Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 31
En eene beslissing die ondanks alles wat zij zich voorhield, haar toch zoo smartelijk viel, dat de tranen, die zij tevergeefs trachtte te weerhouden, langs hare wangen gleden, terwijl zij deze berekening maakte. Ja! zij moest het erkennen, wat recht had zij nog op zijne vriendschap, op zijne belangstelling? Kon hij weten dat zij de vrijheid die haar terug was gegeven, niet had gebruikt dan om de eenzaamheid te kiezen boven een huwelijk zonder liefde? Kon zij wachten dat zijn hart haar gelijke trouw zou hebben gehouden, waar de uiterlijke band was verbroken? De gevierde kunstenaar, de bewonderde man, die Europa had doorreisd, aan de hoven der vorsten was ontvangen, in de paleizen der grooten thuis was, zou die geheugen hebben gehouden van eene teedere betrekking uit zijne jeugd; hij die zeker maar te kiezen had gehad uit de edelsten en schoonsten, zou hij onverschillig zijn gebleven voor zooveel verlokking, zou hij eenzaam zijn weg zijn gegaan, als zij? Neen! het was niet denkbaar, en toch, toch was het hard; want wie hij dan ook geworden mocht zijn, en hoe ook zijn glorie ten top ware gestegen, het was Frits, haar eigen Frits, die haar eens zoo lief had gehad en dien zij eens tot zich had opgeheven, toen hij de mindere scheen en schroomvallig van verre was blijven staan. Kwamen zulke berekeningen te pas tusschen hen? En toch, toch moest Frits voor haar verloren zijn. Het kon niet anders. Een gloed steeg haar op het voorhoofd en zij vloog op uit den armstoel en liep met snelle schreden het vertrek op en neer, als om hare aandoeningen door beweging tot bedaren te brengen. Zonderling! Zij had berust, zij had althans gemeend te berusten in de gedachte haar Frits verloren te hebben door den dood, al bleef zij diepen rouw over hem dragen in het hart; maar nu, daar hij leefde, daar hij weergekeerd was in den vollen triomf van zijn kunstenaarsroem, nu kon dat stille liefhebbende hart het verlies in dezen vorm niet meer dragen met dezelfde berusting, en was het haar of hij haar opnieuw ontnomen werd, en of de strijd haar nu zwaarder moest vallen dan voorheen. Iets als een pijnlijke oproerkreet doortrilde haar de ziel. Waarom moest haar, juist _haar_ deze bitterheid worden aangedaan? Waarom moest zij weten dat het geluk zoo nabij was, om toch onbereikbaar te blijven voor haar. Zij moest eenige oogenblikken aan hare tranen den vrijen loop laten en dat had lucht gegeven; na die uitbarsting van hartstochtelijk leedgevoel, herkreeg zij eenige kalmte en kon weer rustig nadenken.
Wat had haar dan toch getroffen, dat zij niet reeds had ondergaan? Had zij overwonnen om nu nog te treuren als eene ontroostbare? Was aardsch geluk dan het hoogste waarnaar zij streefde? Had zij nog niet afgedaan met de zelfzucht en het kleingeestige bedenken van het eigen ik? Was haar arm hart, dat zij reeds zoo sterk had gewaand, dan nog zoo zwak? Hoe, in plaats van eene reine, edele vreugde te smaken, omdat de stralenkrans van den roem het hoofd van den geliefde omgaf, treurde zij als eene beroofde, omdat die niet op haar hoofd zou afschijnen? Had zij zoolang reeds het beste deel gekozen dat haar aan de voeten des Heilands had gevoerd en hunkerde zij nog naar het mindere, naar de liefde van een arm zwak menschenhart dat zich voor haar gesloten had? Dat was beschamend, dat was verootmoedigend, en die beschaming, die verootmoediging waren haar noodig, dat gevoelde zij. Zij wist nu »hoe klein zij was van kracht," als zij op zich zelve rekende en zij had zich toch zoo menigmaal »op hare sterkte boven anderen" te goed gedaan. Och! zich naar 't uiterlijke van de wereld te onderscheiden, door wat opschik minder en wat strenger vormen meer, dat was het zwaarste niet, dat lichtere had haar niet zooveel gekost; maar in vollen ernst innerlijk het hart los te maken, vrij te houden van datgene wat geen recht meer heeft te bestaan, dat was de groote eisch van christelijke levenswijsheid, en dit bleek zij zelfs nu nog niet te hebben geleerd. Zoolang haar hart aan den doode hing, wien zij gedenken kon in 't gebed, was er geene schuld in die trouw; maar nu het den levende gold, den levende, die zich van haar had afgekeerd, nu was dat zuchten over het schepsel niet zoo onschuldig, nu was er gevaar, een gevaar dat zij ontkomen wilde door zich te sterken in haar God.
Het was voorbij. Claudine geloofde eene volkomen zegepraal behaald te hebben op zich zelve. Getroost stelde zij zich nu tot het afdoen van allerlei kleine werkzaamheden, schijnbaar zoo onbeduidend, en die toch bij verzuim haren vader allerlei lasten en ontberingen zouden hebben opgelegd in haar afwezen.
Het leven bestaat uit _détails_ en wie er met geringachting op neerziet, wie ze verzuimt om alleen maar op het groote te zien en niet dan dat te willen grijpen, zal tot zijne schade ondervinden hoe de verachteloosde kleinigheden hinderend kunnen inwerken om de vlucht naar het hoogere te belemmeren.
Getrouw te zijn in het kleine is voor niemand te gering en Claudine kende en betrachtte in dezen haar plicht. Maar die werktuigelijke bezigheden mochten den loop harer gedachten veranderd hebben, zij verhinderden haar niet om zich toch weer in dien cirkel te laten rondvoeren, al keerde zij er langs anderen weg in. Zij was nu op alles bereid, zelfs daarop dat zij Frits zou kunnen ontmoeten.
Hem nu weerzien! zij kon het niet meer wenschen. Waartoe? Waartoe anders dan dat alle hare illusiën zouden wegvallen en de zijne niet minder. Frits Rosemeijer, die zich nu den vadernaam scheen te schamen, dien vermomde onder een pseudoniem dat van zijn ongebroken trots getuigde en waarmee hij zijne smalers nu tergend tegentrad; die Frits, die met vorsten en grooten omging als zijns gelijken, zou zeker in toon en manieren, in denk- en leefwijze, in alles zoo geheel de tegenstelling zijn geworden van den eenvoudigen, fijnvoelenden jonkman dien zij had gekend, dat er geene overeenstemming tusschen hem en haar meer kon bestaan, al mocht hij een weerzien wenschen; en als hij Dina Verburg nog herdacht, zooals hij haar eenmaal had gekend in den bloei der jeugd, vroolijk, levendig, bevallig, en hare bevalligheid verhoogende door een uitgezocht toilet, hoe moest hij teleurgesteld neerzien op haar die zich willens had laten verouderen, die zoowel den lust als de vrijmoedigheid verloren had om de vrouwelijke behaagzucht voedsel te geven, ten deele uit gemoedsbezwaar, ten deele uit schuchtere vreeze dat zij zich door zulke mededinging verlagen en belachelijk maken zou. Neen, waarlijk! sprak zij in zich zelve, weemoedig glimlachend over dien wensch waarop zij zich betrapt had, weerzien zou ons niet meer vereenigen, maar het zekerste scheiden. Niet de dood scheidt, maar het leven als men elkander tegenvalt. Hij zou zeker nog wel jeugdig en schoon zijn van voorkomen als weleer. Hij was maar eenige jaren ouder dan zij, en een man van nog geen veertig was eigenlijk pas in de volle rijpheid des levens; daarbij het geluk verjeugdigt en de talentvolle kunstenaar, gevierd, bewonderd, in alle zijne wenschen voorkomen door alles wat hem omringde, zou zeker een sprekend bewijs leveren voor die waarheid. Zijn mannelijk gelaat zou schitteren van zelfvoldoening, en de blos eener edele fierheid zou het verhelderen en vervroolijken, dat kon niet anders. Eens, ja! had zij een visioen gehad van eene bleeke, vermagerde, diepgebogen gestalte die naar haar Frits geleek; maar dat was geene werkelijkheid geweest, niets dan het spooksel eener koortsachtige verbeelding; in de werkelijkheid zou Frits nu eene schitterende persoonlijkheid zijn, waarbij zij niet anders dan eene droevige figuur kon maken.
»O, Zeker! zij moest wenschen den geliefden nooit weer te zien, en ten minste als herinnering zijner jeugd nog voor hem in waarde te blijven.
Nu moest zij ook zorgen dat haar vader die courant niet in handen kreeg. Het artikel uit 's Gravenhage kon hem licht in 't oog vallen en dan zou hij zich maar ergeren en alle ergernis over haar uitstorten. De onderstelling dat Frits niet meer in leven was, had hem zekere rust gegeven, maar tegen den levenden Frits Millioen, weergekeerd als een beroemd kunstenaar, zonder tot hem weer te keeren als een berouwvol boeteling, zou hij niet weinige grieven hebben en hem eischen doen, die deze zeker niet gezind was te laten gelden; en toch, wie was eigenlijk de schuld dat alles zoo was geloopen.... Ondanks alle verschooning der kinderlijke liefde, waarmede Claudine haar vader en zijne handelingen gadesloeg, moest zij het zich zelve bekennen, hij.... hij alleen die geen geduld had geoefend met den jongeling in de zware worstelings-periode van het kunstenaarsleven, die hem verstiet uit huis en harte, juist op het tijdstip van zijn heetsten strijd en toen hij aan beide de grootste behoefte had. Deze wreedheid was immers reeds genoeg om hen voor altijd gescheiden te houden. En vader Verburg had geenszins recht te verwachten, dat de verstooten pleegzoon als een vriend te zijnen huize zou inkeeren nu de fortuin dezen zoo gunstig was geweest, en hij het heele land, heel Europa door, in de eerste kringen met open armen zou ontvangen worden!
Maar daar schoot haar iets te binnen, dat haar als lood op het hart viel: Mina had van een voornaam kunstenaar gesproken, die waarschijnlijk bij haar oom dineeren zou en die uit den Haag moest komen; zoo dàt nu eens Frits ware!
Wat zou zij doen! Nu terugblijven.... zij kon het niet zonder haar vader, hare vermoedens, hare overwegingen mee te deelen, en mogelijk had zij zich toch nog vergist, en als dat bleek, had zij den ouden man ijdellijk ontrust, en herinneringen opgewekt, die slechts pijn deden. Neen! zij zou gaan en de vuurproef doorstaan; zij zou wel kracht krijgen,--waarom haalde zij zich nu toch het ergste in 't hoofd, waarom moest die gast, die verwacht werd, nu juist Frits zijn? Mina had niet gezegd, dat hij een Hollander was, en de manier waarop zij van hem sprak, paste veeleer op een beroemd vreemdeling. Haar oom was gewoon buitenlanders van allen rang en stand aan zijn huis te ontvangen, die met aanbevelings- of credietbrieven tot hem kwamen; waarom zou er niet meer dan één schilder van naam te 's Hage kunnen zijn, en naar Amsterdam komen, waar in 't begin van September eene tentoonstelling van schilderijen zou gehouden worden? Neen, zij moest zich het ergste ook niet voorstellen en zich vooruit ontrusten over eene mogelijkheid, die, als zij zekerheid werd, eene groote mate van zelfbeheersching van haar vorderen zou.
In elk geval was het nu maar heel goed dat haar vader ditmaal niet mee zou gaan. Men kon niet weten.... de oude heer was heftig en lichtgeraakt geworden onder den rampspoed, en zoo haar vermoeden waarheid bleek, zou de bezorgdheid over zijne uitvallen tegen den voormaligen beschermeling, die nu van hem was vervreemd, haar onrustig en gejaagd maken, terwijl zij noodig had kalm te schijnen en sterk te zijn.
Zóó was zij in deze overpeinzingen verdiept,--terwijl hare hand werktuigelijk de lichte taak verrichtte om het wit van eieren tot sneeuwige schuim te kloppen,--dat zij de schel van den heer Verburg niet had gehoord en zijn zware voetstap op de trap haar het eerst waarschuwde van zijne nabijheid.
Schielijk moest de courant worden weggemoffeld, en--toen Verburg binnenkwam, bemerkte hij niets dan hare ijverige zorg voor zijn tweede ontbijt!
II.
Mina Daubenheim had het rijtuig toch gezonden, ondanks de afwijzing van Claudine, en zóó vroeg zelfs, dat deze, die er bezwaar in zag de beleefdheid af te wijzen en evenzeer schroomde die mooie ongeduldige paarden te laten wachten, zich maar haastig in hare mantille gewikkeld had, en de verdere zorg voor het diner van haar vader aan haar dienstmeisje had overgelaten, want de oude heer was definitief bij zijn voornemen gebleven om niet mee te gaan, en Claudine had, zooals wij weten, hare redenen om dat slechts flauwtjes en alleen voor de leus te bekampen.
Zoo vinden wij haar dan zitten op de _causeuse_ in de receptie-kamer van den aanzienlijken bankier Steinhausen naast Mina, die er in het aangekondigde rose-stofje allersnoeperigst uitzag; maar al is Claudine bij haar gewonen eenvoud van kleeding gebleven, niemand zou zeggen _qu'elle faisait tâche_ in dit prachtig gemeubeld vertrek. Het zwart _barège_, luchtig en toch stemmig, staat haar zeer goed, de kanten pelerine, die Mina zich de moeite heeft gegeven voor haar te bestellen, is werkelijk omgedaan, maar zij heeft de strikken en rozetten van hemelsblauw lint, die het coquette nufje er op had laten zetten, ter zijde gelegd, en eene broche met een fijne camée is haar eenig sieraad. Een _lilas_ krippen sjaaltje is losjes om den hals geslagen. Het fijne blonde haar, glanzig uit de natuur, is keurig netjes gescheiden en gevlochten, en heeft inderdaad geen kappershand noodig gehad om geheel in harmonie te zijn met haar voorkomen.
Door de dunne stof der wijde mouwen heen zag men de volle blanke armen, en de fijne witte glacé handschoenen beletten alleen dat men de zeldzaam fraaie handen bewonderen kon. Daarbij was er iets in hare houding, in hare manieren, in haar toon, in hare liefelijke stem vooral, dat haar terstond onderscheidde als de fijn beschaafde jonkvrouw, die hare vorming dankte aan iets anders dan aan kostschool of gouvernante, aan de hoogere school des lijdens en van _self-education_, zoodat zij inderdaad met het schraalste zijden japonnetje nog een goed figuur zou hebben gemaakt. En juist in haar afwijzen van allen opschik, in haar breken met alle pretensies, in haar vermijden van al wat naar aanstelling geleek, lag het geheim eener aantrekkelijkheid, waarvan zij zelve niet bewust was, en die maakte dat Mina gelijk had toen zij haar verzekerde, dat menig jong meisje haar benijdde, hoewel geen enkele zeker gezind was om door dezelfde middelen tot gelijke uitkomst te geraken.
Maar ditmaal toch lag er iets ongewoons in hare houding, iets gespannens, iets onrustigs, dat zij niet geheel verbloemen, niet volmaakt beheerschen kon; zij gaf er de schuld van aan Mina, die haar zoo vroeg had laten afhalen; zij had nog van allerlei voor haren vader te bezorgen gehad, en toen zij zich zou gaan kleeden stond het rijtuig al voor. Alles was dus in zekere gejaagdheid gegaan, en die haast was toch waarlijk niet noodig geweest; »het is nu pas half vier en daar zit ik al bij u, en uw oom komt niet voor half vijf van de beurs, het diner is dus...."
»Eerst te vijf ure, dat is waar, en de meeste gasten komen ook niet lang vooruit; maar professor Roestink zou toch vroeger komen, en.... om u de waarheid te zeggen, hadden wij bij het tweede déjeuner al een gast gewacht, die zeker graag een _tête a tête_ met u zou gehad hebben, eer gij te zamen aan tafel gingt."
»Hoe komt gij op dat idee, Mina! dat die vreemdeling zulk een verlangen zou hebben?" vroeg Claudine op een toon, dien zij trachtte natuurlijk en bedaard te doen zijn, maar waaruit innerlijke ontroering trilde. »Heeft die heer zich dan daarover uitgelaten tegen uw oom?"
»Dat weet _ik_ niet; ik ben niet in de geheimen, en daarom tracht ik er van te ontdekken wat ik kan; denkelijk zal het een oude bekende zijn, die u iets te zeggen heeft, of een nieuwe, die uwe kennis wil maken."
»Maar gij weet toch zijn naam?" sprak Claudine gespannen.
»Raad er zelve maar naar, ik kan u niets zeggen dan dat ik begrepen heb hoe oom iemand bij zich ten eten wacht, die veel belang in u stelt, en daarom meenden wij dat hij al heel vroeg hier zou zijn."
»Gij ziet dat men zich heeft vergist; maar om de waarheid te zeggen, ik vind het niet lief van u, dat gij mij niet eerder hebt gewaarschuwd; had ik zulk eene samenspanning tegen mij kunnen vermoeden...."
»Gij zoudt zeker voor de heele uitnoodiging bedankt hebben, _cela va sans dire_; daarom was mij het strengste stilzwijgen op dit punt aanbevolen.... Gij ziet dat ik mij goed gehouden heb, en ik geloof toch dat ik mij wel wat heb verpraat, want oom zei zoo: »Als juffrouw Verburg het wist, dan kwam ze mogelijk niet en de heele aardigheid van de verrassing was er af.""
»Er zijn verrassingen, die.... die.... zeer onaardig kunnen uitvallen voor de personen daarin betrokken," sprak Claudine met ernstig misnoegen.
»Ik ben een gansje, dat merk ik wel! Ik had ook maar niets moeten zeggen."
»Of alles, dan kon ik mij ten minste prepareeren."
»_Tout ou rien!_ Gij zijt exigeant, _ma chére_. Ik heb een _juste milieu_ gevonden, dat is tegenwoordig het modewoord en dat is genoeg voor u om u te prepareeren op.... ik.... weet zelve niet waarop; maar in uw geval zou ik mij voornemen eens recht coquet en malicieus te zijn, en dien vermetele zijne ostentatie betaald te zetten."
»Gij schertst, Mina! Kind, gij weet niet met welke diep verborgen smart gij speelt, welke wonde gij openrijt, die.... die.... reeds lang moest geheeld zijn, maar die nog pijn doet als ze onzacht wordt aangeraakt.... Ik vrees te raden wat gij bedoelt, en...."
»Neen, Claudine! heusch, zóó was het niet gemeend, zóó niet dat gij er leed van zoudt hebben, en er zoo strak en lijdend zoudt uitzien als nu op dit oogenblik; ik wilde integendeel u in eene opgewekte stemming brengen door u wat te plagen, maar ik zie wel dat gij gelijk hebt, dat ik nog een onnoozel kind ben, en van zulke zaken geen verstand heb. Kom, laat ons van iets anders spreken. Die groote vermaarde schilder, die zoo'n vreemden naam heeft, ik ben er nu achter gekomen, hij heet Frits Millioen, hoe vindt ge den naam, Dina? Dien krijgen we nu toch ook van middag! Oom heeft een briefje ontvangen van den Russischen Graaf, die met hem reist en ze komen samen vandaag in stad; niet te laat voor het diner zoo hij hoopt. Die schilder schijnt wat kort aangebonden en niet heel toeschietelijk te zijn voor vrienden en begunstigers. In 't _Journal de la Haye_ van vandaag staat nu weer een artikel over hem, dat blijkbaar _le revers de la medaille_ geeft en alles behalve vleiend is voor zijn karakter. Daar vindt men ook weer eene gansch andere lezing omtrent zijne lotgevallen; hij moet getrouwd of verloofd zijn met eene Russische Prinses, die duizende lijfeigenen heeft, en dat moet hem zoo trotsch en laatdunkend maken tegenover zijns gelijken, dat hij niet eens verschenen is op eene _soirée_, die ettelijke Haagsche artisten en kunstvrienden te zijner eere hebben gegeven, altijd volgens den berichtgever van het _Journal_...."
»Maar wat scheelt u, Claudine! Hoe wordt gij zoo bleek?" viel zij op eens zich zelve in de rede, nadat zij toevallig een blik op haar geworpen had. »Trekt gij u nu dat geval van dien schilder ook al aan?...."
»Ik.... ik begrijp er niets van," bracht Claudine langzaam en met moeite uit.
»Och! ik ook niet, het zijn misschien allemaal niets dan courantenpraatjes; de couranten en de almanakken brengen de leugens in de wereld, placht mijne _bonne_ te zeggen. Kom, laat ik je wat _eau de cologne_ geven, en als er iets is dat u hindert, geloof dan maar dat ik er het rechte niet van weet. Oom las van ochtend na het tweede dejeuner dat artikel aan mama voor, terwijl ik nog wat op de piano studeerde, ik hoorde maar zoo nu en dan een woord. Zie daar is het _Journal_, lees en overtuig u zelve," en terwijl zij haar het blad overreikte was zij opgestaan.
»Ik moet nu toch waarlijk eens zien waar mama blijft; ik hoor haar al voor de tweede maal schellen om de kamenier. Ik ga eens hooren wat er hapert. Zeker wil _ma chère mère_,--een mooie roman toch die Buren, niet waar!--extra toilet maken, omdat zij een Russischen Graaf aan tafel krijgt! Permitteer me!" en het schalke wicht trippelde weg zonder naar Claudine om te zien, die het nieuwsblad werktuigelijk had aangenomen, maar die niet zoo haast alleen was of zij wierp het met afschuw ter zijde, zooals men een walgelijk insect van zich afschudt. Zij was geheel onder den slag eener onuitsprekelijke verwarring van denkbeelden en gewaarwordingen. Slechts gaf het haar zekere verlichting dat Mina haar alleen en aan zich zelve overliet. Zij kon nu een oogenblik nadenken en de heftige gemoedsbeweging lucht geven en bekampen, zonder dat zij noodig had hare kwellingen voor eene andere te verbergen.
Frits getrouwd!
Maar hij had er immers alle recht toe; moest hij zich niet volkomen vrij achten? Waarom verwonderde het haar toch, zij had er immers op kunnen rekenen, zij _had_ hem immers al verloren gegeven, zelfs al ware hij geheel vrij gebleven. Waarom gaf haar dat nu iets als ergernis, als onuitsprekelijk leedgevoel, daar hetgeen waarop zij geloofde voorbereid te zijn, zekerheid was geworden! Zij had dat immers reeds met zich zelve uitgemaakt; _zij_ was voor Frits onmogelijk geworden, al had hij zelf geene hindernis gesteld tusschen hem en haar. En nu, getrouwd of verloofd haar te willen weerzien? Waartoe? Wat kon hij haar nu nog te zeggen, te verklaren hebben? Was het niet beter voor hem zelf, niet barmhartiger tegenover haar, zekere herinneringen _niet_ op te frisschen en aandoeningen te vermijden, die niet anders dan smartelijk en schokkend konden zijn. Waarom hadden hare vrienden, die toch iets van haar verleden wisten, de wreedheid gepleegd haar tot zulk een weerzien herwaarts te lokken onder zulke omstandigheden. Wellicht zonder dat hij zijn verlangen daartoe had te kennen gegeven, zooals nu bleek, daar hij niet gekomen was!
En indien toch de wensch haar weer te zien van hem ware uitgegaan, indien hij haar iets te zeggen, iets op te helderen had, dat vroeger niet kon worden uitgesproken, indien hij meende haar eene verklaring van zijne handelwijze schuldig te zijn, waarom het dan op zoo onhandige, zoo onkiesche wijze aangelegd? Had hij haar voor 't minst niet de beleefdheid kunnen bewijzen, om haar met een enkel woordje schrijvens zijn verlangen bekend te maken, haar weer te zien en het aan haar over te laten waar zij hem wilde ontvangen?
Maar nu, haar als in een valstrik te lokken, waaruit ze niet ontkomen kon, haar te overvallen, in verlegenheid te brengen, opdat het haar aan zelfbeheersching ontbreken zou wellicht, en hij al de smart der teleurstelling op hare trekken zou kunnen lezen. Had de voorspoed hem zóó bedorven, hadden die dagbladschrijvers gelijk in hunne schets van zijn karakter, dan was zulk eene intentie niet meer onmogelijk; maar neen, neen! dàt kon niet zijn, hoe kon zij zulke kwade gedachten voeden van hem, wiens teederheid voor haar zich altijd meer in terughouding dan in stoutmoedigheid had uitgedrukt.... Neen, zij mocht hem niet verdenken, niet beschuldigen vóór hij zelf getoond had wat hij geworden was. Zij was nu ten minste voorbereid. Zij wilde zich kloek houden, als zij hem weldra ten overstaan van al die anderen zou wederzien. Frits mocht haar dan verouderd vinden, zwak en onwaardig mocht hij haar niet zien, en het zou belachelijk, het zou schuldig zijn zoo zij hem eenige gevoeligheid toonde. De gemaal eener Russische Prinses! het was verbazend, het was ongeloofelijk bijna. Ja! zij wilde nu dat artikel lezen, om zich geheel in zijn toestand te kunnen verplaatsen, om recht kalm te kunnen zijn, want niets geeft meer rust dan de zekerheid eener voltooide scheiding. Moedig nam zij het _Journal de la Haye_ ter hand en begon te lezen: een kwaadaardig artikel geheel berekend om den mensch af te breken en verachtelijk te maken waar men den kunstenaar nog niet scheen te willen aanvallen; dit van Frits, van den man, die zoolang het voorwerp harer innigste vereering was geweest; de letters begonnen haar voor de oogen te dansen, het werd haar of er een nevel over het blad lag verspreid. Zij zij wierp het weg; zij wilde dit vergif niet inzuigen; daar hield een rijtuig voor de deur stil, er werd gescheld, Claudine luisterde gespannen, en eer zij tijd had zich te beraden of zij blijven zou dan wel vluchten, sloeg de huisknecht reeds de deur der receptiekamer wijd open en kondigde aan: »Mijnheer Frits Millioen!"