Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 38

Chapter 383,968 wordsPublic domain

»_Ah ça!_ de Russische prinses! dat's niets dan eene mythe door de dagbladen verdicht, om mij op hunne wijze interessant te maken," sprak hij, in zijne vaart gestuit en daardoor met zeker misnoegen, »als dàt de hindernis ware! Het ijdele zestienjarige kind, dat ze mij in Rusland tot vrouw hebben opgedrongen, is mij tot haar en mijn geluk ontvallen eer ik aanvangen kon hare slechte opvoeding te verbeteren. Een mooi baantje voor een kunstenaar, niet waar? En dan lijfeigenen voor mijne verantwoording te hebben op den koop toe. Ik liep er in, omdat de ouders mij onder tranen bezwoeren hun kind niet van wanhoop te laten sterven; maar had het aan mijne keus gestaan, ik ware liever met de schilderkist op den rug gaan zwerven, dan al den last van hunne schatten en grootheid mee te dragen. De Voorzienigheid heeft mij vrij gemaakt, dat is dus geen reden voor u om mij zoo minachtend een Russin voor de voeten te werpen als ik op het punt stond, om.... om...." plotseling hield hij zich in, sloeg zich voor het hoofd en riep op gansch anderen toon, »om toch nog eene andere dwaasheid te begaan; het schijnt wel dat ik er niet buiten kan blijven.... Wat zeg ik eene dwaasheid! neen, neen! het zou veel erger zijn, het zou verraad, het zou misdaad wezen!.... Ik bid u, spreek, Claudine! zeg mij ronduit of gij u waarlijk vrij acht, of gij zekerheid hebt dat Frits Rosemeijer niet tot u zal wederkeeren met een beroep op vroegere rechten?"

Er trilde sterke aandoening in zijne stem, al trachtte hij die kalm en vast te doen klinken; hij zag haar aan met een blik, of met haar antwoord zijn vonnis zou gesproken zijn; maar zij wendde het hoofd af, hij mocht haar niet zien verbleeken en zij hield beide handen voor 't gelaat, opdat hij in hare trekken haar strijd niet zou lezen. Eindelijk antwoordde zij langzaam en zacht, maar met vastheid:

»Al zou ik ook de hand van Frits niet meer kunnen aannemen, ik zou de achting voor mij zelve verliezen, zoo ik antwoordde, dat ik zijne rechten op mij verouderd geloove, dat ik mij vrij acht, zoolang ik geene zekerheid heb dat hij niet meer leeft of zelf eene verbintenis heeft aangegaan, die onze scheiding voltooit."

»Gij hebt gelijk, volkomen gelijk!" sprak de schilder ras en in sterke gemoedsbeweging; »dat's ook mijne zienswijze, maar dan wordt het nu toch hoog tijd op dit punt zekerheid te verkrijgen."

»Ik zie niet hoe...."

»Men neemt informaties."

»Mij dunkt het ware aan hem geweest dit te doen en _niet_ aan mij."

»Hij, die u getrouwd waande, dien ik ontroostbaar heb gezien over dat huwelijk! 't Is waar, dat is twaalf jaar geleden, en in die twaalf jaren kan hij zich getroost hebben," eindigde hij, even glimlachend.

»Indien niet, hij zou van zich hebben laten hooren, maar hij heeft zich nooit meer om mij bekommerd; hij heeft mij vergeten, of hij leeft niet meer, ik twijfel er niet aan."

»Welnu! als gij niet meer twijfelt, dan is alles in orde, dan hebben wij zekerheid."

»Zóó bedoel ik het niet; ondanks alles kàn hij nog weerkeeren...."

»'t Is waar! Ik ben ook wel teruggekeerd, en dat is nog grooter wonder, na alles wat er met mij gebeurd is. Nu wil ik weten wat er van Frits Rosemeijer geworden is; ik wil het, ik zal onderzoeken, ik!"

»Waartoe? Ik heb u immers gezegd, dat het mij niet meer noodig is."

»Mij is het noodig, zeg ik u, mij! en ik wil weten op welken grond ik sta voor ik een stap verder ga. Al zou ik zelf naar Engeland moeten gaan om berichten in te winnen. Wacht eens, dat zal niet noodig zijn. Graaf Peterhoff moet hier van avond nog eene samenkomst hebben met den zaakgelastigde van een groot Engelsch Huis; die zal wel kunnen zeggen wat er van den beschermeling van Sir Reginald Wilkinson geworden is. Wilkinson! hoe heb ik zoo stompzinnig kunnen zijn, 't is wel een bewijs hoezeer ik gepreoccupeerd was. Wilkinson Wilmot is juist de naam der firma, die de leening moet helpen tot stand brengen; die agent kon wel eens.... Steinhausen was zóó gedesappointeerd dat de verwachte gast niet kwam. Mevrouw Daubenheim vroeg zoo plechtig verschooning.... Er heerschte van ochtend een zonderling misverstand; de schellen vallen mij van de oogen, het kan niet anders zijn."

Toen zich ras en met diepen ernst tot Claudine keerende, vatte hij hare hand en sprak:

»Beraad u wat gij doen zult als Frits Rosemeijer nog van avond voor uwe oogen staat!"

En zonder haar antwoord af te wachten, liep hij ijlings van haar weg.

In eenige snelle schreden was hij het heesterboschje ten einde; onbarmhartig vertrad zijn voet het donzig mos van een bloemperk, dat hij niet eens scheen te zien, hoewel hij met gebukten hoofde voortliep; dáár werd hij in zijne vaart gestuit door eene krachtige hand, die hem bij den arm vatte.

»Spaar toch mijne geraniums, wat ik u bidden mag!" sprak de gastheer.

Verschrikt op zulke distractie betrapt te zijn, trad Frits Millioen terug en hief het hoofd op. Frits Rosemeijer en de heer Verburg stonden vóór hem. De eerste herkende hem terstond, de andere stond den dolleman aan te gapen als een phenomeen.

»Mijnheer Millioen! gij hebt inbreuk gemaakt op mijn programma," verweet de gastheer.

»'t Is mogelijk, mijnheer! ik ben geen letterknecht, ik had met juffrouw Verburg te spreken," antwoordde de schilder stoutweg.

»Waar is Claudine?"

»Waar is mijne dochter?" vroegen de beide anderen als in één adem, maar op gansch verschillenden toon.

Er trilde smartelijk verlangen in dien van Rosemeijer, er klonk wrevel in dien van den vader.

»Juffrouw Verburg zit onder den kastanjeboom op u te wachten!" zei Frits, zich tot Rosemeijer wendende.

»Zij mij wachten! hoe is dat mogelijk, en ik die haar verrassen wilde!" riep deze in verwondering met teleurstelling gemengd.

»Verrassingen zijn hachelijk en vallen meestal verkeerd uit, vooral als men twaalf jaren gewacht heeft met terugkomen."

»Doelt gij op eenig onheil, ben ik te laat gekomen? Nu! toch!" vroeg Frits Rosemeijer; er lag hartverscheurende zielsangst in zijne stem.

»Vraag het haar zelve," antwoordde de schilder ras en luid, en stapte door; Steinhausen volgde hem.

»Hoe hebt gij kunnen weten, mijnheer?" vroeg deze wat korzel.

»De intuïtie van den kunstenaar," was het antwoord, en de schilder stapte voor hem uit, de _serre_ binnen.

De afstand was niet zóó groot of Claudine had alles kunnen hooren, maar in eigenlijken zin had zij niets verstaan. Versuft was zij blijven zitten met geslotene oogen, als schemerde het haar bij alles wat de alleenspraak van den schilder haar te denken gaf. Daar hoorde zij een gemurmel van sprekenden, daar trof de stem van Frits haar oor; die nooit vergeten toon weerklonk in haar hart; anderen mochten zijn wat zij wilden, zeggen wat zij wilden: dát was de stem van Frits, en die stem sprak van onrust en lijden; alles leefde weer op wat zij dood en begraven waande, alle bedenkingen des verstands, alle overleggingen, alle zelfkwellingen der vrouwelijke fierheid en bedachtzaamheid, alle bijbedenkingen weken terug voor die welbekende, innig geliefde klanken; de betoovering was verbroken; zij wachtte niet eens af of hij tot haar komen zou; zij was opgestaan en hem te gemoet getreden eer zij zelf wist dàt zij het deed.

»Claudine! mijne Claudine!"

»Frits!" Zij hadden elkander niets meer te vragen; zij zagen, zij herkenden elkander; en onder tranen drukte hij haar aan zijn hart.

»Claudine! kindlief! alles is verklaard, alles is geschikt!" riep Verburg haar toe, in de blijdschap zijns harten; maar zij luisterde niet eens naar verzekeringen, die zij niet meer behoefde.

Arm in arm wandelden zij langzaam voort, zonder nog te spreken.

Vader Verburg zag duidelijk genoeg, dat hij _facheux troisième_ was en liep vooruit om hen samen te laten.

Eer zij te zamen door de _serre_ het huis weer binnentraden, hield Claudine haar geliefde staande en week schuchter terug als aarzelde zij met hem binnen te gaan.

»Ja, Frits! ik geloof u, wij kunnen nog gelukkig worden; maar toch.... gij moet mij tijd laten om mij aan het denkbeeld van dat geluk te gewennen."

»Dat zal gewennen, terwijl gij het geniet," hernam hij, »en daarom is er haast bij het te verzekeren. Wij moeten nu hier als verloofden optreden of alles wordt nog in kwestie gesteld en wij geraken in eene valsche positie; de lieden daar binnen wachten niet anders; uw vader zal niet gezwegen hebben en de Steinhausens, reeds teleurgesteld door mijn wegblijven, moeten nu toch pleizier hebben van hun feest."

»Zóó zij het dan!" hernam zij, en liet zich opnieuw door hem voortleiden. De _serre_ was nu prachtig verlicht, evenals de groote zaal, die er op uitkwam en waar de meeste genoodigden bijeen waren.

Toen zij binnentraden, nam Frits Claudine bij de hand met zulk een glans van vroolijke zegepraal op het gelaat, dat hij niet eens noodig had haar als zijne verloofde voor te stellen, zooals hij meende te moeten doen, Mina Daubenheim liep het paartje te gemoet, en bood Claudine een prachtige bouquet aan, terwijl zij haar influisterde: »Bruidje! heb ik het u niet voorzegd, dat ooms programma u wel bevallen zou."

»Ja, Mina! maar toch wel wat vermoeiend," hernam deze, en het was haar aan te zien, dat zij de waarheid sprak en zich zeer mat gevoelde.

»Een beetje eigen schuld, wat doe je ook zoo druk te praten met dien schilder.... wat zwaar op de hand hè! En zoo meesterachtig, niets galant."

»Toch een edel mensch," kon Claudine zich niet weerhouden te zeggen.

Wat er nu volgde van gelukwenschen en heildronken, behoeft niet vermeld te worden; maar Claudine's verloofde moest welhaast een offer brengen aan zijne kwaliteit als man van zaken.

Graaf Peterhoff herinnerde hem aan zijne belofte, om voorloopig de conditiën der Russische geldleening met hem te bespreken.

Met kennelijk leedwezen verwijderde hij zich van de canapé, waar Claudine zat, na haar een paar woordekens te hebben ingefluisterd.

Frits Millioen, die in de nabijheid stond en het oog op hem hield, scheen zich te ergeren over de goedwilligheid, waarmee Frits Rosemeijer op zulk een oogenblik zich leende tot zulk een eisch.

»_Terre et ciel!_ ik hoor daar dat gij eenige malen millionair zijt, waartoe nu zooveel ijver om nog meer geld te verdienen?"

»Juist omdat ik nu zooveel geld heb, moet ik er mee werken. Het is met het geld als met het bloed in de aderen, het moet in beweging blijven of het bederft. Als ik ging zitten rusten op mijne schatten, liep ik gevaar van verveling te verteren en Claudine ongelukkig te maken. Gij zelf, zoudt gij niet meer schilderen als gij rijk waart?"

»Gij hebt gelijk, ik had rijk kunnen zijn en ik verwierp den rijkdom om te blijven schilderen; maar ziet gij, dat is wat anders.... de kunst."

»Wel neen! dat is hetzelfde; het groepeeren van cijfers is ook eene kunst, dat is de mijne en er schuilt ook poëzie in, geloof mij!"

Men ziet uit dit gemeenzaam praatje, dat Frits Rosemeijer geen wrevel voedde noch argwaan gevat had tegen Frits Millioen. Alleen toen deze van de eersten naar hem toekwam om hem geluk te wenschen, had hij hem even ter zijde genomen en hem ingefluisterd:

»Gij ziet dat ik toch nog bijtijds ben gekomen!"

»Nog juist bijtijds en.... daar moogt gij mij voor danken."

»U, die mijne Claudine met zich zelve in strijd hebt gebracht."

»Over zich zelve heb ingelicht, is meer juist; zonder mij ware zij _niet_ voorbereid geweest, en gij met uwe verrassingsmanie zoudt haar strak en onbewegelijk hebben gevonden. Oude liefde roest niet, zegt men, en 't kan waar zijn, maar toch, de scharniertjes van het hart hebben somwijlen wat olie noodig om in beweging te blijven; eene distractie is geene passie, en gij hebt het hart van Claudine, dat is zeker; maar zorg nu dat gij haar niet weer in den steek laat ter wille van wat ook, want...."

»Want?" vroeg Rosemeijer in zekere spanning.

»Want ik heb de gewoonte alles op te nemen wat gij links liggen laat, uwe kunst, uw bijnaam."

»Maar niet mijne bruid, dat verzeker ik u," had Frits Rosemeijer geantwoord; »want ik zal haar met zooveel liefde, met zooveel teedere zorge omringen, dat alle pijnlijke indrukken, alle geledene smarten en tweestrijd geheel zullen uitgewischt worden."

»Ja, dat zal hij doen, en hij zal er in slagen ook," sprak de schilder bij zich zelf, nadat zij elkaar verlaten hadden, »ik ben niets voor haar geweest dan eene afleiding, een indruk van het oogenblik, die ras is voorbijgegaan, en toch kunnen er indrukken zijn, die geheel een leven blijven vervullen," en onwillekeurig bracht hij de hand naar het hart of hij er pijn gevoelde; »maar een kunstenaar mag zich niet door zulke indrukken laten overheerschen, tenzij ze hem ten prikkel kunnen zijn voor zijne kunst;" wierp hij zich zelf voor, en hief zich manmoedig op uit zijn somber gepeins, om naar Claudine te gaan, zich diep voor haar te buigen en even hare hand te vatten, terwijl hij sprak: »Wees gelukkig, gij hebt het verdiend."

Maar daarna veroorloofde hij zich niet weer haar te naderen, of een woord tot haar te richten. Hij bezat te veel kieschheid om nú Mina Daubenheim zijne hulde te brengen bij wijze van afleiding en _pis-aller_. Hij bewees haar ook nu geene andere attenties dan door strikte beleefdheid werd gevorderd. Tot haar _quatre-mains_ met Claudine kwam het natuurlijk niet en dat was goed ook, want de dames zouden vast voor doove ooren hebben gespeeld; ieder der heeren had zijne eigene preoccupatie.

Graaf Peterhoff en Frits Rosemeijer scheidden met een: »tot morgen!" en Frits Millioen scheidde ook met een »tot morgen!" dat gold zijn bezoek aan professor Roestink.

BESLUIT.

Hoe het met de Russische leening afliep, weten wij waarlijk niet te zeggen; beursbezoekers van dat tijdperk zullen het zich nog wel herinneren. Dat het huwelijk tusschen Frits Rosemeijer en Claudine Verburg gesloten werd, kunnen wij echter verzekeren en wie ons niet op het woord gelooft, kan er de registers van den burgerlijken stand te E. op nalezen; want aan niemand dan aan Bram Duinstee in zijne kwaliteit van secretaris der stad E. gunde Frits Rosemeijer de eer, zijne verbintenis met Claudine Verburg te sluiten.

Professor Roestink begaf zich naar E. om den echt zijner vrienden kerkelijk in te zegenen tot groote vreugd ook zijner oude gemeente. Dat het kleine stadje in rep en roer was, kan men denken.

Claudine was een allergracieust bruidje, dat in den kostbaren eenvoud van haar wit moirée kleed toonde begrip te hebben van de sociale positie, die zij ging innemen. Het geheim te behagen had zij verachteloosd in de diepe moedeloosheid van haar hart, maar verleerd had zij het niet; dat bewees zij nog jaren nà den blijden trouwdag; en Frits Rosemeijer kreeg volkomen gelijk, toen hij op haar beweren: »dat zij wezenlijk te oud was geworden en zich heusch onder de oude juffers rangschikte," lachende had geantwoord: »dat doet er niets toe, dat gij niet jonger bruid waart is mijne schuld en gij zult zien dat de _oude juffer_ een allerliefst jong vrouwtje zal wezen!"

Voorts achtte hij zich verplicht haar zekere mededeelingen te doen omtrent zijne lotgevallen in Engeland, die het voor haar verklaarbaar maakten, dat hij jarenlang niets van zich had laten hooren, ondanks welzijn en toenemende fortuin.

De een of ander lezer verlangt mogelijk inzage van dat pleidooi.

In de hoofdzaak kwam het hierop neer:

Toen een deel der ontwerpen van zijn vader uitvoerbaar bleken, productief waren bevonden en hij zelf van groote geschiktheid voor industriëele ondernemingen bewijs gaf, had zijn edele beschermer hem in de vennootschap Wilkinson-Wilmot opgenomen, en bij het overlijden van het oudste lid der firma, werd Sir Reginald haar chef en Frits aan diens zijde met het grootste deel der werkzaamheden en des bestuurs belast. De krachtvolle man, nog schijnbaar het toonbeeld eener vaste gezondheid, had de eerste aanvallen bespeurd eener smartelijke en onverbiddelijke kwaal, die reeds aanving hem te ondermijnen en die hem welhaast ten grave moest slepen. Frits alleen was de vertrouwde van dit dreigend onheil zoolang Wilmot het zijner gade verbergen kon; en de heldere, practische man, die den dood zag naderen met de rust van den Christen, bereidde met zijn jeugdiger vriend alles voor, wat den slag die eerlang moest treffen, kon lenigen voor vrouw en kinderen. Smart en rouw kon hen niet gespaard worden, maar voor hunne belangen was wijselijk gezorgd.

Toen Sir Reginald Wilmot overleden was, had Frits de bevoegdheid om terstond in zijne plaats te treden, zoodat er geene belemmering, geene stremming in den loop der zaken behoefde plaats te vinden. Zijn vertrouwde vriend was _niet_ tot voogd zijner minderjarige kinderen benoemd en.... om redenen. Frits had aan hem in eene aandoenlijke afscheidsure de belofte moeten afleggen, dat hij niet hun voogd, maar hun vader en de steun zijner echtgenoot zou zijn.

Mevrouw Wilmot ging met hare dochter het rouwjaar doorbrengen op haar landgoed in Schotland; de jeugdige Reginald bleef onder toezicht van Frits te Manchester; toen dat jaar verloopen was, gaf Frits haar inzage van een eigenhandig schrijven haars gemaals, dat vóór dien tijd niet mocht geopend worden. Het behelsde zijne hoop, dat Helena besluiten mocht hare hand aan Frits te geven, aan den man, wiens karakter door Sir Reginald zelf beproefd en in zekere mate gevormd was. Een gerechtigd mistrouwen jegens zijne eigene bloedverwanten en hunne intriges rondom de nog jeugdige vrouw deed hem zulk een wettigen steun voor haar noodzakelijk achten. Wat Frits betrof, hij hield Claudine voor zich verloren, en onder zijne afwisselende lotgevallen, onder de rustelooze werkzaamheid, die hem voortdreef, de groote verantwoordelijkheid, die op hem rustte, was, hij erkende het, de herinnering aan het vaderland, met alle lief en leed dat hij er ontvlucht was, voor hem op den achtergrond geraakt. Zoo had hij zijn weldoener de belofte kunnen doen, dat hij als man en vader in zijne plaats zou treden, zoo de weduwe tot die verbintenis wilde overgaan.

Helena had Frits leeren kennen en hoogachten; beider hart had eenmaal elders behoord; zij raadpleegden slechts met plichten, met belangen; zij wisten dat zij een _mariage de convenance_ aangingen; maar het was niet ongelukkig, toch was het nauwelijks gesloten, of eene ontmoeting die hij deed verstoorde voor Frits de rust en den vrede van hart, die hij aanving te genieten.

Op zekeren morgen kreeg hij op zijn kantoor een bezoek van den heer Veere, die met zijne vrouw door Engeland reisde, een kredietbrief vertoonde aan de order van de firma Wilkinson-Wilmot, en zijn verlangen te kennen gaf om de groote industrieele inrichtingen te mogen bezoeken.

»De heer Veere uit E.! dat was de echtgenoot van Claudine," en een onweerstaanbaar verlangen om de laatste nog eenmaal, al ware het als een onbekende, weer te zien, maakte zich van Frits meester. Hij gaf het gewenschte verlof en bood aan zelf ten gids te strekken aan het Hollandsche echtpaar; bij den eersten blik op mevrouw Veere had hij de zekerheid dat zij Claudine niet was; hij moest er nu meer van weten; hij ontdekte zich aan de dame als: Frits Rosemeijer, en deze vertelde hem lachende, dat zij Clara van Houten was, uit E., gelijk hij zelf. De vraag naar Claudine brandde hem op de tong en wilde hem toch niet over de lippen.

Gelukkig was de levendige jonge vrouw vaardig met hare mededeelingen. Ja, het was zoo! Claudine Verburg was de bruid op het tipje geweest van haar echtgenoot, maar de verbintenis kwam niet tot stand; zij verhaalde door welke bijomstandigheden. Innerlijk dieper geschokt dan hij toonen wilde, had Frits met eene stem, die hij onverschillig trachtte te doen klinken, gevraagd waar de heer Verburg en zijne dochter zich nu ophielden?

»Dat is niemand bekend," hernam Clara.

»Behalve den bankier Steinhausen te Amsterdam," viel haar echtgenoot in, »want aan dezen heeft Verburg de regeling zijner zaken toevertrouwd." Die wenk was voor Frits niet verloren gegaan. Van dat oogenblik af,--Claudine, nu zij zijne bruid was, mocht het weten,--had het Huis Heerdt en Comp. in Engeland zich plotseling opgericht uit zijn val, en was bekwaam en bereid om in hooge rente het verlies in kapitaal te vergoeden door Verburg bij het failliet geleden!

Zich zelf op den voorgrond zetten, en persoonlijke deelneming te toonen, Frits was te kiesch en had een te hoog gevoelen van Claudine's karakter, om er aan te denken. Toch gaf de bewustheid dat hij haar lot verbeteren kon en haar van zorgen, zoo niet van lijden ontheffen, hem eenige verlichting.

Maar de doorn bleef in 't vleesch en ondanks werkzaamheid ondanks het volle genot van rijkdom en weelde, ondanks zekere mate van huiselijk geluk zelfs, deed de prikkel van het »te laat" en »zoo ik geweten had" zich telkens opnieuw voelen. Eindelijk werd hij vrij door den dood zijner echtgenoot, die tien jaren zijn oudere was; ook vrij in zijne bewegingen, daar zijne oudste stiefdochter met het jongere lid der firma was getrouwd en Reginald meerderjarig geworden, reeds als plaatsvervanger van zijn vader kon optreden; tijdelijk kon aan die beiden het beheer der zaken met de hulp van een degelijken boekhouder worden toevertrouwd, en zoo kon hij naar het vaderland en tot Claudine terugkeeren, met het voornemen om alles goed te maken wat hij aan beiden meende schuldig te zijn.

Claudine was met deze rechtvaardiging voldaan; zal de lezer strenger zijn dan zij, die mogelijk te zachter was in haar oordeel naarmate zij in den strijd des levens de verzoeking had leeren kennen, al had zij dan ook weerstand geboden en den zegen behaald?

Zijn huiselijk geluk moest Frits voor menige teleurstelling in zijne ondernemingen schadeloos stellen, want al gelukte het hem een deel der plannen voor den bloei en welvaart van zijne vaderstad uitgedacht, tot stand te brengen, al mocht hij dat monument voor zijn vader oprichten dat hij zich had voorgesteld, hij kon zijne stad- zijne landgenooten niet bezielen met den Engelschen ondernemingsgeest, en hij stuitte nu eens op slappe knieën en trage handen, dan weer op lijdelijk verzet en onverstandige tegenwerking. Wijzer en voorzichtiger dan zijn vader dreef hij niet door dan het bereikbare, maar hij werd het bergopwerken van den Sisyphus-steen moede, en toen de oude heer Verburg in dankbare voldaanheid over zijne laatste levensjaren de oogen had gesloten keerde hij naar Engeland terug, waar hij zich meer in de ruimte voelde en beter thuis dan in zijne eigene vaderstad. De impulsie, eens door hem te E. gegeven, ging wel niet gansch verloren, maar het was alleen de flauwe natrilling van een krachtigen toon. Het verdient opmerking, dat hij nooit weer als Frits Millioen is aangewezen, sinds hij werkelijk als millionair bekend was.

Frits Millioen, de schilder, de eigenaar van den bijnaam, bleef niet langer in Nederland dan de belangen der Russische leening, waarover zijn vriend had te waken, het vorderden. Wel zond hij zijne schilderijen naar de Amsterdamsche tentoonstelling, zooals hij beloofd had, maar zelf verscheen hij er niet om zijn triomf te genieten. Ook gewerd hem het meest waardeering van enkele helderziende kunstkenners, en geenszins dat _succès monstre_ dat de claqueurs der kunst hem toegezegd hadden als hij hun toegestaan had zijn »_succès te soigneeren_." »Ik ben niet op marktgeschreeuw gesteld," was zijn antwoord geweest en daarom had men van hem gezwegen. Indien maar gezwegen want aan anekdoten omtrent zijn _mauvais caractère_ en lastig humeur bleef het niet ontbreken, al had men zijne redenen om nog zijn werk niet te denigreeren. De hofgunst gleed hem voorbij zonder dat iemand had kunnen zeggen uit welke oorzaak. Toch was Koning Willem II, toen hij de tentoonstelling bezocht, met bewondering voor een zijner schilderijen blijven stilstaan en had belangstellend naar den naam van den schilder gevraagd, maar toen een der omringende heeren dien noemde, was het gelaat van den Vorst koel en strak geworden, en was deze verder gegaan zonder een woord te zeggen. Zeer zeker hadden de oorblazers hier hun werk gedaan. De schilder was een onbruikbaar man verklaard.