Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 6

Chapter 63,633 wordsPublic domain

Hij deed niets meer, zat iederen avond en iederen morgen in het koffiehuis te redeneeren en te bluffen, als ware hij bij machte alles te houden wat hij vroeger of later had beloofd; er haperde altijd maar eene kleinigheid, verzekerde hij met de goelijke trouwhartigheid van den waanzin, een onnoozele tonne gouds of wat, die niemand hem wilde voorschieten op eene verzekerde winst van millioenen! Met één woord, hij werd de _spot_ van de gewone koffiehuisbezoekers, die er pleizier in hadden hem uit te lokken en nog meer op te winden, door hem van tijd tot tijd te onthalen op wijn en sterken drank. Nooit had de ongelukkige zich aan misbruik op dit punt overgegeven, integendeel, zelfs het gebruik had hij zich altijd ontzegd, wetende dat elke prikkel hem nadeelig was. Nu, waar rede en oordeel hem niet meer waarschuwden, weerstond hij zulke aanbiedingen niet meer en geraakte daardoor in zulke opgewondenheid, dat hij naar huis terugkeerende, overluid alleenspraken hield en zijne plannen den voorbijgangers meedeelde; aan de deftige huizen aanschelde, driestweg bij de winkeliers binnentrad, en tot in de geringste buurten toe, de lieden kwam opschrikken met zijne verbijsterende aanbiedingen. De tegenspraak der ongeloovigen, het afweren van dienstboden, die hem niet wilden aanmelden, bracht hem dan in zulke vlagen van woede, dat hij door de straatjongens werd uitgejouwd en maar al te vaak oorzaak en voorwerp werd van wanordelijkheden, waarbij de politie tusschenbeiden moest komen. Van dier wege werd zijne arme vrouw gewaarschuwd haar ongelukkigen echtgenoot thuis te houden of te zorgen dat hij den burgers geen overlast deed, daar er anders vanwege het bestuur in zijne bewaring zou worden voorzien.

Dies ondanks kon de edelaardige vrouw niet besluiten den raad harer vrienden te volgen, en den man met wien zij jarenlang lief en leed had gedeeld en die alleen op het ziekelijke punt lastig en onhandelbaar was geworden, nu uit haar huis te verwijderen, en naar een dier gestichten te doen vervoeren, die erger zijn dan kerkerlijke opsluiting.... Er valt niet aan te twijfelen of er zal ook hierin welhaast verbetering komen, bij alles wat er uitgedacht en uitgevoerd wordt tot heil der lijdende menschheid, maar zooals het nu is....

»Ja, ze zijn erbarmelijk ingericht!" stemde Roestink toe, »maar ik heb gehoord dat er zich reeds krachtige stemmen verheffen, die voorziening vragen in dezen treurigen staat van zaken, en er valt niet aan te twijfelen of er zullen doeltreffende maatregelen genomen worden als we een jaar of wat verder zijn."

»Ik ben er van overtuigd, maar intusschen had Mina Rosemeijer geen moed om haar man aan de jammeren van zulke opsluiting te wagen. Zij deed het mogelijke om hem tegen zich zelven te beveiligen om te voorkomen, dat hij openlijk aanstoot gaf. Frits, die toen zoo omtrent zijn twaalfde jaar had bereikt, werd de onafscheidelijke metgezel van zijne uitgangen, Frits wist hem terug te houden van de plaatsen waar de verlokking op hem loerde, wist hem af te leiden van zijn _idée fixe_ om zich bij vreemden aan te melden, zocht zooveel mogelijk met hem de vrije natuur, slaagde er in hem smaak te doen vinden in uitgestrekte wandelingen naar de omliggende dorpen, en deed het mogelijke om te beletten dat hij ergernis gaf of leed; dit laatste gelukte hem niet altijd; geen schoolknaap, geen straatjongen, geen bedelaar die ze samen opmerkte, of het klonk nu eens wat luider, dan eens wat meer omzichtig: »Daar gaan de twee Millioentjes," en daar Frits ondanks zijne vreedzame missie niet altijd de noodige lankmoedigheid bezat om den schimp als ongehoord te laten passeeren, viel er van tijd tot tijd wel iets voor dat juffrouw Rosemeijer in moeielijkheden bracht, en haar deed inzien dat de toestand voorziening eischte, bovenal ter wille van Frits, die in zijn beste leerjaren al te veel verzuimde en wiens fiere levendige aard onbeschrijfelijk leed onder 't geen hij met en voor dien vader had te dragen. Toch kon zij niet overgaan tot de smartelijke maatregelen die het verstand haar raadde, maar waaronder haar hart zou breken, dit voelde zij als bij ingeving. Eer zij tot een besluit kon komen, was de strijd geëindigd.

Herman Rosemeijer had voorheen tot elks voldoening den post van klokkenist bekleed. Niemand die aan ons fraai klokkespel zulke zuivere, krachtige tonen wist te ontlokken dan hij, vóór zijne rampspoedige reize naar Engeland. Uit humaniteit had de stedelijke regeering hem daarna die betrekking niet ontnomen toen hij er ongeschikt voor was geworden, maar liet hem den naam en het kleine tractement, en had Busch aangesteld om voorloopig het werk te doen met toezegging der _survivance_. Van die schikking was hij onkundig gebleven en toch had hij zich niet meer om zijne verplichtingen in dezen bekommerd, tot op zekeren herfstdag toen hij als met plotselinge herinnering van zijn verzuim werd getroffen, den sleutel van den toren nam en het huis uitliep. Eer zijne vrouw het weten en Frits hem volgen kon, was hij den toren opgeklommen. Het was juist op een marktdag, Koenraad Busch was hem reeds voorgegaan naar boven, en bracht uit alle macht de zware toetsen van het klokkespel in beweging. Nauwelijks had Herman dit punt bereikt en zag hij zijn confrère in zijne plaats getreden, of hij barstte in wilde wanhoop los:

»Ik heb mijn post verwaarloosd en ze hebben mij afgezet!" kreet hij op akelig smartvollen toon, »maar ik zal 't goed maken! ik laat mij zóó niet verdringen--weg van hier gij! Ik alleen heb hier recht," en met heftigheid duwde hij Busch van het leeren zitbankje en begon nu zelf zulk een woest en fantastisch spel, dat de burgerij daar beneden hooren en zien verging en niemand begreep wat Busch bewoog zich zelf zoo uit te putten om zulke wanklinkende en oorverscheurende tonen voort te brengen. Dit helsch geraas, waaronder Busch zelf bleek van schrik zich het hoofd voelde draaien, duurde eenige minuten;--trappelend met de voeten, bonzend met de ongeschoeide vuisten [1] op de zware houten pennen, scheen het of de waanzinnige op dezen zijn moed wilde koelen, alsof hij in die heftige wanklanken nog eens wilde uitspreken wat er voor smartelijks en wanluidends in zijn gemoed trilde. Op eens echter werd hij doodsbleek, liet de handen slap neervallen en scheen zijn eigen toestand, zijn eigen ongeluk en dwaasheid te beseffen. Hij vloog op en naar den trans van den toren. Een oogenblik leunde hij met beide armen op de met lood voorziene rollaag, liet het hoofd op de handpalmen rusten, haalde daarop een pakket papieren te voorschijn, waarvan hij zich nooit had willen scheiden, en wierp dat naar beneden onder het volk, uitroepende: »Ziedaar mijne erfenis! mijne beste plannen, mijne zekerste uitkomsten. Gij hebt mij niet willen helpen die uit te voeren, doe er nu zelf uwe winst mee!"

Frits door het schrille klokgeklingel op het vermoeden gekomen van 't geen er voorviel, had in allerijl den toren bestegen in heftige onrust voor een conflict met Busch, en nu tot den trans gekomen sloeg hij zacht beide armen om zijn vader heen, met vleiende stem dringende om terug te gaan.

»Kom, vader! kom! moeder wil met u wandelen, wat doet gij nu op den toren?"

»Ziet gij het dan niet?" riep Herman, met eene stem waarin de verbijstering zijner ziel weerklonk. »Ik werp mijne millioenen onder het volk!" en met een luiden, gillenden lach ging hij voort: »Daar vliegen ze heen! Daar vliegen ze heen! Ik wil ze na!" en plotseling met woeste kracht zich losrukkende uit de omklemming van den knaap, bukte hij over de balustrade heen en stortte zich naar beneden. Snel als de gedachte was de vreeselijke daad volbracht, eer Busch en Frits in de mogelijkheid waren geweest haar te verhinderen.

»Welk een eind!" sprak Roestink, bleek van aandoening. »Moge de Heer zich over de ziel van den zondaar ontfermd hebben."

»Amen!" hernam Willems, »wat mij betreft, ik houd het er voor dat zulk een rampzalige niet met den gewonen maatstaf kan gemeten worden."

»Gode komt het oordeel toe, ons de hoop op Zijne barmhartigheid! Nu verwondert het mij niet meer dat Frits zich zoo driftig maakt en zich zoo gekrenkt voelt als men hem dien bijnaam geeft," hervatte Roestink na eene poos zwijgens, waarin beiden in een ernstig nadenken verzonken bleven.

»En toch wordt de arme jongen er nog maar al te vaak mee gekweld, zelfs door hen die het niet met opzet doen om hem te beleedigen; want de naam is hem bijgebleven, en de kracht der gewoonte is sterker dan de goede wil. Ik zelf betrap er mij wel eens op tot mijn groote spijt als het er uit is, vooral wanneer Frits het gehoord heeft; zijn verbleeken, de traan dien hij wegknipt, waarschuwen mij dan te laat.

»Overigens schikte het zich vrij wel met dit gezin. Koenraad Busch nam het huis van de weduwe over al was de nering verloopen, daar het eenige waarde had voor hem, als nabij de markt en den toren gelegen. Zij werd daardoor in staat gesteld het bedrijf van modemaakster en wollenaaister op grooter schaal voort te zetten; zij heeft voorspoed, zij geniet het vertrouwen van onze dames en zij heeft ruim haar brood, al moet zij er hard voor werken. Frits heeft in de laatste jaren door vlijt en vlugheid het vroeger verzuimde ingehaald, met Paschen wordt hij lidmaat en daarna zal hij moeten overgaan tot de keuze van een beroep. Daar ik zijn voogd niet ben, heb ik er niet in te spreken tenzij mijn raad wordt gevraagd."

»Gij begrijpt dat na al het gehoorde mijne belangstelling in hem is toegenomen en dat ik mijn zwager dringend zal aanraden hem bij zich te nemen; zijne vooruitzichten zijn dan wel niet schitterend, maar zijn lot is verzekerd als hij maar eenigen aanleg heeft."

Slof.... slof.... daar kwam Antje weer de trap op, en de heeren storen.

»Dominé! sprak Antje, toen zij gehoor had verkregen, »daar was nu Frits Millioen, ik wil zeggen de jongeheer Rosemeijer," verbeterde zij, toen de blikken der beide predikanten zich met verwijt op haar vestigden, »hij vraagt of hij dominé even mag spreken?"

»Wel, dat treft aardig; laat hem boven komen, Antje," zei Willems vergenoegd.

»Dominé, de jongejuffrouw Dientje Verburg is er ook bij," hervatte de oude getrouwe glimlachend, en met de oogen knippend of zij dacht dat er meer achter stak.

»Goed, laat het lieve kind mee binnenkomen; mijne vrouw is zeker nog niet klaar om iemand te ontvangen?"

»O, heden neen, dominé! de juffrouw heeft het veel te druk; de huiskamer ligt nog heelemaal overhoop."

»Zoo laat de kinderen niet langer in de gang staan wachten."

Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, maar stormden de trap op in volle jeugdige drift. Toen bekoelde die merkelijk toen zij de studeerkamer binnentraden. Althans ze bleven allebei schuchter dicht bij de deur staan, hetzij de tegenwoordigheid van Roestink hen verraste en imposeerde, hetzij uit eene andere oorzaak. Frits echter, die reeds buiten de kamer zijn pet had afgeworpen, trad na de eerste vriendelijke begroeting van Willems met zekere zenuwachtige gejaagdheid naar de tafel, waaraan de beide heeren zaten; hij droeg eene groote teekenportefeuille die vrij zwaar scheen, althans hij plaatste die met zekere moeite op een stoel en sloeg haar open.

»Mijne teekening! Mijne teekening!" riep Willems uit met eene uitdrukking van blijdschap en verrassing, die beter gevoeld dan beschreven kan worden. »Frits! beste jongen! hoe komt gij daaraan? Hoe hebt gij het gemaakt om die weer te krijgen?"

»Dominé! ik.... ik heb," meer kon de arme Frits niet zeggen. Bleek en met starende oogen, in kennelijke onrust en spanning had hij Willems aangezien, als om de uitwerking der verrassing gade te slaan. Nu zij doel had getroffen, kleurde een gloed van blijdschap zijne wangen, en zijne oogen schitterden van voldoening, maar spreken kon hij nog niet, de heftige aandoening belemmerde hem de spraak. Nu echter kreeg hij hulp. Dientje vatte moed, trad stout uit haar schuilhoek te voorschijn en sprak ras en luid of zij een geleerd lesje opzeide:

»De complimenten van pa en tante, dominé! en of u het niet kwalijk zoudt nemen, dat pa er eene lijst en een glas voor heeft laten maken?"

Inderdaad, de teekening was nu keurig geëncadreerd in eene fijne vergulde lijst.

»Wel neen, zeker neem ik dat niet kwalijk!" riep de goede man opgeruimd, en het lieve meisje kussende: »Kinderen! kinderen! nu wordt mij alles duidelijk! Hoe heb ik iemand kunnen verdenken, foei! ik schaam mij daarover. Gijlieden hebt haar stillekens weggenomen om mij zoo eens aardig te verrassen, is het zoo niet?"

»Neen, dominé! de waarheid moet gezegd worden, zoo is het niet," hervatte nu Frits, die zachtjes aan bekomen was, op fermen toon, »er was een ongeluk gebeurd met uwe teekening door onze schuld."

»En toen heeft Frits gezegd, dat hij zoo mooi teekenen kon," viel nu Dientje in, gerustgesteld daar het ergste er uit was, »en dat hij het wel voor ons goed zou maken!"

»Zoo zoo, mijn jongen!" zei Willems met een kalm vriendelijk lachje tot Frits gekeerd, »hebt gij ze wat bijgeholpen?" Hij zette zijn bril op en boog zich dicht naar de teekening voorover. »Ik zie er inderdaad niets aan. Dat hebt gij netjes opgeknapt."

»Hij heeft.... hij heeft een nieuwe gemaakt, dominé! een heele nieuwe," stotterde nu Dientje met gloeiende wangen in eene verslikkende verrukking, die wij maar eens even van Cremers Krusemuntje leenen om recht duidelijk te maken, hoe het lieve kind haast niet uit hare woorden kon komen van pleizier.

»Maar dat is immers niet mogelijk, Frits?" vroeg Willems dezen in strakke verbazing aanziende, »dàt kunt gij niet gedaan hebben."

»Jawel, dominé! hij heeft het wel gedaan, ziet u maar zelf, zijn naam staat er op!" riep Dientje, naar een hoekje van de teekening wijzende. In hare kinderlijke naïeviteit achtte zij bij zulk bewijs allen twijfel opgeheven. Frits zelf stond intusschen tegen den stoel te leunen, beurtelings kleurend, verbleekend, glimlachend van innerlijke voldoening over de verbazing van dominé, wien hij zwijgend bleef gadeslaan als om uit diens trekken zijn oordeel over het werk te lezen.

»Is dat waar, Frits?" vroeg Willems nogmaals en met beteekenisvollen nadruk.

»Ja, dominé! het is waar," hernam Frits met eene mengeling van fierheid en schroom. »Ik ben zoo vrij geweest eene kopie te maken naar de verscheurde van u."

»Jongen, als gij dàt gedaan hebt kunt gij meer, _moet_ gij meer doen."

Frits haalde tot eenig antwoord de schouders op en schudde het hoofd.

»Hij heeft het bij ons aan huis geteekend," vervolgde Dientje; »in zijn moeders binnenkamer was geen ruimte en geen licht genoeg!"

»Zoo is mijne eigene teekening dan toch verloren gegaan," zuchtte dominé niet zonder eenige zwaarmoedigheid.

»Neen, dominé! Piet Snibs.... waar of die nu toch blijft," riep Dientje weer, »Piet Snibs, die ook meegedaan heeft, wist er raad op om de stukken weer bij elkaar te plakken."

»Daar zal wat van terechtkomen!" lachte Willems goelijk, »maar toch, ik wil de stukken wel houden als souvenir."

»Er zal meer van terecht komen dan gij denkt," sprak nu Roestink, die het tooneeltje, dat veel sneller werd afgespeeld dan wij het konden beschrijven, met zwijgend welgevallen had gadegeslagen.

»Ik heb hem aan 't werk gezien."

»Gij wist er van? Gij waart mee van 't complot?" sprak Willems opgeruimd, »nu om de waarheid te zeggen, ik heb u altijd in stilte daarvan verdacht."

»En die verdenking was gerechtigd; ik ben opzettelijk van ochtend hier gekomen om er ook het mijne van te hebben; dat Piet nog niet hier is, moet niet toegeschreven worden aan zijne traagheid, maar aan zijne schroomvalligheid, die het hem veel kost te overwinnen, mogelijk ook aan zijne moeder, die wel wat heel lastig valt."

»Wel Frits, ik heb in mijne verrassing vergeten u te bedanken," hervatte Willems, de lange, tengere hand van den aankomende knaap in de zijne vattende, »maar wees er zeker van dat ik mij geen ondankbare zal toonen."

»Ik ben meer dan beloond door uwe goedkeuring; daarbij gij hebt ons alle drie veel te vergeven: uw eigen mooie teekening geroofd, geschonden, gij zelf zoolang in onzekerheid waar die gebleven was en of zij wel ooit zou terugkomen,... maar ziet u, ik was niet eer klaar."

»Dat geloof ik waarlijk wel, maar vertel me nu toch eens wat er eigenlijk gebeurd is?"

»Door mijne schuld is zij gescheurd," begon Frits.

»Neen Frits, het was _mijne_ schuld, maar het kwam van dien naren Piet," riep Dientje levendig.

»Och Dientje! zeg dat niet," riep Frits goelijk.

»Neen, dominé! ik zal het u vertellen," en het lieve meisje drong zich vertrouwelijk dicht bij den fauteuil van Willems, terwijl Frits nog altijd achter den stoel stond, waarop de teekening was geplaatst.

Een aardig paartje, die aankomende jongelieden.

Zij een allerliefst blauwoogig kind, tusschen de elf en twaalf jaar met dikke blonde krullen, die _à l'enfant_ over het blanke halsje neerhingen, in een kort neteldoeksch jurkje met rose bouquetjes en een geborduurde pantalon, bloedkoralen om den hals en om de armen, een wit geborduurd spencertje en een fijn capotje, dat zij echter met kinderlijke _nonchalance_ afgezet en in een hoek geworpen had zoodra het haar hinderde. Een beeldje van _biscuit_ maar geen automaat, integendeel een levendig, inpressionabel wezentje, dat men zeker even gemakkelijk aan 't lachen als aan 't schreien kon brengen en dat in alles nog aan hare eerste ingevingen gehoor gaf, niet heel gedisciplineerd, want zij was het eenige kind van een weduwnaar, die zijn afgodje van haar maakte en die in deze afgoderij eer gesterkt werd dan te keer gegaan door de ongetrouwde zuster, die zijne huishouding waarnam.

Mogelijk zou het lot zich later belasten om de tuchtroede aan te leggen, die de onverstandige liefde haar had gespaard.

Toch was zij geen lastig, eigenzinnig, zelfzoekend kind geworden, en onder dat toegefelijk régime had haar karakter eer gewonnen dan geleden. Gulheid, oprechtheid, waarheidsliefde hadden in die liefelijke atmosfeer kunnen ontkiemen, zonder door ijzige hardheid te worden onderdrukt.

Frits, die haar nu als cavalier ter zijde stond, was een lange opgeschoten knaap, dien men voor een achttienjarige zou hebben gegroet, schoon hij de zestien pas had bereikt, zoo zijne tengerheid en de zekere hoekigheid van vormen niet bewezen hadden, dat hij nog in vollen groei was. Levendige bruine oogen, een frisch blozend gelaat, fijne trekken, een kleine mond, een sierlijk gevormde Grieksche neus, een hoog voorhoofd en donker glanzig haar maakten hem nu reeds tot een knappen jongen en schenen te beloven, dat hij eens in vollen zin _un bel homme_ zou zijn.

De smart en smaad, die hij voor zijn vader had gedragen, de zorg, die hij nog droeg met zijne moeder waren nog niet machtig geweest hun somberen stempel te drukken op zijne trekken. Jeugdige veerkracht en een gelukkig gestel wischten altijd spoedig het geledene weer uit, hoe heftig dan ook het leed werd gevoeld op het oogenblik zelf. Want Frits beloofde geen stoïcyn te worden, al had hij gelukkig niets van de exaltatie zijns vaders. Nog was het verdriet voor hem niet de knagende worm, dien men voedt en die ons verteert, slechts de hagelbui, die hij over zijn hoofd liet heengaan, en afschudde als de lucht opklaarde. Zoo had hij even licht de opgeruimdheid van zijn leeftijd herwonnen als hij den verzuimden leertijd had ingehaald, na den rampspoedigen dood zijns vaders, en alleen als men de wreedheid had hem aan de smartelijke tooneelen van diens laatste levensdagen te herinneren, betrok zijn helder gelaat en flikkerde er een gloed van toorn in zijn oog.

Zijne kleeding?

Zij was die van een knaap, die nog op de »Fransche school" ging, in een tijdperk, toen zestienjarigen zich nog geen »jongelui" lieten noemen, of zich door rooken en biljard-spelen de airs trachtten te geven van mannen. Maar hij had zijn Zondagspak aan, en zijne moeder zou zich zelve liever het eten ontzegd hebben, dan haar »eenige" slordig te laten loopen; dus, gij kunt u verzekerd houden, dat hij er keurig uitzag, dat zijn omgeslagen boordje helder en zijn buis van nieuwmodisch fatsoen, en van fijn laken was. Maar, wij zouden Dientje laten vertellen.

»Weet u, dominé!" zoo begon het vleistertje, »u had dien maandag zoo mooi verteld van onzen Lieven Heer, en hoe deze de groote kindervriend was, die de kinderen bij zich liet komen en hen zegende, al waren de discipelen er boos om en al dachten die ze te weren. U had ons toen op die teekening gewezen, waaruit we ons duidelijk konden voorstellen _hoe_ dat toegegaan was; daarom wilden wij meisjes, ik vooral, die nog eens goed bekijken eer wij weggingen, toen u de catechiseerkamer verlaten had; maar wij konden er niet bij, zij hing te hoog. Wij meenden op uw leuningstoel te klimmen, doch eer het daar aan toe kwam, vlogen de jongens binnen. Bram en Frits en Piet Snibs; de eerste begon ons te plagen en wij deden 't hem weerom; toen zei ik tegen Frits, dat ik zoo graag die teekening eens van naderbij wilde zien, en hij, die groot genoeg was om haar te kunnen bereiken, rukte ze misschien wel een beetje woest met haakje en al van den wand. Nu wilden we allemaal tegelijk zien, maar Frits gaf ze mij in handen, en weerde de jongens af, die ons kwamen storen. Daar kwam op eens Piet Snibs, die zich anders nooit met ons bemoeit, door allen heen en ging vlak naast mij staan, en wilde mij de teekening uit de hand nemen. Dat zag Frits, en die duwde hem terug, want hij wilde dat hij ons met rust zou laten. Piet van zijn kant bleef zwijgend dringen om mee te kijken en sloeg er zelfs de hand aan, om ze mij te ontrukken; toen was het tusschen ons tweeën: »Laat los!" en »ik wil niet loslaten!" zooals het dan gaat, weet u, dominé. Daar werd Frits ongeduldig en gaf Piet een tik; Piet werd nu ook boos, en schold Frits uit voor.... u weet wel, dominé! die bijnaam waar hij niet tegen kan."