Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 33
Mevrouw Daubenheim haalde even de schouders op; zij begreep er niets van, maar ondanks hare imposante muts was zij eene goelijke vrouw, die het kruit niet had uitgevonden en zeer zeker de wonderen van de _chassepots_ niet voorzag, en om zich eene _contenance_ te geven, deed zij maar of zij er achter was gekomen (niet achter de naaldgeweren, maar achter het geheim van het misverstand).
»_Versteht sich_! Het spreekt wel vanzelf, dat wij ons zeer vereerd achten een artist van zulk een rang in ons huis te mogen ontvangen."
»Alleen een weinig te vroeg, en dat is zeer indiscreet, niet waar, mevrouw! vooral als anderen niet op hun tijd passen," sprak Frits Millioen op een toon van ironie, die Claudine ontstemde en mevrouw Daubenheim wel een weinig verlegen maakte; doch met eene rassche wisseling van luim, en alsof het hem berouwde een pijnlijken indruk gemaakt te hebben, ging hij voort: »daarvoor is hij dan ook explicatie schuldig van zijne ontijdige invasie. Gij spraakt van mijn rang, mevrouw! Als kunstenaar is die moeielijk vast te stellen, althans door mij."
»_Hors ligne_ stond er eergisteren in het _Journal de la Haye_," viel Mina in, wie het verveelde zoolang onopgemerkt te blijven, nu zij wist wie de vreemdeling was.
»Het _Journal de la Haye_ is zelf in 't geheel niet _hors ligne_," viel hij in, »althans niet op het punt der waarheid en der consequentie; vermoedelijk zult gij er heden of morgen in lezen dat ik een stumpert ben; doch dat daargelaten, ik heb een rang, en wel dien van kapitein-titulair bij eene compagnie Russische infanterie; ik zal wel nooit geroepen worden die aan te voeren; maar intusschen moet ik mij daardoor en ook nog om andere redenen beschouwen als in Russischen dienst, hetgeen mij het voorrecht schonk aan de Koningin der Nederlanden te worden voorgesteld, en in particuliere audiëntie bij Hare Majesteit ontvangen te worden."
»En toen heeft zij u opgedragen haar portret te schilderen, niet waar, mijnheer! dàt staat ook in...."
»Denkelijk wel in datzelfde _Journal de la Haye_, waaruit mejuffrouw gewoonte schijnt te hebben hare wetenschap op te doen; doch ik moet waarschuwen dat het zeer licht op een dwaalspoor kan leiden en in dezen veel verder geavanceerd schijnt dan ik zelf, want mij is nog niets van zulk eene opdracht bekend, hoewel het mij niet verwonderen zou dat er geïntrigeerd werd voor en tegen mij, om tot dit resultaat te komen; want in de hofwereld, rondom de hooge personages, die er het middelpunt van uitmaken, leven en bewegen zich allerlei soort van lieden, die niets te doen hebben en die de ledigheid, waaraan ze krank gaan, aanvullen, deels met futiliteiten en muggezifterijen, deels met _la mouche de la coche_ te spelen en veel drukte te maken, om niets teweeg te brengen. Kunstbescherming in den waren zin des woords is hunne zaak niet; dat vereischt kennis, tact en liefde voor de kunst, en voor dit alles is het meerendeel dier vlinders te oppervlakkig: maar intrigeeren vóór en tegen de personen van kunstenaars, dàt's wat anders, dat geeft bezigheid en een schijn van invloed, en dat doen ze graag, en zoo zou het kunnen zijn dat die zaak van het portret geen anderen oorsprong had; zooveel te erger voor mij, want als uitkomst eener intrige zou ik geen werk aanvaarden, bovenal niet de hachelijke taak om het portret te maken eener vorstin! Dan dit alles ter zijde gelaten; Hare Majesteit, die door niemand behoeft opgewekt te worden, om mij goedheid en belangstelling te bewijzen, wilde mij raadplegen over zekere aangelegenheid van kunst, maar had dag en uur voor dat onderhoud nog in 't onbestemde gelaten; het kon heden, het kon morgen zijn.... zij kon zelve niet in volle vrijheid over haar tijd beschikken. Ik bleef dus in 't onzekere en gebonden aan den Haag, daar ik mij gereed moest houden om aan het opontbod der Vorstin te kunnen voldoen.
»En ziet, gisteren in den avond kreeg ik bericht, dat Hare Majesteit dezen morgen naar Soestdijk zou vertrekken en dat de audiëntie tot later was uitgesteld. Afgesteld zou ik misschien moeten zeggen, want het is wel denkelijk, dat een tal van intriganten, die ik reeds tot vijanden heb gemaakt, die gelegenheid zullen gebruiken, om de nobele vrouw tegen mij in te nemen. _Soit_! tegen machinatiën van dien aard kan noch wil ik mij wapenen. Maar nu ik mij vandaag zoo geheel vrij wist, brandde ik van verlangen om Amsterdam te zien; de _stad_ bij uitnemendheid hier in Holland, en die ik eigenlijk niet ken dan van ééne doorreis, hoewel ik geboren Nederlander ben! Om aan die onkunde zoo spoedig doenlijk een eind te maken, haalde ik mijn vriend over om met den eersten trein derwaarts heen te trekken.
»Na onzen ochtend zoo goed besteed te hebben als mogelijk was voor lieden, die hier vreemd waren en wel eens wat _marches_ en _contremarches_ te doen hadden om te komen waar ze wezen wilden, na alvast eene voorloopige kennis gemaakt te hebben met de kunstschatten op het Trippenhuis, gingen wij ons in het hotel verfrisschen en kleeden. Wij hadden een bezoek af te leggen bij den Russischen consul, die toevallig op deze gracht woont. Mijn vriend nam zich voor nog even een kijkje te nemen van de beurs, waartoe ik weinig lust gevoelde; zoo dicht in de buurt kon ik de verzoeking niet weerstaan om uit te stappen en mijn vriend het rijtuig te laten, in de hoop dat zoo vroeg komen niet eene al te groote indiscretie zou worden geacht.
»Ziedaar eene volledige bekentenis;--heb ik mijne absolutie?"
De vraag werd, als vanzelve spreekt, aan mevrouw Daubenheim gericht; maar de blik dwaalde af op Claudine, als om daarin haar gevoelen te lezen.
Mina voorkwam haar moeders antwoord, en eischte aandacht voor zich zelve door te zeggen:
»Maak er toch geene _excuses_ over, mijnheer! Oom Steinhausen zou erg knorren zoo hij vernam, dat er explicaties noodig waren geweest. Oom heeft niets liever dan dat de vreemdelingen, die aan hem geadresseerd zijn, zich hier thuis voelen en geheel op hun gemak zetten!"
»Nu, dat trof ik al heel goed, juffrouw Daubenheim! want onder al mijn zwerven is het mij tot eene gewoonte geworden, om iedere woning, waar ik gastvrij ontvangen word, voor dat oogenblik als mijn thuis te beschouwen, waar ik mij vrijelijk bewegen en het plaatsje innemen mag, dat mij het begeerlijkste schijnt," en tegelijk, in stede van den rijk gebeeldhouwden armstoel in te nemen, dien mevrouw Daubenheim hem aangewezen had en waartegen hij alleen was blijven leunen, somtijds in verstrooiing spelende met de kostbare franje van de leuning, schoot hij achter Mina om, die zich bij het kanapétafeltje had neergezet, en was in twee, drie snelle stappen bij de _causeuse_ aan het hoekje waar Claudine zat; hier bleef hij staan, kennelijk met het oogmerk om van tijd tot tijd een apartje met haar te hebben. Gelukkig voor hem dat hij er post had gevat, want de andere genoodigden kwamen nu opdagen.
Allen deftige Amsterdamsche heeren, plechtig gerokt, keurig gewitdast, niet altijd fijn gehandschoend; de vrouwen, zusters en dochters waren ditmaal thuis gelaten of wel had de keus van den gastheer zich bij deze gelegenheid juist bepaald bij weduwnaars en celibataires.
De kunstschilder Frits Millioen werd door mevrouw Daubenheim aan hen voorgesteld met een _air de triomphe_, waarvan sommigen niets begrepen zouden hebben zonder de bewijzen van distinctie in den vorm van lintjes in zijn knoopsgat, en dat schitterend diamanten kruis om zijn hals, dat een hoogen graad in eenige buitenlandsche ridderorde vertegenwoordigde. Anderen, en die later door mijnheer Steinhausen zelf aan den schilder werden aangewezen als leden van den kunstkrans, overlaadden hem met banale beleefdheids- en bijvalsbetuigingen, die door den schilder een weinig hoog en kort, hoewel met wellevendheid beantwoord werden, doch waaraan hij zich zoo spoedig mogelijk onttrok, om zijne eens gekozen stelling achter Claudine weer in te nemen, tot welke hij zoo vaak het woord richtte, als slechts eenigszins kon bestaan met de hoffelijkheid aan de dame des huizes verschuldigd. Claudine van hare zijde voelde zich geheel met hem op haar gemak. Hij had den toon en de manieren der hoog beschaafde kringen weten te vatten, zonder er zijne oorspronkelijkheid van zien en denkwijze bij te verliezen. Hij was vrij en gemeenzaam met haar zonder vrijpostigheid; de excentriciteit, de grilligheid en ruwheid, het _sans gêne_, waarin vroeger het _trop plein_ zijner jeugdige geestdrift zich uitstortte, was nu onder de bewerking van allerlei beschavende en beteugelende machten bedwongen en tot kalmte gebracht, zonder het reine enthousiasme van deze edele kunstenaarsnatuur uit te blusschen; zonder dat hij er opzet in legde, was er in zijne wijze van spreken en van handelen iets waaruit het merkbaar was, voor dezulken althans, die het orgaan bezitten om zulke opmerkingen te doen, dat hij het leven opvatte van de hoogere zijde en niet van de lagere, zooals de meeste menschen dat gewoon zijn, en Claudine had juist den zin om dit te onderkennen en te waardeeren.
Wij hebben door Mina Daubenheim vernomen, dat Ds. Roestink ook onder de genoodigden was. Hij bekleedde sinds eenige maanden het hoogleeraarsambt aan de Doorluchtige school te Amsterdam, en Claudine had hem reeds een paar malen ten huize van Steinhausen ontmoet. Hij had zijne belofte om vroeg te komen niet kunnen houden, maar ten laatste kwam hij toch opdagen. Dit weerzien bleek eene hoogst welkome verrassing voor den schilder, die hem terstond herkende, hoewel die jaren levens en vooral de strijd des levens, dien hij had moeten voeren in een tijdperk, waarin op kerkelijk gebied reeds menig voorpostengevecht had plaats gevonden, hem merkelijk verouderd hadden. Hij zelf scheen er op voorbereid wien hij aantreffen zou, maar hij bleek dies ondanks zoo verbaasd, zoo verbluft, toen mevrouw Daubenheim hem den schilder Frits Millioen voorstelde, dat er al de hoogachting en dankbaarheid, die deze voor hem koesterde, noodig was om zijn verrast terugtreden, en den strengen onderzoekenden blik, dien hij op hem wierp, door te staan, zonder zich gekrenkt te voelen en te toonen. Toch deed de waardige man kennelijk zijn best om zich over eenigen onaangenamen indruk heen te stellen, en hij sprak, terwijl hij hem met hartelijkheid de hand drukte:
»Welkom in 't vaderland, dat gij eere aandoet door uwe voortreffelijke kunstwerken. Ik zelf heb het natuurlijk maar van hooren zeggen, en moet op het woord van anderen afgaan. Maar mij dunkt gij draagt althans de uiterlijke bewijzen, dat men u in 't buitenland onderscheiden heeft."
»Wel zeker! die uiterlijke teekenen zijn mij geworden, maar ik behoef een man als professor Roestink niet te zeggen hoe weinig ze eigenlijk bewijzen. Gunstige omstandigheden doen hiertoe meer af dan ware verdiensten; er zijn waardige kunstenaars, die het levenslang zonder lintje moeten doen, en ze zijn er niet ongelukkiger om, maar ze zouden het recht hebben laag op mij neer te zien, zoo mijn werk bleek te getuigen tegen de onderscheiding, die mij te beurt viel. Ik hoop dat gij, mijn edele vriend! toch wel oog genoeg voor de kunst zult hebben om het hierin niet alleen op de verzekering van anderen te laten aankomen; gij zult daartoe wel in de gelegenheid zijn, want ik denk van mijn werk naar de Amsterdamsche tentoonstelling te zenden."
»Dat verheugt mij, en dan moet gij zelf mij maar eens leeren zien, want ik schaam mij niet in dezen mijne onkunde te belijden. Ik weet wel, ieder onzer die een weinig stylist is, matigt zich aan mooie phrases te maken over de kunst, alsof hij er verstand van had: maar ik houd niet van deze aanstelling, ook eene valschheid, zoo goed als alles wat onwaar en leugenachtig is."
»Gij hebt wel gelijk," hernam de schilder, even het hoofd buigende als werd hij door eene pijnlijke gedachte getroffen; daarop Roestink vast en vragend in de oogen ziende, sprak hij:
»En nu! wat zegt gij van den _nom de guerre_, dien ik gekozen heb?"
»Wel! mij dunkt gij hebt goed gedaan met uw bijnaam, die rots der ergernis, moediglijk te accepteeren. Dus hebt gij geen nood er u meer aan te stooten. En nu gij er zulke overwinningen onder behaald hebt, als de faam ons verkondigt, kan men zonder woordspeling zeggen, dat die een goeden klank heeft!"
»Dat meen ik ook, mijn waardige vriend! maar gij....gij herkent mij alzoo niet?" hervatte de schilder met zekeren weemoed, en zijn arm nemende, voerde hij hem ter zijde, dicht bij de ramen, opdat al het licht, dat door gordijnen en overgordijnen toegelaten wordt in een Amsterdamsch huis te schijnen, dat bovendien op eene met zware boomen bezette gracht staat, op zijn gelaat mocht vallen. »Ik voor mij zou u, die mijn edelmoedige beschermer hebt willen zijn, herkend hebben onder duizenden."
»Och! ik heb waarlijk zooveel niet voor u gedaan.... maar gij moet het mij niet kwalijk nemen, Frits! neen, _ik_ zou U _niet_ herkend hebben, als ik niet vooruit had geweten dat ik u zou ontmoeten. Gij zijt zeer, zeer veranderd, of wel uw ware voorkomen is aan mijn geheugen ontgaan, hetgeen waarlijk niet te verwonderen zou zijn bij zooveel jongelieden van nagenoeg gelijken leeftijd, waarmee ik sedert twintig jaren in aanraking ben geweest. Nu is de jonge, vroolijke wildzang tot een ernstig man gerijpt; is het wonder dat zijn blos verbleekte, dat zijne trekken eene gansch andere uitdrukking aannamen, dat de blonde krulkop, die mij nog het beste van u voorstaat, onder de zuiderzon verbruind is."
»Ja!" hernam Frits Millioen met een zucht, »ik zie het wel, de verandering is te groot dan dat ik het op die uiterlijke waarnemingen kan laten aankomen. Ik moet u op den weg helpen. Leeft er geene beeltenis meer in uw geheugen van het arme, onderdrukte kind, het slachtoffer van vrouw Snibs, dat gij hem één oogenblik met den mooien, slanken, blonden Frits Rosemeijer hebt kunnen verwarren!"
»Piet Snibs, gij! gij!" riep de waardige man, de handen vol verbazing omhoog heffende; »inderdaad die staat mij nog wel voor den geest, met dat ongewone voorhoofd, dat zoo veel vastheid en wilskracht aanduidde, met die sprekende oogen, wier uitdrukking nu vrijer maar zachter is geworden. Ja, ja! ik kan het nu gelooven, dat de man die voor mij staat eenmaal Piet Snibs is geweest; het mirakel waarop gij hebt gerekend is dus geschied?"
»Mij is geschied naar mijn geloof!" fluisterde Frits Millioen met eene zachte bewogene stem.
Roestink drukte hem de hand. »Ik versta u, en gij begrijpt hoe het mij verkwikt u dus te hooren spreken. Ik, die vreesde dat gij in den kamp met het onmogelijke waart ondergegaan; nooit meer van u hoorende en zelf voortdurend in een maalstroom van bezigheden rondgevoerd, onophoudelijk ingespannen door mijne studiën, of daaruit opgejaagd door de dagelijks afwisselende eischen en belangen van honderden, die aanspraak maakten op mijne zorgen, op mijne diensten, moest uw beeld wel op den achtergrond geraken in mijn geheugen; en toch geloof mij, de eigenaardigheden van uw persoon en karakter, van uwe geestdrift en oorspronkelijkheid staan mij nog altijd voor den geest, en dat is niet te verwonderen, want vóór noch na heb ik ooit weer een knaap ontmoet, die in dit alles de gelijke was van den belangwekkenden martelaar."
»Die heeft nu den zegepalm weggedragen," sprak de schilder glimlachend.
»Maar ik begrijp niet waarom hij die gebruikt om den schimpnaam van een mededinger te sieren. Zoo ik het verwijt verdien u niet herkend te hebben, zult gij mij toch toestemmen, dat gij door deze zonderlinge toeëigening van uwe zijde al het mogelijke gedaan hebt om tot zulk eene vergissing mede te werken, en ik vrees zeer dat uit dezen inval van u allerlei verwarringen en bezwaren zullen ontstaan. Gij moet waarlijk hier de lieden tot klaarheid brengen omtrent uwe identiteit. Ik verkeerde in de meening hier Frits Rosemeijer te zullen aantreffen, en de Steinhausens zien u daar zeker voor aan."
»Ik geef u mijn woord dat er op dit punt van hunne zijde geene dwaling kán bestaan. Wat die vreemde heeren betreft, het is mij de moeite niet waard hen op de hoogte te brengen; maar gij zult mij toestemmen, waardige vriend, dat de naam van vrouw Snibs, dien ik niet eens het recht heb te voeren, niet verdiende in eere te worden gebracht. Daarbij is het eene overeenkomst tusschen Frits Rosemeijer en mij, waarvan ik u later meer hoop te vertellen...." De schilder brak hier het gesprek af, dat niemand zich aanmatigde te storen, en dat ook niemand verwonderde, daar de aanwezigen er kennis van droegen, dat professor Roestink voorheen tot den aankomenden kunstenaar in betrekking had gestaan.
Roestink en Frits Millioen wendden zich weer om tot de aanwezigen, en op 't zelfde oogenblik trad de heer des huizes binnen.
Volgden wederzijdsche begroetingen en verwelkoming, meer of min ceremonieus, naar de meerdere of mindere gemeenzaamheid van de aanwezigen met hun gastheer. Zooals de schilder voorspeld had, scheen de heer Steinhausen zich volstrekt niet te vergissen in de persoonlijkheid van Frits Millioen, hetgeen ook niet te verwonderen was, daar hij met graaf Peterhoff van de beurs kwam, aan wien Frits zich haastte professor Roestink voor te stellen. Zooals de meeste zijner landgenooten van rang, die in den vreemde reizen, sprak de Russische Graaf vlug en élegant Fransch. De waardige hooggeleerde, die in zijn vacantietijd meer gestudeerd dan gereisd had, was minder gewoon met de levende vreemde talen dan met de doode; toch maakte hij geen bezwaar de eerste te spreken ten gelieve van een vreemdeling. Maar ze waren pas een weinig op gang, of de huisknecht, die nu eerst zijne statelijke livrei had aangetogen, kwam het belangrijk bericht brengen, dat de tafel gereed was.
Mevrouw Daubenheim zag wat verlegen rond, en scheen te aarzelen het sein te geven om deze oproeping te volgen. Zij wenkte even haar broeder ter zijde en vroeg: »Wij kunnen immers niet aan tafel gaan, gij wacht nog een gast, is het zoo niet?"
»Neen! die komt niet, althans vandaag niet eten," antwoordde Steinhausen verdrietelijk. »Ik heb hem even op de beurs gesproken, maar hij bedankte voor de uitnoodiging; met hoeveel aandrang, ik mag zeggen met hoeveel hartelijkheid ik er op stond dat hij komen zou, en hoewel ik hem meedeelde, dat graaf Peterhoff op zijne tegenwoordigheid gerekend had, om die zaak van de Russische leening te bespreken."
Dit laatste sprak de bankier luid en in 't Fransch, daar de graaf zich juist bij hen voegde, zeker met het oogmerk om de dame des huizes zijn arm te bieden.
»_Caprice de millionnaire_, daar is niets tegen te doen," hernam mevrouw Daubenheim, terwijl zij met gracie het grafelijk geleide aanvaardde en daarmee het sein gaf tot de _promenade_ naar de eetzaal.
De heer Steinhausen was reeds aan de afdalende zijde van de trap der jeugd en de zestig al eenige treden over; maar hij was toch nog een fiksche, ferme grijsaard, of eigenlijk geen grijsaard, want hij droeg een blond bruine naturel, hetgeen bij zijne frissche blozende gelaatskleur en zijn breed glad voorhoofd hem nog een schijn van jeugd gaf, dat door zijne corpulentie en het afzijn van eenige tanden krachtig weersproken werd. Overigens een gezicht, waarop de voldoening van een onwankelbaar crediet te lezen stond en schrandere lichtblauwe oogen, waarin nog rijkelijk levenslust flikkerde, en die tot zekere verwondering recht gaven, dat zulk een opgewekt joviaal man geene vrouw had genomen, om zich den levensweg te veraangenamen. Intusschen had hij in zijne kleeding nog die zekere manie, die een bejaard oud vrijer van een gehuwd man op leeftijd onderscheidt. Gewoonlijk droeg hij een fantasie rok van de modekleur met vergulde knoopen, en een lichte pantalon: hij had een afschuw van het plechtige zwart zijden vest, en droeg het zijne van gekleurd fluweel, of zooals nù, prachtig geborduurd en toch zoo ver open, dat zijn fijn linnengoed uitkwam en er gelegenheid bleef tot het plaatsen van twee of drie juweelen knoopjes; terwijl men hem ook niet zelden betrapte op een zwierigen das naar den laatsten smaak, en hij zich het genoegen niet scheen te willen ontzeggen een horlogeketting, zwaar genoeg om aan de begeerlijkheid van Voltaire te voldoen [2], op zijn vest te laten uitkomen. Ditmaal echter had hij zich onderworpen aan het dinerkostuum in volle strengheid, en er was niets dan zwart en wit bij hem waar te nemen; maar de witte das had geborduurde slippen en een diamanten speld blonk in vollen luister. Hij had het recht zijn knoopsgat te versieren met den Nederlandschen leeuw, dien hij nog onder Willem I veroverd had, en met twee of drie buitenlandsche orden, die hij bij deze gelegenheid in miniatuur formaat op zijne linkerborst tentoonstelde.
Deze opmerking had Claudine kunnen maken zoo goed als ieder ander, zoo zij hare aandacht op den heer Steinhausen gevestigd had, dan die was elders; zij sloeg Frits Millioen gade bij het levendige gesprek, dat deze had aangeknoopt met professor Roestink en een der leden van den kunstkrans en waarbij de bewegelijke trekken van den kunstenaar eene mimiek uitvoerden, die hij nog daarenboven met drukke gesten begeleidde, waaruit het haar duidelijk werd, dat hij over zijne kunst sprak en zonder verf of penseel een denkbeeld trachtte te geven van beelden of schilderwerk.
Dus beziggehouden, had zij niet op den gastheer gelet en toch tot hare uiterste bevreemding kwam deze nu naar haar toe om haar dezelfde eer te bewijzen, die de graaf zijner zuster aandeed. Hoe vaak zij ook reeds in dit huis als gast had aangezeten, zij had nog nooit de eer genoten door den heer des huizes aan tafel te worden geleid, en dat het juist ditmaal geschiedde, gaf haar een relief, dat zij niet had verlangd en dat haar eenigermate ontrustte.
Daar er geene andere dames waren, was het aan Frits Millioen geweest om Mina Daubenheim op te leiden, en het jonge meisje, fier op hare bevalligheid en hare aanspraak als nicht van den huize, wachtte niet anders dan dat de vermaarde schilder in dezen zijn plicht zou doen; maar deze bleek niet galant te zijn, want hij liep al pratende met professor Roestink voort, en Mina ondanks haar lief gezichtje en haar beelderig toilet, werd prijs gelaten aan een deftig lid van den kunstkrans, zeker ook lid van Doctrina, van Felix en van wat al niet meer.
Aan tafel werd de schilder echter van zijn vriend gescheiden, en Mina in haar recht gesteld, daar de gastheer hem verzocht de plaats naast zijne nicht in te nemen, terwijl hij zelf zich in 't midden der tafel zette, nadat hij Claudine aan zijne rechterzij had geplaatst. Naast haar stond een _couvert_, waarvan het kaartje op een wenk van den gastheer werd weggenomen, en daardoor kwam eene verschikking, waarbij zij het lid van den kunstkrans tot buurman kreeg, terwijl Frits ter slinker van Steinhausen gezeten, behalve de onverdiende gunst die hij genoot, Mina tot buurjuffer te hebben, ook nog de gelegenheid had van tijd tot tijd het woord tot Claudine te richten, hoewel hij nu de hoffelijkheid jegens zijne dame niet meer in 't oog loopend verzuimde. Mevrouw Daubenheim, aan de tegenovergestelde zijde gezeten, had, zooals vanzelve sprak, graaf Peterhoff aan de rechterhand, terwijl professor Roestink de slinker tendeelviel. De plaatsen tusschen onze hoofdpersonen in werden aangevuld door de overige heeren, waaronder er waren die zich ergerden, dat er ter wille van de vreemdelingen (zij obstineerden zich Frits Millioen voor een buitenlandsch kunstschilder te houden) zooveel Fransch, en uit beleefdheid tegenover professor Roestink, zoo weinig over zaken gesproken werd.
Ten overvloede was graaf Peterhoff niet expansief, en mijnheer Steinhausen zelf een weinig gedesappointeerd door het terugblijven van een gast, dat het verschikken van een _couvert_ en het wegnemen van een ledigen stoel noodzakelijk maakte, daar Mina schertsend aanmerkte, dat die haar den indruk gaf of de geest van Banquo zich daarop neer zou zetten.