Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 28

Chapter 283,980 wordsPublic domain

»Maar ik moet tegenwerpen, dat gij toch Piet Snibs niet meer waart, althans niet dien ik gekend heb, je hadt toen zeker je naam ook al verfranscht?"

»Ja, dien had ik al zoo wat verhanseld, toen ik nog te Antwerpen op de academie ging."

»Te Antwerpen op de academie! Hoe zijt gij daar gekomen?" vroeg Frits; »gij begrijpt, ik weet niets van u dan het algemeene praatje, dat gij op een mooien dag weggeloopen waart en dat niemand wist waarheen."

»Dat was ook niet noodig; ik had langs omwegen mijn weg naar den Haag genomen, om mijnheer N., de kunstschilder, op te zoeken, die mij zijne hulp had toegezegd; maar hij kon mij niet in de residentie houden, omdat hij den schijn niet wilde hebben een minderjarige aan zijne moeder te ontvoeren; alleen gaf hij mij recommandaties voor den directeur van de Antwerpsche academie en andere invloedrijke personen aldaar, en ik moest zelf maar zien hoe er te komen, hij wilde er niet mee te doen hebben; dát was voor mij de zwarigheid niet en _toen_ ik er kwam, vond ik van alle kanten hulp en bijstand, daar had N. voor gezorgd. Te Antwerpen waren er meer die zich uit het niet moesten opworstelen zooals ik, en wij legden de handen ineen om elkaar _envers et contre tous_ te helpen en voor te staan en intusschen te wedijveren, wie er door zijne vlijt en zijn talent het eerst en best komen zou. Zij noemden mij altijd Pierrot en daar dit mij ergerde om de glossen die er telkens op vielen, maakte ik er Pierrotain van. Mijn werk echter wilde ik zóó niet teekenen, er was een ander merk dat het dragen moest; de consciëntie gaf mij dat in, het was als een zoenoffer aan haar, tegen wier wil ik was wàt ik was. _Et voilà!_ Meestal noemen de kameraden mij kortheidshalve Cham, maar het begint mij nu te vervelen; ik weet daarbij dat moeder nu vrede zou hebben met mijne handelwijs, wie weet of ik nog niet weer eens wat anders bedenk! En gij, Frits! laat me nu ook eens iets van uwe _faits et gestes_ hooren; hebt gij nogal altijd zooveel tegen dien schitterenden bijnaam of hebt je dien _bravement_ geaccepteerd en geïllustreerd, zooals ik het in uw geval zou gedaan hebben. Ik zou de lachers en smalers gedwongen hebben er zich blind op te staren, niet op de millioenen, dàt spreekt wel vanzelf; een schilder, al verdient hij nog zooveel, kan nooit millionair worden uit zeer verklaarbare oorzaken. Wij kunnen noch leven noch rekenen als _épiciers_; maar uw talent, je hebt toch talent, Frits! al verschillen wij in opvatting, wat hebt gij er mee gedaan? Kom, biecht eens op!"

»Ik heb niets te zeggen, Piet! niets, ik ben van de kunst af, ik.... ben mislukt," viel Frits uit, die onder de laatste woorden van Piet nu eens gloeiend rood, dan weer doodsbleek was geworden; die geaarzeld had tusschen toorn en smart, tusschen kwalijk nemen en rond voor de waarheid uitkomen, en die nu ten laatste aan de zucht om waar te zijn, en zich uit te storten geen weerstand kon bieden.

»Domkop, ellendeling, die ik ben!" riep Piet met tranen in de oogen, terwijl hij zich voor het hoofd sloeg; »ik had die snaar niet moeten aanroeren, ik had bescheidenlijk moeten wachten tot uw tijd van confidenties dáár was. Vergeef mij!" En hij bood hem de hand, die Frits nam en hartelijk drukte.

»Gij hebt geene schuld, gij zult alles, alles weten, maar later; toch is het goed dat gij _dit_ weet, het maakt onze verhouding meer helder."

»En nu weet ik wat te vermijden om u geen leed te doen?"

»O, neen, neen! alles is nu goed en op het beste voor mij uitgevallen; ik word industrieel, dat is _mijne_ vocatie, en ik ga naar Engeland met master Wilkinson."

»We gaan eerst naar Schotland, mooie natuur en mooie kunst zien," sprak deze opgeruimd; »en dan, wie weet wat er dan nog uit volgt."

Frits haalde met een droeven blik ongeloovig de schouders op.

»_Brisons là dessus!_" sprak Wilkinson, »en laat ons de toekomst niet vooruitloopen. Master Pierrotain! wij lieten u daar veel te lang aan tafel zitten, hoe liep het met uwe partij af?"

»Uitnemend!" hervatte Piet, die den wenk begreep, »de Prins had mij niet voor niet tot den _partner_ gemaakt van die dame, ze praatte graag en druk, zij had nog »lieve souvenirs" van Holland; haar echtgenoot had indertijd een hoogen rang bekleed aan het Hof van Koning Willem; zij regretteerde zeer de verschillen die er gerezen waren tusschen de Noordelijke en Zuidelijke staten; zij vreesde dat de afscheiding onherstelbare vijandschap zou zetten tusschen haar zelve en hare vrienden, hare relatiën die zij nog in Holland had; zij had er zelfs nog bezittingen al van overouden tijd, die hare tegenwoordigheid of die van haar broeder noodig zouden maken, maar hoewel zij voor zich onschuldig was aan de gebeurtenissen, zij wist _qu'elle serait mal vue à la Cour_, en ze moest er alles door zaakwaarnemers laten afdoen! Voor 't geval ik naar Holland weerkeerde, moest ik haar waarschuwen; zij zou dan de vrijheid nemen mij eenige commissies op te dragen, en zij wist zeker dat haar broeder, Monseigneur de M. mij zulke diensten volgaarne reciproceeren zou door recommandaties aan zekere personen van invloed, waarmede hij voortdurend in betrekking was gebleven." Het was aardig te hooren hoe vaardig Piet den toon der aanzienlijke babbelaarster imiteerde.

»Ik antwoordde dat ik tot mijn spijt de _bienveillance_ van Monseigneur de M. niet verdienen kon, daar ik in gelijke _position délicate_ was tegenover mijn vaderland, al was het uit verschillende oorzaak, dat ik niet naar Holland dacht weer te keeren, dat ik mij zelfs niet verder in België zou begeven dan 't kasteel van mijn gastheer en dat ik welhaast naar Parijs dacht te gaan."

»_Eh bien! ce sera pour une autre fois_," zei ze geresigneerd, en begon over Hollandsche kunst en kunstenaren, waarvan ik natuurlijk niets had gehoord of gezien; maar dat deed er niets toe, ik liet haar praten, wierp er van tijd tot tijd een woord tusschen dat haar moest voldoen en verder brengen, met dat gevolg, dat zij, toen wij van tafel gingen »geënchanteerd was van mijn gezelschap" en zich later, zooals de Prins mij ondeugend genoeg meedeelde, _toute émerveillée_ bekende over mijn _savoir vivre_, en mijne fijne manieren! _Terre et ciel_! mijn _savoir vivre_! Het bestond alleen hierin, dat ik mij zelf trachtte te zijn en volstrekt niet mijn best deed om de hunne na te volgen, dat mij toch slecht afgegaan zou zijn, en alleen stijf en onnatuurlijk zou gemaakt hebben. De Prins wist dat ik er zoo over dacht en amuseerde zich dus niet weinig met de _clairvoyance_ van zijne _illustre_ nicht, die toch eene beste vrouw was, zooals gij later hooren zult."

»Maar hoe ging het met je kostuum?" vroeg Frits, die werkelijk geheel van zijn eigen leed was afgeleid.

»O! opperbest, dàt was _en règle_. Ik _wist_ waar ik heen ging, toen ik Parijs verliet; de zwarte rok, die dwaasheid van de negentiende eeuw, waar de heeren elkaar zoo bitter mee plagen, was niet verplichtend, was nauwelijks geaccepteerd in een gezelschap, dat voor de jacht buiten was. Ter eere van de dames werden er 's middags elegante fracs aangedaan, en ik had er mij juist een laten maken eer ik Parijs verliet. In _lingerie_ was ik niet rijk, maar de vrouw van den rentmeester hielp dat zoo wat voor mij in orde houden, en op het punt van glacé handschoenen was ik uit mij zelven keurig. Aan het diner was ik dus onberispelijk; ik verschoonde mij van de jacht en wie mij over dag in mijn atelier bezocht, moest het met mijne blouse voor lief nemen, en daaraan haperde het dan ook niet! _La blouse est bien portée_, in onzen tijd, en wie er ook anders over dacht, zou het toch niet durven toonen!"

»Ja! die verwenschte blauwkielen, ik begrijp niet hoe gij het onder hen hebt kunnen uithouden," viel Frits uit.

»Mij dunkt, ik heb toch getracht u dat duidelijk te maken," hernam Piet glimlachend; »maar dat gij, Hollander in uw hart, u daaraan ergert, dàt begrijp ik heel best; ieder zingt het »_Amour sacré de la Patrie_" op zijne eigene wijze. Wat mij betreft ik ben cosmopoliet. Mijn vaderland is waar men de kunst liefheeft, den kunstenaar waardeert en gastvrij behandelt, en op dát punt heb ik alle reden om de liefste en dankbaarste herinneringen te houden van België en den Belgischen adel; ik zou snoode ondankbaarheid plegen met anders te spreken; want aan dat kringetje, aan dàt verblijf dank ik allerlei groote en kostbare voorrechten, dank ik allereerst dat de eene groote wensch mijner ziel zal vervuld worden, dat ik naar Rome ga, in een woord...."

»Gij gaat naar Rome!" riep Frits in verbazing.

»Ja! daar is gezorgd dat ik drie, vier jaar in Italië kan reizen, zonder dat ik van mijn werk behoef te leven; hoe vindt gij dat?"

»Miraculeus! Gij zijt een gelukskind, en dat alles zonder.... nevenbedoeling?"

»Och! weg met de nevenbedoeling, dat nog een leelijk woord is bovendien, om van den leelijken argwaan niet te spreken. De Prins d'A. is de man die voor mij deze zaak op het touw wist te zetten, en die mij juist in dien kring had voorgesteld om tot dat doel te geraken. Van de zijde der regeering was op dat oogenblik niets te wachten, noch te vragen voor mij. Maar door zijne vrienden voor mij te interesseeren, door zelf edelmoediglijk het voorbeeld te geven verkreeg hij wat hij wilde. Een van de aanwezige heeren ging op last van 't Voorloopig Bewind met eene geheime zending naar Parijs en daar ik er nog werk had af te maken, nam ik zijn voorstel aan om met hem mee te reizen; ik geloof dat hij den kunstenaar als een masker gebruikte om het doel van den diplomaat er onder te dekken; hoe dat zij, op verlangen van den Prins liet ik mijn Stefanus in zijne galerij achter; hij zelf kocht die niet, omdat hij beproeven wilde welke fortuin de schilderij zou maken op de eerste tentoonstelling de beste, die er in een der hoofdsteden zou gehouden worden. Dat kon nog wel lang duren, maar het was niets; in Parijs had ik _ressources_ om er te leven zooals ik _leven kàn_ als 't noodig is. In mijne afwezigheid waren de gemoederen mijner kameraden wat bekoeld; ze begrepen dat het ernst was met de Juli-regeering, ze schikten zich in de orde; ze waren misschien zelf vergeten wát ze gewild hadden en waren getroost weer aan 't werk getogen; niets verhinderde mij dus het mijne te hervatten. Ik had nog een portret in den steek gelaten van een majoor der nationale garde, die in uniform wilde poseeren, maar in die dagen van algemeene beroering was hij geen oogenblik zeker van zijn tijd; nu was het rustiger en ik volbracht die nobele taak tot zijne satisfactie, niet tot de mijne, want niets is minder schilderachtig dan een burgerman in een soldatenpak; maar _il faut passer par là_, ieder beroep heeft zijne misères, en al was er geen stof tot een kunstwerk, ik pleegde daarmee geene laagheid! En het was goed ook dat ik deze gelegenheid om geld te verdienen niet had versmaad; want er verliepen verscheiden maanden eer ik iets hoorde van den Prins en zijne vrienden. Eindelijk in 't begin van Maart kreeg ik een eigenhandigen brief van hem, waarin hij mij meedeelde, dat ik mijn tocht naar Italië kon beginnen zoo ras ik zelf wilde; dat Monseigneur de bisschop van L. mijne schilderij had gezien op de Gentsche expositie en deze koopen wilde, om er zekere Hollandsche dorpskerk mee te begiftigen, waarop hij eene innige geestelijke betrekking had. De Prins vond de bestemming wel niet schitterend, maar de som die er voor geboden was klonk zoo goed, dat hij het mij in overweging moest geven; zoo ik toestemde moest ik naar Brussel komen, waar de Prins nu zijn verblijf had en waar Monseigneur zelf zich dezer dagen ophield.

»Acht duizend _francs_ voor eene schilderij, die maar eene proefneming was in het genre; ik kòn niet weigeren, en ik vroeg mij zelven af of ik niet behoorde af te dingen; maar de Prins stelde mij gerust toen ik hem dat zeide. De Bisschop _moet_ zoo duur betalen, zeide hij, omdat hij u door het in dien Hollandschen achterhoek te steken berooft van alle eer en alle genot, die gij er verder van hadt kunnen smaken; dus ik liet het mij welgevallen, ditmaal bood de Prins zich niet als mijn gastheer aan. Hij had het zelf druk met de publieke zaken, waarin hij de hand had, en wilde mij mijne vrijheid laten, om kunstenaars en vrienden op te zoeken en met hen te verkeeren; maar hij noemde mij den dag en het uur waarop hij altijd voor mij te spreken zou zijn, en eindigde nog met een diner te geven voor mij en enkele kunstbroeders. Nu! in Brussel is men niet verlegen wáár in te trekken! Daarbij was mevrouw de Douairière de V. er woonachtig. Ik ging haar mijne opwachting maken, daar ik wist dat Monseigneur haar broeder er logeerde. Ik werd geïnviteerd om met hen te eten, _en petit comité_. Ik liet een zwarten rok maken, Frits! wees er gerust op, en bij die gelegenheid deden zij mij den voorslag om de schilderij zelf naar Holland te brengen. Het dorpje V. lag zóó dicht bij mijne geboortestad; het zou de goede gemeenteleden zooveel pleizier doen eens iemand te spreken, die hunnen voormaligen pastoor kende en die zijne groete overbracht.

»Ik behoefde nu immers geene tegenkanting meer te vreezen van de zijde mijner familie?--vroeg zij mij.

»In alle geval en op iedere wijze ben ik nu geëmancipeerd van het moederlijk gezag," was mijn antwoord; en ja, nu dit alles zóó samentrof, vond ik het denkbeeld aardig om op déze wijze in mijn vaderland weer te komen. Ik schreef naar E. om narichten omtrent mijne moeder. Ik kreeg antwoord van een vader, waar ik nooit van had gehoord! Moeder was hertrouwd en sinds overleden. Maar de brave stiefvader noodigde dringend tot mijne overkomst, _et me voilà_!

»Daar heb je nu het heele mysterie; zooals je klaar zien kunt, steekt er geen priesterlist noch Jezuïeten-intrige achter. De Prins vooreerst en om u gerust te stellen is Voltairiaan en wat mij betreft, het is mogelijk dat ik onder het majestueuse koepelgewelf van St. Pieter mij als door onweerstaanbare macht tot de Kerk voel getrokken; het _is_ mogelijk dat ik Rome verlaat als een gehoorzaam zoon van den Paus; maar als dát geschiedt, zal het zijn uit volle overtuiging, uit eene behoefte van overgave des harten, niet door aandrang van buiten, allerminst omdat men aan mijne kunstreize eene voorwaarde van dien aard verbonden heeft; liever dan mij die te laten opleggen en mijne zedelijke vrijheid gevangen te geven, zou ik de Eeuwige Stad nooit willen zien, of haar trachten te bereiken, zooals de vrome bedevaartgangers van den ouden tijd, voetje voor voetje met den knapzak op den rug. En nu, dunkt me, hebben wij al zóólang gezeten, master Wilkinson, dat het tijd wordt voor de wandeling, die gij ons beloofd hebt!"

»_Wij_ hebben gezeten, dat is waar," antwoordde Wilkinson lachende; »maar gij hebt gelijk, ons rijtuig komt te elf ure voor, master Rosemeijer is nog niet in de lucht geweest en wij moeten nog wat rondloopen in dat mooie bosch, zooals ik mij heb voorgesteld!"

Wij vergezellen hen niet op die wandeling, die ongetwijfeld tot aller voldoening werd volbracht; want toen zij terugkeerden liep Sir Reginald alleen vooruit met den vasten, stevigen stap, hem eigen, en zag van tijd tot tijd met een vergenoegd gelaat om naar de beide oude kameraden, die het wat langzamer opnamen en die arm in arm voortliepen onder een druk opgewekt discours, waarbij Frits zelf van tijd tot tijd in een gullen lach uitbarstte.

»Jammer dat die twee scheiden moeten," mompelde Sir Reginald halfluid. »Jammer dat Frits niet naar Rome wil, of dat ik _master_ Cham niet met ons mee naar Schotland kan krijgen."

Maar er was niets tegen te doen, scheiden moesten zij, na elkander eigenlijk voor het eerst gevonden te hebben.

Precies te elf ure kwam er door de zorg van Baptiste Meijer eene elegante barouchette voor, waarin Frits plaats nam naast zijn Engelschen vriend.

Monsieur Pierrotain-Cham liet hen heentrekken, na een hartelijk afscheid en wuifde hen toe met zijn hoed zoolang zijn oog ze kon zien.

DERDE STUK.

I.

Het wordt hoog tijd voor ons eens om te zien naar den heer Verburg en zijne dochter. Claudine vooral, de eenige dame, die in onze vertelling optreedt, had mogelijk meer aandacht verdiend dan wij haar tot dusver gegeven hebben. Maar dit ligt niet het meest aan ons. Nadat ze hun groot offer hadden gebracht aan hun eerlijken naam en hunne vrijheid, hebben vader en dochter zich zoo geheel aan de opmerkzaamheid van het publiek weten te onttrekken, dat men hen vergeten heeft, en wij volgen hen niet naar het kleine stadje in den achterhoek, waar zij de wijk hadden genomen, om het leven van zelfverloochening en ontberingen, dat zij te gemoet gingen, voor aller oog te verbergen.

Alsof het eene schande ware dùs arm te zijn!

Maar toch is er een natuurlijk schaamtegevoel, dat er ons tegen opzien doet juist dáár beklaagd te worden waar wij vroeger benijd werden.

En al namen zij met Christelijke onderwerping den lijdenskelk op, ze achtten het niet noodig er eigenwillig nog bitterder droppelen in te mengen. Wij eerbiedigen den sluier, waarmee zij dit tijdperk van hun leven omhuld hebben, tot zij zelven goedvinden dien op te lichten.

Meer dan twaalf jaren zijn er verloopen sinds Claudine hare geboorteplaats verliet, en nu vinden wij haar eindelijk weer te Amsterdam samen met haar vader en nog altijd als Claudine Verburg.

O! die voorspelling van Frits dat zij _niet_ jong zou trouwen, wat is zij een juiste blik in de toekomst gebleken. Zij is reeds in de dertig en nog niet tot een huwelijk gekomen. Waarheid is, dat haar profeet zijns ondanks zijne profetie heeft helpen waar maken! Wat deed zij zich ook aan een Frits Millioen te hechten met zulk eene onwankelbare trouw!

Haar vader heeft het haar wel eens verweten, nu eens met droef beklag, dan weer met verkropte bitterheid, als zij iedere gelegenheid afwees, die haar in deze trouw zou kunnen schokken, onder welke aantrekkelijke gestalte zich die ook voordeed. Want daar ginds in den vreemde had menig jonkman van edelen zin hare schoonheid bewonderd, hare verborgene deugden radend, over het gemis van een bruidsschat willen heenzien, zoo zij zelve niet bij 't eerste vermoeden van zulke gezindheid alle toenadering onbarmhartiglijk had afgesneden!

Nu gelooft zij voor goed afgedaan te hebben met zulke aanzoeken, die hare rust verstoren zonder haar besluit te schokken.

Zij heeft zich als gezet in het oud vrijsterschap en zij schijnt met rustige blijmoedigheid deze lotsbedeeling aanvaard te hebben.

Althans zoo haar voorkomen de uitdrukking is van 't geen in haar binnenste omgaat. Hare kalme houding, hare hoogst eenvoudige kleeding, zekere ernst en stemmigheid in geheel hare wijze van zijn, getuigt dat zij van alle pretensies op jeugd en schoonheid heeft afgezien, met alle verlokkingen van ijdelheid en wereldzin heeft gebroken. Toch schijnt het omringende aan te duiden, dat geen gebrek aan middelen haar meer tot ontberingen dwingt.

De heer Verburg bewoont nu met zijne dochter een ruim bovenhuis, eene eerste verdieping op een stillen, maar deftigen stand.

Meubelen, gordijnen, behangsel, alles ziet er degelijk en fatsoenlijk uit. Orde en smaak heerschen er als voormaals in het prachtige eigen huis te E.

Het is waar, de huiskamer is salon tegelijk, maar waartoe eene eetzaal als men geen menschen ziet?

Het vertrek is licht en luchtig, de piano van Claudine beslaat er eene eereplaats, zonder de canapé of de trumeau met het marmeren blad in den weg te staan. Boven de piano hangt de teekening, die Frits eens naar dominé Willems copiëerde, door den laatste aan Claudine gelegateerd!

De oude heer heeft wel een weinig geprotesteerd tegen deze tentoonstelling, want het eens geprezen kunststuk wekt nu uit allerlei oorzaak zijne ergernis; maar.... Claudine hechtte er aan, zij wilde leven met deze herinnering harer jeugd, en dit verklaart ons hare berusting in een isolement, dat in zekeren zin eigenwillig is. Want hoewel zij niet meer eene jeugdige schoonheid kan genoemd worden, hoewel zij zich zelve eenigszins voorbarig onder de rubriek der oude vrijsters heeft gerangschikt, bezit zij toch nog dat zekere schoon, dat niet afhankelijk is van eenige jaren levens meer of minder, maar wel van de stemming der ziel, die zich in de trekken afspiegelt; dat zekere wat een Duitsche dichter _Anmuth und Würde_ zou noemen, een schoon, dat zelfs nog met de grijsheid kan samengaan, dat niet verwelkelijk is, omdat het oorsprong neemt uit het eeuwige in ons, waaruit eenmaal de reinste, liefelijkste schoonheid in volle heerlijkheid zal opbloeien.

Maar onafhankelijk van dit onuitwischbare zieleschoon had onze jonkvrouw met haar lelieblank _teint_, haar fijn blosje en hare donkerblauwe oogen, die wel niet meer van dartele schalkheid schitteren, maar toch hun liefelijken glans behouden hebben, zich nog zeer goed met tal van mededingsters kunnen meten, als zij naar den palm der schoonheid had willen streven, in plaats van dien achteloos voorbij te gaan. Zij is meer gezet dan de twintigjarige convalecente, waarvan wij afscheid namen. Maar is de _fine taille_ verloren gegaan, hals en armen zijn meer gevuld en de sierlijk gevormde handen der vaardige pianiste hebben er niets bij verloren.

Het blonde haar is teruggekomen in vollen rijkdom, maar de luchtig krullende lokken spelen niet meer rondom hals en voorhoofd; glad gescheiden, zijn zij van achteren in één enkele zware vlecht vereenigd, die zonder eenig sieraad is vastgehecht. Zij heeft dit gemakkelijk kapsel eens voor altijd aangenomen, om voortaan niet meer met de variatiën der mode mede te variëeren.

Zij is nog in het eenvoudig paarsche ochtendjasje, want het is vroeg in den morgen, het ontbijt is afgeloopen en zij zit wat te fantaseeren voor hare piano.

De heer Verburg zit in een gemakkelijke voltaire zijne pijp te rooken voor een der opengeschoven ramen, waardoor de geur der resida en geraniums naar binnen kamt, die in het ijzeren bloemenrek staan te bloeien. Hij schijnt eene behagelijke afleiding te vinden in het gadeslaan der voorbijgangers, want het vertrek heeft uitzicht op het breede vroolijke plein.

Hem vooral is het aan te zien dat er twaalf jaren meer op zijne schouders drukken. Toen wij hem verlieten, was hij een man van leeftijd, zooals de geijkte term luidt; nu is hij een afgeleefd man in vollen zin des woords, zijn haar is zilverwit geworden, hij placht aanleg te hebben tot _embonpoint_ en die heeft zich sinds vrij sterk ontwikkeld; de ruime _chambercloak_ is hem werkelijk nog te eng. Ondanks die blijkbare welvarendheid, ziet hij er dof en lusteloos uit. De oogen staan flauw en mat, en zijn als weggezonken in het vleezige gelaat, dat eene uitdrukking heeft van hardheid en gemelijkheid, waarin men moeite zou hebben den gullen, vriendelijken man van voorheen te herkennen.

Toch schijnt alles aan te duiden, dat hij naar het stoffelijke geen oorzaak heeft tot klagen of morren. Hij geniet van den mooien, warmen Augustusdag; hij geniet van zijn Duitsche pijp, hij vermaakt zich met het kijken naar de voorbijgangers; mogelijk zelfs luistert hij naar het pianospel zijner dochter, die daaraan nu hare volle liefelijke stem paart.

Men zegt, gezette lieden zijn goêlijk en opgeruimd. Mijnentwege moge de regel doorgaan, mits men mij de exceptie gunne. Want er _zijn_ dikke grommerts, harde, lastige knorrepotten onder plompe gestalte. Egoïsten, ontzaggelijk fijnvoelend als hun eigen olifantshuid wordt aangeraakt en volkomen onaandoenlijk voor alles wanneer slechts hun eigen dierbare ik buiten 't spel blijft; niet dat wij het egoïsme voor eene kwaal houden, die wast met het vleesch; ware dàt, er zou met vasten veel te winnen en te overwinnen zijn. Zeker neen, het doorknaagt het dorste gebeente en vindt er zich evenzeer t'huis, de slak gelijk, die op vochten, drassigen grond welig voortkomt, maar zich niet minder krachtiglijk vastklemt aan de droogste plank.