Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden

Part 4

Chapter 43,903 wordsPublic domain

't Was een vroolijk gezelschap, dat zich verzamelde om de tafels, die met den heerlijksten voorraad beladen waren. Geen enkele ridder ontbrak, en al kwam ook Heer Witte van Haemstede met zijn linkerarm in een doek, omdat die een weinig gekneusd was door den val, en al had Heer Hendrik van Vianen eene lichte wond aan het voorhoofd, gelukkig had geen der dappere ridders zich zoo ernstig gewond, dat hij verhinderd was, aan den maaltijd deel te nemen. De tafels waren rijk versierd met gouden bekers en schalen, kunstig nagebootste kasteelen en een overvloed van het heerlijkste gebraad, blanke rivier- en zeevisch en de fijnste wijnen, die Frankrijk en Duitschland maar opleverden. Eene aangename, vroolijke muziek liet zich hooren.

En de gasten bewezen eer aan de heerlijke gerechten, die hun werden voorgediend. Als om strijd roemden zij de gastvrijheid van den Heer en de Vrouwe van Heukelom. 't Ging er vroolijk langs en de ridders toonden, dat zij nog wel wat anders konden, dan vechten. 't Was een kruisvuur van aardige gezegden en vroolijke jokkernijen. De bekers werden lustig geheven en vlug geledigd, en nu en dan werd door den vroolijken Brederode een liedje aangeheven, dat door bijna alle aanwezigen meegezongen werd.

Iedereen genoot van het heerlijke feest, iedereen was vroolijk, -- slechts één uitgezonderd. Heer Hendrik van Vianen deelde niet in de algemeene vreugde. Met gefronste wenkbrauwen en een stroeven trek op het gelaat zat hij te midden der vroolijken. Barstte iedereen in een schaterend lachen uit, als Brederode zijne snakerijen verkocht, zijn gelaat alleen bleef stroef en norsch: 't scheen wel, of hij niet eens gehoord had, wat er gezegd werd. Zong men een vroolijk lied, hij alleen zweeg. Zijne oogen stonden somber en dof, en er kwam alleen gloed in, als hij heer Gijsbrecht aankeek, wat hij soms wel minuten aaneen kon doen. Ja, dan kwam er gloed in, maar het was de gloed van den haat. Want hij haatte den jongen, fieren edelman, tegen wien hij, de trotsche Vianen, die zich zoo graag "de Onoverwínnelijke" noemde, het in het strijdperk had moeten afleggen. Hij, de Onoverwinnelijke, was overwonnen.

Nooit zou hij dien naam meer durven noemen, want hij begreep maar al te goed, hoe dan zijne vijanden zouden meesmuilen. En vrienden had hij niet. Als hij dat nog nooit geweten had, zou hij het wel hebben kunnen opmaken uit het gejubel, dat uit de menigte opsteeg ter eere van IJselstein, toen deze hem uit den zadel deed storten.

Dat gejuich dreunde hem nog in de ooren, en de gedachte, dat zijne nederlaag het volk zooveel vreugde had verschaft, deed hem dorsten naar wraak. Zijn gemoed was vervuld van den bittersten haat tegen den fieren overwinnaar, zijne oogen gloeiden van wraakzucht. Daarom nam hij geen deel aan het feest. Alleen den beker gunde hij weinig rust; hij dronk veel, zelfs te veel, en hoe meer hij dronk, hoe gloeiender de blikken werden, die hij op Heer Gijsbrecht wierp. Hij wond zich op, en eindelijk--toen de wijn hem naar het hoofd begon te stijgen, was er maar eene kleinigheid noodig, om het blijde feest te doen eindigen in een twist, misschien zelfs wel erger.

En aan die kleinigheid zou het niet ontbreken.

Daar stond de Bisschop van Utrecht op, en den beker heffende, riep hij:

"Komt edele Ridders en Edelvrouwen, wijden wij een dronk aan het welzijn en het geluk van het bruidspaar! Ledigen wij den beker als eene hulde aan de schoone bruid, en ter eere van den bruidegom, den fieren overwinnaar!"

Die woorden werden met geestdrift begroet. Alle gasten stonden op en hieven de bekers omhoog. Daverend klonk het door de groote burchtzaal:

"Ter eere van de schoone bruid en van den dapperen overwinnaar!"

Iedereen drong naar voren, om met Gijsbrecht en Bertha te klinken, en in dat gedrang had niemand er eerst erg in, dat Heer Hendrik van Vianen geen deel nam aan die eerbewijzingen. Doch daar bemerkte plotseling Brederode het en vertoornd over zooveel onwellevendheid, riep hij:

"Wat nu, Vianen, gij weigert toch niet te drinken ter eere van Jonkvrouw van Arkel, en hulde te brengen aan den overwinnaar van het tournooispel? Kom, vergeet, evenals iedereen in uw geval zou doen, de geleden nederlaag en breng hulde aan hem, die haar verdient. 't Was een eerlijke kamp .... "

"Dat was het niet!" bulderde Vianen, onder het opstaan met zijne vuisten zoo ruw op de tafel slaande, dat het drinkgeraad er van rinkelde. "Dat was het niet. 't Was geen eerlijke kamp. Op eene eerlijke wijze zou hij mij nooit overwonnen hebben!"

Hij zag vuurrood, zoowel van woede als van het drinken. Hij beefde van wraakzucht.

Zijne woorden hadden een geweldig tumult ten gevolge. Van alle kansen drongen de ridders op hem aan.

"Dat is onwaar, Vianen!" riepen zij. "Trek die beleedigende woorden in. Ge zijt eerlijk overwonnen en er is volgens de tournooiwetten gestreden. Uwe beschuldiging is valsch!"

"Wat? Durft ge mijne woorden in twijfel trekken, van mij, Vianen? Ik zeg, en iedereen mag het hooren, dat IJselstein door een valschen aanval mijn paard aan het schrikken maakte, waardoor het op zijde sprong en mij deed vallen. Hij hield zich niet aan de wetten van het spel en overwon mij door list. Doch ik erken hem niet als mijn meester! Hij is een valschaard en niet dat alleen, maar ook een lafaard! Laat hij het zwaard trekken als hij durft!"

Dat was te veel voor Heer Gijsbrecht. Hij rukte het zwaard uit de scheede en trad met fonkelende oogen op Vianen toe. Deze had eveneens het zwaard getrokken, doch bij de bewegingen, die hij daarbij maakte, waggelde hij op zijne beenen en hield zich met moeite staande. 't Werd nu iedereen duidelijk, dat hij dronken was.

"Terug! Terug!" klonk het van alle zijden, en men drong zich tusschen de twee ridders in. "Terug IJselstein, ziet ge dan niet, dat hier niet gestreden mag worden? Ziet ge dan niet, dat hij dronken is?"

"Wat, dronken?" bulderde Vianen. "Ik dronken? Neen, ik ben niet dronken, maar hij is een lafaard. Hij durft niet!"

Doch Gijsbrecht had het zwaard al weder in de scheede gestoken. Hij begreep, dat dit geen eerlijk gevecht kon worden.

"Ga naar uwe kamer, Vianen," sprak hij, "en tracht te slapen. Morgen ben ik bereid u te woord te staan."

"Naar mijne kamer? Denkt gij dan, dat ik nog een oogenblik langer met een lafaard onder één dak wil zijn? Ik bedank voor die eer. Ik ga naar huis. Tot wederziens, IJselstein, maar wacht u dan voor Vianen!"

Nog altoos met zijn zwaard in het rond schermende, zoodat alles wat hij bij ongeluk raakte, aan scherven of gedeukt op den grond viel, liep hij de deur uit.

Enkele ridders, waaronder ook IJselstein, volgden hem. Waggelende begaf hij zich, onder het uiten van de leelijkste beleedigingen, naar de andere zijde van het kasteel, waar de bedienden verzameld waren.

Ook daar was iets bijzonders aan de hand.

't Was er den geheelen middag een vroolijk gezelschap geweest. De tafels waren, dank zij der gulheid van de Edelvrouwe, die ook den dienaren graag het goede gunde, ruim voorzien geweest van heerlijk wildbraad en opwekkende dranken. Onder allerlei gesprekken, afgewisseld door grappen en vroolijke liedjes, hadden zij er zich te goed gedaan. Zelfs Peer, de lijfeigene van Vianen, was weer op zijn gemak gekomen. Eerst had hij zich stil en zwijgend aan een hoekje van de tafel gezet en wierp hij steelswijze angstige blikken op Fulco, doch toen hij bemerkte, dat deze in het geheel niet op hem lette, ja, hem zelfs niet eens scheen op te merken, begon hij langzamerhand te hopen, dat Fulco het geheele geval vergeten was. En dat scheen waarlijk wel zoo, want Fulco was zoo vroolijk, dat het onmogelijk was te gelooven, dat hij nog aan andere dingen kon denken. Hij wist zijne buren kostelijk te vermaken, wat duidelijk bleek uit het vroolijk gelach, dat zich telkens rondom hem deed hooren. En zoo voelde Peer, die eerst volstrekt geen eetlust had gehad, langzamerhand zijn moed klimmen en met zijn moed kwam ook zijn eetlust terug. Hij begon eindelijk zelfs praats te krijgen. Dat duurde zoolang, tot plotseling een der aanwezigen zeide:

"'t Is toch eene brutale aanranding geweest, die gisterenavond gepleegd is. Die schurk had eigenlijk al aan den strop moeten hangen."

Als met een tooverslag waren bij Peer zoowel zijn moed en eetlust als zijn praats verdwenen. Hij voelde, dat hij trilde van angst.

"Dat had hij verdiend!" riep een ander.

"Maar eerst eene geeseling!" meende een derde.

En weer ging er eene rilling over Peers rug. Het zweet brak hem uit, en angstig zochten zijne blikken die van Fulco, doch deze keek hem niet aan. Hij scheen niet eens te hooren wat er gezegd werd, want hij stond op en greep eene vedel, die tegen den wand stond.

"Ha, dat is een voortreffelijk plan, Fulco," riep men van alle kanten. "Stilte, we krijgen een lied!"

"Een lied van Fulco den Minstreel!" riep lachend Marij, de dienstmaagd van Jonkvrouw Bertha. "Dat zal wat moois wezen!" liet zij er plagend op volgen.

"Dat zal het zeker," antwoordde een tweede, "Fulco behoeft voor den besten minstreel niet onder te doen. Ik heb hem meer gehoord."

"Nu moet je me niet zoo sterk prijzen, dat ik niet eens meer zou durven beginnen," zeide Fulco gestreeld, terwijl hij de snaren spande. Toen stond hij op en begon afwisselend te spelen en te zingen. Soms tokkelde hij zacht op de snaren, terwijl hij zong. Ieder luisterde met aandacht, en Peer begon weer te herademen, althans voor korten tijd, want het bleek hem spoedig, dat de inhoud van Fulco's lied niet geschikt was, om hem op zijn gemak te brengen.

"Mijn lied heet: de Redding," sprak Fulco, en met eene schoone stem zong hij:

De slotbrug daalt, de hoefslag klinkt! De Jonkvrouw, op haar ros gezeten, Schoon reeds de zon in 't Westen zinkt, Wil toch haar bruigom welkom heeten. Daar buiten vreest zij geen gevaar: Is niet haar Ridder spoedig daar?

't Was zoel geweest den ganschen dag, Nu pakten wolken dreigend samen; Maar Bertha, die 't gevaar niet zag, Verbaast zich, dat geen ruiters kwamen. Daar wordt de rijweg hel verlicht! Een slag volgt op de bliksemschicht!

Waarheen thans, Bertha, in dit uur? Terugtocht kan hier niet meer baten. Waar schuilt Ge voor het hemelvuur? De gansche omtrek is verlaten. Maar ginder naakt de zoom van 't woud; Daar staat een jagershut in 't hout.

De regen valt bij stroomen neer En duisternis bedekt de aarde. De kleine hut heeft in dit uur Voor Bertha een onschatbare waarde. De Jonkvrouw bindt haar paard aan 't hek En treedt in 't onbewoond vertrek.

Thans neigt zij luisterend het oor Of ook haar bruigom langs mocht komen; Wis dringt de hoefslag tot haar door. Het bliksemt telkens in de boomen. Maar .... hoort zij niet een voetstap daar? Wie is 't? Een vriend, of .... nieuw gevaar?

"Sta, Jonkvrouw, geld en siersels af! Sta af! of 't kost U hier het leven!" --"Maar vrees dan, booswicht, ook uw straf!" Zegt Jonkvrouw Bertha zonder beven. "Geen lid van mijn aloud geslacht, Dat een bevel van roovers acht!"

Met galmt haar hulproep door het woud En tracht zij moedig zich te weren. Daar klinken stemmen in het hout, Die Bertha's moed en kracht vermeêren. "Mijn bruigoms stem, die redding meldt, Nu buk ik nooit voor ruw geweld!

Te hulp, te hulp!"--"Waar is 't gevaar?" --"Hier, Gijsbrecht, hier!" De hulp komt nader. De dapp're bruidegom is daar En zoekt in 't duister naar den dader. Thans vreest de roover voor den dood En zucht om redding uit den nood.

De blijdschap op haar lief gelaat Werpt Bertha zich in 's Ridders armen. De roover neemt zijn kans te baat; Hij wacht van Gijsbrecht geen erbarmen. Hij sluipt in haast door 't klein vertrek En redt zich over 't lage hek.

Maar zie, de dienaar, die hier wacht Om trouw de paarden te bewaken, Verheft zijn zwaard met alle kracht En treft, dat kap en schedel kraken. "Hier hebt Ge, roover, loon naar werk: Een onuitwischbaar Kaïnsmerk!"

Intusschen dreef de bui voorbij En kon de Jonkvrouw huiswaarts keeren. Verheugd ging 't bruidspaar zij aan zij. Wie zou nu dapp're Bertha deren? De dienaar meesmuilt in zijn baard: "Die zwaardslag was een goudstuk waard!"

Fulco zweeg. Daverende toejuichingen waren zijn deel. Doch Fulco lachte thans niet. Met den vinger naar Peer wijzende, die doodsbleek in den versten hoek eene schuilplaats zocht, riep hij:

"En wilt ge weten, wie de schurk is, die dat feit durfde ondernemen? Daar staat hij! 't Is Peer, de eigene van den Heer van Vianen. Laat hij het ontkennen, als hij durft!"

Doch Peer durfde niet. Aan al zijne leden bevend viel hij op de knieën en smeekte om erbarming.

Daaraan dacht evenwel niemand. Van alle kanten drong men op hem aan.

"Naar de burchtzaal met den schurk! Naar de burchtzaal!" klonk het. "Hij moet nog heden zijn vonnis hebben! Voort met den roover!"

Men sleurde hem naar de deur, doch juist op dat oogenblik werd die met kracht opengeworpen en verscheen de Heer van Vianen aan den ingang.

"Peer," riep hij met ruwe stem, "de paarden! We gaan naar huis!"

"Hier is Peer! Hier is de aanrander!" klonk het verwarde geroep van de dienaren.

"Genade, genade!" kreunde Peer in doodsangst.

"Wie waagt het mijn dienaar overlast aan te doen?" schreeuwde Vianen woedend. "Laat los, hondsvotten, of ...."

Daar kwamen ook de andere edelen, waaronder Heer Gijsbrecht, het vertrek binnen. Vreezende, dat Vianen in zijne blinde woede misschien een ongeluk zou begaan, en niet wetende, wat er aan de hand was, riepen zij:

"Laat dien man los! Zijn Heer wil vertrekken!"

"Maar hij is de roover, die...!"

"Laat den man los!" gebood Gijsbrecht krachtig. "Wie of wat hij ook zij, laat hem los!"

Aan dat bevel werd voldaan, zij het dan ook schoorvoetend.

Vianen trad naar buiten, en Peer, die zich te Heukelom in het geheel niet meer op zijn gemak gevoelde, volgde hem met zeldzamen spoed. Nog nooit had hij zijn Heer zoo vlug bediend als nu. In minder dan geen tijd zaten beiden te paard en reden de slotbrug over.

De ridders keerden naar de burchtzaal terug en vergaten spoedig het gebeurde.

Maar Heer Gijsbrecht van IJselstein had een vijand gekregen, die niet licht te achten was.

HOOFDSTUK 4

De wraak van Vianen

Veertien dagen later vinden we Heer Gijsbrecht in de groote zaal van het slot te IJselstein, gedost in zijn schoonste gewaad, bezig zijne bevelen te geven aan zijne dienaren. Hij drukt hun de stipste gehoorzaamheid jegens zijne gemalin op het hart, belooft hun eene buitengewone belooning, wanneer zij gedurende zijne afwezigheid getrouw hun plicht doen, maar dreigt met dubbele straf hen, die zich aan plichtsverzuim mochten schuldig maken.

Daarna neemt hij met vriendelijkheid van allen afscheid, en blijft alleen over met zijn schildknaap, Jonker Jan van Asperen. Hij legt zijne hand in de zijne, en zegt:

"En aan U, mijn trouwe knaap, draag ik de zorg op, niet alleen voor mijn kasteel en voor mijne overige bezittingen, maar ook voor het dierbaarste, dat ik bezit: voor mijne lieve gemalin. We beleven vreemde tijden, Jonker, en niemand weet tegenwoordig, of de dag van morgen vrede of oorlog zal brengen. Daarom heb ik, voor ik van hier ga, zooals ge weet, het kasteel in staat van tegenweer gebracht, opdat, als onverhoopt soms een vijand mocht komen opdagen, hij het niet onverdedigd vinde. Beloof me, dat ge haar zult steunen in het bestuur, en zoo noodig, haar zult verdedigen en beschermen in den nood!"

"Ik zweer het, edele Heer!" antwoordde Jonker Jan ernstig en vastberaden. "Zoolang mijn arm een zwaard kan voeren, zal haar geen leed genaken."

"Ik wist, dat ge dit zeggen zoudt, en had geen ander antwoord verwacht. Heb dank voor die woorden. Doch daar hoor ik haar aankomen. Laat ons nu eene wijle alleen."

De jonker vertrok en Bertha kwam binnen. Ook zij was gekleed om uit te gaan; zij wilde haar echtgenoot een eindweegs vergezellen. Zij zag bleek en hoewel hare gestalte als altoos fier was, scheen het toch, alsof er thans een angstige trek op haar gelaat lag. Gijsbrecht ging haar tegemoet en sloeg haar zijn arm om den hals.

"Alles is gereed, Bertha," zeide hij. "We kunnen dadelijk vertrekken. Maar, liefste, wat ziet ge bleek en wat is dat -- tranen in de oogen? Kom, kom, wat is dat voor malligheid? Nu had ik toch gedacht, dat je moediger waart."

"Och, Gijsbrecht," zuchtte Bertha, "wees niet boos op me; ik weet wel, dat het kinderachtig van me is, maar heusch, ik voel me zoo beangst. 't Is me, alsof er een groot ongeluk zal gebeuren.., alsof ik... u nooit terug zal zien."

Bij die woorden barstte zij in tranen uit.

"Maar hoe komt ge toch op die gedachte, mijn Bertha? Gisteren nog kende je geen vrees en was je even moedig als altoos."

"O, ja, dat was gisteren, Gijsbrecht, maar nu .... "

"En waarom ben je dan nu wel bevreesd?"

"Omdat ik .... O, Gijsbrecht, 't was zoo akelig, o, ga toch niet naar het hof te Veere .... Omdat ik zoo'n vreeselijk naren droom gehad heb."

"Ik moet gaan, Bertha. De Bisschop heeft het mij opgedragen, ik moet, -- maar kom, kom, je weet toch wel, dat droomen bedrog zijn."

"Deze niet, neen Gijsbrecht, deze niet. Och, ik smeek u, blijf toch hier! Die droom vervolgt mij reeds den geheelen morgen."

"En hoe was die droom dan wel?"

"O, zoo naar, Gijsbrecht. Ik zag u geboeid in een vreeselijken kerker, bleek en vermagerd, en je riept voortdurend, terwijl de ketens, waarmede je aan den muur geklonken waart, rammelden: 'Bertha, Bertha, waarom verlos je me niet? Zie je dan niet, dat ik hier anders sterven moet?'"

En opnieuw begon de jonge edelvrouw te schreien. Ook Gijsbrecht was een weinig bleeker geworden, doch spoedig herkreeg hij zijne opgeruimdheid weder en zeide:

"Gekheid, Bertha. Droomen zijn nog nooit anders dan bedrog geweest, ik geloof er niet aan. Je hebt zeker onrustig geslapen en toen gedroomd, zooals dat iedereen wel eens overkomt. Een flinke rit in de frissche morgenlucht zal die nare gedachten wel uit je hoofdje doen verdwijnen en je weer vroolijk maken. Kom, laten we te paard stijgen."

"Dus je blijft bij uw plan, en gaat naar Veere?"

"Ik moet, Bertha. Dat kan nu eenmaal niet anders, doch--wees niet bezorgd. Over veertien dagen ben ik immers weer hier?"

Bertha richtte het hoofd op en veegde de tranen weg, die haar in de oogen stonden. 't Scheen, of zij al haar moed en geestkracht terugkreeg, nu zij wist, dat er niets aan het besluit te veranderen viel.

"Laat dan komen, wat er komen moet. Dat God u bescherme!"

En haar echtgenoot een kus gevende, liet zij er op volgen:

"We zullen er het beste maar van hopen, niet waar? Laten we gaan."

Op de binnenplaats stonden vier paarden gereed, die door Jonker Jan en Fulco bij de teugels gehouden werden. Fulco zou zijn Heer op de reis vergezellen, en hij vond dat verre van onaangenaam. Hij hield wel van zoo'n tochtje en 't was bij hem gewoonlijk: hoe verder, hoe liever. Gijsbrecht hielp Bertha in den zadel, en weldra reden zij de slotbrug over, door de bedienden van het kasteel met een hartelijk: "Goede reis, God behoede u!" begroet.

Bertha schikte zich blijkbaar in het onvermijdelijke, want zij sprak over allerlei zaken, behalve over haar droom. En toen zij een uur later een teeder afscheid van Gijsbrecht nam, hield zij zich zoo flink, dat het scheen, of zij er zelfs niet meer aan dacht.

Langzaam reed de Edelman, door Fulco gevolgd, verder. Telkens keek hij achterom en wuifde zijne vrouw en den Jonker een vaarwel toe, dat herhaaldelijk beantwoord werd. Eindelijk verloor hij hen uit het gezicht. Toen gaf hij zijn paard de sporen en reed snel voort.

Wij zullen de beide reizigers niet verder op den voor dìen tijd verren tocht vergezellen. Genoeg zij het te weten, dat zij de reis zonder ongelukken aflegden en in blakenden welstand te Veere aankwamen.

Dicht bij die stad lag het sterke kasteel van den Heer Wolfert van Borselen, bij wien Graaf Jan I zijn intrek genomen had. Dat heette natuurlijk eene vrijwillige daad, maar in werkelijkheid was hij daar niet veel meer dan een gevangene, die echter met al de eer, aan zulk een machtig vorst verschuldigd, behandeld werd. Toch was hij niet meer dan een gevangene, want Van Borselen bewaakte hem en al zijne handelingen als met argusoogen: hij liet hem nooit alleen, en zelfs op zijn uitstapjes in den omtrek hield hij hem gezelschap. De heerschzuchtige Edelman, wien het nergens anders om te doen was, dan om de regeering geheel in handen te hebben, begreep maar al te goed, dat hij daarvoor meester moest zijn van den persoon des Graven, die nog niet veel meer dan een kind was, en wien hij daarom gemakkelijk naar zijne hand kon zetten.

Jan, de zoon van den edelen Graaf Floris V, telde dan ook nog nauwelijks zestien jaren, en was daarenboven klein van gestalte en zwak en ziekelijk van lichaam. Geen wonder was het daarom geweest, dat zoovelen getracht hadden, zich van de voogdij over den jongen Graaf, en zoo ook van de regeering, meester te maken, waaronder, behalve Van Borselen, genoemd moeten worden Dirk van Cleve en Jan van Avennes, graaf van Henegouwen. Tevens trachtte ook Willem II Bertold van Mechelen zijn voordeel te doen, en viel met een leger in Noord-Holland, dat hij veroverde tot Medemblik toe.

Spoedig moest hij echter wijken voor Jan van Avennes, die overal, als de neef van Jan I, met gejuich werd begroet. Ook de Vlamingen, die op aanstoken van Van Borselen in Zeeland gevallen waren, trokken, voor zijne macht beducht, terug. Zoo scheen het, alsof dus Jan Van Avennes het pleit om de oppermacht zou winnen, toen hem plotseling de tijding ter oore kwam, dat Graaf Jan geland was, en dat hij ontvangen was door en zijn intrek genomen had bij Heer Wolfert van Borselen. Dat was hem eene streep door de rekening, doch zoo dadelijk gaf hij zich niet gewonnen. Onverwijld zond hij Graaf Jan zijn groet, en noodigde hem uit, te Dordrecht te komen, waar hij hem de regeering zou overgeven en rekening afleggen over het gehouden bestuur. Doch dat wilde Van Borselen niet, omdat hij begreep, dat zijn rijk dan spoedig uit zou zijn. Hij waarschuwde daarom den Graaf voor dien tocht, zeggende, dat Jan van Avennes wel eens heel andere bedoelingen zou kunnen hebben. Het was immers best mogelijk, dat het zijn plan was, den Graaf gevangen te nemen en zich van de regeering meester te maken? De Graaf geloofde die woorden, en Jan van Avennes kreeg al spoedig een antwoord, dat alles behalve vriendelijk was. Hij werd uitgenoodigd om zonder gewapend geleide te Blijdorpe, in Zeeland, te komen. Vrees behoefde hij niet te koesteren, want de Graaf zou hem een vrijgeleide geven. Maar zoo gemakkelijk liet de Henegouwer zich niet verschalken, en hij verliet toornig het land. Dat hij goed gezien had bleek maar al te duidelijk, want Van Borselen verspilde groote schatten, om hem op zijn tocht naar Henegouwen gevangen te nemen.

Zoo had dan nu Van Borselen alle macht in handen, waarvan hij gebruik maakte om zijnen vrienden, allen Zeeuwen, groote bedieningen te geven. Den Heer van Brederode ontsloeg hij als Baljuw van Zuid-Holland en benoemde Jan van Renesse in diens plaats.