Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 30
»Hoeveel malen zal ik u gerust moeten stellen, vader! dat gij dáár nooit voor hebt te vreezen!" hernam Claudine, die al hare zelfbeheersching noodig had om zich niet gekrenkt te toonen, niet moedeloos te worden onder dat aandringen op een punt, waarmee hij in de gevoeligste snaren haars harten greep en op eene wonde tastte, die hij weten kon dat bij haar een pijnlijk litteeken had nagelaten. »_Eens_ heb ik mijn hart, _eens_ mijn woord gegeven en het is niet geweest _zonder_ uwe toestemming, daarbij is het voor mij gebleven en _zal_ het blijven; maar kwel mij dan ook niet door zulk wantrouwen, noch, vervolg mij met zulke verwijten als u somtijds ontvallen tegen de trouw, die gij weet dat ik houde aan eene verbintenis mijner jeugd. Nutteloos, onvruchtbaar noemt gij die getrouwheid; als de bezorgdheid van daareven u weer overvalt, zult gij ten minste weten waarvoor zij _u_ dient." Al sprekende had Claudine het hoofd van hem afgewend en naar de teekening toe, die boven de piano hing, alsof zij die tot getuige wilde nemen bij dat beroep op hare trouw. Hare oogen bleven droog, maar er trilde eene smartelijke aandoening in hare stem, die zij tevergeefs trachtte te verheelen.
»Nu Dina, nu mijn kind, ik geloof u, ik vertrouw u, wees er zeker van, vergeef het den ouden man, die reddeloos en radeloos zou wezen zonder u, dat hij zich soms zoo ijdelijk ontrust. Kom, laat ons vrede maken, en geef mij de hand ter verzoening, gij moet wat geduld met mij hebben."
»Ja, vader! van harte; gij weet immers dat ik _u_ mijn leven gewijd heb," en zij kuste hem op het voorhoofd, terwijl zij hem de hand reikte, die hij vast in de zijne hield. Nu eerst vond zij tranen. »Waarom u zelven en mij verdriet te doen!" sprak zij zacht.
»Kom, vergeet het nu. Zal ik tot boete naar Steinhausen meegaan?"
»Als gij geen lust hebt doe het dan liever niet."
»Maar.... dan kan ik ook niet uitgaan.... want als Steinhausen dat bij toeval hoorde, ik wou hem toch niet graag boos maken...."
»Ga gerust uit, ik zal wel een excuus voor u vinden, of gij moest verlangen dat ik nu ook thuis bleef."
»Neen, waarlijk niet, zóó was het niet gemeend; het geval is maar, dat ik zoo uit mijne gewoonten raak, als ik dáár dineeren moet; mijn middagslaapje, mijne pijp, mijn rustig thee-uurtje, alles schiet er bij in; maar gij, dat is wat anders, gij _moet_ gaan, of zij zouden het kwalijk nemen, en ik kan mij best met de diensten van Mietje behelpen voor een keer."
»Nu, dan zal ik zorgen, dat gij thuis een dinertje hebt naar uw smaak," sprak Claudine met eene poging tot opgeruimdheid, en den grijsaard haren arm biedende, die stram en onhandig geworden door zijn leeftijd en zijn _embonpoint_, zijn _chambercloak_ niet met een jas kon verwisselen, zonder door haar geholpen te worden.
Pas had de oude heer den rug gewend en was Claudine bezig het ontbijt weg te ruimen, toen haar dienstmeisje binnentrad, de krant op tafel wierp en tegelijk juffrouw Daubenheim aanmeldde.
»Hé, zoo vroeg!" sprak Claudine met zekere verwondering, die niet precies van aangename verrassing getuigde, terwijl zij voor de bezoekster, die intusschen reeds de trap was opgestegen, de deur opendeed.
»Wel wat heel vroeg, niet waar, lieve juffrouw Verburg?" sprak het jonge meisje, dat vlug en levendig naar binnen wipte. »Ik vrees wel dat ik u een weinigje overval; maar ik hoop dat gij uw gang zult gaan of ik er niet bij was; ik zal ondertusschen vertellen hoe het komt dat ik nu al hier ben. Bij ons is 't ontbijt altijd te negen ure afgeloopen; dan gaat oom naar zijn kantoor, mama trippelt zoo wat het huis rond en maakt afspraken met de huishoudster, en ik, sinds mijne gouvernante weg is, weet dan eigenlijk niet veel raad met mijn tijd tot aan het tweede déjeuner; daarom viel het mij in om eventjes bij u aan te loopen en te vragen of gij van middag toch vooral wat vroeg komen zult?"
»Ik zal zoo vroeg komen als ik kan, Mina! maar...."
»Wanneer wilt gij dan het rijtuig hebben?"
»Voor 't rijtuig dank ik je, Mina! Vader is vandaag wat.... onlustig en.... laat zich excuseeren, en _ik_ kan heel goed loopen."
»Maar, beste Claudine! als gij toch gekleed zijt voor het diner!"
»O, dat doet er niet toe, ik ben zóó niet gekleed of ik kan met de mantille om wel over straat gaan."
»Precies! En om dat te kunnen doen zult gij zeker weer een dood simpele japon aantrekken."
»Ik zal mij voegzaam kleeden, Mina! daar kunt ge gerust op zijn."
»Voegzaam! dat's een mooie belofte; maar dat helpt nog niet veel; voegzaam gekleed zijt ge nu ook, maar ik had zoo graag dat gij er nu eens wat elegant wildet uitzien; toe, zeg op, _chère_ Claudine, wat trekt gij aan?"
»Een zwart zijden japon, effen gros de Naples."
»Die met dat hooge lijf tot aan de keel toegehaakt, en daar dan zeker een keurig, maar stijf kanten kraagje bij om! Ik zie het nu al! Foei, schaam u, zoo'n uitmonstering; mama draagt nog lilas en is gedecolleteerd met eene pelerine van blonde; gij zult er heusch uitzien als hare kamenier, liefste."
»Uwe mama is...."
»Weduwe en.... veertig jaar!"
»Uwe mama.... dat is heel wat anders; zij leeft in een kring, waarin ik mij alleen bij uitzondering beweeg ten huize van uw oom."
»Waarin gij even goed thuis hoort als wij en zeker schitteren zoudt als gij slechts wildet."
»Gij meent mij door vleierij uit mijne sterkte te lokken, vleistertje!" sprak Claudine glimlachend, »maar dat zal u niet gelukken," eindigde zij met zekere vastheid.
»Wees ten minste niet zóó stijfhoofdig, dat gij u zóó toemoffelt in 't heetste van den zomer; hebt gij geen vroolijk neteldoekje, geen _barège_, iets dat er wat lief en luchtig uitziet?"
»Zwart _barège_...."
»Een lijf dat nog wat van dien mooien blanken hals zien laat?"
»Met eene pelerine van 't zelfde."
»Neen! dàt mag niet; het moet eene berthe van blonde zijn of een zwart kanten pelerine op 't uiterste."
»Lieve! aan dien opschik doe ik niet meer."
»Dezen keer mag dat zoo niet gaan; dezen keer _moet_ ge er aan doen.... Ik ga straks nog uit om commissies te doen, en dan zal ik wel zorgen, dat gij er tijdig eene hebt, een beetje gegarneerd met wat lichtblauw satijn, niet waar? Laat het gerust aan mij over."
»Geef u daarvoor geene moeite, Mina, heusch niet, want ik zal die toch niet aandoen; als ik niet komen mag zooals mij liefst is, moet ik mij excuseeren, dan blijf ik bij mijn vader."
»Foei! wat zijt gij van ochtend onhandelbaar."
»Ik mag vragen waarom gij mij van ochtend dan ook zoo kwelt?"
»Wel, dat zal ik u zeggen. Oom zelf heeft mij op het idee gebracht om je wat te gaan plagen en te zien of ik u althans voor vandaag niet wat van uwe gewone simpelheid kon afbrengen!"
»Mijnheer Steinhausen! Een bankier, die het altijd zóó druk met zijne zaken heeft, zou die zich met mijn toilet bemoeien? Dàt maakt gij mij niet wijs, Mina!"
»Het is toch de waarheid..."
»Dat uw oom er op letten zou wat ik aan heb? Mina, Mina! nu zijt gij al heel ondeugend, of ik begrijp uw oom niet."
»Het blijkt toch dat hij wél op u heeft gelet, en zelfs dat die uiterste eenvoud hem eenigszins hindert. Gisteren aan tafel kon ik duidelijk merken, dat hij het althans heden gaarne anders zou zien en er om zoo te spreken voor vreesde, dat gij eene al te modeste figuur zoudt maken."
»Maar ik zou toch wel willen weten wat dat eigenlijk mijnheer Steinhausen schelen kon? Of vreest hij misschien _que je ferai tâche_ tusschen al dat _lilas_ en _blonde_ in?"
»Gij! _faire tâche_ met uwe elegante figuur en gedistingueerden toon en manieren! Foei, Claudine! denk toch niet dat het zoo gemeend is.... maar ziet gij, oom zei gisteren zoo tegen mama: »de Verburgs hebben een goed inkomen, dat ik hun stipt en getrouw uitkeer, en zij leven of zij zich behelpen moeten, dat is verdrietig voor mij; Claudine, die een aardig sommetje aan haar toilet kan besteden, ziet er soms uit als eene gezelschapsjuffrouw, die slecht betaald wordt; dat geeft een verkeerden indruk. Zoudt gij, Mina, haar niet eens kunnen influisteren, dat zij ten minste voor het diner van morgen een weinigje meer werk maakt van hare kleeding!"
»Dat zijn ooms eigen woorden, gij moogt het gelooven of niet."
»Ik begrijp niet waarom uw oom er aan hecht," hernam Claudine strak.
»Ik heel goed. Wij krijgen dien vreemdeling, die..." Zij aarzelde, beet zich op de lippen en kleurde of zij zich had verpraat.
»Die?" vroeg Claudine gespannen. »Welke vreemdeling kan het zijn, die er belang in stelt hoe het _ons_ gaat."
»Ik geloof die heer uit Engeland, die agent van 't Huis Heerdt, daar oom correspondentie mee houdt."
»O, is het dàt," hernam Claudine gerustgesteld; »nu wordt mij alles duidelijk: in dezen zin kan ik het uw oom niet kwalijk nemen, dat hij mij niet graag eene al te povere figuur zag maken."
»En zoo krijg ik er mijne kanten pelerine door?"
»Och, kind! tot wat dwaasheid wilt gij mij brengen?"
»Als het dwaasheid is zich met smaak te kleeden, dan ben ik wel eene erge zottin, want ik trek rose _barège_ aan met eene berthe van blonde en eene beeldige _collier_ met _broche_ en oorknoppen, die oom mij op mijn achttienden verjaardag _cadeau_ heeft gemaakt."
»Ik spreek niet van een meisje van achttien jaar, zooals gij, ik zeg alleen dat niets zoo dwaas en belachelijk is, als eene oude vrijster, die nog met de jonge meisjes wil meedoen."
»Bah! een oude vrijster, gij! dat's nu weer zoo'n inval _à la_ Claudine, als gij er maar geen opzet in legt om u stijf en ouderwetsch voor te doen, dan zouden er nog genoeg jonge meisjes zijn, die u konden benijden; zulk mooi blond haar, wat doet gij er mee? 't Is een zonde alles maar weggemoffeld in een vlecht. O! als ik je maar eens kappen mocht, wat zoudt gij er lief en jeugdig uitzien."
»Dank je wel, dat zou maar aanstelling zijn, men moet niet willen schijnen wat men niet meer is."
»Maar zich opzettelijk oud en leelijk te willen maken is ook niet goed."
»Gij kunt gelijk hebben voor anderen, maar wat mij betreft, ik heb goede redenen om zoo te handelen als ik doe," hernam Claudine, onwillekeurig de oogen opheffende naar de teekening boven de piano.
»Ik heb geen recht uw vertrouwen te vragen van die redenen," sprak Mina met een pruilend gezichtje, »maar ik ben er vooruit zeker van, dat ze bij mij _niet_ geldig zouden zijn."
»Ik zal u later wel eens in de gelegenheid stellen er over te oordeelen, maar nù liever niet, want het zou mij juist niet in eene opgewekte stemming brengen voor het diner van _uw_ oom. »Verzoek de Booze Geesten niet," zegt Beets niet ten onrechte."
»Neen, waarlijk, dan moeten wij liever van wat anders praten, want het zal zoo'n prettig dinertje zijn, hoop ik, ook voor u; wij zitten in de groote zaal, die op de _serre_ uitkomt.... het prachtigste zilver, het mooiste porselein, het fijnste damast en kristal moet vandaag gebruikt worden; oom, die zich anders met niets bemoeit, heeft dat nu bepaald verlangd, opdat alles recht feestelijk zij."
»Och! is 't weer zoo'n groote partij, dat had ik nu waarlijk niet kunnen wachten na uw briefje van gisteren, dat het recht familiaar zou zijn; gij fopt mij toch wezenlijk altijd, Mina! nu eens vraagt gij mij om thee te komen drinken en een beetje te musiceeren, en dan vind ik een heelen kring van jongelieden in groot toilet, die met moeite naar de piano zijn te krijgen, naar degelijke muziek niet willen luisteren, een enkel air uit eene Fransche opera zingen en geen schik hebben voordat een van de heeren eene wals of eene polonaise speelt, zoodat uw theetje uitloopt op eene formeele danspartij."
»Maar is dansen dan kwaad?"
»Dat zal ik niet uitmaken; 't is bovenal de vraag _hoe_ men danst; maar zeker is het dat ik er niet meer bij pas en dat gij er mij op die wijze in laat loopen."
»Niet meer bij pas!... _voilà le grand mot lâché_, maar stel u gerust, ditmaal is er geene sprake van jongeheeren of dames, en het zal heusch een familiaar heerendiner zijn, waar mama als vrouw des huizes bij moet zijn, en gij de eenige genoodigde dame zijt, omdat.... omdat ik anders als meisje geheel alleen zou wezen. Er komen een paar Amsterdamsche heeren, oude kennissen van oom en van uw papa. Oom noemt het een onder-ons-je, behalve de vreemdelingen, die er gewacht worden en de een of andere kennis, die oom meebrengt van de beurs, zooals dat meer gebeurt. Verder is er nog gevraagd professor Roestink.... die zal je toch niet afschrikken, schoon hij weduwnaar is, niet waar?"
»Neen, maar...."
»Dus kunt gij zeker zijn dat er van geen dansen in komt, en het programma zal wel in uw smaak vallen. Theedrinken in de _serre_, vrije wandeling in den tuin, later wat muziek maken, zonder een enkelen galop; oom zal de portefeuilles met teekeningen voor den dag halen; oude en nieuwe kunst; hij is een echt liefhebber zooals gij weet, en wij zullen zoo wat kunstbeschouwingje houden _entre nous_.... dàt zal u toch wel niet te druk of te wereldsch zijn?"
»Neen, maar...."
»Daarom is het jammer dat de heer Verburg nu niet meekomt, want die houdt immers ook van kunst?"
»Ja! vroeger hield hij er van, dat is waar, maar.... daarin is hij zeer veranderd, en, er zijn zekere herinneringen, die hem gespaard moeten worden; daarom moet hij heden dan ook zijn zin maar doen en rustig thuis blijven."
»Nu, dat moet gij samen vinden, als gij maar niet vergeet dat er op _u_ gerekend wordt."
»En dat ik mijnheer Steinhausen geen ergernis moet geven door er al te povertjes uit te zien, niet waar?"
»Foei! laat hij toch niet merken, dat ik het u zoo ronduit gezegd heb, ik zou geen beste diplomaat zijn, dat zie ik nu."
»Toch wel! als de rechte weg het beste naar het doel leidt... Gij zult uw zin hebben; mijn zwarte _barège_ met satijnen strepen over een zijden rok ziet er heusch zoo elegant uit, dat ik voornemens was die niet meer te dragen; nu zal ik er uw feest mee fêteeren...."
»En de zwart kanten pelerine daarbij om, niet waar? _ce sera charmant!_" juichte nu Mina in de handen klappende.
»Plaagster!" sprak Claudine met een glimlach over die naïeve blijdschap bij zoo'n onbeduidenden triomf, »ik weet niet of ik er wel goed aan doe met toe te geven, maar.... ik weiger u zoo ongaarne."
»Dat maakt mij haast schroomvallig om u nog een verzoek te doen."
»Wat is er nu nog?" vroeg Claudine wel wat gespannen, want zij begon te vreezen dat men haar ook nog den kapper wilde opdringen.
»O, 't is eene kleinigheid voor u, en mij zoudt gij er zoo'n groot pleizier mee doen. Ik zou zoo graag van avond die nieuwe _quatre-mains_ eens met u willen spelen; maar om het er goed af te brengen zou ik die nu wel met u moeten repeteeren als gij er lust in hadt?"
Eigenlijk had Claudine er _geen_ lust in, en zij had nog allerlei kleinigheden te doen en te beschikken eer zij haar vader gerust en tevreden aan zich zelven kon overlaten; maar het was geen banaal compliment toen zij zeide, dat zij ongaarne iets weigerde en haar eigen gemak en genoegen meestal aan dat van anderen onderschikte. En dat wist het lieve tirannetje ook wel, dat zich een vriendschappelijk despotisme over haar aanmatigde, met geen ander recht dan dat Claudine haar door hare eigene goedheid een weinigje bedorven had.
Terwijl deze de piano opensloeg en Mina de bedoelde _quatre-mains_ door haar meegebracht op den muzieklessenaar neerlegde, sprak zij:
»Ziet gij, lieve Claudine, gij doet er oom ook een groot pleizier mee dat gij mij zoo voorthelpt. Ik geloof wel dat hij mij van avond op mijne wijze ook graag een goed figuur zag maken; want als er vreemdelingen komen is hij altijd een beetje grootsch op zijn nichtje, en er wordt van middag een aanzienlijk heer gewacht en een voornaam kunstenaar.... zeker is het nog niet, dat zij komen, maar ze zijn genoodigd en de artist moet een heel voorname zijn, zoo een die zich eene Europeesche reputatie heeft gemaakt."
»Een pianist! Liszt, misschien?"
»Wel neen! ik spelen ten aanhoore van zoo'n meester! Neen, 't is maar een schilder, en daarom reken ik er op dat hij geen al te strenge beoordeelaar zal zijn van mijn talent."
»Een schilder? Ik heb ergens gelezen, dat Gudin in den Haag wordt gewacht."
»Neen, 't is Gudin ook niet.... Ik geloof dat mama zelve den naam nog niet weet; wel moeten ze uit den Haag komen, dàt heb ik oom hooren zeggen, en daarom is het juist _niet_ zeker dat wij hem vandaag bij ons zien zullen, want hij schijnt het hof te frequenteeren, en zijn vriend wist niet recht of zij heden wel vrij zouden zijn.... Nu, _qui vivra verra_; laten wij maar zorgen goed met ons _quatre-mains_ voor den dag te komen!"
Het muziekstuk werd dus gerepeteerd met al de nauwkeurigheid die er noodig was om aan de eischen eener goede uitvoering te kunnen voldoen.
En daarna trippelde Mina Daubenheim weg, even vlug als zij gekomen was, zeer tevreden over zich zelve, met zeer lieve woordjes en handdrukjes van dankbaarheid aan Claudine voor hare hulpvaardigheid, en zonder eenige consciëntie van den overlast, dien zij deze had aangedaan, als de mug, die, haar instinct volgend, onvermoeid een half uur lang een gekweld menschenkind om de ooren gonst.
Toen zij vertrokken was wierp Claudine zich eenigszins mat en ontstemd in den armstoel haars vaders, met dat gevoel van weeheid, dat ons overvalt als men telkens wordt afgeleid van hetgeen men voornam te doen, om juist datgene te verrichten, wat anderen ons opleggen; een der grootste kwellingen en vermoeienissen des geestes en des lichaams beide; daarbij had het jonge meisje in den loop van dat onderhoud onwetend toespelingen gemaakt, opmerkingen uitgesproken, mededeelingen gedaan, die bij Claudine eene gedachtenreeks opwekten, waaraan zij niet zoo terstond ontkomen kon.
Eenige oogenblikken bleef zij zich daarin verdiepen, toegevende aan 't geen zij zelve ijdele overleggingen noemde, die slechts week maakten en niet verder brachten.
Ook hief zij zich weldra op, terwijl zij halfluid sprak: »Weg met die herinneringen, weg met dien terugblik op het onherroepelijk verleden," en als wilde zij zich nu met geweld daaruit losmaken, nam zij de courant op, die haar toevallig in het oog viel.
In de nieuwtjes van den dag wilde zij afleiding zoeken voor dat drama van het verledene dat op eens, zij wist zelve niet hoe, weer voor hare verbeelding verrees. De trouw-, geboorte-, en sterfberichten waren spoedig afgezien. De politiek van den dag--_de faits et gestes_ van Willem II of van zijne ministers, in een tijdperk waarin het _le Roi règne mais ne gouverne pas_ al meer en meer waarheid werd--interesseerden haar slechts matig; toch trok onder de _faits divers_ een artikel uit 's Gravenhage hare aandacht. Het was uit het _Journal de la Haye_ overgenomen en luidde als volgt:
»Onze vaderlandsche kunst gaat eene schoone toekomst tegemoet! De _gevierde_ Nederlandsche kunstschilder Frits Millioen, die zich in het buitenland reeds een beroemden naam heeft verworven, is uit den vreemde tot ons teruggekeerd. Zijn langdurig oponthoud in Italië, zijne strenge studiën te Rome naar de onsterfelijke meesterstukken der antieken, zijne reizen door midden-Europa, hebben hem gevormd tot een der voortreffelijkste kunstenaars van den nieuweren tijd; na een veeljarig verblijf in Rusland, na aan verschillende hoven van Europa het schitterendst onthaal te hebben gevonden, na de paleizen der vorsten en de kunstgalerijen in den vreemde met de onschatbare vruchten van zijn penseel te hebben verrijkt, keert hij tot ons terug in de volle rijpheid, in de volle kracht, in den vollen glans van zijn weergaloos talent! Men vermoedt dat zijn oponthoud in de residentie van eenigen duur zal zijn, daar hem door Zijne Majesteit onzen geëerbiedigden en kunstlievenden Koning belangrijke bestellingen zijn gedaan om de sieraden te zijn van de kunstgalerij in de nieuwe Gothische zaal, waar voorloopig een zijner jongste meesterstukken is tentoongesteld. De beroemde schilder wordt op zijne reis naar zijn vaderland vergezeld door een Russisch Edelman, Graaf Alexis Peterhoff, die door de banden der innigste vriendschap aan hem verbonden is, en hem, naar men zegt, tot zoon heeft aangenomen."
Zooals ieder begrijpen zal, had Claudine dit couranten-artikel, blijkbaar gesteld met het oogmerk om den kunstenaar in kwestie op een piedestal te zetten en bovenmatig te doen zwellen--zooals de geijkte term was--niet zoo kalm kunnen doorlezen als wij die er tegelijk eene oude kennis mee vernieuwen. Verrast, ontroerd, reeds bij het zien van den bijnaam, liet zij het nieuwsblad uit de hand vallen en moest van dien schrik eerst bekomen eer zij het weer opnemen kon. Toch dwong eene onweerstaanlijke belangstelling haar om er ten einde toe kennis van te nemen, ondanks allerlei wisselende, allerlei tegenstrijdige aandoeningen. Frits nog in leven! Hij, wien ze zoolang reeds als een doode had betreurd, Hij, terug in 't vaderland, wien zij onder de gevallenen op een Belgisch slagveld had gemeend te moeten mederekenen, wien de heldendood zelfs geen roem had aangebracht. Hij een beroemd kunstenaar geworden, toch--ondanks den kwaden dunk dien hij had van zich zelven--ondanks alle hindernissen, waarover hij eindelijk had gezegepraald en onder den gehaten bijnaam! Zoo had hij dan waarlijk gehouden wat hij zich zelven eens had voorgesteld, wat hij haar had beloofd: dien bijnaam tot zijn trofée te maken.
Zoo kwam hij dan nu terug in zijn land om de vruchten van zijne overwinning te smaken om die met haar te deelen, wellicht--zottin die ik ben--viel zij tegen hare eigene overpeinzingen uit. Hoe kon zoo vermetele gedachte in haar hoofd opkomen, dat hij aan zijne terugkomst zou verbinden, eene gedachte aan haar. Of zoo de herinneringen van zijne jeugd zich bij het betreden van den geboortegrond, zijns ondanks, aan hem opdrongen, zoo 't onmogelijk ware dat hij Holland weerzag zonder aan 't kleine stadje E., aan 't vriendenhuis der Verburgs, aan haar te herdenken die hij eens zijne kleine Dientje noemde, dan kon het toch nu niet meer anders zijn, dan met dien glimlach der ontnuchtering waarmee de man van ervaring naar de droomen der kindsheid, de illusiën der jongelingsjaren terugziet, nadat hij er verre, verre over heen gegroeid is. Wat had de vermaarde kunstschilder, die roem en fortuin genoeg bezat om zich stoutelijk Frits Millioen te noemen, nu meer te doen met het vergeten burgermeisje dat zij was. Eens, ja! hadden zij de handen ineengelegd met eene liefelijke belofte voor de toekomst, maar die hoop was verwoest, met dat verleden gebroken, alles was nu voor altijd afgedaan tusschen hem en haar, hij had het daarvoor moeten houden; zonder dat zou hij wel gehoor hebben gegeven aan haars vaders dringende bede tijdens haar ziekte. Neen! zijn terugkeer in 't vaderland was geen terugkeeren tot haar; ware dit, hij zou niet het eerst naar de residentie zijn getrokken om vorstengunst te winnen; hij zou haar in 't stadje E. hebben gezocht en daar vernomen hebben wat er geen geheim meer was, waar zij nu leefde en waar hij haar konde vinden!
Dat verblijf in den Haag had voor haar de beteekenis eener onherroepelijke beslissing.