dienaar aan zijne zijde door trompetgeschal aankondigde, dat zijn Heer een onderhoud verlangde.

Jonker Jan begaf zich ijlings naar Bertha, ten einde hare bevelen te ontvangen. Haar antwoord klonk fier:

"Zeg hem, dat eene Vrouwe uit het Arkelsche Huis met geen verrader onderhandelt!"

Spoedig was Jonker Jan op den muur. De trompetblazer, Bouke genaamd, schetterde met een geweld, of hij Vianen van zijn paard wilde blazen.

"Hij mag ons wel hooren," zeide hij. "Hij mocht anders eens denken, dat we bang waren."

"Wat voert u hierheen, Heer van Vianen?" vroeg de jonker. "Ik eisch," antwoordde Vianen met trotsch gebaar, "ik eisch de overgave van den burcht zoowel als van de bezetting, de teruggave van mijn kind, dat mij listig ontroofd is, en de uitlevering van mijn lijfeigene, die op dit kasteel eene toevlucht heeft gezocht."

Peer, die evenals de geheele bezetting achter de kanteelen verborgen het gesprek volgde, begon te rillen van angst. "Meer niet?" vroeg de jonker spottend.

"Waag het niet, den gek met mij te steken, baardelooze knaap," beet Vianen hem woedend toe. "Geef de Edelvrouwe kennis van mijn eisch. Nog ben ik tot onderhandelingen bereid, doch later, dat verzeker ik u, zal ik geen genade kennen. Ga, en verzoek haar, op den muur te verschijnen."

"Ik kan die moeite sparen, Edele Heer!" sarde de jonker. "Vrouwe Bertha heeft mij opgedragen u te zeggen, dat eene Vrouw uit het Arkelsche Huis niet met een verrader onderhandelt."

Vlug trok Jonker Jan zich achter een der kanteelen terug, en hij had gelijk, want nauwelijks had Vianen zijn antwoord vernomen, of hij beval knarsetandend van woede zijnen dienaars, den kwajongen neer te schieten.

"Voor IJselstein en Bertha!" donderde het van de muren, terwijl de pijlen door de lucht vlogen. "Voor IJselstein en Bertha!"

"Valt aan! Valt aan!" schreeuwde Vianen, "brengt de kat in beweging. IJselstein moet vallen!"

De strijd werd nog heviger dan den vorigen dag en de verdedigers hadden druk werk, op alle plaatsen den brand te blusschen, door de takkenbossen veroorzaakt.

Met een zucht van verlichting werd 's avonds het einde van den strijd begroet. Ieder verlangde naar rust. Een dikke mist maakte eindelijk de voortzetting van den strijd onmogelijk.

Maar plotseling werden zij allen opgeschrikt door een geweldigen dreun tegen den muur. Iedereen sprong ontsteld op.

"De kat heeft den muur bereikt en men is begonnen te rammeien!" riep Dodo, die al meer een beleg had medegemaakt.

"Dat zal het wezen!" antwoordde Jonker Jan. "Wat moeten we daaraan doen? Als we ze stil hun gang laten gaan, hebben ze in hoogstens drie dagen een gaf in den muur, dat groot genoeg is, om hen allen door te laten, en bij St. Joris, dat zal niet gebeuren!"

Weer dreunde het, dat het door het geheele kasteel weergalmde. 't Was een angstig gehoor.

Daar kwam Bertha aan.

"Men rammeit den muur, Jonker," sprak zij kalm.

"Zijn de mannen niet te vermoeid, om nog een uitval te wagen?"

"Neen, neen," klonk het van alle kanten. "Wat gedaan moet worden, zal gebeuren!"

"Welnu," sprak Bertha, "haalt dan de paarden uit de stallen en rijdt de sluippoort uit. In de hitte van het gevecht trachten de voetknechten de kat en de overige werktuigen in brand te steken. Neemt allen brandstof mede. De gewonden alleen blijven hier, om te zorgen, dat de poort te juister tijd weer geopend wordt om u in te laten. Doch doet het in de grootste stilte."

"Bravo! Te wapen!" klonk het gedempt, en hoe vermoeid de mannen ook waren, iedereen maakte zich opnieuw tot den strijd gereed. Alleen Peer niet. Hij trok zich in een donker hoekje terug en beefde van angst, bij de gedachte dat men hem ontdekken zou. Maar nog meer bevreesd was hij, om den uitval mede te maken, want dan kwam hij, naar hij meende, al te dicht in de nabijheid van den Heer van Vianen.

En ook Fulco scheen geen haast te hebben om zich gereed te maken, want nadat hij den jonker verzocht had een oogenblik te wachten, begaf hij zich naar de burchtzaal, waar Bertha en de overige vrouwen zich bevonden. De meesten dezer sidderden van angst en bezorgdheid over het lof hunner echtgenooten en zonen, die gereed stonden, hun leven te wagen voor het behoud van den burcht.

"Wel, Fulco, wat is er? Hebt ge mij iets te vragen? Treed dan nader!" sprak Bertha vriendelijk.