Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 29

Chapter 293,910 wordsPublic domain

Wel was de heer Verburg niet zulk een hardvochtige zelfzoeker geworden, als wij daareven karakteriseerden, maar toch viel er een weinig, op sommige tijden zelfs veel bij hem waar te nemen van zekere wrevelige, misnoegde, zich in bitterheid jegens anderen uitende zielestemming, die er na mee verwant was; uit oorzaken, die licht te verklaren zijn en die ons veeleer nopen hem te beklagen dan te veroordeelen.

De werkzame koopman, die altijd geheel voor, geheel in zijne zaken had geleefd, die zich door eigen vlijt en volharding uit het niet had opgewerkt tot een der eerste en vermogendste handelaren van zijne geboortestad, had zich plotseling aan zijne drukke en inspannende bezigheden moeten onttrekken op een leeftijd, die hem nog niet tot de rust zou gedwongen hebben, om over te gaan in eene ledigheid, die hij niet wist aan te vullen. Hij had geen zin voor de hulpmiddelen, die zijne dochter hem daartoe aanwees. In het kleine stadje, waar zij hun verblijf hadden genomen omdat het zoo goedkoop was, hadden zij slechts één enkelen bekende, een voormaligen correspondent van Verburg, die er rentenierde, en hen derwaarts had gelokt door de verzekering, dat men er met een klein inkomen goed leven kon; een oud vrijer, een grof egoïst, die er geen enkelen vriend had, wiens droge ziel nooit door eenige hoogere gedachte werd verfrischt, wiens koud hart nooit voor iets anders had geklopt dan voor winstbejag; die alles zag uit het oogpunt der laagste aardsche berekeningen, en die in Verburg een partner voor jas- en dominospel hoopte te vinden; eene berekening, die juist was. De verveling, die Verburg al spoedig overmeesterde, dwong hem, er zich toe te leenen; deze behoefte om te zamen den tijd te dooden werd gewoonte, en deze gewoonte werd met den titel van vriendschap bestempeld; deze vriend Droogstoppel (wij kunnen hem geen juister naam geven) was de worm, die al wat er goeds en edels in 't gemoed van Verburg tieren kon, verbeet en bezoedelde.

Hij had niet gedacht hem zóó berooid te vinden als dat werkelijk bleek, bekende hij, op zekeren toon van deernis, waaronder minachting doorschemerde. Welk een onnoozele hals was zijn vroegere correspondent dan toch, dat hij zich zóó door zijne crediteuren had laten plunderen, en niet de behendigheid had gehad zich een fondsje te reserveeren, waaruit hij zich later in de ruste zou kunnen te goed doen. Ieder verstandig koopman handelde immers zoo bij een failliet en werd er geen dief om gescholden; het was dwaasheid, het was roekeloosheid, dat Verburg anders had gedaan, en toen deze hem gulhartig mededeelde tot welk offer zijne dochter hem bewogen had, kon hij zijne minachting voor zulk een zotten _coup_ niet verheelen.

Claudine was in zijne oogen eene verkwistster, die haar vader willekeurig in armoede had gestort door sentimentaliteit en overspannen gemoedelijkheid. En 't gelukte hem niet zelden den vader in zijne beschouwing te doen deelen. Men is lichter bekwaam tot het brengen van een groot offer op een oogenblik onder de bezieling eener verhevene geestdrift, dan tot het dragen van de tallooze kleine ontberingen, die er het gevolg van zijn.

De heer Verburg, die gemeend had alleen om den wille zijner dochter het verlies van zijn vermogen te zullen betreuren, bleek geen kracht tot zelfverloochening te hebben, waar het die dagelijksche kleine offers gold van zijne behoeften en gewoonten. En dan als die prikkelen der onvoldaanheid zich pijnlijk deden voelen, en hij zijn troost zocht bij Droogstoppel, bij den man, die rijk had weten te worden en te blijven, werd hij door dezen uitgelachen, aangehitst, beschuldigd over hetgeen deze zijne dwaasheid noemde, en hij zelf was dan zeer gereed met die beschuldiging in te stemmen, en vervuld met zekere heimelijke verbittering tegen zijne dochter, omdat zij het was die hem tot deze dwaasheid had gebracht.

Claudine, die wist waar zij moed en kracht en geduld had te halen voor dat zware leven van zelfverloochening in het kleine dat haar opgelegd was; Claudine, die in veel strijds, in veel gebeds, in veel lijdens ééne groote winst had gedaan in innerlijken vrede, door geen uiterlijke onrust meer te verstoren, trachtte hem dan door hare zachtmoedigheid en stilte onderwerping weer in betere stemming te brengen. En zoo deze aanvankelijk kalmte had gebracht, nam zij een ander meer tot de zinnen sprekend hulpmiddel te baat.

Zooals David met de harp den boozen geest in Saul bezwoer, zoo bekampte zij met hare piano, met hare liefelijke stem, de booze inblazingen van den Droogstoppel, de wrevelige klachten over gemis en berooving in het hart haars vaders; meestal gelukte het haar, maar slechts tijdelijk! In meer eigenlijken zin bestreed zij de zorgen en ontberingen, door haar muzikaal talent aan te wenden, om hunne inkomsten wat te verbeteren. Zij vond eenige leerlingen uit den gegoeden stand, en vriend Droogstoppel kon zijn slachtoffer niet meer kwellen door het sarrend beklag, dat hij zijn halve flesch missen moest en niet eens de contributie kon betalen voor eene buitensociëteit!

Voor zich zelve vond zij in het beoefenen der kunst eene verfrissching en al de veerkracht en zelfstandigheid die eene geregelde werkzaamheid aanbrengt. Niet vele jaren toch had dat leven van moeite en ontberingen behoeven te duren. Eene gunstige wending in hun lot, iets dat als eene teruggave dier fortuin kon beschouwd worden die zij zoo edelmoediglijk hadden opgeofferd, kwam hen uit hunne ballingschap herroepen, en voerde hen naar Amsterdam. De bankier Steinhausen, de eenige die kennis droeg van het oord waar zij schuilplaats hadden gezocht, omdat de kleine lijfrente van Claudine door zijn kantoor moest worden uitbetaald, berichtte den heer Verburg op zekeren dag dat het huis Heerdt en Co., na in Holland met een ontzaggelijk deficit gefailleerd te zijn, zich nu sinds eenigen tijd in Engeland uit dien val had opgericht, en dat de chef van dat nieuwe huis consciëncieus genoeg was om een zeker deel der bevoorrechte geïnteresseerden bij het vroeger bankroet, op loyale wijze schadeloos te stellen voor hunne geleden verliezen; dat de agent van die firma hem had belast met het overmaken dier restitutie aan gerechtigden, en dat de heer Verburg bijgevolg disponeeren kon over eene vrij aanzienlijke som, die hij aanbood op het voordeeligst voor hem uit te zetten. Tegelijk noodigde hij hem uit om zich te Amsterdam te komen vestigen, daar de communicatie met het stadje in den achterhoek even omslachtig als langwijlig was voor lieden die belangrijke geldelijke aangelegenheden hadden te regelen. Dit voorstel lachte Verburg aan, die haast had het tooneel zijner vernedering en ontberingen te verlaten, en Claudine verheugde zich in het vooruitzicht dat haar vader niet meer onder den invloed zou zijn van zijn demon in vriendengestalte, en zich naar eene plaats zou begeven waar hij meer hulpmiddelen zou vinden om de verveling te verdrijven; maar de plooi der gemelijkheid en der onvergenoegdheid had zich toch reeds gezet en was zelfs niet door verbeterde omstandigheden geheel uit te wisschen, en de lust om tijdverdrijf te zoeken door eenige werkzaamheid was geheel in hem verloren gegaan. Eene bijkans onverwinlijke gemakzucht had zich meester gemaakt van den vroeger zoo wakkeren en arbeidzamen man, en om de verstrooiingen en vermaken die eene groote stad aanbiedt, te kunnen genieten, om deel te nemen aan het gezellig verkeer in zekeren stand, behoort eenige mate van levenslust, van activiteit, die noch van zijn leeftijd was, noch bovenal van zijn karakter, zooals dat zich onder den tegenspoed had gewijzigd. Een weinig oppervlakkige lectuur--de krant--vooral de krant! die veeltijds tot morren en smalen aanleiding gaf, zijne wandeling waartoe Claudine hem dikwijls moest aanzetten, des avonds het dominospel op zijne sociëteit, het liefst van alles het gemak in zijn armstoel onder het genot van zijne pijp, en het uitkijken naar de voorbijgangers, ziedaar ook nù zijn leven van iederen dag, heel weinig geschikt, zooals men voelt, om hem verder en hooger te brengen; hij is dan ook naar 't zedelijke en verstandelijke wat verachterd en verstompt, en vult hetgeen hem zelf ontbreekt maar al te dikwijls aan door zijn misnoegen te toonen over anderen, hoewel hij nu meer stof had tot dankbaarheid en blijmoedigheid, dan tot ontevreden gemor.

Men begrijpt dat het onafgebroken samenzijn met haar vader in deze gemoedsstemming voor Claudine eene eenzaamheid daarstelde, die van hare zijde veel geestkracht, veel zelfverloochening en veel lijdzaamheid vordert, en bovenal den rijkdom der teederste kinderliefde noodig maakt om aan te vullen wat er nog altijd gemist wordt, schoon de stoffelijke welvaart is weergekeerd; maar gelukkig ontbreekt het haar niet aan dat alles, zij kent de bron waaruit men iederen dag versche krachten, nieuwen levensmoed schept, en zij heeft in zich zelve, wat ieders lotsbedeeling, hoe armelijk ook aan vreugde, helpt sieren en verrijken.

Ein erhabner Sinn, Legt das Grosze in das Leben, Und er sucht es nicht darin.

Den zin nu had zij, men heeft haar maar aan te zien om het te begrijpen, men hoort het uit den vollen, zuiveren toon waarmee zij het oude Duitsche kerklied aanheft:

»Wer nur den lieben Gott läszt sorgen!"

Geheel de uitdrukking eener ziel, die zich vertrouwend aan God heeft overgegeven, en in die overgave hare ruste vindt.

Doch reeds bij het eerste couplet heeft Verburg met zeker ongeduld zijn armstoel heen en weer geschoven, als om door die ongedurigheid zijne weinige instemming met de keuze van het lied te betuigen, bij den aanhef van het tweede valt hij in met gefronsd voorhoofd en luide, bijkans toornige stem:

»Och, schei toch uit, Dine! waarom kies je altijd zulke melancolieke liederen, ik word er zoo wee van!"

»Melancoliek, vader! hoe komt het in u op dat lied somber te vinden, mij stemt het altijd zoo recht vroolijk."

»Misschien wel omdat het u herinnert aan dien _recht vroolijken_ tijd toen gij pianolessen moest geven, opdat wij geen honger zouden lijden."

»Honger lijden! foei, vader! dat is nu ondankbaar, zelfs van onzen ergsten tijd kunnen wij met volle waarheid roemen: ons heeft niets ontbroken. En daarom hef ik ook nu zoo gaarne dat lied aan, dat het vaste, volle vertrouwen op God uitdrukt, en mij dunkt, zoo iemand, _wij_ hebben reden om er mee in te stemmen. Hoezeer hebben wij de hulpe Gods ondervonden, hoe onwedersprekelijk Zijne trouwe in de uitredding uit alle onze zorgen en bezwaren!"

»Als _gij_ er die in zien wilt, mij is het goed, maar om de waarheid te zeggen, toen het huis Heerdt & Co. na zijne wederoprichting in Engeland dat besluit nam ten gunste der vroeger verongelijkte crediteuren, sprak het vanzelf, dat ik, die er duizenden bij te kort kwam, er het mijne van kreeg."

»Ja, vader! als men in de voorvallen des levens, in de goede bewegingen des harten van menschen niet de machtige hand des Heeren wil zien die de harten leidt als waterbeken, dan... dan spreekt het vanzelf, dat men Hem daarvoor niet danken zal. Onmiddellijk van den Hemel komen de aardsche zegeningen niet neder, dus wie niet dieper _wil_ zien dan 't geen voor oogen ligt en wien de oppervlakkigste opvatting de liefste is, die brengt natuurlijk ook niets tot God terug en ziet in de grootste, in de meest ongewachte uitkomsten alleen maar de wegen waarlangs zij tot hem gebracht worden, niet den raad en wil van Hem die ze beschikte."

»Ik _zeg_ immers dat het mij wel is als gij er zoo over denken wilt!" viel nu Verburg in op luiden, wreveligen toon, en klopte met veel gedruisch zijne pijp uit, als om zijne ergernis op iets lucht te geven, »de uitkomst is toch voor ons dezelfde. Wij kunnen nu onbekrompen van onze renten leven. Wij kunnen wel niet meedoen met de Amsterdamsche kooplui en de rijke renteniers, maar toch, ik kan er van nemen wat ik wil, ik heb rust, ik heb geen zorgen, en gij, gij zoudt u weer elegant kunnen kleeden als voorheen, zoo gij niet vroom waart geworden!" riep hij eindelijk op spottenden, bijkans schimpenden toon, zoodat zij inviel met smeekende stem en vochtige oogen:

»Och, vader! ik bid u, laat mij zijn wie ik ben, als het mij gelukkig maakt en ik er u geen overlast mee doe."

»Als gij er mij geen overlast mee doet, daar zit het hem, maar dan moet je mij ook niet weer met sermoenen aankomen, en allerminst die akelige liederen voor mij opdreunen; gij behoeft ze nu toch niet meer in te studeeren, gij hebt ten minste met het vernederend lesgeven afgedaan."

»Ik heb er mij nooit door vernederd gevoeld, vader!" hernam Claudine opstaande en hare piano sluitende, »integendeel, het was mijne grootste voldoening, een talent, dat gij in mij hebt laten ontwikkelen, te kunnen aanwenden om uw lot te verlichten, om zekere kleine ontberingen te voorkomen, zekere stille wenschen te bevredigen; zoo had dat lesgeven wel degelijk zijne goede en aangename zijde, vooral voor mij; dit zult gij mij toch toestemmen, vadertje!" eindigde zij, dicht bij zijn armstoel genaderd en hem met hare zachte oogen vleiend aanziende als om den boozen geest in hem door haar blik te bezweren; maar die week niet zoo terstond als bij tooverslag.

»Ik zeg niet dat het onnoodig was, maar dat neemt niet weg dat het mij veel verdriet heeft gedaan, en allermeest omdat _gij_ het noodig hadt gemaakt, met dat dwaze doordrijven van je dat wij doodarm uit E. zouden wegtrekken."

»Toen wij dus wegtrokken, waart gij het op dit punt volkomen met mij eens."

»Ja, omdat gij mij met uw mooi praten begoocheld had, maar de ontnuchtering volgde ras toen ik de ellende overzag, waarin uwe dweepachtige sentimenten ons te zamen hadden gewikkeld."

Claudine haalde de schouders op met een droeven blik; zij wist bij ervaring dat er punten waren waarop hij geene tegenspraak meer kon dragen, en het was nuttelooze woordenstrijd over het verledene te twisten.

»Komaan, vadertje! alles is nu immers zoo goed weer terechtgekomen, gij moogt er nu niet meer over knorren, gij weet hoezeer gij mij daarmee bedroeft, en gij hebt uwe Claudine nog altijd wel een weinigje lief?"

»Dat weet gij wel, gij zijt altijd mijn bedorven kind gebleven, dat in alles haar zin heeft moeten hebben, al zou iedereen er onder lijden; maar gedane dingen hebben geen keer, ik wil al je dwaasheden trachten te vergeten tot de goede huwelijken toe die gij houdt aan...."

»Vader!" viel zij in, nu met zooveel ernst en waardigheid dat hij er met zekere drift bijvoegde:

»Ik zeg immers dat ik dat alles vergeten wil, maar dan moet gij mij ook niet met die treurliederen vervelen, die mij dat alles herinneren, zing wat vroolijke airs uit dezen tijd, zooals men ze van Mina Daubenheim en hare vriendinnetjes hoort."

»Gij weet wel dat ik dit gaarne voor u doe, maar ik begin zoo graag mijn dag, met hart en mond te verheffen tot God! en er zijn immers wel eens tijden, dat gij zelf daarmee van harte instemt."

»Ja dat is zoo, den eenen keer hindert het mij meer dan den andere, ditmaal deed uw gezang mij te midden van een goede luim aan den kwaden tijd denken, en het bracht mij uit mijn humeur."

»Kom, vadertje! kom, dan moest gij nu maar eens uw gewone ochtendwandeling gaan doen om weer in een goede luim te geraken. Intusschen zal ik hier het ontbijt wegruimen en gij zult een ommelet vinden bij uw twaalfuurtje."

»Dat's een goede inval, maar ongelukkig durf ik van ochtend mijne gewone wandeling niet doen; dat komt er bij om mij verdrietig te maken."

»Dat wil ik wel gelooven, beweging is u zoo noodig, maar waarom zoudt gij niet uitgaan?"

»Wel als ik nu uitga, dan dien ik van middag immers ook mee te gaan naar dat diner bij Steinhausen, en daar heb ik niets geen lust in."

»Dat kan ik mij wel begrijpen, gij weet hoe ik zelve over die partijen denk, maar wij kunnen toch moeielijk bedanken als wij daar gevraagd worden. De heer Steinhausen is altijd zoo gul en vriendelijk voor ons, wij zijn het zeker meest verplicht aan zijne werkzame belangstelling in ons lot dat wij hier nu zoo op ons gemak leven kunnen, dat ik voor mij hem niet graag zou willen teleurstellen als hij op ons rekent."

»Daar hebben wij het weer! Gij overdrijft nu dat gevoel van verplichting, zooals gij altijd alles overdrijft. Je helpt Mina voort op de piano of je nog lesgeefster waart. Gij stelt u altijd en in alles tot hun dienst of wij 't aan hen verschuldigd zijn dat wij nu goed leven kunnen. En wel beschouwd, heeft Steinhausen niets voor ons gedaan dan 't geen _zijne_ verplichting was, als onze bankier; toen die Engelsche agent van 't huis Heerdt & Co. naar ons informeerde, kon hij toch moeielijk zwijgen wat hij van ons wist en wat was natuurlijker dan dat hij daarop mijn gevolmachtigde werd om met den agent van de firma te onderhandelen."

»En heeft hij in die kwaliteit onze belangen dan niet trouw behartigd?"

»Dat stem ik toe, maar dat zou ieder ander zaakwaarnemer in zijne plaats ook gedaan hebben. Hij kan er immers zijne percenten voor rekenen, hoewel ik erkennen moet, dat hij matig is in die berekening. Wij hadden in afzettershanden kunnen vallen, dat is waar, en arm en verlaten als we daar ginds waren, had hij ons alles wijs kunnen maken wat hij wilde, zonder dat ik het kon nagaan."

»En is het dan ook niet waar, dat hij dit goede appartement voor ons heeft opgezocht, in orde laten brengen, meubelen, en geheel zoo laten inrichten dat wij er maar hadden in te trekken?"

»Dat zijn goede diensten geweest, ik geef het u toe, maar iedereen zou hetzelfde voor ons gedaan hebben, zoodra het bekend was dat wij er weer boven op waren."

»En dan die hartelijkheid waarmee hij ons altijd noodigt om zooveel wij verkiezen van zijne weelde en comfort mee te genieten? Stelt hij zijn rijtuig niet tot onze beschikking, zoo vaak wij het noodig hebben? Dat wij er bijkans nooit gebruik van maken, omdat gij u niet gaarne verplaatst en wij niet van uitgaan houden, is zijne schuld immers niet; maar hij meent ons eene beleefdheid te bewijzen met ons te noodigen en daarom kunnen wij niet altijd bedanken, vooral dàn niet als wij het eerst hebben aangenomen."

»'t Is maar te hopen dat al die hartelijkheid zoo onbaatzuchtig is, als u dat toeschijnt."

»Waarom zou dat anders zijn? Ik kan mij begrijpen dat gij tegen uitgaan opziet, vader! niet dat gij achterdocht vat, waar gansch geen oorzaak voor is."

»Mij, oude heer, kan men heel goed missen, dat voel ik wel en daarom durf ik ook gerust thuis blijven, maar u.... dat is wat anders, gij zijt hen noodig als er misschien thee of koffie moet geschonken worden, als eene dame mankeert voor den een of anderen heer, daar de jonge meisjes niet graag naast zitten, terwijl de weduwe Daubenheim als vrouw des huizes fungeert en zich naast de voornaamste gasten plaatst."

»Maar, lieve beste vader! wat zijn dat voor kleingeestige bedenkingen; als gij meent dat die mij zouden weerhouden te gaan, dan vergist gij u. Juist dat ik nuttig, juist dat ik hen van eenigen dienst kan zijn, maakt dat ik er met minder tegenzin heenga, dan zoo ik komen moest alleen voor mijn genoegen. Ik reken dat alles zoo niet uit; het is mij onverschillig waar ze mij plaatsen, er komen toch nooit dan deftige, fatsoenlijke heeren en daar ik met de zucht om te behagen heb afgedaan...."

»Is het daarom nog niet gezegd, dat gij zelve aan niemand meer bevallen zoudt, integendeel, en daarin steekt voor mij de scherpste angel; met al die voorkomenheden, ben ik bang dat Steinhausen een oogmerk heeft."

»En welk oogmerk zou dat dan moeten zijn?"

»Als mevrouw de weduwe Daubenheim eens tot een tweede huwelijk overgaat, en zij is er wel de vrouw voor, zit de oude vrijer in zijn groot huis met zijne omslachtige huishouding alleen. Wie weet of hij niet het oog op u gevestigd heeft, om die op te houden."

»Hij weet immers dat ik geene ondergeschikte betrekking behoef aan te nemen, zelfs niet al had ik het ongeluk u te verliezen."

»Gij verstaat mij niet goed. Ik bedoel dat hij uwe hand zou kunnen vragen, en gij.... gij zoudt ook wel eens mevrouw willen worden, gij zoudt toch ook wel eens van den ouden grommert van een vader ontslagen willen zijn."

»Vader!"

»Ik zou het u niet ten kwade kunnen duiden, en toch...."

»Het wordt hoog tijd dat gij eene fiksche wandeling gaat doen, vader! om u zulke ongerijmde invallen uit het hoofd te zetten," sprak Claudine hoofdschuddend en met droeven ernst. »Is dat tobben, is dat u zelven kwellen? en om niets. Vooreerst zal het den zestigjarigen Steinhausen wel niet in 't hoofd komen om nog te trouwen, ik heb nooit eenig kenteeken bij hem waargenomen van zulk een voornemen."

»Wie zoo'n plannetje heeft op zijn leeftijd, verkondigt het niet vooraf op de daken, maar verrast er de lieden mee, uit vrees dat hij er anders geen _bon_ op zou krijgen. Is zoo iets er eens door, dan wordt het misschien heel mooi en aardig gevonden, vooral door dezulken die er schitterende partijen en prettige avondjes van wachten."

Claudine haalde even de schouders op. »Al is het dan mogelijk dat zulk een goed beraden man als de heer Steinhausen nog tot zulk een stap zou kunnen komen, dan zie ik toch niet waarom zijne keuze juist op mij zou moeten vallen...."

»Ik wel! Gij zegt immers zelve, dat hij altijd zooveel attenties voor u heeft."

»Hij is hartelijk en voorkomend jegens ons beiden; tegen mij alleen is hij beleefd.... meer niet."

»Dat is de galanterie van een oud heer; hij kan toch kwalijk den saletjonker spelen.... maar aan degelijke bewijzen zijner.... vriendschap ontbreekt het toch wel niet; denk maar eens aan uw eersten verjaardag hier in Amsterdam, toen hij die prachtige schrijftafel voor u uit Engeland had laten komen."

»Dat is zes jaar geleden, vader!" hernam Claudine nadenkend, »en gij weet dat ik alleen aangenomen heb onder protest, dat zulk een cadeau zich nooit weer herhalen mocht; ik heb nooit kunnen begrijpen _hoe_ hij achter den datum is gekomen; Mina wist dien niet en gij zelf...."

»Gansje! De man die u jaarlijks de lijfrente uitkeert, kan immers heel goed jaar en dag van uwe geboorte weten."

»Kleine attenties van Mina uitgezonderd, die ik altijd reciproceer, is het immers daarbij gebleven?"

»Nu ja, daar _is_ het ook bij gebleven; maar indien gij dat cadeau anders ontvangen hadt...."

»Dan zou het zich vermoedelijk jaar op jaar herhaald hebben, dat geloof ik wel," hernam Claudine met een kalm glimlachje, »_als bewijs van hoogachting_, zooals de goede, vriendelijke man zelf de wijsheid heeft gehad het te kenschetsen; en hiermee, vader, moesten wij van dit onderwerp afstappen, al kunt gij in eene sombere bui uw ouden vriend verdenken van eene dwaasheid te willen begaan; zooveel vertrouwen hebt gij toch wel in mij, dat ik die niet zou helpen plegen."

»Waarheid is, dat gij er nogal den slag van hebt om het onweer af te leiden eer het treft. Als Steinhausen u op dit oogenblik zag, zou hij zeker geen moed hebben om u eene dwaasheid voor te stellen, maar, ziet gij, het zou zoo'n onberedeneerde stap niet zijn van uwe zijde, en ik zou u geen ongelijk kunnen geven, dat gij eens eindelijk voor u zelve gingt leven; maar toch Claudine, toch, deze of een ander, doe het nooit, nooit, zoolang _ik_ leef, ik bid er u om, wat zou er van mij, armen, ouden man, worden, als ik mijne Claudine moest missen." De zelfzuchtige grijsaard had tranen in de oogen over zijn eigen denkbeeldig ongeluk!