Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 34
Professor Roestink vatte die aardigheid op om over Lady Macbeth en Shakespeare te spreken op de hem eigene wijze, die niet precies voor de gewone bezoekers van den Hollandschen schouwburg en zelfs niet voor die van den Franschen, genietbaar was, maar die Frits ten hoogste interesseerde, zijne oogen deed schitteren en hem tot vragen en reparties bracht, die zijne oorspronkelijkheid van opvatting zoowel als de genialiteit van zijn kunstenaarsblik deden uitkomen, hoewel hij zich intusschen beklaagde dat hij een ongeletterde was, en geene andere studies had kunnen maken dan die hij op rijperen leeftijd aan zijne nachtrust ontwoekerd had.
Voor de meeste gasten, aan de ledige alledaagschheden der gewone conversatie gehecht, of voor dezulken onder hen die de tafel van den bankier niet zelden bezigden tot een verlengd beurspraatje, stelde het diner zich dus zeer weinig amusant in, maar zij hadden de gelegenheid om zich over dat gemis te troosten, met de edelste wijnen, de kostbaarste schotels en de meest uitgezochte extraatjes, waarvan graaf Alexis Peterhoff zelf verklaarde, dat hij er de weergade slechts zelden en niet dan aan vorstelijke tafels van had aangetroffen.
Onder alles wat hij had moeten aan- en afleeren, scheen Frits Millioen nu ook tot het waardeeren van tafelgenot bekeerd. Hij wierp zijne champagne niet meer op den grond, hetgeen ten aanzien van mevrouw Daubenheim en ten koste van het prachtig Deventersch tapijt ook een weergalooze gruwel zou geweest zijn, maar hoewel hij nu toonde de fijne wijnen, de edelste lekkerbeetjes te begrijpen en te genieten, hoewel hij zich gerust rangschikken mocht onder de lieden van opvoeding en ervaring »_qui savent diner_," betrachtte hij in alles de matigheid, en dat was noodig ook, want al hadden zijne rijpe dertig jaren hun bedarenden invloed geoefend ook op hem, al was het tempermes der beschaving niet tevergeefs over hem heengegaan en had hij onder allerlei levenservaring, waakzaamheid en voorzichtigheid geleerd, toch raakte het warme, edele kunstenaarsbloed licht aan 't bruisen en de gloed van verontwaardiging, de gloed der geestdrift behoefde bij hem niet aangezet te worden door vurige wijnen en sterk gekruide spijzen.
Inmiddels werd de vreeze beschaamd van hen, die zich zelven ergernis en verveling hadden voorspeld.
Met een wezen als deze Frits Millioen kon men in strijd geraken, door de meest ongewachte wendingen in de conversatie verrast worden, maar om met hem aan eene tafel te zitten, zonder op een gemeenzamen voet met hem te geraken en door zijn enthousiasme meegesleept te worden, daartoe zou meer opzet en meer kwade wil noodig zijn geweest, dan bij iemand der aanwezigen gevonden werd.
Nadat de soep genoten en het ijs gebroken was door een zet van den schilder, die den gastheer over het verdriet der teleurstelling heenhielp en weer in zijn gewoon humeur bracht, was deze welhaast de ziel van de conversatie, en als had hij het gevoeld dat hij zekere vooroordeelen te bekampen, zeker gemis te vergoeden had, trachtte hij allen alles te zijn en het zoo te maken dat zelfs zij, die weinig of geen deel konden nemen aan de tafelkout, zich althans niet verveelden als zij moesten luisteren. Door vragen en opmerkingen van zijn belangstellenden vriend of van den gastheer zelf daartoe uitgelokt, gaf hij voorstellingen uit zijn kunstenaarsleven, schetsen van zijne reizen naar het Zuiden en het Noorden, beschrijvingen van de museums en galerijen die hij had bezocht, karakteriseerde met enkele trekken de vorsten en aanzienlijken die hij had leeren kennen, bracht een glimlach op de strakste gezichten door pikante anekdoten omtrent kunstgenooten en kunstbeschermers, schaamde zich geenszins een terugblik te werpen op zijn _point de départ_, noch pleegde den ondank, de helderziende mannen, de voortreffelijke vrouwen te vergeten die hem in de worsteling met de bezwaren van het kunstenaarsleven hun steun en hunne voorlichting hadden verleend, sprak wel van de strikken, hem door de afgunst en de zelfzucht gespannen, maar gaf geen personen prijs, noch vernietigde reputaties met een bijtend woord of eene schertsende opmerking; met één woord ontrimpelde de voorhoofden van de deftigste Doctrina-leden, zonder een blik van verwijt te verdienen uit het ernstig oog van zijn overbuurman; gaf den gastheer de voldoening, dat de tafelkout ditmaal gelijke maat hield met de tafelweelde, oogstte van de dame des huizes het compliment dat hij zeer zeker een _ausserordentlich_ schilder moest wezen, indien zijne penseelkunst gelijke maat hield met zijn talent van conversatie, en het nufje in 't _rose_ aan zijne zijde moest zich zelve bekennen dat hij een interessant man was, die veel _savoir vivre_ had, ondanks de stugheid en nonchalance, waarmee hij bij haar had gedebuteerd.
Wat Claudine betreft, zij wist doorgaans vooruit wat zij bij de diners van Steinhausen zou vinden; eenige afleiding, eenige afwisseling van het dagelijksch leven, meer niet, maar iets dat het hart raakte, dat tot gemoed of verbeelding sprak, dat den geest prikkelde en scherpte, dat den smaak vormen kon, wachtte zij er niet en had zij er ook nooit gevonden, zelfs dan niet als er celebriteiten _gefêteerd_ werden, daar zij dan gewoonlijk zoozeer op den achtergrond werd geplaatst, dat de stralen, die het doorluchtig gestarnte uitschoot, niet tot haar doordrongen.
Dit geschiedde niet juist door een _parti pris_ van de Steinhausens om haar terug te zetten en in de schaduw te stellen, maar was te wijten aan hare eigene zedigheid, aan haar opzet om zich van de jonge dames te onderscheiden door eene kleeding zoo streng en tegelijk zoo eenvoudig, dat men haar niet met deze rekenen kon, maar haar evenmin plaats kon geven tusschen de mevrouwen, die hier niet verschenen, dan in schitterende en imposante atours; zoo was zij inderdaad wat moeielijk te klassificeeren, en kreeg gewoonlijk hare plaats tusschen doove oude vrijers of aankomende jongeheeren, die voor 't eerst met hunne familie mee uitgingen. Zelve deed zij geen stap om uit dat halfduister in het licht te treden, tenzij om hare hulp te verleenen bij zekere kleine diensten, die de gastvrouw zelve moeielijk waar kon nemen, omdat zij zich wat al te prachtig had gekleed en waar Mina het snoeperig wipneusje voor ophaalde.
»_Fi donc!_ Als zij koffiezetten of theeschenken moest, fatigueerde zij zich te veel om piano te spelen." Zij vergat dat Claudine, na die beide verrichtingen doodbedaard te hebben afgedaan, nog wel kracht, was het niet altijd lust, overhield om haar te accompagneeren! Ditmaal echter had de gastheer zelf er zich mee bemoeid en haar op eens als uit haar hoekje gehaald om haar in 't volle licht te stellen, en als den voet aan te wijzen waarop hij begeerde dat zij in zijn huis zou behandeld worden. Hij vergenoegde zich niet met haar zelf aan tafel te geleiden en haar daar de eereplaats te bieden; hij was voortdurend met haar _aux petits soins,_ verweet haar in 't vriendelijke dat zij haar invloed niet had laten gelden om haar vader mee te krijgen, maar stemde toe, dat haar besluit om toch zelve te komen alles goed maakte; altijd was hij een goed en hartelijk vriend voor haar geweest; maar om de reeds aangeduide redenen placht hij voor haar een eenigszins nonchalant gastheer te wezen; ditmaal scheen hij op dit punt alles in eens goed te willen maken. Hij zeide haar aardigheden, hij was galant, maar van eene galanterie die voor Claudine niets ontrustends had, zelfs niet na den uitgesproken argwaan haars vaders. Hij lokte haar uit om hare kennis, haar geest te toonen. Hij wilde over alles haar gevoelen weten, als om de anderen te doen zien hoe hoog hij haar stelde, en daar hij zich zelf niet haar portuur achtte waar het op een meer beduidend onderhoud aankwam, trachtte hij de _trait-d'union_ te zijn tusschen haar en den schilder, die evenwel geene opwekking noodig had om haar te onderscheiden, en die het woord tot haar richtte zoo vaak het slechts eenigszins pas gaf, en niet zelden als hij iets vertelde dat voor allen bestemd was, of iets antwoordde op eene vraag, door anderen uitgelokt, zich kennelijk met de meeste voorliefde tot haar wendde, als scheen hij te raden dat hij daar het best begrepen, het meest gewaardeerd zoude worden. Zij had met volle waarheid kunnen verklaren: »_Que jamais elle n'avait été à pareille fête._" Sinds den aanvang harer rampspoeden, sinds de scheiding van Frits had zij nog wel eens een enkele maal deelgenomen, al was het dan ook omdat zij niet anders kon, aan gezellig verkeer, maar genot had zij daarin niet meer gevonden; ditmaal liet zij zich zachtelijk meevoeren, door al het ongewone, al het aantrekkelijke dat er voor haar lag in de levendige gesprekken, de geestige uitvallen, de plotselinge ernstige, van diep gevoel en hooger inzicht getuigende wendingen, die hij in 't onderhoud wist te leggen en waarmee hij verraste en trof, zonder dat er opzet of gemaaktheid in lag, eenvoudig omdat hij zich gaf zooals hij was, en zich niet door zekere sociale menagementen weerhouden liet om datgene uit te spreken wat er in hoofd en hart omging, al trof hij daarmee algemeen ontziene vooroordeelen of misbruiken, die alleen hun recht van bestaan hadden in de alledaagsche flauwheid, die ze niet aan durfde zij, de schuchtere jonkvrouw, die zich nooit onderstaan zou hebben hare geheime grieven uit te spreken tegen veel wat haar in 't gezellig verkeer hinderde, in de maatschappij zooals zij die zag onrechtvaardigs en inconsequents voorviel, voelde hoogachting, voelde hartelijke instemming voor den man, die stoutelijk uitsprak wat zij zich zelve nauwelijks toestond te denken, en zij juichte hem zoo van harte toe, dat hare bewondering niet slechts op hare trekken, in hare blikken te lezen was, maar dat zij ook moed en tegenwoordigheid van geest vond om hem door haar bijval te steunen, als hij de tegenspraak van anderen had uitgelokt. Zij vond reparties, zij betrapte zich op vernuft en schalkheid, waar zij voor haar bondgenoot eene afleiding trachtte te maken; zij ontdekte tot hare eigene verbazing, dat er in haar nog krachten en vermogens rustten, die zij sinds zoolang reeds had laten sluimeren, dat zij vergeten had ze te bezitten, maar die slechts den prikkel van zulk eene conversatie noodig hadden om wakker te worden en van hun aanzijn te getuigen. Daarbij kwam dat zij zich ditmaal in haar recht gesteld en gewaardeerd gevoelde, en dat gaf haar zekere innerlijke zelfvoldoening, die haar moed verhoogde en haar geest verlevendigde, zonder dat zij zich van die oorzaak rekenschap kon geven.
Genoeg is er gezegd om onze verzekering geloofwaardig te maken, dat het diner in tegenstelling van zoo menig ander in deze zelfde zaal gehouden, niemand der aanzittenden stijf en vervelend voorkwam, en aan allen iets meer gaf dan waarop ze gerekend hadden.
Maar een diner, hoe genoegelijk ook en hoe overvloedig tevens, kan niet eindeloos gerekt worden.
En toen het ijs en de marasquin genuttigd, de gember aangeboden, maar door de meesten afgewezen was, kwam het oogenblik dat de heeren naar de sigaar verlangden en de dames naar rust.
Mevrouw Daubenheim gaf het sein om ter weerzijden vrijheid te laten aan die behoefte te voldoen, en Claudine haastte zich haar voorbeeld te volgen; graaf Peterhoff scheen het van zijn plicht te achten de gastvrouw eenige schreden geleide te geven.
Mijnheer Steinhausen geloofde als gastheer op zijn post te moeten blijven; het lid van den kunstkrans weifelde of hij zich zóó galant zou behoeven te toonen, en intusschen was Frits Millioen al opgesprongen om Claudine den arm te bieden; maar plotseling scheen hij te bedenken, dat hij bij zijne eigene dame niet _en défaut_ mocht zijn en verzocht haar zijn geleide aan te nemen; maar met een spijtig: »_merci_, ik ben thuis," was zij in eens ter andere zijde en reeds in de _serre_, toen Frits aan den dorpel daarvan kennelijk tot zijn leedwezen Claudine aan zich zelve moest overlaten. Als bij instinct had de achttienjarige het gevoeld, dat de hoffelijkheid _haar_ niet in de eerste plaats was toegedacht, en dat haar _rose-barège_ ondanks haar _berthe_ van blonde eene nederlaag had geleden tegen het zwart _barège_, zonder hemelsblauwe strikken!
III.
Het was Claudine gelukt »de Haarlemmer" aan het oog van haren vader te onttrekken, maar zij had hem daarmee toch geen onaangenamen indruk kunnen besparen, hoewel hij dien voor haar verkropte. In eene buiten-sociëteit, waar hij een half uurtje gerust en zijn »bittertje" gebruikt had, vond hij het Handelsblad en las het met de gezette aandacht van iemand, die niets anders te doen heeft. Alle _faits divers_ werden dan ook door hem genoten in zoover ze niet zijne ergernis wekten, hetgeen in hooge mate het geval was met een vrij uitvoerig artikel, gewijd aan den persoon en het werk van den kunstschilder Frits Millioen.
»Wat is dat!" riep hij uit; »is die weer boven water! en komt hij opdagen onder den scheldnaam, dien de straatjongens hem plachten na te roepen! Malle jongen! gaat hij daar nu zijns vaders naam voor aan zij schuiven! Nu! mij is 't wèl, mijne dochter en ik hebben Goddank niets meer met hem en het zijne uit te staan! Het blijkt dat hij getrouwd is en fortuin heeft gemaakt, reputatie althans, en gezien is bij de groote lui. Wel dan heeft hij ook gelijk dat hij burgervolkje als wij zijn links liggen laat! Is 't geen zonde en schande!" bromde hij voort, half binnensmonds, maar toch nu met eenige verheffing van stem, zoodat de heeren aan de andere tafeltjes in de buurt eenigszins verbaasd opkeken, niet wetende tot wien hunner de oude heer het woord richtte, hetgeen maakte dat deze zijn gepruttel staakte zonder daarom zijn zelfgesprek af te breken. »Is 't geen zonde en schande! Nu de verfkladder een groot heer geworden is, vergeet hij wie er hem op geholpen heeft! Arme Claudine, arm kind, die altijd hare fortuin heeft laten voorbijgaan, om hem trouw te houden. Ja! het was noodig die trouw, hij dankt er haar voor, dat zien wij! Niet te verwonderen dat hij in geen twaalf jaar iets van zich heeft laten hooren. Hij heeft ons vergeten; bij hem is 't geweest uit het oog, uit het hart! Als het haar nu maar niet opnieuw verdriet doet en somber maakt, ze is toch al zoo aan 't suffen en dwepen! En als ze nu verneemt, dat hij hier in 't land is en niet eens naar haar omziet, dan zal dat haar zeker een schok geven."
Onder deze en diergelijke mijmeringen was hij opgestaan en naar huis gewandeld; maar al gevoelde hij zekere meewarigheid met Claudine, zijn slechte luim kon hij toch niet geheel voor haar verbergen, hetgeen haar vragen deed, of hij het wel goed vond, dat zij hem alleen liet, en of ze 't maar bij Steinhausen zou laten afzeggen?
»Neen! neen! Ik zie liever dat gij gaat, al zou mijnheer Steinhausen u dan ook een beetje het hof maken, wie weet of gij er niet wat vroolijker door thuis komt!"
Plaagziek, omdat hij eigen kwellingen moest verkroppen, morrend en wrevelig over de ondankbaarheid van den jonkman, wien hij vaderliefde, vaderzorge had betoond, en die zich daarna nooit meer aan hem had laten gelegen liggen, zat de heer Verburg, nadat Claudine was weggereden, zijn middagmaal af te wachten, waarvoor zijne dochter in overleg met haar dienstmeisje de beste maatregelen had genomen, om het voldoende, om het smakelijk te maken.
Dáár werd Mietje, die juist bezig was met tafeldekken, in dit nuttige werk gestoord door de huisschel, die tweemaal overging, bewijs dat het voor _boven_ was, hetgeen haar dwong naar beneden te gaan.
De vreemdeling, die zich aanmeldde, verzocht den heer Verburg te spreken.
»Er is stellig belet, mijnheer zal zóó aan tafel gaan."
»Toch hoop ik wel ontvangen te worden; zeg maar aan uw meester, dat de Agent van 't huis Heerdt en Comp. er is."
»Mijnheer heeft pas wijn opgedaan," zei het meisje, aan een _commis voyageur_ denkende, »en ik kan je gerust verzekeren, dat je toch geen bestelling krijgt."
»Ik handel niet in wijnen," hernam de vreemdeling, even glimlachend, »doe maar wat ik verlang, kindlief, en gij zult er wèl bij varen."
»Hm! ja! dat kan ik denken," repliceerde Mietje met een schouderophalen; »grommen van mijnheer dat's het naast voor de deur!" Maar daar de suppliant toch het voorkomen had van een fatsoenlijk man, durfde zij niet weigeren de boodschap over te brengen.
»Het spijt mij dat die man zijn tijd zoo slecht kiest!" knorde Verburg, »maar er is niets tegen te doen, ik dien hem te ontvangen. Laat boven komen, Mietje!"
De indringer was waar hij wezen wilde; hij werd binnengelaten. Na de eerste begroeting, die van Verburgs zijde nogal voorkomend was, scheen de vreemdeling eenigszins verlegen hoe aan te vangen. Hij kuchte een paar malen, zag de kamer rond, gebruikte zijn zakdoek om zich het voorhoofd te verkoelen en zocht kennelijk tijd om te bekomen van zekere gemoedsbeweging, die hij trachtte te verbergen.
»Wel, mijnheer Brownie! want het is immers mijnheer Brownie zelf, dien ik vóór mij zie?" hervatte Verburg met eenig ongeduld, »wilt gij zoo goed zijn ter zake te komen? Om u de waarheid te zeggen mijn eten staat klaar," en hij richtte een veelbeduidenden blik op de half gedekte tafel.
»Ik zou ongaarne overlast doen en toch .... ik kan alles zoo niet in eens zeggen," hervatte de vreemdeling in zekere verlegenheid, »ik zou waarlijk wel een half uurtje uwe aandacht moeten vergen voor.... mijne zaak...."
Verburg fronsde het voorhoofd.
»'t Is wel te zien, dat gij jarenlang in Engeland zijt geweest, mijnheer Brownie," sprak hij wat korzel, »en geheel uit de Hollandsche gebruiken zijt uitgegroeid, al hebt gij uwe taal niet verleerd; tusschen vier en vijf ure is zoo wat de algemeene etensklok geworden."
»Maar, mijn waarde heer Verburg! houd u aan dien regel; ga uw gang of ik er niet bij ware, gij zult zooveel te meer geduld hebben om mij aan te hooren."
»En gij zelf, wanneer en waar eet gij?"
»Ik! Wel bij u, zoo gij een bord voor mij wilt laten zetten."
»Komaan! dat's een goede inval, mijne dochter is wel niet t'huis, maar zij zal ruim genoeg voor mij gezorgd hebben, er kan best een tweede mee eten, mits gij met de Hollandsche burgerpot tevreden zijt. Van fijne en vreemde kostjes komt bij mij niet in, daar houd ik niet van."
»De oude Hollandsche burgerpot! Wel! dat's juist iets waar ik al naar verlangd heb, het zal mij wezen of ik een oud vriend weerzie."
»En 't is voor mij pleizierig en gezellig," hernam Verburg, in wien de oude gulheid opleefde, nu hij zag dat hij niet met zijne gewoonten behoefde te breken.
Hij schelde, gaf zijne orders aan Mietje, die van hare verbazing nauwelijks bekomen kon, en den indringer met niet al te welwillende blikken van 't hoofd tot de voeten opnam; men kon niet weten, de juffrouw was uit, mijnheer was oud, zij zelve was maar eene vrouw, er gebeurden zulke ijselijke gevallen van diefstal en moord; zij zag er den man nog eens op aan, terwijl zij zijn glas en zijn bord klaarzette; het onderzoek was echter nogal bevredigend; zijn linnengoed was zoo frisch en zoo fijn zijn rok, nu hij zijn ruim en luchtig overjasje had uitgeworpen, was van zoo keurig laken en stond hem zoo goed, dat haar argwaan er door afgeleid werd; daarbij, zijn uiterlijk was gunstig, zijne groote blauwe oogen zagen haar zoo vriendelijk aan, alsof hij iets van hare gedachten raadde en trachtte haar gerust te stellen, dat zij nu ook werkelijk gerust was en het niet eens meer vreemd vond, dat mijnheer haar gebood een flesch van den besten Rijnwijn te brengen en fijner glazen.
Neen, neen! de knappe, deftige heer was blijkbaar een goed bekende, en de juffrouw zou het vast aardig vinden als zij van dat bezoek hoorde.
Eens over het bezwaar der eerste kennismaking heen scheen mijnheer Brownie goed op zijn gemak te raken. Hij at vlug en vaardig, naar Engelsch gebruik met mes en vork tegelijk, en zoo hij werkelijk naar de Hollandsche pot had verlangd, bleek het dat zij niet tegenviel, want hij gaf alles eere met woord en daad, vond de groenten overheerlijk, het kalfsvleesch blank en malsch, en toen Mietje triomfantelijk een bord met flensjes binnenbracht, werden zijne oogen vochtig en sprak hij half in zich zelf, zoodat Mietje alleen het verstaan kon:
»'t Is me waarlijk of ik weer de knaap ben geworden, die door zijn goeden voogd wordt getracteerd!"
Verburg, die al was hij een weinig hardhoorig, toch nog goed genoeg kon zien om zekere uitdrukking van voldoening te lezen op het gelaat van zijnen gast, sprak nu lachend:
»Wel, mijnheer Brownie! gij geeft mij satisfactie, maar gij hadt het toch beter kunnen hebben."
»Nergens beter naar mijn genoegen, nergens waar ik mij meer thuis zou gevoelen, ik verzeker het u."
»Dat is mogelijk.... maar toch.... om de waarheid te zeggen het verwondert mij dat gij vandaag niet bij Steinhausen eet.... die geeft een diner!"
»Ik ben er gevraagd, maar ik heb bedankt, juist in de hoop om het zoo eens bij u te treffen als het nu uitgevallen is."
»Dat is wel een tref, want wij waren ook bij Steinhausen gevraagd, en mijne dochter is er heengegaan. 't Is alleen toevallig, dat ik thuis bleef omdat ik mij wat onlustig voelde, en er tegen opzag met zooveel menschen samen te zijn."
»Om de waarheid te zeggen, mijnheer Verburg! ik wist van deze toevalligheid; ik wist dat ik u hier alleen zou vinden. Mijnheer Steinhausen heeft het mij gezegd toen ik hem op de beurs sprak, en dit bewoog mij de vrijheid te nemen juist op dit uur te komen.... alleen eet het niet smakelijk, ik rekende een weinig op uwe uitnoodiging, en zoo vond ik tegelijk de gelegenheid mijne zaken met u alleen te bespreken."
»Gij hebt mij immers geene kwade tijding mee te deelen?" vroeg Verburg wat gespannen; »het staat toch nog goed met de firma?"
»Uitmuntend!" antwoordde Brownie met een fijn glimlachje, »wij zijn als de Bank, wees er gerust op. Wij hebben de laatste groote geldcrisis zegevierend doorgestaan, hoewel alles rondom ons waggelde en er viel wat men den sterksten levensduur zou hebben toegekend, en ik ben hier om voor ons kantoor deel te nemen in de Russische geldleening van vijf tot tien millioen, al naar de voorslagen, die graaf Peterhoff zal doen, mij meer of minder gunstig en aannemelijk toeschijnen."
Verburg zette groote oogen op en dronk zijn glas in één teug ledig van verbazing.
»Drommels! zulke zaken heeft de firma niet gedaan in haar hoogsten bloei hier in Holland. Dat Engelsche goud, die Engelsche ondernemingsgeest schijnen wonderen te kunnen doen. Zulke sommen, een Hollandsch hoofd wordt er duizelig van."
»_Mijn_ hoofd is er niet van gaan draaien, dat verzeker ik u, mijnheer Verburg! en toch.... en toch ik bewaak en beheersch sinds jaren het veelvoudige samenstel, en houd in mijne hand het roer waardoor alle raderen dier groote machine in beweging worden gebracht."
»Dat moet een heele post zijn, mijnheer Brownie!" sprak Verburg, met verwondering op hem ziende, »en toch gij schijnt nog jong!"
»Zoo om en bij de veertig! Ik was zes en twintig jaar toen ik het land verliet."
»Terstond na het bankroet?"
»Juist zoo wat in dienzelfden tijd...." Brownie scheen er nog iets te willen bijvoegen, dan hij bedacht zich, wendde de oogen af, en Verburg hernam:
»Nu! de firma kan zich beroemen op eene miraculeuse goede fortuin. Zóó schitterende revanche nam bij mijn geheugen nog nooit een handelshuis van eene nederlaag."
»Als men zich uit een val heeft op te richten moet het niet ten halve zijn," viel Brownie in met levendigheid, maar weer aarzelde hij en hervatte op gansch anderen toon: »Toch is een der redenen waarom ik u spreken moest deze, dat ik eene mededeeling heb te doen omtrent de bedoelde firma. Zij heeft opgehouden te bestaan."
»Opgehouden te bestaan!" herhaalde Verburg in de grootste verbazing, waaronder wel wat onrust school. »Schemert het mij.... hebt gij mij niet zoo pas verteld van die aanzienlijke zaken, die...."
»Ah ja! maar dàt betreft de firma die _ik_ representeer.... en waarin het huis Heerdt zich nu heeft opgelost."