Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 32

Chapter 323,953 wordsPublic domain

Nu kwam het er voor Claudine op aan om al den moed en de tegenwoordigheid, van geest te toonen, die zij zich zelve had voorgepreekt. Nu behoorde zij den vriend harer jeugd te ontvangen met de eenvoudige beleefdheid, die men iederen vreemde schuldig is, totdat hij bewezen zou hebben een ander onthaal te verlangen en waardig te zijn. Maar het gaat met zulke heldhaftige voornemens wel eens als met den overspannen moed, waarmee men onder hevige kiespijn den tandmeester tegengaat; als de man zelf zich vertoont, zinkt de courage beneden peil en zou men zijn heil zoeken in de vlucht, tenzij de wanhoop zelve ons aan zijne kunstbewerking overlevert.

Wij kunnen hetgeen in Claudine omging op dezen oogenblik met geen juister beeld uitdrukken.

Zij rees op met eene vaart als had ze nog door de deur willen ontglippen; daarop bracht zij onwillekeurig de hand aan haar hart, als om het kloppen daarvan te bedwingen, dat haar toch niet verraden zou; maar zij kon niet verhinderen dat eene doodelijke bleekheid haar gelaat overtoog bij het binnentreden van den schilder, en zij voelde zich zóó verplet, zóó machteloos, dat zij alleen vermocht met eene zwijgende hoofdbuiging te groeten, zonder den moed te hebben hem aan te zien of een woord ter verwelkoming te spreken.

Zij ontwaarde als door een nevel heen een heer, die voor haar stond te buigen, terwijl hij sprak:

»_Madame Steinhausen, si je ne me trompe pas? Madame! j' ai bien l' honneur_...."

Neen! dat was niet de stem van Frits, hoe vol en welluidend zij ook klonk! Neen! zelfs de vreemde taal, waarvan de schilder zich bediende, kon niet zoo groot verschil maken, dat zij de tonen dier stem niet herkende; het hart, het karakter, de geheele persoonlijkheid kon veranderd zijn in die lange jaren van scheiding, maar de stem! zou zelfs de stem van Frits haar vreemd zijn geworden?

Zij moest nu opzien, terwijl zij een ontkennend antwoord lispelde.

Een bleek, mager gelaat, dat geen enkelen trek van Frits weergaf, trof haar het eerst; groote sprekende oogen, vol licht en glans, zagen haar wat verwonderd aan, terwijl eene fijne glimlach om de lippen speelde.

Verrast en gerustgesteld, hoewel nog niet geheel van hare eerste verwarring bekomen, sloeg Claudine den persoon, die voor haar stond, meer opmerkzaam gade. Het gitzwart haar was kort afgesneden, bijna of hij zich een portret uit de 16de eeuw ter navolging had voorgesteld. Alle trekken drukten energie en wilskracht uit, en in spijt van zekeren melancholischen tint, die er over verspreid lag, was eene _pointe_ van humor en ironie daarop niet te miskennen. De kleeding bestond uit een elegante zwarten rok, waarop de linten van verschillende decoraties maar even zichtbaar waren; witte das, wit vest en glacé handschoenen, in één woord, het gewone kostuum voor een deftig diner in onberispelijke keurigheid. Overigens geenerlei opschik van doekspeld of hemdsknoopjes, alleen om den hals een groen moirée lint, waaraan een kruis hing van ongemeen groote diamanten, zeker eene ridderorde, die in geen anderen vorm mocht gedragen worden.

Terwijl Claudine deze opmerkingen maakte, bekwam zij geheel van hare ontroering, glimlachte bijkans over zich zelve, dat zij zich zoo ijdellijk had laten ontrusten, en toch, wondere strijdigheid van het menschelijk hart, ontwaarde zij zeker gevoel van teleurstelling, dat deze belangwekkende man, deze beroemde kunstenaar, niet _haar_ Frits was, en dat zij zooveel gemoedsbeweging had doorgestaan, om nu slechts met een vreemdeling samen te treffen, tot wien zij in geen de minste betrekking stond.

Na een wederzijdsch zwijgen, waarin hij op zijne beurt haar met meer opmerkzaamheid gadesloeg, hervatte hij, nu in 't Hollandsch hoewel met eenig vreemd accent:

»Dus, mevrouw Steinhausen niet! Excuseer de vergissing, ik kom hier voor 't eerst aan huis en ben geheel vreemd aan de familie."

»De heer Steinhausen is ongehuwd, mijnheer! Mevrouw de weduwe Daubenheim, zijne zuster, bestuurt zijne huishouding; sta mij toe haar te waarschuwen van uwe komst," sprak Claudine reeds opgestaan, om zich te verwijderen.

»Verschoon mij, dat sta ik _niet_ toe," hernam hij, haar met eerbiedige hoffelijkheid even bij de hand vattende en naar de _causeuse_ terugvoerende, »in een aanzienlijk Hollandsch huis eene dame te ontmoeten, die voor een onbekende weten wil dat zij hare moedertaal spreekt, is zulk eene merkwaardige zeldzaamheid, dat ik het als eene _bonne fortune_ beschouw, in dit _tête à tête_ den gelegenen tijd van de apparitie mijner gastvrouw af te wachten."

De vreemde sprak deze woorden niet losweg zooals men gewoonlijk een compliment in scherts daarheen werpt, maar integendeel met zekeren nadruk en ernst, hetgeen Claudine uitlokte om er op te antwoorden:

»Zoo dit bedoeld is als een compliment aan mij, moet ik u waarschuwen dat het zich richt aan zeer schrale verdienste; zekere distractie alleen was oorzaak, dat ik de onbeleefdheid beging een vreemdeling niet te antwoorden in dezelfde taal waarin hij mij toesprak."

»Nu dan zegen ik die distractie, want men moet zooals ik jarenlang in vreemde landen gezworven hebben, verlangend zijn om de oude bekende klanken der moedertaal weer op te vangen, en dan overal waarheen men zich wendt, niets dan Fransch hooren, om zich een denkbeeld te maken van het genoegen dat het mij gaf eindelijk eens iemand op Hollandsch te betrappen, al is het dan ook maar bij vergissing."

»Mijnheer schijnt van overdrijven te houden," merkte Claudine aan.

»Neen, voorwaar ik overdrijf niet; de hofkringen in den Haag laat ik daar, de Koning zelf is in den vreemde opgevoed, dat is zijne schuld niet; de Koningin kan het evenmin helpen dat zij eene Russische is, zij verstaat haar _métier de Reine_ heel goed en doet al haar best om de taal harer onderdanen althans te leeren spreken. In deze sferen kan het niet anders, Fransche lectuur, Fransche comedie, Fransche kerk, en de noodzakelijkheid om zich door alle gezamenlijke vreemdelingen, die af- en aankomen, te doen verstaan, heeft er natuurlijk een uniform-taal doen aannemen, zooals men een hofkostuum aannemen moet.... om de orde te bewaren. Het zijn ziekelijke verschijnsels, maar 't is nergens beter; dáár was ik op verdacht. Maar meer in de laagte had ik frischheid, had ik gezondheid, had ik natuur gewacht en--tot mijn spijt, tot mijne ergernis--heb ik altijd gestooten op jacht naar vreemde zeden, vreemde ondeugden, vreemde kunst en een onnatuurlijken tegenzin in alles wat een zuiver Hollandschen karaktertrek draagt; 't is of men zich schaamt Hollander te zijn en inderdaad als men deze waarnemingen doet moet men zeggen: ze hebben recht zich te schamen over zich zelven, foei! en ik die mijn land lief had gekregen toen ik er buiten was, ik walg er van."

»Mijnheer schijnt het in den Haag slecht getroffen te hebben," sprak Claudine met een fijn glimlachje. Zij had er zeker pleizier in de afwisselende uitdrukking op dat sprekend gelaat gade te slaan.

»Nogal!" riep hij knorrig, »tot de knechts in de logementen toe, geven u geen antwoord of voeren uwe orders slecht uit als men ze niet verkiest in 't Fransch te geven. In welk land ontmoet men zulke minachting van de eigen taal?"

»Gij predikt, zoo het mij voorkomt, niet door voorbeeld," sprak Claudine niet zonder eenige onrust, hoe de aanmerking zou worden opgevat.

»Ik! O, dat's heel wat anders. Ik ben sinds jaren aan mijn eigen land en taal ontwend; daarbij na de ervaringen die ik in den Haag gemaakt had, durfde ik mij niet meer bij eene fatsoenlijke vrouw aanmelden in de verachte landstaal.... ik vreesde gevaar te loopen aangezien te worden als iemand die bij voorbeeld zonder handschoenen binnenkwam."

»Men is hier in huis van beteren zin, geloof mij. Het is zoo, er wordt aan tafel Fransch gesproken ter wille van de vreemdelingen als die er zijn; overigens mevrouw Daubenheim, evenals haar broeder, Duitsche van afkomst, zou nog liever hare moedertaal spreken, dat is waar, maar in den regel is het Hollandsch hier gangbaar, en dat zult gij in Amsterdam overal vinden, mits gij het maar zelf aangeeft, want onze dames stellen natuurlijk eer in hare taalkennis en niet iedereen heeft distracties zooals ik daareven."

»Dat is bemoedigend. Ongetwijfeld is mejuffrouw--of moet ik mevrouw zeggen?--ook van de familie?"

»Verschoon mij, ik ben slechts eene genoodigde die toevallig wat te vroeg hier is."

»Ik verkeer in 't zelfde geval, ik vrees eene groote indiscretie begaan te hebben met zoo vroeg te komen, hoewel ik eerst de uitnoodiging niet eens gaafweg had aangenomen. Mag ik de vrijheid nemen den naam te vragen van mijne interessante lotgenoote?"

»Die naam zal u zeker _niet_ interesseeren?" hernam zij wat strak en koel, »ik ben Claudine Verburg uit E."

»Uit E.! _Me voilà en pays de connaissance vraiment!_ Verburg, Verburg! dat's een naam die mij _niet_ vreemd is, waaraan zich voor mij een gansche reeks van herinneringen vastschakelt, die al ver, zeer ver op den achtergrond waren geraakt, in mijn geheugen! 't Is minstens twintig jaren geleden dat ik eene jonge juffrouw Verburg gekend heb, een lief kind, dat wij gemeenzaam Dientje Verburg noemden, zoudt gij dezelfde zijn?"

»Dezelfde, mijnheer! maar ik begrijp niet...."

»Neen, waarlijk, gij kunt niet begrijpen wat er al niet voor mijne verbeelding oprijst met dien naam, die in de nauwste betrekking staat tot het incident waarbij zich de vocatie voor de kunst met onweerstandelijke macht aan mij openbaarde. Zij zal uw geheugen wel ontgaan zijn, juffrouw Dientje! verschoon mij, juffrouw Verburg! die verscheurde teekening van dominé Willems?"

»Zeker niet! die herinner ik mij maar al te goed," luidde het antwoord, terwijl een donkere blos voorhoofd en gelaat overtoog, »maar ik bid u, mijnheer! wil mij toch zeggen wie gij zijt...."

»Ik! wel ik meende dat de knecht mij had aangediend."

»Ja, maar dat was zeker eene vergissing. Hij meldde u aan als de kunstschilder Frits Millioen en het is toch onmogelijk dat gij recht hebt dien naam te voeren."

»Ik meen toch waarlijk alles gedaan te hebben wat daartoe noodig was," hernam hij met een glimlach; »ik teeken dus mijne schilderijen, ik ben er onder bekend in de verschillende landen waar ik mij ophield; hij staat op mijn pas, op mijne kaartjes, ik betaal mijne rekeningen onder geen anderen, dus.... mij dunkt...."

»Is dat dan uw familienaam?" vroeg Claudine stom van verbazing; zij wist niet wat zij er eigenlijk van denken moest.

"_Du tout, du tout._ Een familienaam, dat is juist iets waarop ik geen recht heb. Ik noem mij Frits Millioen, niet _par droit de naissance_ maar _par droit de conquête_, en 't is niet gemakkelijk behaald ook, dat verzeker ik u."

»Ik begrijp er niets meer van," sprak Claudine, met een gebaar van verdriet en moedeloosheid de hand naar het voorhoofd brengende, »gij kunt toch onmogelijk dezelfde zijn als de speelnoot mijner jeugd, wien men dezen bijnaam had gegeven."

»En die er altijd boos over werd, zoo vaak hij dien naam hoorde. Neen, waarlijk, juffrouw Verburg! die ben ik niet, en ik begrijp heel goed dat gij mij daarvoor geen oogenblik hebt kunnen houden. Mijn goede vriend Rosemeijer placht altijd _très beau garçon_ te zijn, en ik, _enfant de misère_, heb nooit eenige pretensie van dien aard kunnen voeden. Juffrouw Verburg zal zich zeker wel niet herinneren dat er in E. een arme drommel rondliep, die als Piet Snibs onder de lieden bekend was."

»Zeer zeker! dien beklagenswaardige herinner ik mij wel, maar toen Frits Rosemeijer te Amsterdam bij een schilder in de leer werd gedaan, vond men goed mij te Brussel school te leggen, en zoo heb ik van de catechisatie-kennissen verder nooit meer gehoord of gezien, maar het komt mij onmogelijk voor dat gij, mijnheer, één zoudt zijn met.... met...."

»Dat onmogelijke is toch de werkelijkheid, mejuffrouw! Al heeft het moeite gekost, Piet Snibs staat voor u, maar is opgegaan in Frits Millioen, die u ootmoediglijk smeekt hem niet meer anders te willen noemen of gedenken."

»En Frits, Frits Rosemeijer, wat is er van dezen geworden?"

»O, die zal nooit meer ergernis hebben over zijn bijnaam. Hij is alles wat hem in zijn vaderland tot leed en last was, gaan ontvluchten in Engeland."

»In Engeland? Dus zou hij nog in leven kunnen zijn?"

»Er is volstrekt geen reden om het tegendeel te gelooven; wel is waar, is het nu zoo wat twaalf jaar geleden sinds ik hem heb ontmoet, en in zulk een tijdsbestek kan er veel gebeuren, maar ik heb er wel moed op dat het hem daar goed zal gegaan zijn en dat hij op den besten weg was om fortuin te maken.... dan nu we op dat verledene terugkomen, valt mij iets in." Hij zag Dina opmerkzaam aan met zekeren droeven onderzoekenden blik. »Hij scheen bij onze laatste ontmoeting in de onderstelling te verkeeren dat juffrouw Verburg een huwelijk zou aangaan, zoo ik mij niet vergis met een Oost-Indisch heer!"

»Van dat huwelijk is niets gekomen," sprak zij ras en sterk kleurende.

»Jammer voor Frits dat hij dit niet heeft kunnen weten, het zou hem eene bittere teug minder zijn geweest in den lijdenskelk dien hij te drinken had bij het verlaten van zijn vaderland, en dan zou ik zeker vrij wat minder moeite hebben gehad om hem op te vroolijken."

Claudine antwoordde niet, zij bracht de hand voor de oogen en bleef in smartelijk nadenken verzonken.

Deze dag scheen bestemd om haar de meest verschillende aandoeningen te doen ondergaan.

Hij scheen het beleefd te achten haar niet in hare overpeinzingen te storen.

Hij wendde zich van haar af en bekeek de platen en schilderijen die het vertrek decoreerden. Op eens hoorde Claudine hem al lachende een uitroep doen,--mengeling van spot en ergernis.

»_Terre et Ciel!_ wat een _croûte_! Dat's nu toch de laagte waartoe de manier van die school heeft kunnen zinken.... En dat is van.... laat eens zien, F. R.! Ei! van hem, van dien toenmaals veelbelovende! Wat een geluk dat hij verder op dit punt niets gehouden heeft! Wat een geluk ook dat hij den moed niet gehad heeft zijn bijnaam te teekenen, dat zou er voor mij slecht uitzien."

Claudine had, haars ondanks, naar die exclamatie geluisterd. Die harde beoordeeling van de schilderij, die door den bankier Steinhausen eenmaal van Frits was gekocht, en die zij in het diepst van haar hart voor een meesterstuk hield, waarnaar zij nooit zonder zekere teedere vooringenomenheid opzag, trof haar onaangenaam. Zij voelde zich niet sterk genoeg om die verloren zaak, door Frits zelf opgegeven, voor hem te bepleiten tegenover een kunstenaar, die zeker wel recht had streng te zijn, maar zij kon zich toch niet van zekere kleine wraakoefening onthouden, en meende hem in zijne sterkte te schokken, mogelijk in zijn zwak te tasten, door te zeggen:

»Gij schijnt dus dien bijnaam van Frits te hebben overgenomen met doopnaam en al, dat gij er zooveel zorg voor draagt dien in eere te houden?"

»Juist geraden!" hernam hij glimlachend. »Ik heb opgeraapt wat hij liet liggen. Ik heb dien bijnaam gemijnd met zijne voorkennis, wel een weinigje tegen zijn wil, dat is waar, want hij verbeeldde zich dat het mij onder dien _nom de guerre_ niet goed zou kunnen gaan; hem was alles tegengeloopen, hield hij vol, omdat er als een vloek op hem lag met dien bijnaam. Ik.... ik val niet bijgeloovig, maar ik heb mij sterk gemaakt om dat schitterend pseudoniem, waarin hij niet dan eene bespotting zag van zijn ongeluk, met luister te voeren, moedig te aanvaarden en er mij zoo geheel in te personifieeren, dat de bezwering, om mij zoo eens uit te drukken, van hem moest weggenomen zijn en met hare baten en schaden op mijn hoofd zou overgaan; het was als een _dêfi_ dat ik heb aangenomen, en ik geloof met eenig recht te kunnen zeggen, dat ik in het vermetel bestaan ben geslaagd."

»De fortuin is met den stoute," merkte Claudine aan, die hare pogingen tot wraakoefening, zonder spijt, had zien mislukken zoo ras zij inzag, dat hier van geen verdringen of ter zijde stellen van haar Frits Rosemeijer kwestie was, en die met toenemende belangstelling luisterde naar den man, die zich zelf uit het niet tot zulk eene schitterende positie had opgewerkt.

»Daar valt ook niet altijd op te rekenen, ik heb menig brutalen klimmer zien tuimelen, die zich, met dat spreekwoord tot devies, begaf tot dingen die hem te hoog en te wonderlijk waren. Neen, de fortuin is _niet_ met den stoute, tenzij hij ook sterk en machtig is en weet vanwaar hij zijne kracht moet halen."

Claudine zag hem aan met een vragenden blik, dien hij beantwoordde door er bij te voegen:

»Ik bedoel dat men zijne kracht zoeken moet in de hulpe Gods, zonder welke niemand iets doen kan dat vrucht draagt, dat van licht en leven getuigt. De landman _ziet_ het iederen dag hoe die hulpe werkt, de kunstenaar weet het door het geloof alleen, maar dat is ruim zoo zeker als het zinnelijk aanschouwen. Hij die werkt en wroet als een mol in de aarde, in den blinde, zonder te weten vanwaar de kracht hem toekomt die van hem uitgaat, die van bezieling praat zonder dat hij weet waardoor hij bezield wordt, zal zich eenmaal mat en machteloos, arm en ledig vinden, zonder de bron te kennen waarin hij zich verfrisschen en verjeugdigen kan; dat is de realiteit van die zinrijke mythe: de hengstenbron."

Claudine luisterde met stijgende belangstelling, maar bleef hem aanzien met zwijgende instemming. Hij vergiste zich in dit zwijgen.

»Ik weet wel," hervatte hij met zekere bitterheid, terwijl hij zich van haar afwendde en tegen het snijwerk van een der hoog gerugde _fauteuils_ leunen ging, »dit is een ongepast salonpraatje en ik vrees wel dat ik u verveel en dat gij mij uitlacht. Het strijdt niet met den goeden toon alle mogelijke zaken en personen te hekelen en te belasteren, mits men het wat aardig weet te doen. Het is zelfs geoorloofd alle mogelijke zaken en personen te verheerlijken, in plaats van ze te laken; men is waarlijk vrij in alles, behalve dat ééne te doen waarvoor men eigenlijk geschapen is: God te verheerlijken, Hem alleen alle eere te geven en Hem te prijzen in Zijne werken, ook in het werk dat Hij ons te verrichten geeft, dat.... dat wordt uitzinnigheid geacht, dat is in volkomen disharmonie met hetgene men den conversatietoon noemt bij uitnemendheid, en ik heb vermoedelijk in uwe oogen daartegen grootelijks gezondigd; wil mij verschoonen, ik kan niet anders dan mij zelf zijn, de vijl der beschaving heeft wel zoo wat mijne scherpste kanten, mijne ruwste vormen gepolijst, maar ik heb mijn binnenste heiligdom tegen slijpen en vernissen weten te veiligen, en uit die diepte weerklinken soms tonen, in schreeuwend contrast met den wereldtoon. Hoe meer ik mij zelf gevoele en met fierheid inzie wat er van mij geworden is, zooveel te dieper voele ik _wie_ mij geleid heeft en gedragen en schraagt tot op dezen oogenblik, en luider trilt er dan een psalmtoon in mijn hart, die mij onwillekeurig van de lippen vloeit. Houd mij daarom niet voor een dweper of een huichelaar. Ik ben, Godlof! geen van beiden. Om te mijmeren en te dwepen is mijn kamp iederen dag opnieuw met het leven, met de werkelijkheid, onder iederen vorm, veel te zwaar, en wat de huichelarij betreft, ik heb daarvan door de indrukken mijner kindsheid zulk een onverwinlijken afschuw gekregen, dat ik daaruit de vrees der wereldlingen verklaren en verontschuldigen kan, die van deze dingen liever zwijgen, omdat zij er toch niet uit de volheid des harten van kunnen getuigen en de consciëntie hun zegt, dat alle halfheid hier leugen is. Huichelarij is, naar mijn gevoelen, de ergste soort van atheïsme, want het kàn niet zijn dat men in dien God gelooft, wiens naam men op de lippen neemt voor de menschen, terwijl men Hem bespot en verloochent in het harte. Ik ook zwijge meest over hetgeen mij het hoogst is, het diepste gaat, uit vrees van het aan profanatie prijs te geven of misverstaan te worden; maar juist bij het weerzien van u, van eene gestalte uit mijn droeve jeugd, leeft er zooveel en velerlei weer voor mij op dat het: »Heer! ik ben geringer dan alle Uwe weldadigheden," mij van de lippen moet, dat ik niet zwijgen kan van 't geen er in mijn hart omgaat, al zouden zulke uitingen u ook ongepast schijnen bij eene toevallige ontmoeting van, bij het eerste samenzijn met eene stadgenoote, wie het vermoedelijk onverschillig zal wezen, wat er van den voormaligen mede-leerling op de catechisatie geworden is. Wil mij vergeven zoo ik ergernis gaf, wil voor 't minst niet glimlachen over mijn ernst, al zoudt gij er niets van verstaan, want deze dingen gaan mij diep en ik kan niet dragen dat men er over spot."

»Ik verzeker u dat ik hier niets te vergeven vind, en ook niet zie hoe iemand met uwe wijze van denken en spreken zou kunnen spotten, zonder zich zelf te verlagen. Zoo ik zweeg was het niet uit gemis aan instemming, maar omdat ik naar u luisteren wilde; omdat het mij weldadig aandeed, door u te hooren uitspreken wat ik zelf zoo menigmaal gevoeld en gedacht heb, namelijk, dat het armelijke, het ledige in onze gezellige kringen juist daaruit ontstaat, dat men er het verhevene niet aan durft.... Mij als vrouw zou het niet passen den toon aan te geven en toch...."

Claudine zweeg plotseling; zij hoorde de _porte-brisée_ in de binnenzijde der _suite_ openschuiven. Mevrouw Daubenheim vertoonde zich in al de majesteit van haar _lilas_ moirée kleed met volants van zwarte kant, en van haar _berret de blonde_, die maar het pretekst was om een macht van kunstbloemen en strikken van gaaslint op één zelfde dameshoofd te kunnen samenvatten.

Mina volgde los en luchtig en zag met eene mengeling van nieuwsgierigheid en schalkheid beurtelings naar den vreemdeling en Claudine, terwijl de eerste met hare mama ceremonieuse begroetingen wisselde.

»Gij zult mij, hoop ik, niet van onwellevendheid beschuldigen, mijnheer!" sprak mevrouw Daubenheim, terwijl zij hare _robe_ in volle breedte op de _causeuse_ ontplooide, en Claudine, die opgestaan was, een wenk gaf om zich naast haar neer te zetten, »hoewel ik u eenige oogenblikken wachten liet, en.... intusschen door eene vriendin van den huize de _honneurs_ liet waarnemen.

»Die verdenking zou zeer malgracieus zijn van mijne zijde, en nog hoogst onbillijk daarenboven. Een gast, die zoo vroeg komt, nadat hij eerst half en half voor de uitnoodiging had bedankt, mag wel van geluk spreken zoo hij nog welwillend wordt opgenomen, en mij gewerd bovendien het voorrecht eener aller-aangenaamste verrassing."

»Zoo was het ook bedoeld," avoueerde de douairière met een welgevallig glimlachje, terwijl Mina naar Claudine toeging en haar onder een zacht handdrukje vroeg:

»Of zij zich nu nog beklaagde dat men haar zoo vroeg hierheen had getroond?"

»Het weerzien van een ouden kennis uit mijne kinderjaren heeft mij inderdaad veel pleizier gedaan," antwoordde Claudine gulweg, »en daar ik niets van zijn levensloop wist, kunt gij denken hoe het mij frappeerde in hem den man te zien, die zich zulk eene reputatie heeft verworven."

»_Freilich!_" hernam mevrouw Daubenheim, terwijl zij hare wijde kanten onder mouwen arrangeerde, »mijnheer is evenzeer geacht als bekend, en dat is niet te verwonderen; iemand, die zulk eene kolossale fortuin bezit en die er zulk een goed gebruik van maakt...."

Frits Millioen viel haar lachende in de rede.

»Verschoon mij, mevrouw! ik heb voorspoed gehad, dat is waar, en ik heb eenige vermaardheid verworven; het zou valsche zedigheid zijn dit te ontkennen; maar wat rijkdom aangaat.... het spijt mij u daarin te moeten tegenspreken, mijne schatten liggen meest in mijn naam en ik vrees dat men u dupe heeft gemaakt van een _jeu de mots_, dat juist niet van de geestigste is, of er heerscht misverstand.... Ik ben de kunstschilder Frits Millioen."

»Misverstand! _ohne Beispiel!_" riep mevrouw Daubenheim, zich in zekere verwarring ten halve oprichtende zonder er aan te denken dat zij de plooien van hare _robe_ geheel derangeerde, en Claudine aanziende. »_Excusez ma chère_, ik had niet kunnen vermoeden...."

»Ik begrijp heel goed hoe dit misverstand ontstaan is," hernam deze, sterk kleurende, »maar geloof me, mevrouw! het is veel beter zóó."