Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 4

Chapter 43,833 wordsPublic domain

»Zeker zou hij wijzer doen zijne paarlen niet voor de zwijnen te werpen in een tijd als de onze, die zoo met zich zelf is ingenomen; maar kán een man zwijgen, die bijna in iederen tak van kunst en wetenschap zijne oorspronkelijke zienswijze heeft, gegrond op eene studie even omvangrijk als diep; vooral dán als hij ziet en hoort _wie_ er al spreken en schrijven."

»Heeft u ook college bij hem gehouden? Ik heb wel gehoord, dat hij zijne studenten zoo inpakt."

»Ik heb niet te Leiden gestudeerd, ik heb Bilderdijk slechts ééns gesproken, maar ik ken hem genoeg door vrienden van mij, die met hem omgaan, en bovenal door alles wat ik van hem heb gelezen, om met volle recht te kunnen zeggen, dat hij een der glories is van ons land, en daarvoor ook zeker door het nageslacht zal erkend worden, en dat daarom deze zich noemende vrienden van vooruitgang en verlichting beter zouden doen met zijne wenken en inzichten op allerlei gebied te rade te gaan, ze althans kalm en ernstig in overweging te nemen, dan hem bespottelijk te maken, het gansche vaderland tegen hem op te hitsen en hem door de smadelijkste bejegening tot verwoedheid te prikkelen, om dan den verwonden leeuw, die den schop van den ezel niet dragen kan, den volke te toonen als een vuur en vlam blazend monster. En dat noemt zich Christenen, vrijzinnige Christenen bij uitnemendheid, dat maakt verhandelingen over de »verdraagzaamheid" dat fabriceert phrase bij phrase, om de voortreffelijkheid van den mensch te bewijzen en dat bijt, en vereert een der treffelijksten die onder hen geboren is met de verslindende woede van hongerige jakhalzen!" En Roestink, die altijd had doorgesproken met klimmende opgewondenheid, zonder zich eigenlijk tot zijne eenige toehoorster te richten, of zich om haar te bekommeren, wierp nu het veroordeelde tijdschrift, dat hij tot hiertoe in de hand had gehouden, met zekere heftigheid verre van zich, vatte daarop zijn hoed en stelde zich tot heengaan, alsof hij de repliek op zijne pleitrede niet verkoos af te wachten.

Juffrouw Willems, aan de platte kalmte van haar mans conversatie gewoon, voelde zich wat uit het veld geslagen door dien vuurregen, dien zij op eens zag uitstorten, zij wist niet recht op wiens hoofd; haar was Bilderdijk altijd voorgesteld als een belachelijke snoever, als een uitzinnig poëet, die alles overdreef, die met niets tevreden was, en die kerk en staat naar den afgrond zou voeren, als men hem liet begaan, en zij had voor zich uit het gehoorde geen reden om die voorstelling als eene onjuiste te laten varen, maar zij was in dezen niet zoo terstond gereed met haar antwoord: ook sprak ze wat aarzelend: »Ik heb er natuurlijk geen verstand van, de _recensies_ en de poëterij zijn mijne zaken niet; wat ik er van weet is alleen maar van hooren zeggen."

»Juist, zoo gaat het! die 't van hooren zeggen hebben, en dan nog niet eens van goed hooren of van goed verstaan, beoordeelen, veroordeelen, zeggen voort en dragen allerlei leugen en laster verder; op die wijze wordt de publieke opinie gevormd over zaken en personen, op die wijze worden reputaties gemaakt en afgebroken," declameerde Roestink, overweldigd door eene verontwaardiging, waarbij hem de gloed op het voorhoofd steeg.

»Wel, wel! dominé Roestink!" viel juffrouw Willems in, zoodra ze kans zag om er tusschen te komen, »ik wist niet, dat uwé zich zoo driftig kon maken, ik wist niet dat ik daar zooveel aan miszegd had."

Dit lauwe stortbadje bracht hem tot bezinning.

»Verschoon mij, juffrouw! om de waarheid te zeggen ik had het eigenlijk niet tegen u; alleen het gezegde, waarvan gij u toevallig hebt bediend, trof mij en bracht mij op eene gedachtenreeks, die mij verder voerde dan ik in dezen oogenblik had moeten gaan; wat mijne »drift" betreft, het is waar dat ik het nog niet zoo ver heb gebracht in zelfbeheersching als ik wenschte, maar toch wee hem, die zich nooit kan laten vervoeren door verontwaardiging over onrecht dat er geschiedt; wee hem, die nooit door den gloed der geestdrift wordt ontvlamd; wee den flauwhartige, die zich aan niets ergert; wee den lauwen van geest, wien niets ontroert noch ontrust dan 't geen hem persoonlijk treft! Van dezulken, juffrouw Willems! ben ik niet, hoop ik nooit te zijn; en nu nogmaals verschooning, gij zult mij mijn gehaast afscheid wel ten goede houden, want ik heb het u zeker veel te druk gemaakt." En reeds had hij de hand aan de kruk van de deur, toen Willems zelf die binnentrad: nu moest hij teruggaan en nog blijven.

VI.

De begroeting tusschen de collega's was niet zoo joviaal en hartelijk als zij dat van elkaar gewoon waren. Roestink was niet in de stemming om ditmaal met zijn »ambtsbroeder" de banaliteiten te wisselen, die gemeenlijk het fonds van hunne conversatie uitmaakten, daar de goelijke man te laag stond in zijne schatting, om over belangrijke onderwerpen ernstige discussies met hem aan te vangen, en hij hem tevens te veel hart toedroeg, om hem door tegenspraak te verbitteren of te krenken; hij ware hem dus heden liefst ontgaan, en dat gaf aan zijne houding iets gedwongens, terwijl Willems nog onder den slag van zijn onverklaarbaar verlies kennelijk worstelde met de zucht, om vriendelijk en voorkomend te zijn te midden zijner gedruktheid.

»Wel, collega! daar doet gij goed aan; blijf je een pijp rooken: twaalf blaadjes, hè?"

»Dank-je, vriend! ik...."

»'t Is waar ook, gij rookt niet; nu dan, vrouwlief, maak den theeboel aan kant, Roestink zal wel een glas wijn met mij willen drinken."

»Verschoon me ditmaal, ik heb mijn bezoek reeds te lang gemaakt," hernam Roestink wat strak, en onwillekeurig naar juffrouw Willems heenziende, die nog haar breiwerk niet had opgevat, dat zij van verbazing in haar schoot had laten vallen.

»Ja! ja! als men met mijn vrouwtje aan de praat raakt, is een uurtje om eer men 't weet," hernam Willems met eene poging tot scherts, die zeer weinig bijval vond.

Sanne kneep de lippen samen, en snoot nog eens de kaarsen, _par manière de contenance_. Roestink scheen met strakke aandacht de drie kanten van zijn hoed te bezichtigen.

»Gijlieden hebt toch niets samen gehad?" vroeg Willems, getroffen over dat zwijgen en hen beurtelings aanziende.

»_Ik_ weet althans geene oorzaak gegeven te hebben," viel juffrouw Willems uit; »dominé Roestink had het over de _recensies_, en.... en...."

»Ik kwam informeeren naar Pieter Snibs," viel Roestink in, ras het woord nemende; »ik wilde weten waarom gij hem wegzond vóór ik hem nam."

»En toen heb ik als vanzelf spreekt, het geval met de teekening verteld, en toen, hoe het bijgekomen is weet ik niet recht, maar het eene woord haalde het andere uit, toen kwam dominé Roestink op...."

»Ja! och ja! dát's een onaangenaam geval van die teekening," viel Willems in, tot Roestink gewend, om den vloed van zijn vrouws woorden te breken, waarvan hij niets goeds duchtte, en tegelijk verheugd dat hij zijne innerlijke kwelling lucht kon geven, »en het verdrietigste van alles is nog, dat ik er niet achter kan komen, wàt er eigenlijk gebeurd is, en wie het gedaan heeft; den ganschen namiddag heb ik rondgeloopen bij de ouders der leerlingen, die in 't laatste leeruur hier waren. Welnu, 't is alles vergeefs; ze vinden het allen heel erg, het spijt hen, dat er zoo iets is voorgevallen; maar niemand schijnt iets van de zaak te weten, ze helpen mij ten minste meer van den weg af dan er op: de welwillendsten vragen mij waarmee ze mij pleizier kunnen doen, om het verlorene te vergoeden. Weet-je Sanne? dat vroeg de tante van Dientje Verburg; mijnheer zelf was niet thuis."

»En wat zei vrouw Snibs?" vroeg Roestink levendig, en zijne groote zwarte oogen uitvorschend op hem richtende.

»Vrouw Snibs!" herhaalde de goede Willems, verrast en getroffen of hij zelf van een misdrijf overtuigd werd; »om u de waarheid te zeggen, bij vrouw Snibs ben ik niet geweest, ik had daartoe eigenlijk zoo geene aanleiding, en.... en...." Hij zweeg, tot over de ooren kleurend, want hij voelde wel dat hij struikelen ging over zijne eigene woorden.

»Nu, goed papa Willems! dan zal ik dat wel voor u waarnemen," hernam Roestink, met moeite een glimlach bedwingende over de flauwheid en menschenvrees van den man, die een beroep had aanvaard, waarbij zedelijke moed een der eerste vereischten was. »Ik zal vrouw Snibs en haar zoon in scherp verhoor nemen, en de zaak tot helderheid brengen, dat beloof ik u."

»Wil-je dat voor mij doen?" riep Willems, als verruimd en zijne hand drukkende.

»Wel zeker, wil ik. En nu nog ééne vraag," hervatte Roestink, »hecht gij aan uwe Woensdag-avondbeurt voor deze week?"

»Hechten.... hm.... hechten, ik ben er natuurlijk op gesteld de plichten van mijn ambt niet te verzuimen, maar om de waarheid te zeggen, ik heb mij nog niet tot eigenlijke studie daartoe kunnen zetten, en nu die onaangename historie mij door het hoofd maalt...."

»Voelt gij u ongeschikt om met hart en ziel bij 't werk te zijn, dat begrijp ik; zoo biede ik mij aan om de beurt voor u over te nemen; ik heb juist wat op 't gemoed, dat ik der gemeente wensch voor te houden."

»Nu, als gij om zoo te spreken uw schets al klaar hebt, dan doet ge er mij een grooten dienst mee, ik wil het niet ontkennen."

»Daarbij blijft het dan. En zie, daar valt me iets in; ik schijn van avond wel niet te kunnen scheiden, nu moet ik u nog eene inlichting vragen, die mij haast vergeten was; het betreft mede een uwer catechisanten, zekeren Frits Rosemeijer."

»Frits Millioen bijgenaamd, wat hebt gij daarmee uitstaande?"

»Is die hier ook al niet meer tevreden!" verzuchtte juffrouw Willems halfluid en met ergernis.

Roestink zag haar even glimlachend aan. »Wees gerust, juffrouw! _ik_ persoonlijk heb niets met hem te maken, maar mijn zwager is hier, zooals gijlieden mogelijk gehoord zult hebben, tot rijks-ontvanger aangesteld en verlangt een jong klerkje, dat hem eenige handreiking kan doen; genoemde Frederik Rosemeijer heeft zich aangemeld, zijne bekwaamheden schijnen voldoende, maar bij een post als dien van mijn zwager zijn eerlijkheid en accuratesse onmisbare voorwaarden, de jonkman dien wij niet kennen, heeft zich op u beroepen als die voor zijne moraliteit zou willen getuigen; wat zegt gij van hem, is hij betrouwbaar, kan mijn zwager hem nemen?"

»Wel zeker! wel zeker! laat hij dat doen, 't is een beste jongen waar hij pleizier van zal hebben, wat jolig, wat levendig, ook nog wel wat jong naar 't mij voorkomt, maar toch...."

»Hij is de zestien gepasseerd, en al is 't jammer voor hem zelf, de levendigheid en de jool gaan er wel af als zoo'n arme jongen uren lang voor een lessenaar moet zitten tusschen de vier muren van een kantoor. Maar waarom geeft iedereen hem toch dien bijnaam op zulke wijze, dat ik hier en daar onder zijn waren naam van hem sprekende, niet werd verstaan."

»Ja, mijn waarde! dat's een lange en droeve geschiedenis, die al van zijn vader dagteekent. Als ik je die vertellen zal, moet gij mij het avondje schenken."

»Dan is het beter dat ik mijne nieuwsgierigheid bedwing en op een anderen keer eens bij u kom aankloppen. Ik moet nu naar vrouw Snibs, en gij begrijpt mij: als ik preeken zal, heb ik mij toch ook voor te bereiden!"

Willems had geen voegzaam argument om hem tegen te houden en zijne wederhelft slaakte een zucht van verlichting, toen de _fâcheux troisième_ was heengegaan. Die man verwekte bij haar in gelijke mate ontzag en ergernis.

»Dat trof nu al wonderlijk dat ik heden juist getuigenis moest geven van Frits," sprak Willems zijne gade wat aarzelend en onrustig aanziende, toen zij alleen waren.

»Hoe zoo! dat kondt gij toch in gemoede doen. Frits is immers een beste, eerlijke jongen?"

»Daarvoor heb ik hem tot heden toe ten minste gehouden, maar toch zonderling inderdaad."

»Welnu! wat is zonderling? Gij maakt mij nieuwsgierig met al die twijfelachtige uitdrukkingen."

»In één woord, ik heb nu suspicie gekregen dat Frits...."

»De teekening zou gestolen hebben? Dát geloof ik nooit."

»Hola vrouwtje, zoo ras moet je niet doorhollen, maar ik kan 't niet helpen, de manier waarop Dientje's tante sprak, heeft mij op het denkbeeld gebracht, dat Frits althans medeplichtig is aan 't gebeurde."

»En waarom dan aan Roestink niet ronduit de waarheid gezegd?"

»De waarheid? Het kon er wel gansch bezijden zijn; het is niets dan een vermoeden."

»En als de heer van Hogenstein hem nu op het kantoor neemt op uwe getuigenis, en als het daar bleek dat hij niet eerlijk was?"

»O! als hij meegedaan heeft zal het nu wel uitkomen, daar Roestink zich met de zaak bemoeit, en dan springt het plan met het kantoor vanzelf af, en als hij onschuldig is, dan zou ik niet graag door eene voorbarige beschuldiging oorzaak wezen dat men twijfelachtig over hem dacht en dat hij voor 't hoofd werd gestooten."

Juffrouw Willems was het niet geheel met hem eens, maar daar zij haast had haar hart over Roestink lucht te geven, bestreed zij dit punt niet verder.

VII.

Of het vervullen der avondbeurt door dominé Roestink de meerderheid der E....sche gemeente stichtte dan wel ontstemde, ergernis gaf of voldoening, zal door ons niet nagespoord worden. Het is ons voornemen niet de opkomende geloofsverdeeldheid van dat tijdperk te schetsen in eene vertelling als deze; de stof zou zeker belangrijk genoeg zijn, vooral als zij gecompleteerd werd door eene voorstelling der vervolgingen onder 't vaderlijk bestuur van Koning Willem I tegen de afgescheidenen ingesteld op aandrijving der Synode; vervolgingen waarvan wij, levende onder het régime der volstrekte ongebondenheid in de Gereformeerde Kerk, ons nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen; maar wij hebben een ander doel op het oog en zoo wij de vermoedelijke richting van Dr. Roestink even hebben geïndiceerd, is het alleen geweest om zijne persoonlijkheid eenigszins scherper om te trekken en zijne verhouding tot collega Willems daardoor te meer aanschouwelijk te maken.

Dit alleen kunnen wij van den jongen predikant getuigen, dat hij dien avond sprak omdat hij wat te zeggen had, omdat hij zelf het eerst overtuigd was van 't geen hij anderen zocht aan te bevelen, wat natuurlijk moest medewerken om zijne toespraak die zekere welsprekendheid te geven, die tot in de harten doordringt als een snijdend zwaard en er de levensdeelen raakt. En dit verschil met den zoetvoerigen, breedsprakigen, goelijk gemoedelijken, maar in de oppervlakkigheid wegdrijvenden preektoon van Willems moest als vanzelve scheiding maken tusschen het gevoelen der hoorders. Wie gewoon waren zich door den laatsten zoetelijk te laten inwiegelen, voelden zich zeker onaangenaam wakker geschud, geprikkeld, verbitterd, ontstemd, maar toch huns ondanks gedwongen om even wakker te blijven en na te denken. Hoe zij dit nadenken gebruikten, of het alleen was om den rustverstoorder te beschuldigen en te hekelen, dan wel om met zekere ongewenschte ontdekkingen hunne winst te doen, dat is niet aan ons om uit te maken.

Roestink zelf had wellicht later gelegenheid om zijne waarnemingen te doen, maar hij was niet de man om zulke zegenpralen uit te trompetten en de rustliefde van Willems vond er hare rekening bij, dat de scheuring die er mogelijk bij een afrukken van zekeren blinddoek had kunnen ontstaan, beloken werd door den ruimen mantel der liefde, wier banen hij zoo wijd mogelijk ontplooide om er alle spleten en gaten mee te bedekken, in den waan dat verholen zijn en geheeld zijn synoniem was!

Hij zelf had zich dien avond »wat onpasselijk gevoeld" en was dus maar niet onder 't gehoor van Roestink gekomen. Zijne wederhelft daarentegen had _acte de présence_ gedaan, had voor twee geluisterd en zich voor drie geërgerd, »daar was tegen haar man gepreekt," dat liet zij zich niet ontzeggen, maar tevergeefs trachtte zij die overtuiging en hare ergernis in den boezem van haar echtgenoot over te storten.

»Gij zult verkeerd verstaan hebben, lieve!" was zijne onveranderlijke uitspraak, »zoo iets zou Roestink nooit zeggen, althans van mij niet," en inderdaad daar was in hare teruggave van het gehoorde genoeg verwarring en onjuistheid om hem in dezen het recht te geven Oost-Indisch doof te zijn, en zich buiten de kwestie te houden.

»Het zou wel zoo erg niet gemeend zijn als Santje het voorstelde, en dat Roestink voor zijne opinie uitkwam op den stoel kon niemand hem kwalijk nemen." Meer hinderde het hem, dat er reeds eenige dagen na den bewusten avond verloopen waren zonder dat hij bericht kreeg van het ingestelde onderzoek bij vrouw Snibs en zoon. Eindelijk kreeg hij Zaterdagsavonds een kort en naar het hem voorkwam wat strak briefje, waarin Roestink meldde, dat hij nog niet in staat was voldoende ophelderingen te geven omtrent de bewuste zaak, dat hij desniettemin wel moed had op een eindelijk gunstig resultaat, maar dat hij collega raadde geduld te oefenen en zich zelf niet verder met onderzoek te vermoeien bij zijne catechisanten, daar hij, dus doende, hen in verzoeking zou brengen om listen en uitvluchten te bedenken tot schade van hunne consciëntie.

Dit bericht was verre van bevredigend en Willems was er dan ook zeer ontevreden over. Nu eens verdacht hij Roestink van geheime samenspanning met de Snibs die nu zijne cliënten waren geworden, dan weer van onvruchtbare bemoeizucht die zich den schijn gaf veel te zullen doen terwijl zij niets teweegbracht. Hij durfde zijne vrouw zelfs geene deelgenoote maken van dit briefje, uit vreeze door haar gedreven te worden om eene nadere opheldering te vragen aan Roestink zelf, die hij liefst nu vermeed hoe meer hij in 't geheim tegen hem verbitterd was, uit zeker opzien tegen »onmoeite," die intusschen verre was van wezenlijke zucht tot vrede. Hij hoopte wel dat Sanne niet vragen zou als hij zelf zweeg, het was toch immers eene zaak die haar eigenlijk niet schelen kon. Van Zaterdag tot Zondag deze belangrijke vraagstukken met zich zelven overwegend, kwam hij ten laatste tot het besluit om toch maar den raad van Roestink te volgen en aan zijne catechisanten geene vragen te doen die hen òf tot verklikkers òf tot leugenaars zouden maken. Hij verkropte dus zijn leed en zweeg. Ééne wraakoefening moest hij zich gunnen, hij nam alle teekeningen uit de catechisatiekamer weg als een zwijgend verwijt aan den pleger van het feit, als een sprekend bewijs van zijn rechtmatig wantrouwen. Dat het meerendeel der leerlingen zich door dit gemis pijnlijk getroffen voelden, zouden wij niet durven verzekeren, wel dat het niemands aandacht ontging, en bovenal dat ieder voor zich en allen gezamenlijk de opmerking maakten, dat dominé erg uit zijn humeur was en dat hij onder anderen Frits Millioen, die anders nogal een potje breken mocht, ditmaal zoo knorrig aangekeken had, als hij eene vraag tot hem richtte, dat de arme jongen al was hij nog zoo'n hachje, er verlegen onder werd en zulke verwarde antwoorden gaf of hij verkeerd apropos speelde; daarbij bleef het echter van dominé's zijde, en van die der leerlingen lekte er niets uit. Roestink liet verder ook niets van zich hooren en Willems vermeed hem opzettelijk; maar zijn innerlijke wrok, zijn verborgen leed nam toe in die mate, dat zijne gewone opgeruimdheid voor diepe neerslachtigheid plaats maakte; hij verloor den eetlust, zijn slaap werd ongeregeld, het pijpje zelfs smaakte hem niet meer; gelukkig dat juffrouw Willems juist in die dagen een aanvang maakte met het zoogenaamde herfststoffen," eene herhaling in verzachten graad van de »groote schoonmaak," hetgeen haar genoeg bezigheid gaf en te zeer preoccupeerde om oogen te hebben voor haars echtgenoots sombere zielsstemming daarbij te lichter voor haar verborgen, daar deze, staande het tijdperk van zulk eene reinigings-kuur zich meestal als Ajax onder zijne tent, in de studeerkamer terugtrok en overigens zoo zacht en haast zoo onzichtbaar als een schim door het huis sloop om geen oogenblik aanstoot te geven noch te lijden!

Daar meldde zich op een voormiddag, terwijl juist de beurt was aan de groote huiskamer en de juffrouw zoo maar staandevoets met haar oude Antje een kopje koffie dronk in de keuken, en dominé zijn twaalf uurtje boven kreeg--daar meldde zich dominé Roestink aan om zijn collega te spreken.

Groote desperatie van huisvrouw en dienstbode; de bezoeker moest een gang door die met stoelen en tapijten als gebarricadeerd was, en een trap op die nog niet eens was »gedaan," zooals Antje met leedwezen bekende, maar hij moest worden toegelaten, daar was niets tegen te doen. En de jonge predikant even glimlachend over de ontzetting van Antje, stapte onbekommerd over alle hindernissen heen, scheen zich volstrekt niet te ergeren aan een »ongedanen" trap en trad bij collega binnen die de deur al vast wijd open hield en die, zich zelf niet meer meester, hem verwelkomde met de vraag:

»Welnu, welnu! zoo weet gij toch wat, anders zoudt gij niet zijn gekomen?"

»Om de waarheid te zeggen, ik kom eigenlijk om iets van u te weten."

»Dus nog altijd niets van de teekening, nog altijd geene zekerheid wie 't gedaan heeft?"

»Mijn waardige vriend bedwing nog eene wijle uw ongeduld en laat die vragen rusten. Geloof mij dat zal wel terechtkomen, maar ik heb nu noodig om over iets anders te spreken, ik zou zoo graag het naaste weten van dien zoogenaamden Frits Millioen."

»Ga zitten, collega!"

»Ik ben niet ongezind u de beloofde inlichtingen te geven, maar iets moet gij mij vooraf verzekeren of.... ik.... ik zou niet ten volle oprecht kunnen zijn."

»Welke verzekering verlangt gij?"

»Deze, dat die Frits mijn Judas niet is."

»Uw Judas, in welken zin?"

»Niet de verrader, de dief, die mijne teekening...." de stem stokte, tranen blonken den goeden man in de oogen.

»Ik geef er u de hand op, mijn vriend! dat de knaap in dezen zin rein is van alle schuld tegen u."

»Nu, Gode zij gedankt! Weet gij, ik heb van den jongen gehouden, hij was zoo levendig, zoo vlug, zoo dienstvaardig, en dan te moeten denken, dat hij tot zulk een slechte streek bekwaam was. Het hinderde mij geweldig, meer dan ik zeggen kan, meer dan het verlies van de geheele teekening."

»Nu wees dan getroost; zoo hij eenige schuld heeft, is het zeker deze niet."

»Zoo is het dan toch Piet Snibs?"

»Eilieve collega! dat is tegen de overeenkomst," viel Roestink in, »ik laat me zoo niet bij verrassing overvleugelen."

»Dat is uw recht, maar toch zult gij mij wel rondborstig willen antwoorden op eene vraag, die buiten de kwestie omgaat."

»Wat wilt gij weten?"

»Of gij nu voort kunt komen met dien dommen jongen?"

»Piet Snibs is zoo dom niet, hij is zelfs zeer slim en gevat als hij maar eens iets begrijpt."

»Precies! hij is sluw en heeft ze achter den mouw."

»Daar zal wel iets van aan zijn, vreeze ik, bovenal is hij schuw en gedrukt, maar dat alles is niet te verwonderen, hij heeft zulk eene erbarmelijke opvoeding gehad--als men opvoeding noemen mag, een opgroeien tusschen duwen en stooten in, zonder eenige zedelijke vorming van geest en hart."

»Wat vertelt gij mij nu! Die vrouw Snibs, die voor vroom wil doorgaan, die mij met bijbelteksten de les komt lezen; die zal zeker den huiselijken godsdienst wel niet verzuimen."