Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 26
»En dominé Roestink?" hervatte Frits, die de vervolging nog niet opgaf. De wortel van bitterheid, eens in zijne ziel opgeschoten, liet zijn prikkel voelen bij de minste aanleiding. Hij maakte zich diets dat hij ijverde voor de goede zaak der moraliteit en der religie, maar inderdaad was het alleen een onbewust verweren van zich zelf tegen eene superioriteit die hij, zijns ondanks, moest erkennen; dan, wij vielen hem in de rede, terwijl hij is voortgegaan, »dominé Roestink, _uw_ vriend en beschermer zooveel hij vermocht, zoudt gij dien nu onder de oogen durven komen?"
Piet klemde de lippen samen, bekeek zijnen hoed, dien hij op den schoot had gehouden, en drukte dien onmeedoogend plat. Eerst toen Frits had uitgesproken, hief hij zijne oogen op, zag hem aan met een doordringenden blik, waarin iets als weemoed en teleurstelling te lezen stond, en antwoordde toen, terwijl hij even de schouders optrok:
»Als gij mij beter kendet, Frits! zoudt gij mij zeker die vraag niet doen; wat dominé Roestink betreft, ik heb zeer naar hem geïnformeerd, en zou hem zeker een bezoek gebracht hebben, terwijl ik in de provincie zwierf, maar ik vernam, dat hij nu in den Haag woont, en mijn weg leidt ditmaal dien kant niet uit; ik zou daar protectiën en connectiën vinden, die mij verder zouden brengen dan ik nu nog wezen wil. Ik ben in 't bezit van het effect, maar ik moet de coupons niet afknippen voor zij verschenen zijn."
»Gij gelooft dan waarlijk dat dominé Roestink u nog met goede oogen zou aanzien, hij die overal bekend is om zijn ijver voor de Gereformeerde kerk!"
»Dominé Roestink! och wat praat _gij_ van dominé Roestink!" viel Piet in met ongeduld, terwijl hij zijn gemartelden hoed driftig op den grond wierp, »dat's een predikant zooals mijn ideaal van een schilder is, breed en diep!"
»'t Is toch te hopen dat hij wat beter rekent met de proporties dan gij, want zoo hij in 't geestelijke met zulke steenen gooit, als welke gij uwe Joden tegen Stefanus laat opnemen, dan loopt zijne gemeente gevaar om vermorzeld te worden," viel Frits uit met snerpende bitterheid.
»Wel dat is juist het vereischte eener goede prediking, naar het mij voorkomt," antwoordde Piet ernstig, maar het persoonlijke van den aanvang ter zijde latende; »de hoorders te verbrijzelen, om ze daarna met Stefanus den geopenden Hemel te doen aanschouwen! Wie niet in staat is dezen weg met zijne gemeente te gaan, behoorde, mijns inziens, niet eens den predikstoel te beklimmen."
»Heel goed, maar dat's nog geen reden voor een schilder om een martelaar te steenigen met rotsblokken, zooals geen mensch in staat is ze te tillen."
»Hm ja! ik had gladde keitjes moeten geven, heel rond, heel glanzig, heel doorzichtig, niet waar? Zoo iets dat de toeschouwer van de gewone soort »heel mooi" vinden zou, en waar hij volstrekt »niet akelig" van werd."
»Ja, ik vat uwe intentie wel, gij hebt gigantiek willen zijn en gij zijt alleen protesk geworden! Gij hebt eene voorstelling gegeven die aan wezens uit de voorwereld doet denken, en gij hadt ons verbasterde Joden moeten laten zien uit het eerste Christelijke tijdperk."
»En zoo ik nu eens de brutale kracht van het fanatisme had willen symboliseeren, als repoussoir van de bovennatuurlijke kracht des geloofs om te lijden, om te vergeven, om God te verheerlijken?" en des kunstenaars oogen straalden van zonderlinge geestverrukking, terwijl hij ze onwillekeurig naar boven hief, als werden deze woorden niet voor zijn toehoorder gesproken, »maar," vervolgde hij, op eens in geheel veranderden toon, terwijl hij zijn hoed weer opzette en over zijn stoel leunen ging. »Gij zijt dus mijne schilderij in de kerk gaan zien; dat is een bewijs van belangstelling waarvoor ik je dankbaar ben."
»Het zou onoprecht zijn van mij dien dank aan te nemen," zei Frits verzacht en wat beschaamd, »de nieuwsgierigheid van master Wilkinson en de mijne was gaande gemaakt, en wij konden toen zelfs niet vermoeden, wie zich onder het pseudoniem van Cham verschool."
»En nu gij weet dat het niemand anders is dan de rebellische zoon die zijn moeders huis ontvlood en zijn moeders toorn op zich laadde, dan de arme martelaar Piet Snibs, zult gij dat pseudoniem niet meer zoo ongerijmd vinden, niet waar?"
»Volstrekt niet, integendeel! het is mij zeer begrijpelijk dat gij daarop zijt gekomen; maar ik wil toch hopen dat uwe moeder zich beraden heeft, en dat gij met elkander verzoend zijt vóór haar dood?"
»Laten we daar nu maar niet van spreken, Frits!" zei Piet, terwijl hij zich afwendde; »veel tijd heb ik niet meer, gij hebt nu mijn werk gezien, ik behoef je niet te vragen hoe gij het vindt; zelfs al had ik het uit uwe aanmerkingen niet reeds begrepen, toch zou ik het kunnen opmaken uit de opleiding die gij zelf hebt gehad, den kring waarin uw smaak is gevormd; bij mijn weten heb ik nooit van uw werk gezien, gij kunt uw eigen weg zijn gegaan zooals ik, maar toch er is iets dat mij vermoeden doet, dat gij in 't klassieke cirkeltje zijt blijven rondloopen, terwijl ik tot de school behoor, die den moed heeft genomen met de oude steile tradities te breken. Dit reeds moet een vandalisme zijn in uwe oogen en kan oorzaak wezen dat mijn werk u mishaagt. Maar ik wil toch weten wat gij er verder op hebt aan te merken, en master Wilkinson zal mij genoegen doen van er ook zijn oordeel over te zeggen?"
»Bah! Master Cham! ik vrees dat gij de critiek van een leek versmaden zult."
»Een kunstenaar die de critiek versmaadt, is als de zeeman die niet velen kan dat de wind in zijne zeilen blaast, al zou 't ook tegenwind zijn; in den strijd met de elementen leert hij overwinnen en dat brengt hem verder; platte kalmte alleen, loodzware stilte, is voor beiden verderfelijk."
»Ik voor mij heb meer stof gevonden om te bewonderen, dan te laken," zei Wilkinson; »naar mijn gevoelen is uwe schilderij een kunstgewrocht dat zeker gebreken heeft, maar die door groote kwaliteiten zijn goed gemaakt; het geeft reeds veel en belooft meer, men heeft voortaan recht het hoogste van u te eischen en mij dunkt, gij zijt de _force_ om aan die verwachting te voldoen. _Tes pareils à deux fois ne se font pas connaître._ Gij kent zeker de regels uit den _Cid?_"
»Helaas ja! ik heb ze meer dan eens hooren aanhalen, waar het bij den meesterlijken »_coup d'essai_" is gebleven; ik dank u, Sir! voor het compliment, maar gij gaat om de schilderij heen met de welwillendheid van een dilettant; mijn confrère zal er dieper inkomen en hij heeft ergerlijke delicten aan te wijzen, ik zie het aan zijn wenkbrauwfronsen. Voor den dag er dan mee, Frits! je weet dat ik tegen blauwe plekken kan; de moederliefde heeft er mij aan gewend, mijne eigenliefde is niet kleinzeeriger dan mijn lichaam. Vindt je 't een _croûte_?"
»Dat weet ge wel beter. Gij zoudt mij voor een _crétin_ houden, als ik dat zei; er is licht, er is ruimte op je doek, en er zijn zwarigheden overwonnen, die.... die een ander zichzelf niet zou gemaakt hebben; maar, mijn Hemel! wat zal ik je zeggen, daar is zoo iets brutaals en baroks in; onder pretekst van sterk coloriet is het zoo woest en schril, al het licht op ééne figuur gebracht en al het overige in zeker mysterieus waas gelaten, iets alsof de blauwe lucht op de figuren had afgegeven, en daarbij die bizarre groepeering, die gewaagde poses!"
»Ik erken dat ik het alledaagsche heb versmaad, maar gij zult mij toestemmen, dat ik een recht had naar wat anders te zoeken dan naar dat conventioneele, daar we nu al zoolang aan sukkelen, en dat in elk geval dat tooneel toch wel zóó heeft kunnen voorvallen."
»Ja, maar het had toch nooit zóó blauw moeten voorvallen."
»Gij kunt gelijk hebben," antwoordde Cham, met een glimlach, »ik zal een beetje misbruik gemaakt hebben van het ultramarin."
»Een beetje! gij zijt wel toegefelijk! Het grimt me aan of je Berlijnsch blauw hebt gebruikt."
»Wat wilt gij! de hartstocht voor de _couleur locale_, dat's de fout van ons allen, leerlingen van de la Croix; wij zijn allen verliefd op de _Orientales_ van Victor Hugo, wij winden ons op met Oostersche luchten en Zuider zonnegloed en ... en...."
»_Couleur locale_ zooveel gij wilt, maar gij zult mij nooit wijs maken dat de hemel in 't Joodsche Land uit donkerblauw glas is samengesteld!"
»_Ma voûte azurée_ kan je niet behagen, dat merk ik duidelijk; op een anderen keer zal ik aan u denken en trachten naar meer fijnheid en doorzichtigheid."
»De aanmerking van master Rosemeijer is eigenlijk eene lofspraak!" viel Wilkinson in. »Ik die in Indië gewoond, in Afrika gereisd heb, kan u verzekeren, dat een schilder op dit punt veel kan wagen zonder te overdrijven, en dat men licht voor eene charge zou kunnen aanzien, wat niets was dan de natuur op de daad betrapt!"
»Dan zal ik het mishebben," hervatte Frits eenigszins korzel; maar in 't Oosten als in 't Westen zijn menschen _menschen_ en de figuren zijn er op gegooid, _niet_ geteekend."
»Niet gepeuterd!" viel Cham in; »maar ik begrijp dat dit eene ergernis is voor u. Wat mij aangaat, het gladde, het geijkte: _ce n'est pas là ma partie._"
»In verhouding tot dien forschen Stefanus, is uw Saulus eene nietige, bleeke gestalte, die niet eens geacheveerd is."
»Hij staat nogal op den achtergrond en gij moet bedenken, dat ik den man heb willen geven die een doorn in het vleesch draagt; ik stel mij voor dat het juist tot dit zwakke, teere, lijdende wezen is, dat alleen leeft door de geestdrift waar de ziel van gloeit en die het lichaam verteert,--dat het tot dit naar 't stoffelijke misdeelde wezen moet gezegd zijn: »Mijne genade is u genoeg," en »Mijne kracht wordt volbracht in uwe zwakheid."
»Bravo!" riep Wilkinson, »zoo mag ik dat een schilder rekenschap geeft van hetgeen hij gewild heeft."
»Ja, maar ook in dezen is er tusschen het willen en in 't volbrengen nog een wijde kloof," sprak Frits met zekere heftigheid.
»Hier althans meende ik mijn doel getroffen te hebben," hernam Cham kalm, maar met fiere zelfbewustheid.
»Ongetwijfeld! als gij een geëffaceerden Saulus bedoeld hebt," hield Frits vol. »Men zou niet eens naar hem zien, ware 't niet dat er bij toeval op zijn hoofd wat van dat licht viel, waarmee gij uw Stefanus als bij uitsluiting begunstigd hebt."
»Welnu, dat is ook zoo. Maar niet bij toeval, met opzet laat ik hier een enkele straal op hem vallen van dat hemellicht, dat hem welhaast het vleeschelijk oog zal verblinden om later de oogen des geestes te openen en volkomenlijk te leeren zien! Ik voor mij geloof, dat Stefanus ook voor Saulus niet tevergeefs heeft gebeden."
»Ik zie daar geen ketterij in, als gij het met uw biechtvader kunt vinden."
»Mijn biechtvader!" herhaalde de schilder met een laatdunkend hoofdschudden.
»Maar in ieder geval houd ik niet van schilderijen, die zooveel uitleg noodig hebben om begrepen, om gevoeld te worden," vervolgde Frits; »deze kunst is er eene voor 't aanschouwen en ik moet alles terstond kunnen zien."
»_Als_ gij zien kunt; _voilà la question_!"
»Ik kan toch _wél_ zien, dat er iets ruws en hards is in uwe wijze van doen, alsof gij met losse hand, met _nonchalance_ het penseel hanteert; met één woord, of gij geen beginsel hadt, geene eigenlijke manier!"
»_Ah! voilà le grand mot lâché_, geene manier! O, gij klassieken, wat zal er nog veel gebeuren moeten eer gij ons romantieken begrijpt, erkent en.... waardeert, mag ik er bijvoegen. Wat mij betreft, elke _manier_, iedere methode, die de inspiratie aan banden legt, is mij te eng. Breken met de oude steile tradities, zou mij eene behoefte zijn geweest, al ware ik niet in de school van de romantieken thuis geraakt. Om mij zelf te zijn, ontvluchtte ik mijne _eerste_ meesters te Antwerpen, trok naar Parijs en raakte aan de zijde der opkomende richting, zooals vanzelf sprak, maar ik ben niet haar blinde proseliet, die het _hors de nous point de salut_ voortzegt. Ik streef naar waarheid, ik zoek mijne gedachte uit te drukken zoo ik het best kan, ik verlang gloed en leven op mijn doek te brengen; is het vreemd, dat ik liefde heb voor een sterk coloriet; ik haat het conventioneele, realiteit is mijn wachtwoord; ja, zeker! maar geen plat realisme, reine waarheid! leven, maar het ideale leven, geene gedrochten onder voorwendsel dat niets mooi is dan het leelijke! Gij ziet dus wel, dat ik geen _âme damnée_ van de romantiek ben, al zie ik niet waar ik beter mijne plaats zou vinden dan in haar kamp!"
»Maar romantiek of niet, waarom laat gij Stefanus bidden in eene onmogelijke pose?"
»Het evangelisch geschiedverhaal wijst die aan."
»Heel goed, laat hem knielen, daar heb ik niets tegen; maar waarom de armen over de borst gekruist en de oogen neergeslagen, in plaats van ze ten Hemel te wenden?"
»Precies! om u te voldoen (en zeker hebt gij hier de vulgaire menigte aan uwe zijde) had Stefanus de beide armen naar den Hemel moeten uitstrekken als een drenkeling, die naar de dregge grijpt, en de oogen opgeheven houden tot men niets dan het wit te zien krijgt; ik ken die poses! Helaas! Tot welke school zij behooren, wijs ik niet uit, want er is geene waar ze _niet_ uit voortkomen; zeker is het dat men er op alle exposities exemplaren van te bewonderen krijgt. Begrijpt men dan niet, dat wie zich voor God stelt in zulke ure, met zóó heilige bede, de innigste gemeenschap met den diepsten ootmoed samenpaart. Behoeft het oog de lucht te zoeken, opdat de geest den Heere Jezus zie? Stefanus _voelt_ de nabijheid van zijn Heer, in de volheid van den Heiligen Geest, die hem vervult, in de kracht, die hem is geworden, in de heiligheid om in navolging zijns Heeren voor zijne vijanden te bidden; behoeft hij _gestes_ te maken, terwijl hij zich stervende voelt? behoeft hij de oogen te verdraaien om te weten wat _wij zien_, dat hij _in het licht_ is?--dát licht der wereld, schijnende in de duisternis, en door de duisterlingen niet begrepen, niet gezien."
Wilkinson had toegeluisterd in diepe aandacht met sprekende belangstelling. Hij had zijne plaats aan tafel verlaten en stond nu vlak voor den schilder, als om hem de woorden uit den mond op te vangen. Toen deze zweeg, stak hij hem beide handen toe, terwijl hij Frits aanziende, tot dezen sprak:
»Heb ik het u niet gezegd, master Rosemeijer! dat hij een Christen was!"
»Hebt gij dàt uit mijne schilderij kunnen zien?" vroeg Cham, opspringende, met tranen in de oogen en zijn hoed achterover werpende. »Wees daarvoor gedankt! het hoogste loon wat ik voor mijn werk begeer is, dat men er mijne ziel in zie, en God verheerlijke, die de gever der gaven is."
En Frits?
Was de vrome ernst, de diepe gemoedelijkheid van den kunstenaar, het middel om hem te ontwapenen, zijn vooroordeel weg te nemen en de vergiftige plant van de afgunst in zijne ziel te ontwortelen? De middelmatigheid is niet zeer bereid zich gewonnen te geven, zij is te traag en te bekrompen om snel tot eene grootsche beweging des gemoeds te besluiten; en toch, Frits moest zich nú beslissen om Piet Snibs, die zich Cham had bijgenaamd, te erkennen voor hetgeen hij was, of zich voor altijd van hem af te wenden in een gevoel van bitterheid en onbestemde antipathie, dat in haat dreigde te ontaarden. Maar Frits mocht een mislukt kunstenaar zijn, een mislukt mensch was hij niet, en zijn hart was groot genoeg om in de worsteling van egoïsme en ijverzucht tegen zijn beter gevoel de overwinning te brengen aan de zijde waar zij behoorde. Hij wierp zich aan de borst van den ouden schoolmakker en riep uit onder tranen:
»Ja! gij zegt wél: God heeft het _u_ gegeven! gij _zijt_ een groot kunstenaar, gij _zijt_ een beter mensch dan ik, ik erken het nú, ik wil het voor de gansche wereld erkennen. Wat ik tegen de schilderij had was niet wat ik er onder zooveel vinnigen spot in misprezen heb; maar dit ééne, dat zij onnavolgbaar is voor mij, dat gij vermoogt te geven wat ik tevergeefs heb gezocht. Al had zij ook honderd gebreken, het is een kunstwerk, dat leeft en leven zal....."
»Mijnheer _Pierokam_? Pastoor Reinfelt en de andere heeren laten u vragen of gij aan het dessert komt?" Met deze oproeping kwam de dienknecht het onderhoud storen. Frits zweeg plotseling en wilde zich afwenden, maar Cham liet hem dat niet toe; hij bleef zijne handen in de zijnen vastklemmen en wendde zich knorrig tot den Jan.
»_Eh, l'ami_, kunnen die heeren hun dessert niet gebruiken zonder mij?"
»Niet best, mijnheer Pierokam, om u te dienen! want ze hebben ook nog eene verrassing voor u...."
»Diable! eene verrassing! dat's erger!" en Piet Cham maakte eene tragisch-comische mine; »maar die verrassing kan immers wel op het laatst komen; ik beloof u, dat ik er even verrast om zal zijn; zeg aan die heeren, dat ik een oud vriend heb ontmoet, aan wien ik nog een half uurtje wensch te geven."
»Gij gaat cavalièrement te werk met die heeren!" sprak Frits glimlachend.
»Bah! als ze mij pleizier willen doen, moeten ze niet beginnen met mij te kwellen."
»Maar _'t is not gentlemanlike, de fausser compagnie_! merkte Wilkinson aan; »en wij blijven tot morgen, als master Rosemeijer er in toestemt."
»Ik voel dat het mij noodig is, ik kan zóó niet van u scheiden," zei Frits, Piet met zekeren weemoed aanziende.
»Nu, zooveel te beter, ik blijf hier nog wel een paar dagen. Wij zullen samen ontbijten, wandelen, de schilderij nog eens bekijken...."
»Mijnheer _Champierre_! de heer N. laat u vragen of gij geen afscheid wilt nemen van hem eer hij heengaat; zijn rijtuig is al vóór."
»_Oimé_! dat is waar ook! nu _moet_ ik gaan, Frits; gij ziet wel dat ik in een roes ben, ik had N. vergeten. _Mes excuses_, master Wilkinson!" en Pierrotain-Cham liep op een drafje weg, zijn hoed in den steek latende. Frits zelf liep hem achterna, om hem dien aan te reiken.
»Nobele natuur!" sprak Wilkinson.
»Jammer dat hij wat bizar en fantask is in zijne manieren," merkte Frits aan; »men komt er toe hem voor iets anders aan te zien dan hij werkelijk is."
»Och! dat's niets, 't is een weinig als met zijne schilderij, de atelier-kleur, die wat op hem afgegeven heeft; in Parijs is dat mode onder de jonge schilders; maar dát zit van buiten, dat zal wel overgaan."
Al hadden ze gewild, ze konden dien avond niet meer vertrekken. De koetsier uit de Zon had van Sir Reginalds vrijgevigheid gebruik gemaakt, om zich in een toestand te brengen, die het uiterst gevaarlijk maakte in den donker met hem te rijden; op het voorstel, dat hij uitslapen zou, en des anderen daags met hen verder gaan, had hij in de grofste termen geantwoord, dat hij daarvoor niet gekomen was; dat hij met zijn paarden thuis moest zijn, en daar hij niet tot reden was te brengen, had men hem met zijn waggelende reisberline alleen laten oprijden.
Baptist Meijer had zich aangeboden des anderen daags voor een goed rijtuig te zorgen tot billijken prijs.
X.
Wilkinson had _juist_ geoordeeld. Frits had rust noodig, en die nacht, doorgebracht in het dorpslogement, waar alles doodstil was zoo ras de laatste gasten waren afgetrokken, voldeed geheel aan zijne behoefte. Ditmaal overmande de slaap hem eer hij over de voorvallen van den drukken en belangrijken dag kon nadenken, en toen hij ontwaakte voelde hij zich naar het lichaam zoo verkwikt en versterkt, dat de geest ook er door verhelderd was, zoodat hij de ontmoeting van Wilkinson en de ongedachte wending in zijn lot, die er het gevolg van was, nu met geheel andere oogen beschouwde, dan het hem in de duizeling der eerste verrassing mogelijk was geweest. Toen was het hem bijkans of hij alleen toegegeven had aan zekeren dwang, waaraan hij niet wist te ontkomen, en die reeds terstond drukkend scheen. Nu eerst voelde hij dat hij een steun had gevonden voor de toekomst, eene uitkomst, die hem voor goed afbracht van een besluit in vertwijfeling opgevat. Hij zag het in met een glimlach over zich zelf, dat het vaderland veel minder gebaat zou zijn met zijne hulp, die zonder geestdrift, alleen uit moedeloosheid zou verleend worden, dan hij zelf met de uitzichten, die Wilkinson voor hem opende. Zijns vaders plannen helpen uitvoeren op groote schaal, in datzelfde land, waarvan deze altijd had gesproken, als van het land der belofte aller grootsche ondernemingen! Zijn hart sprong op van vreugde, zijne wangen kleurden zich met een nieuwen blijden blos, zijne oogen schitterden bij die gedachte.
En Dientje, nu ja! die droom der jeugd was voorbij; hij moest dat verledene achter zich werpen, er niet meer naar omzien, en zich uitstrekken naar hetgeen vóór hem lag, en hoe licht zou dat hem vallen, daar hij het vaderland verliet om in geheel nieuwe omgeving een nieuw leven aan te vangen.
Met dit kloek besluit, met een verlicht gemoed, trad hij de koepelkamer binnen, waar men gezamenlijk zou ontbijten, en Wilkinson, als naar gewoonte vroeg op, hem reeds wachtte aan de ontbijttafel, op welks samenstelling hij het oog had gehouden, terwijl meester Baptist door het diner van den vorigen dag beter dan ooit _en mesure_ was om aan zijne eischen te voldoen. Een koude kip, ossehaas in gelei, een gefarceerde kalfsborst en schilderachtige gesneden ham stonden dus in slagorde gerangschikt, terwijl Trijntje maar op een sein wachtte om de kievitseieren binnen te brengen. Sir Reginald had vast thee gezet en verwelkomde met een gullen lach en een hartelijken handdruk zijn luien reismakker, dien hij verraste met de mededeeling, dat hij reeds eene mooie wandeling had gedaan.
»Ik ben er waarlijk beschaamd over," zei Frits.
»Gij hebt er geene reden toe, en gij zult niet volkomen hersteld zijn eer wij het kanaal oversteken."
»Neen! neen! ik voel mij reeds nu veel beter. Doch waar zou onze Pierrotain-Cham blijven, om hem bij den naam zijner vinding te noemen."
»Die moet al vroeg uitgegaan zijn, zooals ik van den kastelein vernam; maar daar hij niet op zijn tijd past, zullen wij hem al etende wachten, als gij 't met mij eens zijt."
»Ik heb er niets tegen; hij is zeker iemand die slecht met den tijd rekent, en ik zou haast gelooven, dat hij zijn dag met de vroegmis begint."
»Dat zou heel wel kunnen zijn, want hij _is_ vroom en toch.... kan ik nog niet gelooven, dat hij geworden is....wat....gij meent."
»Mij dunkt het kan niet anders, hoewel hij er niet voor uit wil komen; maar ik erken het, in hem is zulk een overgang zeer verklaarbaar en verschoonlijk."
»En toch het zou jammer zijn" sprak Sir Reginald; »want een enthousiast zooals hij is en die licht van het eene uiterste tot het andere vervalt, zou tot _bigotterie_ kunnen overslaan."
»Ei zie! daar komt hij de laan uit, recht op het logement aan; hij ziet ons en zwaait met de fluweelen muts om ons te groeten;" al sprekende wuifde Frits hem met de hand een welkom toe, dat hij eenige seconden daarna mondeling kon herhalen, want de schilder trad onverwijld binnen, ditmaal _en tenue d'atelier_, zooals hij zeide, de grijze blouse en pantalon en een rood fluweelen muts met crevés a la Rafaël. Hij droeg eene portefeuille onder den arm en zette eene kleine schilderkist neer, terwijl hij hen opgeruimd »goedenmorgen" wenschte.
»Zóó vroeg al aan 't werk geweest, master Pierrotain? dát verontschuldigt uwe achterlijkheid aan de ontbijttafel; gij hebt de fijnste geur van de thee laten vervliegen."
»Och daar let ik niet op, Sir! Verschoon mij zoo ik de vrienden wachten liet, maar ziet gij, ik watertandde er naar, hier eens wat te teekenen; ik heb in 't kleine stadje E. een paar dagen geflaneerd zonder iets te doen dan mijmeren en gisteren ook al leeg geloopen.... gij begrijpt dus...."
»Met uw ijver beschaamt gij onze verdenking," viel Sir Reginald in, Frits glimlachend aanziende, die even kleurde en hem een blik toewierp of hij hem het zwijgen had willen opleggen.
»Gijlieden hebt mij verdacht? ei zoo! waarvan dan toch? Zeg op, Frits! gij kleurt als een schuldige."
»Niet van kwaad, toch slechts van wat overdreven piëteit! In één woord, wij meenden dat gij naar de vroegmis waart."
Piet schudde het hoofd. »Gij schijnt daaraan te hechten, Frits! maar ik had er niet noodig, ik had den goeden pastoor Reinfeld eene kleinigheid beloofd, een duingezicht, iets uit zijn dorp als souvenir.... ik ging dàt croqueeren."