Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden

Part 12

Chapter 123,853 wordsPublic domain

Een oogenblik tintelden Vianen's oogen van vreugde. Dan zegt hij:

"Ik neem uwe voorwaarden niet aan, Vrouwe van IJselstein. Ik eisch de overgave van den burcht, zoowel als die van zijne verdedigers, waaronder dus ook gij behoort. De vrouwen en kinderen kunnen gaan. Niemand zal hen deren. Eindelijk nog eisch ik op staanden voet de uitlevering van den dienaar, die mij mijn kind ontroofd heeft. Voor hem is geen genade!"

"En welk lot zal der bezetting ten deel vallen?" vraagt Bertha.

"Haar vonnis zal worden uitgesproken door Heer Aloud, 's Graven Baljuw," antwoordt Vianen.

"Dat vonnis zal dus de dood zijn," herneemt Bertha somber. "Heer Aloud kent geene andere vonnissen. Welnu, dan zullen we sterven met het zwaard in de vuist. Liever den dood op de muren dan den dood op het schavot. Nog is de burcht mijn, Heer van Vianen, en versta goed wat ik zeg: nog liever geef ik hem over aan een verterend vuur en storten wij ons in de vlammen, dan dat wij ons overgeven om een vonnis te ontvangen van Aloud, den onrechtvaardigen. Bedenk het wel, Vianen! 't Is voor het eerst, maar ook voor het laatst, dat ik met u in onderhandeling treed, en nog bevindt zich uw kind in mijne handen. Voor zijne vrijheid eisch ik die van de geheele bezetting. Met het vonnis over mijne trouwe dienaren velt gij tevens het vonnis over uw eigen kind!"

Vianen denkt een oogenblik na. "De trotsche vrouw is werkelijk in staat, het kasteel te doen afbranden, en met de bezetting ook mijn kind in de vlammen te doen omkomen," mompelt hij. "Laat ik voorzichtig zijn." En zich tot Bertha wendende, zegt hij:

"Welnu, ik zal u mijn laatsten eisch stellen, en bedenk goed, dat ik daarvan niets zal laten vallen. In de eerste plaats eisch ik de teruggave van mijn kind."

"Op de voorwaarde, door mij gesteld," zegt Bertha fier.

"In de tweede plaats de uitlevering van Peer, mijn dienaar."

"Den verrader kunt gij krijgen," klinkt het antwoord.

"En ten derde eisch ik, dat mij de halve bezetting worde overgeleverd. De andere helft zal vrij zijn. Begrijp evenwel goed, dat onder die bezetting ook gij zelve behoort, en dat het lot zal aanwijzen, wie vrij is en wie--sterven zal. De loting zal geschieden te Dordrecht, onder toezicht van den Baljuw. Daarentegen kunnen de overige vrouwen en kinderen vrij heengaan. Ziedaar mijn laatsten eisch."

Bertha zwijgt. Zij weet niet, wat zij antwoorden moet. Eindelijk zegt zij:

"Over een uur zult gij mijn antwoord vernemen. Ik wil de bezetting over uw voorstel raadplegen. De dappere mannen hebben daarop recht."

De geheele bezetting vereenigde zich in de burchtzaal, waarin iedereen somber en zwijgend voor zich staarde.

Bertha stond op.

"Mannen," sprak zij, "gij hebt den eisch van Vianen gehoord, en gij kent allen den toestand, waarin wij verkeeren even goed, als ik dien ken. Beslist zelven, wat er gedaan moet worden. Uw besluit keur ik vooraf reeds goed. Wat wilt gij: den strijd volhouden tot het uiterste en strijdend sterven met het zwaard in de hand--of zullen wij den burcht overgeven en door het lot doen beslissen, wie van ons sterven zal? Aan de helft onzer is de vrijheid toegezegd. Wat kiest gij?"

Allen zwegen. De meesten hadden tranen in de oogen.

Bertha begreep, dat een enkel woord van haar voldoende was, om hen allen tot voortzetting van den strijd te bewegen. Doch dat woord wilde zij niet uitspreken. Zij gaf hun volle vrijheid om te handelen, zoo zij wilden. Zij konden zelven hun lof bepalen. Eindelijk zeide Jonker Jan kortaf:

"Bij St. Joris, ik kies een eervollen dood in den strijd boven de galg. Ik ben tegen de overgave van den burcht."

Weer werd het stil in de zaal. Men hoorde niets dan de snelle ademhaling der ongelukkige krijgslieden.

Eindelijk stond Dodo op en zeide:

"Edele Vrouwe, ik ben een oud man en verwacht van het leven niet veel meer. Ware de burcht met mijn dood te redden, gewillig zou ik sterven. Maar--het slot is niet te behouden, en velen onzer zijn nog jong: voor hen moet het leven nog beginnen. Nemen wij de voorwaarden van Vianen niet aan, en besluiten wij om de verdediging voort te zetten, ach, wij weten het allen, dat is slechts eene zaak van enkele uren. Moet daarvoor het leven van acht onzer worden opgeofferd? Ook dat van u, Edele Vrouwe? Neen, laten wij ons overgeven; dan wordt toch aan de helft onzer het leven gespaard en de vrijheid geschonken, en ook gij hebt dan nog kans, uw leven te behouden. God weet, hoe gaarne ik het mijne voor u zou geven. Ik ben voor de overgave."

"Dodo heeft gelijk," zeiden verscheidene stemmen. "De burcht is toch verloren en nu hebben wij nog één kans van de twee, dat wij het leven behouden. Geef den burcht over, Edele Vrouwe."

"Het zij zoo," sprak Bertha. "Dus gij allen wilt het?" "Ja, ja!" klonk het overal.

Alleen de schildknaap liet zijn kort "neen" hooren.

"Laat de vrouwen en kinderen zich dan gereed maken om te vertrekken en haalt den bediende van Vianen uit den kerker. Ik zal mij op den muur begeven om Vianen ons besluit mede te deelen."

Aan den arm van Jonker Jan beklom Bertha de trappen. Zij zag doodsbleek en haar arm beefde in dien van haar trouwen schildknaap. Tranen vloeiden haar langs de wangen.

Vianen kwam, zoodra zij op den muur verscheen, terug.

"Heer van Vianen," zeide Bertha, "ik geef u den burcht op de gestelde voorwaarden over. Doch nog één vraag wensch ik te doen. De helft der bezetting zal sterven, niet waar? Maar de andere helft, zal die vríj zijn? Belooft gij dat op uw ridderwoord?"

"Ik beloof het, Edele Vrouwe," zeide Vianen. "Welnu, dan geef ik u den burcht over. Gij kunt door de hoofdpoort binnentrekken, nadat eerst de vrouwen en kinderen daar uitgegaan zijn. Laat eene horde over de gracht leggen, want de valbrug is vernield."

"Het zal geschieden," antwoordde Vianen.

Bertha, met den kleinen Karel, Vianens kind, aan de hand, en haar vijftien krijgslieden, verzamelden zich op de binnenplaats. Onbeschrijflijk aandoenlijk was het tooneel, dat nu volgde. Met tranen in de oogen reikte zij allen de hand en dankte zij hen voor hunne trouw en liefde. De krijgslieden schreiden, en zij schaamden zich hunne tranen niet.

Toen kwamen de vrouwen en kinderen en namen van allen afscheid. Sommigen zagen immers hun echtgenoot of vader voor de laatste maal? Anderen begaven zich naar de sombere plaatsen onder de groote lindeboomen en snikten een laatst vaarwel toe aan de dooden...

't Was aangrijpend.

Daar werd ook een afgrijslijk gegil hoorbaar--de angstkreten van een veroordeelden misdadiger. Peer werd uit zijn kerker gehaald. Het gejammer van den ongelukkige vervulde iedereen met afschuw, maar ook met deernis. Men wist toch, dat zijne straf vreeselijk zou zijn.

"Maak er een einde aan, Jonker," zeide Bertha. "Open de poort!"

De Jonker gehoorzaamde. Zijne vingers trilden, toen hij den sleutel in het slot stak en zijne oogen vulden zich met tranen.

Daar gingen de zware deuren open,--en een uitbundig gejuich steeg op onder de vijanden.

Bertha wendde den blik af... en tuurde naar het vaandel van IJselstein, dat nog van den toren wapperde.

Nu trokken de vrouwen en kinderen met gebogen hoofd de poort uit, de horde over. De rijen der vijanden openden zich. Men liet hen ongedeerd heengaan.

Toen trok Vianen binnen, gevolgd door zijne juichende krijgers.

Bertha trad hem met den kleinen Karel tegemoet en reikte hem het kind over.

Een oogenblik werd Vianen verteederd, toen hij zag, hoe liefdevol het knaapje de Edelvrouw aanblikte. Hij trok zijn kind bij zich op het paard en kuste het vurig.

Maar spoedig gaf hij het een dienaar over en zijn gelaat nam de gewone stroeve uitdrukking weer aan.

Intusschen hadden de krijgsknechten de binnenplaats bezet. Bertha en hare dapperen stonden in het midden.

Thans rukte Peer zich los en wierp zich kermend voor de hoeven van het paard zijns meesters. Verschrikkelijk klonken zijne jammerklachten.

Maar nauwelijks had Vianen hem gezien, of hij trok zijn zwaard en gaf hem met het scherp een slag over het gelaat.

"Dáár, hond!" brulde hij. "Sluit hem op!" gebood hij toen aan een paar krijgsknechten, welk bevel onmiddellijk werd uitgevoerd. Toen reed hij op Bertha toe, en sprak toornig:

"Wat nu, Vrouwe! Houdt gij aldus de bepalingen van de overgave? Denkt gij, dat ik mij zoo gemakkelijk laat bedriegen? Waar is de bezetting, die zich aan mij zou overgeven?"

Doch Bertha wees kalm op de vijftien mannen, die haar omringden, en zeide:

"Ziehier de geheele bezetting. Bedriegen ligt niet in mijn karakter."

"Gij liegt, Vrouwe!" bulderde Vianen woedend. "Zouden vijftien mannen in staat zijn, mij zoolang te weêrstaan? Gij liegt, zeg ik u, en ik eisch, dat zij zich allen overgeven!"

"Nog eens zeg ik u, dat dit de geheele bezetting is," antwoordde Bertha kalm. "Het gansche kasteel is ledig."

Verwonderd staarde Vianen het kleine hoopje volks aan, en een blos van schaamte verfde zijne kaken bij de gedachte, dat vijftien mannen zijne geduchte macht zoolang weerstand hadden geboden.

"'t Is wel!" riep hij uit, en zich tot zijne krijgers wendende, gebood hij:

"Sluit ze allen op! De kerkers hebben plaats genoeg!"

Maar daar trok plotseling Jonker Jan het zwaard, dat nog altoos aan zijne zijde hing.

"Bij St. Joris, dat zal niet gebeuren!" donderde hij Vianen toe. "De Edelvrouwe zal den kerker niet binnentreden!"

"Slaat hem dood!" schreeuwde Vianen. "Wat denkt die knaap wel! Slaat hem dood!"

Stellig zou dat bevel uitgevoerd zijn, indien Bertha niet tusschenbeide getreden ware.

"Steek dat zwaard op, Jonker!" gebood zij. "Ik heb immers gestreden, evenals gijlieden? Waarom zou ik dan in hetzelfde lot niet deelen? Steek het zwaard op, Jonker. Vianen is in zijn recht, al kon hij anders handelen."

Jonker Jan gehoorzaamde onwillig. Spoedig werden allen ontwapend en in een kerker opgesloten.

Vianen trok den burcht binnen en nam in naam van Graaf Jan van alles bezit. Hij liet het wapen van IJselstein van den toren halen en den Hollandschen liebaard daarvoor in de plaats stellen. Toen zond hij een renbode naar 's-Gravenhage, om den Graaf en Heer Wolfert van Borselen van den val van IJselstein kennis te geven.

Daarna liet hij Peer uit zijn kerker sleuren en sprak het vonnis over hem uit. 't Was een verschrikkelijk vonnis: hij moest geradbraakt worden. Het werd op staanden voet uitgevoerd. Onder de ijselijkste kreten liet hij het leven...

Vianen zond zijn kind onder een gewapend geleide naar zijn kasteel terug en voerde zelf zijne gevangenen in triomf naar Dordrecht, waar hij door zijn vriend Aloud met gelukwenschen werd ontvangen. Doch de poorters van die stad ontblootten overal, waar Bertha en hare dienaren voorbijtrokken, eerbiedig het hoofd. Zij bewezen hulde aan de betoonde dapperheid.

Heer Wolfert van Borselen, die steeds op eigen voordeel bedacht was, schonk het rijke IJselstein aan zijne gemalinne in eigendom.

HOOFDSTUK 10

De loting

Er heerschte eene ongewone drukte op het marktplein vóór het stadhuis te Dordrecht. Honderden menschen waren daar samengestroomd om het vreeselijke schouwspel bij te wonen, dat daar zou worden afgespeeld; de dappere verdedigers van IJselstein zouden straks voor den hoogen rechter moeten verschijnen, ten einde te loten om leven en dood. Op het midden van het plein was reeds alles in gereedheid gebracht, om het vonnis te voltrekken; acht galgen verhieven zich dreigend boven de hoofden van de toegestroomde menigte.

Maar het was niet de gewone drukte, die daar anders heerschte, als de eene of andere misdadiger zijne wandaden met het leven zou boeten. Men hoorde geen schertsen of lachen en niemand vermaakte de omstanders met zijne spotternijen over de stuiptrekkingen van hen, die straks hun laatsten strijd zouden strijden.

Neen, 't waren slechts sombere en dreigende gelaatstrekken, die gezien werden; toorn en verontwaardiging stond te lezen in de fonkelende oogen der vernederde poorters, en als hun blik, doelloos ronddwalende, de rij van galgen ontmoette, greep de hand onwillekeurig naar het zwaard en siste eene verwensching tusschen de gesloten lippen.

Er werd weinig gesproken, de meesten zwegen, maar--de vurige blikken, die telkens op het stadhuis werden gericht, zeiden genoeg. Het woelde en kookte in de harten dier mannen, en in hun binnenste was het als een smeulend vuur, dat slechts een vonkje noodig had, om de vlammen te doen uitslaan. En dan--dan zou hunne wraak vreeselijk zijn.

Al meer en meer kwam het volk toestroomen. Het werd rumoeriger onder de menigte. Hoor, klonk daar zelfs geen kreet?

"Weg met Aloud! Den dood aan Aloud!"

Doch de kreet werd niet beantwoord, al tintelden de oogen van hen, die hem hoorden en al werden ook gretig de halzen gerekt, om te zien, wie den moed had, dien kreet te slaken. Zou die monnik, daar tusschen de pilaren van het stadhuis, de vermetele zijn?

"Ja, mannen, ziet mij maar aan," roept hij de verbitterde schare toe, "ik heb het geroepen en durf het nog wel honderdmaal doen! Is het geen schande, zooals hij de vrije poorters onzer goede stad vertrapt onder zijne voeten, onze vrijheden verkort, onze privilegiën schendt? Neen, weg met Aloud! Den dood aan Aloud!"

Dreigend heft de monnik, wiens gestalte eer die is van een ridder of edelman dan van een geestelijke, die zich in het sombere klooster terugtrekt, om vrede te zoeken voor zijn ziel, de vuist op tegen het hooge gebouw, vanwaar Aloud zijne eigenmachtige bevelen uitvaardigt.

"Den dood aan Aloud, den handlanger van Wolfert van Borselen!" klinkt het onder de omstanders, die door zijn vurige woorden medegesleept worden. "Den dood aan den verrader!"

"Moeten wij, vrije poorters van Dordrecht," zoo vervolgt de monnik in krachtige taal en met levendige gebaren, "moeten wij het nog langer aanzien, hoe hij de rechten en privilegiën schendt, ons door den edelen Graaf Floris, zaliger gedachtenis, geschonken? Moeten wij het lijdelijk aanzien, dat diens gewetenlooze moordenaars met hunne handlangers ons ongestraft ontnemen, wat die brave vorst ons eenmaal schonk? Neen, weg met Aloud, den handlanger van Wolfert van Borselen, die de moordenaar was van onzen beminden Graaf Floris en de stokbewaarder is van diens jeugdigen zoon! Weg met Aloud, den dood aan Van Borselen!"

En met geestdrift worden die woorden door het volk herhaald. "Weg met Aloud! Den dood aan Van Borselen!" Die kreet gaat van mond tot mond, al klinkt hij ook nog niet uit volle borst, en gaat over in een dreigend gegons, dat zich over het geheele marktplein verbreidt.

Daar heft de monnik de hand op en wijst naar de opgerichte galgen.

"En moeten wij, vrije poorters van Dordrecht, het aanzien, dat straks dáár acht dappere mannen, en wat nog grooter schande zou wezen, misschien eene schoone jonge Edelvrouwe, dat straks dáár acht menschen aan de galg hun leven zullen laten, alleen omdat zij hun eigendom verdedigden met een moed, die zijn weerga nog moet vinden? Moeten wij dat verdragen, vrije mannen van Dordrecht? Moet eene zoo groote schande over onze stad komen, waarvan de geschiedrollen over honderden jaren nog zullen spreken! Mogen uwe kinderen later van u getuigen, dat gij, hunne vaders, hier eenmaal gedoogd hebt, dat acht onschuldige menschen hun leven geboet hebben aan de galg, alleen omdat zij dapper en wij -- wij te laf waren, om naar de wapenen te grijpen en den moord te beletten? Moet dat gebeuren? Neen, weg met den moordenaar! Den dood aan Aloud, die onze rechten schendt en schande over onze stad brengt. Weg met Aloud!"

Luider en luider wordt die kreet herhaald en dreigender rinkelen de zwaarden in de trillende vuisten.

Heer Aloud, die zich in het stadhuis bevond, hoorde dien kreet, -- maar hij vreesde hem niet. Een minachtende glimlach plooide zijne lippen. Hij wendde zich tot een dienaar en zeide:

"Men durft daar dreigen, doch ik zal hun het zwijgen opleggen. Geef den Schout last, het plein met een sterke macht af te zetten, en dat elke oproermaker onmiddellijk gekerkerd worde."

Het gejoel op de markt nam intusschen op onrustbarende wijze toe. De monnik met zijne fiere gestalte bewoog zich nu hier, dan daar onder de menigte, en overal, waar hij kwam, ging weldra de kreet op:

"Weg met den verrader! Weg met Aloud! Weg met den vrouwenmoordenaar!"

Doch nu naderde tromgeroffel, dat de komst van den Schout en zijne schutters aankondigde. Aan alle zijden werd de markt afgezet. Het gejoel verminderde, de kreten werden gesmoord. Maar in de harten der gekrenkte mannen bleef het koken en bruisen, en fluisterend hitste men elkander tot den strijd op. Men verdrong zich voor de groote deuren, die straks zouden geopend worden. Heer Aloud hoorde met een minachtenden glimlach, hoe het joelen en dreigen verminderde, nu de schout de markt bezette.

"De lafaards!" mompelde hij. "Hoe vreezen zij mijne macht." Hij stond op en begaf zich naar de rechtzaal, waar de schepenen van Dordrecht reeds vergaderd waren en op zijne komst wachtten. Toen hij binnentrad stonden zij op en bogen eerbiedig. Het waren allen poorters uit de stad, die met den Baljuw de vierschaar spanden. Slechts één van hen was een edelman, Nicolaas van Putten genaamd, een braaf en vroom man, die het recht liefhad en niet dan noode zich bukte voor de willekeurige handelingen van den Baljuw.

"Zijn alle schepenen tegenwoordig?" vroeg Aloud, terwijl hij in den rechtstoel plaats nam.

"Allen," klonk het korte antwoord.

"Dat dan de gevangenen binnengebracht worden, en verzoek den Heer van Vianen, die beneden wacht, hier plaats te nemen."

Na een korten tijd trad Vianen binnen. Heer Aloud ging hem tegemoet en begroette hem met eerbewijzingen. Daarna liet hij hem ter zijde van de tafel plaats nemen. Spoedig traden ook de gevangenen binnen, begeleid door een aantal gewapende krijgslieden. Bertha van Arkel stond te midden van hare getrouwe dienaren en wierp een fieren blik op Heer Aloud, die hare komst met een spottend lachen begroette. Zij wilde geen vrees toonen, noch voor hare vijanden, noch voor den schandelijken dood, die haar misschien wachtte.

"Laat de deuren openen!" beval Aloud den gerechtsbode. "De vrije poorters mogen wel zien, wat hier gebeurt," en weer lachte hij smadelijk, terwijl hij den nadruk op het antwoord "vrije" legde.

Het volk drong woest de trappen op en de rechtzaal binnen. Geen kreet werd gehoord, geen woord gesproken, maar met eerbiedige bewondering staarde men op de schoone edelvrouwe en hare trouwe dienaren, die zoo moedìg den strijd hadden volgehouden tegen de groote overmacht van den gehaten Aloud en Vianen, en dreigend waren de blikken, die op deze twee mannen werden gericht. De fiere monnik, die straks op het marktplein door zijne vurige taal de gemoederen der poorters zoo heftig in beweging had gebracht, was ook de zaal binnengedrongen. De kap van zijne pij had hij diep over het hoofd getrokken. Voortdurend waren zijne schitterende oogen op de edelvrouwe gericht, en telkens fluisterde hij, zelfs voor de naaste omstanders onhoorbaar:

"Bertha, mijne lieve, moedige Bertha."

Nu verhief de gevreesde Aloud zijne stem:

"Schepenen van Dordrecht," sprak hij, "gij zijt heden ter vierschaar opgeroepen om het vonnis te bekrachtigen, dat door den Heer van Vianen, den moedigen overwinnaar van IJselstein, over de bezetting van dat slot geveld is. Gij weet, dat het zijn recht was als overwinnaar het vonnis te vellen niet alleen, doch dat hij het ook op staanden voet had kunnen doen voltrekken. Doch opdat de wereld later niet zou kunnen zeggen, dat daarbij oneerlijkheid was gepleegd, heeft hij zijne gevangenen aan mij uitgeleverd en de uitvoering van het vonnis aan u en mij opgedragen. Ik verzoek den dapperen Heer van Vianen, ons met de bepalingen van de overgave in kennis te stellen."

Vianen stond op.

Eene ademlooze stilte heerschte onder de menigte, díe de zaal vulde. Wel waren de bepalingen reeds algemeen bekend, maar toch was iedereen nieuwsgierig, die uit den mond van Vianen zelven te vernemen.

"Machtige Baljuw," zeide Vianen, "gaarne voldoe ik aan die uitnoodiging. De burcht is mij overgegeven op de volgende voorwaarden:

"De vrouwen en kinderen zouden vrijen uittocht hebben. Het kind, dat mij listig ontroofd was, zou mij ongedeerd worden teruggeven.

"De dienaar, die mij het kind onstolen had, zou mij uitgeleverd worden.

"En eindelijk: de helft van de bezetting zou den geboden weerstand met het leven boeten. Het lot zal beslissen, wie sterven zal.

"Andere voorwaarden, Edele Heer, zijn niet gesteld. Ik heb de bezetting gevankelijk naar deze stad gevoerd, en het staat aan u te beslissen, hoe de loting zal plaats hebben."

Heer Aloud richtte nu het woord tot Bertha en vroeg:

"Erkent gij, Vrouwe van IJselstein, de waarheid van die bepalingen?"

"Ja, Heer," klonk zacht het antwoord, "op die voorwaarden heb ik den burcht overgegeven. Alleen moet ik er nog bijvoegen, dat de andere helft der bezetting niet alleen het leven maar ook de vrijheid erlangen zal. Dat is uitdrukkelijk bepaald."

Aloud antwoordde met een licht schouderophalen, terwijl Vianen een valschen glimlach om den mond kreeg.

"Welnu, schepenen van Dordrecht," hernam Aloud, "gij hebt de bepalingen gehoord en zult die, als rechtdoende in's Graven naam, ongetwijfeld met de grootste gestrengheid uitvoeren. Het verzet van den Heer van IJselstein tegen de bevelen van den Heer van Borselen, als gevolmachtigde van den Graaf, zoowel als de langdurige verdediging van het slot eischt, dat er eene voorbeeldige straf gesteld worde. De Heer van Borselen heeft reeds het machtige kasteel aan zijne gemalinne geschonken en wenscht, dat de verdedigers als opstandelingen streng gestraft worden, wat zeker uwe goedkeuring zal wegdragen.

"Wij kunnen dus nu overgaan tot de loting. De bezetting bestaat uit zestien personen. Ik heb daarom zestien balletjes van was, alle even groot en van denzelfden vorm, laten gereedmaken, en heb hier even zooveel penningen: acht Hollandsche en acht Leuvensche. In elk balletje zal een penning worden verborgen, zóó dat hij geheel onzichtbaar is. Wie nu een Hollandschen penning trekt, zal het leven behouden; de Leuvensche penningen daarentegen veroordeelen tot de galg.

"Draagt dat de goedkeuring van u allen weg?"

"'t Is schandelijk!" riep eene stem uit de menigte.

Iedereen keek verschrikt op. Wie durfde het wagen, zijne stem te verheffen tegen den gevreesden Aloud, die op dit oogenblik den persoon des Graven vertegenwoordigde? Dat was al te vermetel! Maar niemand kon den schuldige ontdekken, hoewel de mannen, die rondom den forsch gebouwden monnik stonden, wel wisten, wie het deed. Aloud stond op en toornig zag hij de menigte aan.

"Ik duld hier geen tegenspraak, verstaat gij dat, poorters van Dordrecht? De eerste, die het weer waagt, zijne stem te doen hooren, zal ik laten oppakken en doen opsluiten. Ik laat niet met mij sponzen!"

Ook bij Bertha had die stem eene groote ontroering teweeggebracht, immers,--zij kende haar? Neen, neen, zij twijfelde er niet aan: dat was de stem van Gijsbrecht, van haar dierbaren gemaal! Een zalig gevoel doortintelde haar lichaam; tranen van dankbaarheid welden op in hare schoone oogen, en zacht prevelden hare lippen: "O God, heb dank, mijn Gijsbrecht is gered, en--hij is hier, hij is mij nabij in den nood. Heb dank, heb dank, goede Hemelsche Vader!"

Nu stond een der schepenen op. 't Was Heer Nicolaas van Putten, de eenige, die zich machtig genoeg voelde, Heer Aloud te durven zeggen, wat hij dacht. Toch behoorde daar moed toe, want voor Alouds willekeur en wreedheid was niemand veilig.