Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 27

Chapter 274,063 wordsPublic domain

»Ah! zoo! dàt dispenseert u van de kerkplichten," zei Frits lachende.

»Zoo ik kerkplichten te vervullen had, geloof vrij, dat ik er mij door niets of niemand van zou laten dispenseeren," hernam Piet kalm, maar ernstig; »doch ik zie wel, kameraad! dat ik je tekst en uitleg geven moet van 't geen naar mijn gevoelen ieder de vrijheid heeft voor zich zelven te houden, tenzij hij zich opgewekt gevoelt er van te getuigen: mijne geloofsbegrippen...."

»Neen, waarlijk! zóó was het niet gemeend; denk je dat ik den inkwisiteur wil spelen? Alleen uit belangstelling in den ouden makker van de catechisatie...."

»Meen je een zeker recht te hebben om te vragen naar eene uiterlijke daad, die al of niet door mij zou zijn geschied. Welnu, stel je gerust, ik heb dien stap nog niet gedaan en zal er mogelijk nooit toe komen, hoewel ik u dat niet verzekeren wil, want mijne sympathieën zijn aan die zijde, dát ontken ik niet en mijne belangen evenzeer. Alleen heb ik mij aan niets of aan niemand verkocht, zooals gij mogelijk vreest, en ik u eenig recht gegeven heb te onderstellen. Toen ik er dominé Willems mee dreigde, had ik dat voornemen, maar het is er niet wel toe gekomen, en dat is heel gelukkig, want dan zou ik zeker den koop breken. Reeds het denkbeeld verplicht te zijn tot hetgeen alleen uit aandrang der consciëntie en behoefte des harten moet volgen, zou mij dús afkeerig maken, dat ik mij zelven niet zou kunnen leveren.... zoo ziet gij...."

»Zoo zie ik, dat gij een sublime zonderling zijt, wien ik in alle oprechtheid moed, kracht en geluk toewensch om bij zulk voornemen te kunnen blijven," zei Frits, hem de hand drukkende.

»Wel, jongen! als ik je zoo wat van mijn leven vertel, met verlof van master Wilkinson, zal je zien dat ik van dit alles nogal provisie heb opgedaan."

»Ik permitteer alles behalve dat gijlieden mij alleen laat zitten ontbijten," zei Wilkinson.

De jongelieden voldeden aan die oproeping, hoewel Piet betuigde dat hij na zijn overvloedig diner van den vorigen dag eigenlijk niets noodig had.

»Van dat diner gesproken, hoe is het met de verrassing afgeloopen?" vroeg Wilkinson.

»Wel, dat had erger kunnen zijn, ik vreesde om de waarheid te zeggen voor een zilveren tabaksdoos of iets dergelijks, dat zoo wat in den geest moest vallen van mijne boeren-kerkregenten zelven, maar het kwam geheel anders uit. Zij boden mij eene reisnécessaire aan, die even sierlijk als degelijk was, en die mij best te pas zal komen; later werd er nog een krans voor den dag gehaald van natuurlijke lauwerbladen, die ze mij op het hoofd wilden zetten, niet meer noch minder dan of ik Tasso geweest ware; maar dáár paste ik voor, zooals gij denken kunt; ik zette eenvoudig mijn hoed op en ze begrepen zelf wel, dat op zoo'n hoed geen lauwerkans voegt; ik heb beloofd hen later te waarschuwen als ik geloof er recht op te hebben. Daarmee was die klucht uit en ik stelde voor, den lauwer aan Monseigneur aan te bieden, die er waarlijk wel aanspraak op heeft van hunnentwege."

»Ik dacht niet dat de bisschop van L., die tegenwoordig hier nogal eens over de tong gaat, zoo liberaal was, dat hij een kunstenaar, die nog niet onder zijn herdersstaf hoort, voor _de_ Kerk laat werken."

»Je moet reizen, Frits! je moet reizen! De Hollanders zetten elkander hier allerlei kleingeestige vooroordeelen aan, die voor het leven inroesten. Monseigneur M* * * is een waardig prelaat en een nobel mensch, dien ik van de gunstigste zijde heb leeren kennen."

»Juist, daar hebben wij het, maar _le revers de la médaille_ is minder mooi en die.... is naar ons toegekeerd."

»Wat zal ik u zeggen; dat hij het niet met de regeering van koning Willem heeft kunnen vinden, is zeer verklaarbaar. Hij had dan moeten opgeven wat geen kerkvoogd opgeven mag. Doch dit daargelaten. Hij weet zeer goed, dat ik maar een vrijwilliger ben, die nog geen plan heeft vasten dienst te nemen onder zijne vlag, en toch heeft hem dat niet verhinderd mij dienst te doen en gunst te bewijzen. Integendeel, zijn hart leeft nog altijd voor Holland, waar hij een deel zijner bezittingen heeft, en nog leden zijner familie wonen, en 't is juist om mijne hoedanigheid van Noord-Hollander, dat hij mijn werk opmerkzaamheid schonk en die schilderij heeft gekocht; ik wil u gaarne mededeelen onder welke omstandigheden, maar dat eischt nogal een langen omweg.... en ik ben waarlijk bang master Wilkinson te vervelen."

»Mij! integendeel _my dear_: ik ben juist zeer nieuwsgierig om iets te weten van de wegen, die gij zijt gegaan om te worden wàt gij nu zijt!"

»'t Is mijne schuld niet zoo ik slingerpaden heb moeten kiezen."

»Sinds gij ons voorbereidt op een verhaal van langen adem, moet gij mij toestaan, eerst om de kievitseieren te schellen, die Hollandsche delice,"

»_C'est convenu!_" En Pierrotain-Cham, Frits vóórkomend die wilde opstaan, vloog naar de schel en luidde of er brand was, zooals Trijntje lachende aanmerkte, toen zij het schaaltje met de mooie gevlakte eieren, die zachtelijk rustten in de fijne groene tuinkers, op tafel zette, er met zekere goelijke boersche gemeenzaamheid bijvoegende, dat zij wel raden kon wie er zóó had gescheld; en met een schalk lachje knikte zij Piet toe, die lachend antwoordde:

»Geraden, kindlief! Ik merk dat je mij kent. Ik doe niets ten halve, en als ik ooit je portret maak, reken er dan op dat je een paar bolle roode wangen zult krijgen, waar je vrijer pleizier in zal hebben!"

»Gunst, meneer! o, foei! ik een vrijer!" en de deerne maakte zich schielijk uit de voeten met een kleur als vuur, en verzekerde ieder wie 't hooren wilde, dat de voorname schilder haar »uitpottretteeren" zou!

Nadat dit tusschenspel was afgeloopen en Pierrotain-Cham had voldaan aan het verlangen van Sir Reginald, om toch zijn eigen en 't goede voorbeeld van Frits te volgen en eens van de eieren te proeven, hervatte deze, terwijl hij mes en bord verre wegschoof, als om te kennen te geven dat hij er nu voor goed mee had afgedaan:

»Toen ik aanving mijn Stefanus te schilderen, was ik nog te Parijs, en werkte in het gemeenschappelijk _atelier_ van onze bent. De prins d'A., een Belgisch edelman en kunstliefhebber, die zich destijds in Frankrijk ophield, kwam ons dikwijls bezoeken, omdat hij belang stelde in de vorderingen onzer school. Mijne schilderij trok bijzonder zijne aandacht; hij informeerde zich naar mijn persoon bij onzen beroemden meester, en 't geen hij vernam van mijne _faits et gestes_, scheen mij zijne gunst en genegenheid gewonnen te hebben. Hij kwam nogmaals terug, overtuigde zich dat mijn werk vorderde en raadde mij dat naar de eerstkomende Brusselsche tentoonstelling, te zenden. Daar deze mijne eerste proeve was in dit genre, kon de belangstelling van zulk een dilettant mij niet onverschillig zijn: ik beloofde wat hij verlangde en daarop noodigde hij mij uit, die schilderij zelf te brengen en dan eenige dagen op zijn kasteel in de nabijheid van Chaud-Fontaine te komen logeeren. Gij begrijpt dat ik die noodiging aannam en mij vast voorstelde er gebruik van te zullen maken; maar wij waren toen in 't jaar dertig, onrustiger gedachtenis; het werd druk en woelig in de ateliers zoowel als in de werkplaatsen; er werd meer over politiek gesproken, geschreeuwd zou ik moeten zeggen, dan over kunst, en ik had onder dat alles mijn Stefanus niet kunnen voltooien toen de julidagen aanbraken. Onze bent bleef niet binnen, maar weerde zich dapper, om in gemeenschap van:

»La grande populace, »Et la sainte canaille,"

zooals Barbier dat noemt, de omwenteling te helpen voltooien, de onsterfelijkheid te _verdienen_, zooals de dichter zich uitdrukt. Ik kan niet zeggen, dat ik _deze_ onsterfelijkheid voor mij eene begeerlijke achtte; ik gevoelde liefde noch haat voor het wankelende koningschap, maar ik was mee in de bent, ik behoorde tot de volksklasse door mijne afkomst, door de verdrukking, die ik geleden had, was mijne zucht tot onafhankelijkheid een hartstocht geworden, en dat alles samen verleidde mij om in eene republiek het model van een gelukkig staatsbestuur te zien, en, al had ik zelf over dat alles ternauwernood nagedacht, anderen riepen het zóó luid en op zóó verscheiden toon, dat ik mij geschaamd zou hebben om niet een weinig mee te doen; als het consigne onder ons luidde: »_Allons faire le coup de fusil_" moest men een poltron zijn om thuis te blijven. Maar ik begreep spoedig, dat straatsteenen opnemen en barricades maken mijne vocatie niet was. Dankbaar dat er een koning was aangesteld, die zich de burgerkoning noemde, die verklaarde dat voortaan het charter eene waarheid zou zijn, oordeelde ik dat men het er nu ook bij laten kon, en hoopte dat er rust zou komen, om weer ongestoord aan 't werk te kunnen gaan; maar ik had buiten de woelwaters gerekend, wie het volstrekt niet te doen was om rust en orde, die het werk als eene bijzaak beschouwden, en die mij uitlachten als ik hen voorhield, dat er in 't geheel geene regeering mogelijk zou zijn als iedereen mee regeeren wilde, dat kunstenaars iets anders te doen hadden, dan zich als staatshervormers en wetgevers op te werpen, en dat ik voor mij niet voornemens was mij opnieuw buiten mijne sfeer te laten trekken, door mee te agiteeren en te conspireeren, en allerlei dwaasheden uit te voeren, die slechts opschudding konden geven, en ons allen van den wal in de sloot zouden helpen. Van toen aan was er voor mij geen vrede meer met hen te houden. Ik was een aristo, een Orleanist, ik weet al niet wat, en dát zou ik mij getroost hebben, maar onder dat alles door had ik mijn Stefanus niet kunnen afwerken, en ik zag er geen kans meer toe onder hunne opgewonden praatjes en toespraken, onder hunne wilde Marseillaises en zinneloos gejoel; ik had stilte en afzondering noodig, en hoe ongaarne ik Parijs verliet, ik had er te veel kennissen, te veel antecedenten om er dit ééne noodige voor mij te kunnen vinden.

»Reeds was het te laat geworden voor de Brusselsche tentoonstelling van dat jaar; en daarbij, wij waren nu in Augustus en het woeste revolutiespel werd ook in België, Frankrijk nagespeeld. Mijn tijd om naar Holland weer te keeren was het nog niet, en om eene verre reis, bij voorbeeld naar Italië te ondernemen, was ik te arm.

»Toen dacht ik aan den Prins d'A. en zijn vroeger voorstel. Ik schreef hem gulweg hoe het met mij en met mijne schilderij stond en of hij mij een plekje wist aan te wijzen in eenig dorp op een zijner goederen, waar ik, tegen stoornis veilig, mij aan het voltooien mijner schilderij kon wijden. Ik kreeg antwoord van zijn secretaris, dat de Prins zelf maar eenige dagen op zijn kasteel had vertoefd, en er door den drang der tijdsomstandigheden vermoedelijk ook niet spoedig komen zou, maar dat zijn rentmeester reeds order had om mij te ontvangen als ik mij aanmeldde en dat ik er nu mijn atelier kon opslaan, en blijven zoolang ik goed vond. Gij begrijpt dat ik niet aarzelde naar die veilige wijkplaats heen te trekken. Ik vond er meer ruimte dan ik noodig had, uitnemend licht en de grootste voorkomenheid van de zijde des rentmeesters, aan wiens tafel ik mee at, hoewel de Prins order had gegeven, dat men voor mij afzonderlijk zou laten aanrichten als ik dit verlangde. Gij begrijpt dat de eenvoudigste leefwijze, die anderen den minsten last gaf, mij het meest welkom moest zijn. Dit leven, vrij van alle materiëele zorg en moeite, zonder eenige stoornis in mijn werk, zonder andere afleiding dan die ik zelf zocht, in wandelingen op de rotsachtige hoogten, in het welige Vesdredal, bracht mij in de gelukkigste zielsstemming, en ik dankte God iederen dag opnieuw, dat Hij den armen zwerver zulk een toevluchtsoord had bereid. Hier was mijn Patmos waar ik onuitsprekelijke dingen zag en voelde; was het vreemd dat ik behoefte had om ook op eenige wijze aan den uiterlijken eeredienst der Christenen deel te nemen. Herinnert gij het u nog, Frits! hoe ik in mijne kindsheid met vuiststompen naar de Gereformeerde kerk werd gejaagd? Maar weten kunt gij het niet hoe ik mij dáár ergerde aan de kale wanden, aan 't gekrijsch dat men psalmgezang heette ter verheerlijking Gods, en hoe ik er mijne studie van maakte om op te tellen hoeveel malen dominé Willems _dezelve_ had gezegd, op zulke wijze dat ik thuis komende den tekst vergeten had en moeder mij voor een botterik schold en de gewone profetie uitte: »dat er nooit iets goeds uit mij groeien zou," maar dat gleed over mij heen en ik had een eeredienst op mijne eigene hand. Toen ik voor 't eerst in de Antwerpsche Cathedrale trad, sprak de plechtige stilte in die hooge, grootsche zuilengangen zoo aangrijpend tot mijn gemoed, dat ik zonder zelf te weten wat ik deed de knieën boog en het hoofd liet neerzinken op de kille steenen, in aanbidding verzonken; o! het was mij of eene geestenstem mij toefluisterde: Hier woont de Heilige, de Ongeziene. Ik bekwam eerst van die zielsverrukking, toen een stroom van tranen mij lucht gaf. De _suisse_, die eerst in mij een gewonen bezoeker of een nieuwsgierige had gezien, meende nu dat ik een groot zondaar was die penitentie kwam doen; hij tikte mij op den schouder en wees mij de kapel waarop dit oogenblik gelegenheid was om te biechten. Het scheelde niet veel of ik had er gebruik van gemaakt, maar de man zelf bedierf het weer voor mij door mij tot haast aan te zetten, in termen die mij geheel ontnuchterden! Gij begrijpt dus, dat ik mij in den zielstoestand, waarin ik mij toenmaals bevond, liet aantrekken door het lieve eenvoudige dorpskerkje, en er met zekere devotie den dienst bijwoonde, en zelfs nadat ik de kennis van den jongen pastoor had gemaakt, zijne hartelijke toespraken, naar aanleiding van 't Evangelie, met belangstelling aanhoorde. Ze hadden zoo niets van den gewonen preektoon, die mij bij ons altijd zoo geërgerd en verveeld hadden."

»Er vielen dus geen _dezelves_ op te tellen," merkte Frits aan met een glimlach.

»Mogelijk wel, maar _ik_ lette toen op wat anders. Die pastoor Alberts was een man van smaak, van kennis, van beschaving. Hij had zijne studies gemaakt in Frankrijk in een collegie der Orde van Jezus, daar men in zijne familie zeer tegen het Gentsche collegie was gestemd; maar hetzij hij dit aan het onderwijs der Orde dankte, of aan eigen inzicht, hij was zeer liberaal, en had begrippen en gevoelens waarmee ik het best kon vinden. Ik zette voorop dat ik niet tot zijne kerk behoorde en ook niet aan overgang dacht; hij begreep dat in mij, en onthield zich van rechtstreeksche aanmaning om daartoe te komen, hoewel hij nooit verzuimde mij de instellingen en de plechtigheden zijner Kerk voor te stellen in dat zekere poëtische en mystieke licht, dat mij het meeste moest aantrekken. Toch kwam het mij voor dat hij zelf veeleer hunkerde naar mijne vrijheid, dan omging met het opzet om die te kluisteren in den kerkelijken band. Hoe dat ook zij, wij zagen elkander veel en praatten over alles; hij had de kunst lief en kwam mij somwijlen bezoeken in mijn atelier, en toen de rentmeester mij verwittigd had, dat de bibliotheek van het kasteel tot mijne dispositie was, bood hij zich aan om mijne lectuur een weinig te regelen, en mij behulpzaam te zijn in de keuze dier boeken die het meest geschikt waren te mijner ontwikkeling en beschaving. Historie, aardrijkskunde, fraaie letteren, poëzie, geschiedenis der schoone kunsten, prachtige plaatwerken, er was van alles voorhanden van de beste auteurs, nieuwere zoowel als oudere, meestal in de Fransche taal, die ik machtig was geworden, en waar ik op Latijn of Italiaansch stuitte, kwam hij mij te hulp; zoo brachten wij onze avonden door en de helft mijner nachten werd er ook meestentijds aan geofferd, want toen ik zelf een weinig thuis geraakt was in dat alles, bepaalde ik mijn onderzoek niet meer bij zijne aanwijzingen; mijne onwetendheid had mij altijd gehinderd, en deze gelegenheid om mijn dorst naar kennis te lesschen, was zoo rijk, zoo eenig tevens, dat ik er alle mogelijke winst mede doen wilde, hoewel dat niet zijn mocht ten koste van mijn werk, waaraan ik geregeld mijne voormiddaguren wijdde, daar ik mij verplicht achtte de schilderij in den kortst mogelijken tijd te voltooien; toch was de gansche Septembermaand er mee verloopen zonder dat ik het zelf wist.

»Ik had geen dagen, geen weken geteld en onder dit gelijkmatige, rijk vervulde leven vervloog de tijd als in een droom, maar een droom die mij in de werkelijkheid rijke winst had aangebracht; toch werd ik daaruit zeer onzacht opgeschrikt toen de rentmeester mij op zekeren morgen begroette met de tijding dat de Prins in de eerste helft van October op het kasteel werd gewacht om er met eenige vrienden het jachtseizoen door te brengen. Hij zelf scheen zeer in zijn schik met dat vooruitzicht.

»Nu gaat het hier weer druk en vroolijk worden," sprak hij opgeruimd. »Morgen komen reeds de equipages en de paarden, de piqueurs, de palfreniers en het geheele personeel voor den dienst van den stal en de jacht! Zeker worden er ook aanzienlijke dames verwacht, want de staatsie-vertrekken en de mooiste logeerkamers moeten in orde gebracht worden. De Prins is ongetrouwd, maar zijne zuster mevrouw de gravin de V. neemt de _honneurs_ waar bij zulke gelegenheid, en gij zult wat zien, dat niet alle dagen te kijk is, dat beloof ik u, mijnheer! Alles wat België schoons, edels en voornaams heeft, zal hier, om zoo te spreken, af- en aangaan. Wie weet of we hier zelfs geen leden van het Voorloopig Bewind krijgen...."

»Dan wordt het hoog tijd dat ik aftrek," sprak ik met een zucht, bij de gedachte dat het nu uit was met mijne rust, en ik had een gevoel of ik uit het paradijs verjaagd werd. Reeds had ik het mij zelven gezegd dat ik veel te lang gebruik had gemaakt van de gastvrijheid des prinsen en nu kwam het mij voor dat deze mededeeling mij gedaan werd, als eene beleefde aanmaning om te vertrekken; ik besloot dus reeds den volgenden dag naar Parijs terug te keeren, en gaf dit den intendant te kennen, maar hij wilde daar niets van hooren. »De Prins rekent er op u nog hier te vinden," sprak hij; »ik verzeker het u, en het zou monseigneur zeer teleurstellen, zoo gij vertrokken waart, dat zou mij mogelijk in verdenking brengen, u eenige reden tot ontevredenheid te hebben gegeven."

»Gij weet zelf wel beter, mijn goede mijnheer Begiers! maar blijven, drommels! dat gaat niet, ik wil liefst weten hoe mijn werk bevalt, eer ik mijn persoon aan die voorname lieden opdring. Ik zal mijne schilderij hier laten en..."

»Heengaan als hij komt, dat zal monseigneur als eene onbeleefdheid opnemen!" hernam de intendant het hoofd schuddende; en hij had gelijk, dat was erg genoeg! heengaan zonder zulk een loyalen gastheer te bedanken. Ik zou dan blijven, maar niet zonder groote beklemdheid des gemoeds nam ik dat besluit. In het atelier van mijn meester en naar aanleiding van werk, van portretten, had ik reeds genoeg aanraking gehad met heeren en dames uit de groote wereld, maar dat was geen verkeer, geen samenzijn, geen gemeenzame omgang boven al, mijn toon, mijne manieren, alle gewoonten die ik aangenomen had en die ik maar niet zoo op eens zou kunnen veranderen, waaraan ik vroeger nooit had gedacht, kwamen mij op eens zoo ongeschikt, zoo onbehagelijk voor; juist hier waar ik zooveel geleerd had, begreep ik hoe weinig ik wist, hoeveel mij ontbrak; die aanzienlijken hadden dit alles van kind aan geleerd, zij wisten alles, zij hadden leiding, opvoeding gehad, ik was opgegroeid als het onkruid, zonder wieden, al was het niet zonder trappen. Het is waar, ik had gedaan wat mogelijk was, ja zelfs bijkans het onmogelijke om door inspanning van alle krachten mij zelf te vormen, te ontwikkelen, te beschaven; maar toch, het kon niet anders die anderen zouden mij ruw en ongemanierd vinden of stijf en linksch, en de gedachte dat zij mij uitlachen zouden, was mij onverdragelijk. De Prins zelf, als hij in 't atelier kwam met den grooten meester de la Croix, had zich altijd met de meeste voorkomenheid en gemeenzaamheid jegens ons gedragen. Mij vooral bleek hij onderscheiden en in gunst genomen te hebben; maar nu hier, in zijn eigen kasteel, te midden zijner hoogaanzienlijke gasten, hoe zou hij mij nu bejegenen? Zou hij hoog en vreemd tegen mij zijn? De anderen, dat berekende ik vooruit, de anderen zouden zich naar hem richten. Hoe zou hij het instellen, dat was de kwestie. Ik moest het afwachten. Ik besloot mij zooveel mogelijk op den achtergrond te houden en mij te onderscheiden door terughouding. Wie met mij te doen wilde hebben moest tot mij komen, dat was mijne tactiek om terugzetting te vermijden. Ik begeerde geene gelijkstelling, ik was nu eenmaal niet van de hunnen noch verlangde dat te zijn, maar ik begeerde achting, achting voor mijn talent omdat God het mij geschonken had, mij door allerlei leiding en bestiering gelegenheid had gegeven het te ontwikkelen, en omdat ik er voor gestreden en geleden had, om het in eene kunst, zoo grootsch, zoo heerlijk als de mijne, tot zekere hoogte te brengen, al ware het nog maar op den eersten trap, terwijl zij, rijken en grooten, niets hadden gedaan dan geboren worden om te zijn wat zij waren; achting wilde ik voor den kunstenaar, al was hij doodarm en uit de laagte gekomen, al miste hij wereldkennis en den toon _du beau monde_, en zoo ik bemerkte dat zij mij voor de aardigheid met overgemeenzaamheid behandelden als hun speelpop, als hun _clown_, dan,--maar dan was het toch altijd vroeg genoeg, om mij te toonen en--heen te gaan! nam ik mij voor....

»Misschien lacht gij om mijne pretenties, Frits! gij die weet wat Piet Snibs was in de woning zijner moeder?"

»Neen, Piet! geloof mij, ik lach _niet_" sprak Frits ernstig, »juist omdat ik dit alles weet, treft het mij te meer u zóó te leeren kennen."

»Dan zult gij ook begrijpen dat ik, die met de grootste tevredenheid en zonder van ontbering te klagen, daar ik mijne behoeften tot het minst mogelijke weet te bepalen, in de armste boerenhut mijn kost zou hebben besteld, zoo de Prins vergeten had orders te geven omtrent mijne tafel, dat ik, voor wien het dagelijksch maal bij den rentmeester werkelijk eene soort van weelde was, dat ik besloten had, het mij niet te laten welgevallen zoo de Prins bij zijne komst op het kasteel met zijne overige gasten, wie ze dan ook zijn mochten, mij aan de tafel van een zijner onderhoorigen liet; ik zou niets hebben gezegd, maar ik zou weggegaan zijn en hem de reden van mijne vlucht hebben laten uitvinden, al had het mij ook zijne bescherming, al had het mij ook mijne fortuin gekost. Wie arm weet te zijn, behoeft niet laag te wezen, is mijn devies. Vindt gij dit buitensporig zelfgevoel, kleingeestige ijdelheid, master Wilkinson?"

»Integendeel, ik vind dat gij gelijk hadt met uwe waardigheid als kunstenaar op te houden; wie zich zelf weggooit, verdient dat men hem vertreedt; en hoe is het er mee afgeloopen?"

»Heel goed! er was geene kwestie van 't geen ik vreesde. Dames kwamen er vooreerst niet, de Prins was de beminnelijkheid en voorkomenheid zelf. Hij bracht mij terstond met zijne gasten op zulken voet waarop ik noch voor terugzetting behoefde te vreezen, noch voor een relief ten koste van mijn karakter; en toen de dames kwamen was ik al zoo goed op mijn dreef, dat ik zonder aarzelen den wenk der gastvrouw opvolgde om eene douairière den arm te bieden en aan tafel te geleiden. Verbeeld-je, Frits! Piet Snibs die eene statige Belgische gravin met een fluweelen japon, en een toque met veeren op, aan den arm heeft, naar hare plaats voert, zijne buiging voor haar maakt en zich naast haar neer zet!" en de malicieuse jonge schilder, die het toch al niet langer op zijn stoel had kunnen houden, maar bijkans alles wat hij vertelde door gestes en drukke bewegingen _en action_ bracht, parodiëerde nu zich zelf met eene kluchtige mimiek en eindigde met eene diepe reverentie te maken voor zijn eigen leegen stoel.

Wilkinson schoot in een gullen lach, terwijl hij sprak: »Ik zou »bis!" roepen, maar gij hebt ons nog meer te vertellen, en dus ik onthoud mij."