Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 25
De gissing van Wilkinson bleek juist. Het diner was te vier ure besteld en in 't laatste kwartier kwamen de genoodigden van alle zijden opdagen. Nu eens twee aan twee in zoogenoemde kapchaisen, dan weer anderen te voet, kennelijk deftige dorpelingen; allen kwamen met meer of minder gemeenzame, meer of minder linksche houding en manieren, naar den schilder toe, ontwijfellijk de held van het feest, wisselden groeten en handdrukken met hem, die onder alles door druk en onder een levendig gebarenspel praatte met de omringenden; de rollen schenen wel omgekeerd; het was of de schilder receptie hield in plaats dat hij de gerecipieerde was. Ten laatste kwam er eene deftige calêche aanrijden met fraaie koetspaarden bespannen; »eigen spul," zooals de Jan in den zwarten rok aanmerkte, hoewel de knechts geene livrei droegen. Drie heeren stegen er uit, een deftige stadspastoor, met een frisch blozend gelaat en zilvergrijze haren, zwart zijden kousen, gouden schoen- en broekgespen, en een rotting met zwaren gouden knop. De tweede, een zwaarlijvig heer, die er wel niet heel voornaam uitzag, maar die zeker de rijke man en de eigenaar van de equipage was, want op zijn wit vest met uithangende kanten jabot, bungelde eene zware gouden horlogeketting met eenige cachetten; eene groote juweelen speld stak hem in de plooien van het overhemd, en zijn donkerbruine fantasierok was met blinkende knoopen bezet. Onder zijn eenigszins lagen zwarten hoed droeg hij een bruine naturel en om zijn dikken hals was een smalle gekleurde zijden das geknoopt, een wijde lakensche jas, _à la propriétaire_, hing losjes over zijn _frac_ heen, en liet vóór al den luister van zijn toilet bloot. Het was een Amsterdamsche bankier, die de zaken beredde voor de Belgische familie, waarmede Piet Snibs in relatiën stond. Der derde was een heer, ook reeds van leeftijd, zeer eenvoudig gekleed in een bronskleurige gekleede jas, maar in zijn knoopsgat een paar lintjes dragende, die hem terstond aanduidden als iemand van distinctie. De komst van dezen persoon was blijkbaar voor onzen kunstenaar eene verrassing, want hoewel hij met zekere voorkomendheid naar voren was gekomen, toen de calêche stilhield en hij er den pastoor en den bankier zag uitstijgen, had hij dezen alleen beleefdelijk gegroet, en de hand geboden om uit te stijgen; maar niet zoo haast zag hij het gelaat van den derden, of een kreet van verrassing ontsnapte hem en hij wierp zich met hartstochtelijke blijdschap aan zijne borst.
»Mijn nobele vriend en weldoener, gij hier! gij hier om mij! had ik dát kunnen wachten!" herhaalde hij, terwijl hij alle overigen in den steek liet; er stonden vreugdetranen in zijne oogen, toen hij voortging: »En gij, zoudt gij _mij_ herkend hebben, den armen verstooteling, dien gij u zoo edelmoedig hebt aangetrokken?"
»Wat zal ik u zeggen, beste jongen! ik wist nu wie ik vinden zou, ik was er volkomen op geprepareerd, men had mij om zoo te spreken reeds uw signalement gegeven; maar zonder dat zou ik u waarlijk niet voor dien armen geplaagden jonkman herkend hebben, dien ik eens de hand heb mogen reiken tot een nobel doel! Op mijn woord, gij zijt een geheel ander mensch geworden, en toch wel geworden wat ik heb voorspeld, een geniaal kunstenaar en een braaf jonkman gebleven ook, niet waar! Ja, ja! wij kennen u Monsieur Pierrotain-Cham, _tête de fer, c[oe]ur de flamme, pieds légers_,--_trop légers_ zelfs, want zij dienen al te vlug de wenken der fantasie! Neen, spreek me niet tegen, ik heb van uwe équipées gehoord; de vrienden te Antwerpen hebben bitter over u geklaagd; maar 't is je vergeven, het succes maakt in dezen alles goed...."
»Ziet gij, mijnheer! aan schrijven doe ik niet veel, anders had ik u alles eens uitvoerig meegedeeld, en gij zoudt mij gelijk hebben gegeven."
»Men heeft nooit gelijk als men wegloopt en buiten zijne meesters om exposeert!" antwoordde de andere glimlachend; »maar als zulk een _coup de tête_ dan tot uitkomst heeft, dat men de gouden medaille behaalt, en wel in een vreemd land, waar men geheel onbekend, geheel zonder protectie is, dan moet ik zeggen, dat het stout bestaan gerechtvaardigd is. En de schilderij, die gij hier gebracht hebt, moet grandiose zijn, naar ik hoor zeggen...."
»Gij hebt haar zelf niet gezien?" vroeg Piet wat teleurgesteld.
»_Mon cher!_ ik had nog geene occasie. Ze hebben mij meegetroond; ik liet mij verlokken om u weer te zien en bij uw triomf te assisteeren; maar ik blijf slechts een paar uur, ik moet doortrekken, ik ga naar België terug, familiezaken en--onder ons in vertrouwen--het uitzicht op eene goede positie te Brussel; gij verstaat mij, 't is hier niet het ware land voor de kunst. Koning Willem _me fait mauvais visage_, sinds de revolutie is uitgebroken, en ik voel het duidelijk, mijn tijd is uit, vat ge;" terwijl zij dit onderhoud voerden, arm in arm op- en neerwandelend, hadden de overigen zoo goed zij konden onder elkander kennis gemaakt; en nu kwam de knecht, die »alleen voor de tafel" was, met een servet in de hand en witte katoenen handschoenen aan, berichten dat er gediend was.
Allen stormden nu naar binnen; voor de meesten was dit etensuur een zeer ongewoon, voor geen van allen was het iets onverschilligs dat er aan het sammelen en heen en weer drentelen, dat ieder feestelijk diner voorafgaat, een eind was gekomen.
Mr. Pierrotain-Cham, zooals het nu bleek, dat hij zich liet noemen, trad het laatste binnen aan den arm van zijn eersten vriend en beschermer, den kunstschilder N., den man, die terstond van hem de getuigenis had gegeven, dat _le feu sacré_ in hem gloeide en die het zijne had gedaan om dat aan te wakkeren.
Nog vóór het groote diner in vollen gang was, kwam het dienstmeisje, nu met eene heldere muts op en hagelwitte voorschoot aan, het vischgerecht opbrengen bij onze vrienden. Heerlijke waterbaars, met fijne Hollandsche boterhammetjes, prachtige sausbaars en de onmisbare aardappelen, opgedischt in eenvoudig wit Engelsch aardewerk, was wel geschikt om den eetlust op te wekken van lieden, die een paar uur rijdens en eene fiksche duinwandeling achter zich hadden. Sir Reginald liet zijn portwijn ditmaal waar die was en waagde zich aan den muscaat- en rijnwijn, door meester Baptist als extra aangewezen. Hij bevond er zich wel bij, had schik in alles, maakte Trijntje nu zijn compliment over haar zilver, dat als spiegelglas blonk, bewonderde het fijn damasten tafellaken, dat den slag van Praag voorstelde en dat zeker al in menige aanzienlijke familie dienst had gedaan eer het in de linnenkast van het dorpslogement was terechtgekomen. Frits, ondanks alle zijne tribulaties, voelde zich zeer gezind om met de optimistische luim van Wilkinson in te stemmen, en onder den smakelijken maaltijd, den opwekkenden wijn, begon hij zijn goed humeur en zijne vroegere levendigheid te herwinnen.
Trijntje bracht nu een enkelen _plat-doux_ en het eenvoudig dessert binnen, met de bijvoeging: »dat de heeren maar schellen moesten als ze nog wat anders bliefden." Frits kon niet nalaten haar een paar vragen te doen omtrent den gang van het groote diner en of zij ook zoo omtrent nagaan kon wanneer dat afgeloopen zou zijn.
»Gunst neen, mijnheer! daar is nu nog niets van te zeggen. U moet denken dat's een volslagen diner; ze zijn pas aan de sla met gebakken paling, ze moeten nog pudding hebben, en dan aan 't dessert, zoo velerlei vla en gebak, en zooveel gepraat, dat zij toosten noemen, en misschien wel verzen ook, en dan ligt er achter nog een mooie groene krans; die zullen ze, geloof ik, den vreemden heer op zijn hoofd zetten; dan wordt er tusschen dat alles druk gedronken, en ziet u, dat neemt nog al tijd; de diners hier duren altijd tot laat in den nacht."
»Dat spijt mij, dan zal er wel geene gelegenheid zijn voor ons om dien schilder eens te spreken."
»Wel, mijnheer! dat zou nog wel gaan, denk ik; als wij het dessert opbrengen houden ze pauze, om het zoo'n beetje te vertreden, denk ik; dan slenteren ze zoo wat in de kolfbaan, in de billardkamer, op het plein voor 't huis.... en dan zouden de heeren makkelijk een praatje met hem kunnen maken; maar volgens den dienknecht moet hij al een heele rare snaak zijn, zoo'n halve comediant; hij laat ze daar binnen lachen en huilen zooals het hem invalt. Jan kwam zoo pas in de keuken vertellen, dat hij aan den gang was met pastoor Harding uit de stad, en dat hij dien zoo bleek had zien worden als zijn servet."
»En weet je mij ook te zeggen hoe zijn naam is?" viel Frits in met zeker ongeduld.
»Niet precies! Die luidt zoo wat op zijn Fransch. Volgens zeggen van Jan moet hij een burgerjongen uit E. wezen, dien ze Frits Millioen plachten te noemen."
»Neen! die is het zeker niet. Dat moet eene vergissing zijn!" viel Frits uit, terwijl eene zonderlinge ontroering in zijne stem trilde.
»Ziet u, mijnheer! _ik_ hoor het zoo maar van Jan vertellen tusschen al die drukte in, ik zal niet goed verstaan hebben; maar het is een rare naam, dat's waar, het zal wel zooveel als een bijnaam zijn; bij ons.... weet u, mijnheer! ik kom zoo wat om de Noord vandaan, boven Schagen; bij ons, hadden we een jongen, die ze Hein Zes'thalf noemden, omdat hij eens in de schellingskraam met een zes'thalf had willen betalen;" en Trijntje lachte dat hare witte tanden er van te zien kwamen. Zelfs voor Frits was die gulle lach aanstekelijk; hij glimlachte zijns ondanks, maar zijn lust was verloren tot verder onderzoek bij haar.
»Als de heeren maar blieven te schellen zoo ze nog iets noodig hebben," sprak het meisje, ziende dat haar discours niet langer werd begeerd; »ik moet nu helpen aan het dessert."
»En toch is mijn verlangen om van dien man meer te weten sterker dan voorheen!" zei Frits tot zijn nieuwen vriend.
»Wel, daar zal zeker wat op te vinden zijn, al zouden wij tot morgenochtend hier moeten blijven; het komt mij daarenboven voor, dat gij rust noodig hebt, en of gij nu een dag vroeger of later te Amsterdam komt, doet er immers niets meer toe?"
»Vóór ik mijne papieren had kon ik geen stap doen tot dat andere...." zei Frits. »Ik heb nu den tijd aan mij zelven, aan u...."
»Begin maar met hem uw kaartje te zenden en te vragen wanneer hij u eenige oogenblikken geven kan. Is hij dan dien gij meent en wil hij zich de dagen zijner jeugd herinneren, dan is alles in order, en hij zal u zijn tijd aanduiden. Hebt gij u vergist, dan zal hij u uit den droom helpen en ons mogelijk gratis zijne kennismaking accordeeren."
»Ik ben waarlijk niet eens van kaartjes voorzien," zei Frits met eenige verlegenheid.
»Dat beteekent niets, hier is het mijne; schrijf een paar woorden op de keerzijde met potlood; hier.... neen!.... wacht, niet simpel Wilkinson, dit is beter: Sir Reginald Peter Wilmot van Desborough, Baronet."
Terwijl Frits schreef, schelde Sir Reginald.
Ditmaal kwam meester Baptist Meijer in eigen persoon binnen.
Zijne bedienden waren bezig met het arrangeeren van het dessert. Hij kwam zelf de orders van »Mylord" vragen.
Daar hij zich in vrij vlug Fransch tot Wilkinson wendde, antwoordde deze zonder de moeite te nemen van de onjuiste titulatuur te rectificeeren.
»Hebt gij goede kamers voor 't geval dat we hier blijven logeeren?"
»Tot uw dienst, Mylord! Mylord zal tevreden zijn, ik weet wat heeren van rang toekomt."
»Heel goed, want het zou kunnen zijn, het hangt in zekeren zin af van het antwoord dat gij ons van den schilder zult brengen, zoo gij in de gelegenheid zijt hem dit kaartje te overhandigen."
»Ik zal er voor zorgen, Mylord."
»Hoe noemt hij zich eigenlijk?"
Baptist haalde de schouders op. »Hij laat zich noemen Mr. Pierrotain-Cham; maar dat is zeker zijn echte naam niet, want hij is een Hollander en heeft nog een vader wonen te E."
»Dat's nu weer eene geheel andere lezing" merkte Wilkinson aan.
»Ik begrijp er niets van," zei Frits.
»Niets meer van uwe orders, Mylord?"
»Hebt gij drinkbare champagne, master Baptist?"
»Om u te dienen, Mylord! uit hetzelfde kanaal als mijnheer de Baron Dufresne, mijn vroegere meester, die om zijn kelder beroemd was."
»Arme man!" zei Sir Reginald glimlachend, »die beroemdheid zal hij niet gratis verkregen hebben; maar 't is wèl, breng ons een flesch, en zorg dat die den smaak van den Baron geen schande aandoet."
Eenige minuten nadat Baptist zich verwijderd had om de orders van »Mylord" te volbrengen, kwam de knecht, die »alleen voor de tafel" was, in eigen persoon met zijn servet over den arm en zijne witte handschoenen aan, de champagne brengen en ontkurken.
»Is ons kaartje aan den schilder gebracht?" vroeg Wilkinson.
»Ja, mylord! het _is_ gebracht," sprak de Jan ook met de buiging die hij van zijn meester had afgezien, en zweeg meesmuilend met een gezicht of hij er nog iets had bij te voegen.
»En wat is het antwoord?" vroeg Frits in zekere spanning.
»Een raar antwoord, mijnheer! Mijn meester heeft mij verboden het over te brengen."
»Zooveel te noodiger is het ons te weten."
»Om de waarheid te zeggen, mijnheer! zei hij zooveel als dat de Engelsche lord naar de maan kon loopen en is daarop een Fransch liedje gaan zingen, tot groot vermaak van de overige gasten. Mijn meester gelooft dat hij de hoogte moet hebben om zoo'n astrant antwoord te geven aan een voornaam heer; maar ik heb gemerkt dat hij veel minder drinkt dan een van de anderen; hij zet maar even zijn mond aan 't glas en als ze hem plagen om te drinken, weet hij zóó te goochelen, dat de wijn op den vloer terechtkomt, zij merken het niet, maar ik.... ik merk het wel!"
»En weet gij zeker, dat hij goed gelezen heeft wat er op het kaartje stond?" vroeg Frits zichtbaar teleurgesteld.
»Ik denk wel van ja, mijnheer! maar hij heeft het met een knorrig gezicht naast zijn bord geworpen en daarop mij die gekke boodschap gegeven, die ik niet overbrengen mocht; als er ongenoegen over komt, hoop ik dat de heeren zeggen zullen, dat ze er mij toe gedwongen hebben. Excuseer, ik hoor schellen, dat is bij mijn meester; nu zal er pauze zijn en wij gaan het dessert opbrengen," en schielijk maakte de Jan rechtsomkeert, in zijne vaart echter plotseling gestuit door iemand, die met gelijke drift de kamer binnenstoof en die hem bijkans omverstiet. Het was de excentrieke kunstenaar in eigen persoon, die met uitgestrekte armen in eens door naar Frits toeliep, aan zijn hals viel en uitriep:
»Dat's nu eens braaf van je gedaan, Frits! Dat doet je hart eer aan zoo'n ouden kameraad te gedenken, en je weet niet hoe goed het _mij_ doet."
»Zoo heb ik mij dan toch niet vergist," hernam Frits nu ook gul en levendig, daar hij de oprechtheid dier blijdschap las in de sprekende trekken, in de glinsterende oogen van zijn schoolmakker, in wien hij, hoe ook veranderd en vervormd, nu toch den eigen Piet Snibs herkende. »Wel, Piet! ben je het toch, ik vreesde zeer mij bedrogen te hebben, ik vreesde al dat ik den verkeerde voor had."
»Neen, neen! gij hebt goed geraden, ik ben de eigen kwajongen, waarmee je zoo dikwijls gevochten hebt en die menigen stomp aan je te danken heeft en jij misschien wel eens een blauw oog of een neusjebloed aan mij! _C'est égal! c'est de l'histoire ancienne, sans rancune._ Daar lachen we nu om, niet waar? en 't herdenken er van is pret, na al het andere wat we doorleefd hebben, vindt je dat ook niet? Ben je al lang hier? Hoe jammer dat je mij niet eerder gewaarschuwd hebt, ik had je dan aan die heeren genoemd, en gij zoudt mijn gast zijn geweest."
»Dat had toch niet kunnen zijn, ik heb een reisgenoot, vriendlief! dien gij over 't hoofd ziet," hernam Frits glimlachend, en Piet een wenk gevende dat hij zich omkeeren moest daar deze met den rug naar Sir Reginald had gestaan, die met echt Britsch flegma de zwijgende toeschouwer van het tooneeltje was geweest.
»_Un million d'excuses, monsieur!_" sprak Piet, zich nu haastig omkeerende, even het hoofd buigende, zonder den hoed af te nemen, dien hij als een bestanddeel van zich zelf scheen te beschouwen.
»Sir Reginald Peter Wilmot, van Desborough-Castle, Baronet," hervatte Frits, met zekeren nadruk op den titel, als om Piet te beduiden dat hij wel wat meer beleefd kon zijn.
»Zeker de Maecenas van mijn kunstbroeder," sprak deze nogmaals met eene lichte hoofdbuiging, »_enchanté_, mylord!"
»Doe u zelven geen geweld aan, master Pierrotain-Cham," sprak Sir Reginald opstaande, »ik zal mij verwijderen, ik verlang geen _fâcheux troisième_ te zijn, en ik heb begrepen, dat ik in mijne kwaliteit van Engelsch edelman het ongeluk heb gehad uwe antipathie op te wekken, _sans rancune_. Ik heb eerbied voor eene kunstenaarsluim!" en hij wilde heengaan.
»_Dix mille millions d'excuses!_" riep nu Pierrotain-Cham, zooals wij hem nu ook maar zullen noemen, in den weg tredende, en zekere verlegenheid onder die exageratie verbergende. »Hoe komt Uwe Lordschap aan deze opvatting?"
»Wel, ik heb gehoord van den noodlottigen indruk, dien het zien van mijn kaartje op u heeft gemaakt."
»_Oimè_, daar gaat mij een licht op! _trahison! perfidie!_" galmde hij uit, den eersten zanger in de Robert parodiëerend, »die lakeien-ziel heeft mijne eerste verwonderde exclamatie overgebriefd! Mylord! nu moet ik alles opbiechten opdat er volle absolutie volge. De lompert steekt mij het kaartje toe met uw naam en titels, er bijvoegende, dat die heer mij op staanden voet spreken wil. Ik, die om een vriend weer te zien een uur ver zou loopen en een heelen dag zou willen vasten, zag er voor mij volstrekt geene noodzakelijkheid in, om op commando van den eersten vreemdeling den besten, omdat hij _Baronet_ achter zijn naam voert, van een diner op te staan, waarvan ik, nota bene! de held ben! Ik lach bijgevolg om den eisch, voeg er eenige invectieven bij die niet precies vleiend zijn voor den Baronet, die zich aanmeldt en hef al lachende het refrein aan van een koor uit eene opera, dat wij in onze schildersbent nogal eens opdreunen, als protest tegen de klimmende Anglomanie onder de Parijzenaars." En met kluchtige ateliersverve declameerde Piet de welbekende regels.
Daarop nam hij met een ondeugend _sérieux_ zijn hoed af, schudde de gladde zwarte leeuwemanen achterwaarts en sprak even de knie buigende op een half eerbiedigen, half moedwilligen toon: »_Excusez, Mylord! les peintres sont des fantasques_, maar ze weten berouw te toonen en ze schijnen soms erger dan ze zijn; ik had niets tegen den Lord, ik had alleen tegen het ontbod op commando van een vreemdeling; toen ik mijn toorn had lucht gegeven, viel mijn oog weer op het kaartje, dat ik toevallig omgekeerd neergeworpen had, en ik zag den naam van Frits Rosemeijer, van den ouden kameraad! Toen wierp ik mijn servet over mijn bord, mijn glas over het tafellaken en deserteerde eer de schel voor de pauze nog had geklonken, om mijn ouden Frits in de armen te snellen. Heb ik mijne absolutie, Mylord?"
»Ten volle, mits gij penitentie doet, een glas champagne met mij drinkt en er voortaan aan denkt, dat ik geen recht heb op den titel van Lord, en dat ik op reis simpellijk Master Wilkinson ben; onderwerpt gij u aan de boetedoening?"
»_Yes, Sir_! met alle gewilligheid, ik zal met u klinken, maar wat drinken betreft: _beg pardon if you please!_ en nu, mag ik verder Fransch spreken? want ik heb om de waarheid te zeggen al mijn Engelsch in eens uitgekraamd, en Frits zal u zeggen dat het voor den Piet Snibs, dien hij gekend heeft, al heel veel is, zoo hij zich in ééne vreemde taal weet uit te drukken."
»Spreek precies wat gij wilt en zooals gij wilt, ik versta zelfs een woord of wat Hollandsch, dus geneer u niet. Gij weet niet hoe het mij verheugt die twee jongelieden bijeen te zien in wier geschiedenis ik geen vreemdeling ben. Master Frits Rosemeijer _is_ reeds mijn vriend, master Pierrotain-Cham zal het, hoop ik worden."
»Ik ben er al mee bezig, Sir!" zei Piet, nadat zij geklonken hadden, en nadat hij even zijn glas aan de lippen had gebracht, terwijl Frits en Wilkinson er geen bezwaar in vonden de hunne te ledigen.
»Meen niet _que je fais la petite bouche_ uit hypocrisie of om als model van matigheid te poseeren," ging Piet voort, »maar ik heb nog een heel dessert voor mij, en ik ben toch al zoo druk, zoo opgewonden; alles vibreert, alles resonneert in mij, ik heb honderd goede redenen om daar ginds bij die anderen kalm, waakzaam, mij zelf te zijn en toch reeds het weerzien van eene figuur uit mijne sombere kindsheid zet mij een roes aan. Goden en menschen! wat een tijd, welke herinneringen!" Toen, zich tot Frits keerende, viel hij op eens uit, terwijl hij hem op den schouder klopte. »Millioentje! Millioentje! wat zijn we allebei een eind opgeschoten! Wat hebben we al een weg gemaakt sinds ik jaloersch van je was omdat gij weggingt, terwijl gij mij in stilte benijddet omdat ik blijven mocht! Ja, ja, Frits! wij behoeven er nu geen doekjes meer om te winden, gij waart de uitverkorene, maar _ik_ had de roeping, en dominé Willems zaliger was een _would-be_-kunstbeschermer, die niet verder zag dan zijn neus lang was."
Terwijl hij luisterde naar Piet Snibs in Pierrotain-Cham gemetamorphoseerd, had Frits een gevoel als iemand, die in een draaimolen zit en wien het schemert voor de oogen. De drukke hartelijkheid van den ouden bekende, met wien hij meer getwist dan gespeeld had, trof en verraste hem, maar tegelijk voelde hij zich als overbluft door den lossen, vrijen toon van den kunstenaar, dien hij zich nog zoo goed kon voorstellen als den gedrukten, lijdenden, linkschen, armelijk gekleeden Piet Snibs, en de levendige, schalke, overmoedige persoon, die daar nu voor hem stond, in eene kleedij die wel wat excentriek maar toch elegant was, had zoo weinig overeenkomst met de droevige figuur die hem in 't geheugen lag, dat hij, die zijn eigen positie alles behalve glansrijk vond, zijn aplomb er door verloor, en het woord niet meer wist te vinden om in dien opgewekten toon in te stemmen; maar nu de roekelooze hem als uittergde om het voor zijn overleden vriend op te nemen, kon hij zich niet weerhouden te zeggen:
»Het is waar! dominé Willems was meer goedhartig dan helderziend, maar zijne profetie omtrent u is toch wel bewaarheid geworden!"
»In welk opzicht dan toch? Als ik ooit een profeet had te schilderen, zou ik er zeker geen Willems voor laten poseeren."
»Ik evenmin; maar toch.... heeft hij je niet voorspeld dat je nog eens door de Roomschen zoudt ingepakt worden? En nu, mij dunkt het is er al mooi toe gekomen."
»_C'est vous qui l'avez dit_" declameerde Piet, »maar het bewijs er voor, _mon cher_?"
»Het bewijs? Mij dunkt, dat is niet ver te zoeken...."
»Bah! dat dinertje, mij door een pastoor en zijne kerkvoogden aangeboden, omdat ik eene schilderij voor hunne kerk heb gebracht?"
»Zouden zij er toe gekomen zijn, zoo gij u niet door de geestelijkheid liet voortkruien?"
»_Le cas est pendable!_ ik erken het, maar ben ik er u rekenschap van schuldig?"
»Dat bedoel ik niet, maar toch, gij zult mij niet wijs maken dat gij onder dat alles door, trouw hebt gehouden aan uwe protestantsche belijdenis?"
»Dat's een krasse consciëntie-vraag, Frits!" sprak Piet, even het hoofd schuddend, »mij te gewichtig om onder een glas champagne behandeld te worden, maar al zou ik nu ook kortheidshalve toestemmen, dat er werkelijk met mij gebeurd ware wat dominé Willems heeft voorzegd, dan nog zou _hij_ daarom geen profeet zijn, want ik zelf heb het hem vooruit gewaarschuwd, dat ik mij tot de Roomsche kerk zou wenden, zoo zij mij te hulp kwam om mijne zucht voor de kunst te bevredigen!"
»Dat is zoo in de manier van de kunstenaars in de middeleeuwen, die hunne ziel aan den duivel verkochten om de macht te krijgen onnavolgbare meesterstukken voort te brengen."
»Zoo omtrent hetzelfde, althans naar de beschouwing van zeker bekrompen protestantisme, zooals de brave Willems het zijn leerlingen ingoot," repliceerde master Cham droogjes, en zijn glas nemende.
»Zie toch, master Wilkinson! hoe weinig gij op mij rekenen kunt; ik moet uw champagne drinken, want mijn kunstbroeder dáár doet me herdenken aan al het lauwe water, dat ik in mijne leerjaren heb moeten slikken, en ik word er opnieuw wee van!"