Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 24
»Zoo ze 't gedaan mag hebben in hare eerste drift, is zij later toch niet bij die kwade intentie gebleven: »Denk aan Piet, denk aan mijn armen zwerver!" zei ze nog toen ze haast niet meer spreken kon, en toen ik antwoordde: »Wees er gerust op, Neeltje! Je kent sergeant Doelman, hij zal er voor zorgen, dat je zoon krijgt wat hem toekomt, als hij weerkeert;" toen drukte zij mij de hand zóó hartelijk, dat er mij de tranen van overliepen. Zie je, daarom schreef ik je terstond, zoodra ik den brief ontvangen had, waarin gij naar uwe moeder hebt geïnformeerd. Eerder kon het niet, want we hebben nooit een spoor van je ontdekt, hoeveel moeite we ook deden."
»Dat is niet te verwonderen. Jarenlang heb ik al het mogelijke gedaan om mij schuil te houden, met het vaste voornemen om niet terug te keeren voor ik meerderjarig was, en op den weg om een goed kunstenaar te worden, opdat Moeder zou moeten berusten in het _fait accompli_; had ik betere gezindheid in haar durven hopen--God weet dat ik niet zoolang zou hebben gewacht!"
»Ja, jongen! het is niet aan je te wijten; maar voor haar spijt het mij dat zij de wederkomst van haar verloren zoon, zooals ze je altijd noemde, niet heeft mogen beleven. Het arme mensch heeft om zoo te spreken haar eigen kind niet gekend. Uit haar praatjes over »haar Piet" wachtte ik niet anders dan een woesten verloopen jongen voor mij te zien, een brutalen sinjeur, die eens kijken kwam of er nog wat te halen was. En 't is zoo heel anders uitgevallen! Toen ik maar eens over de vreemdigheid van je uiterlijk heen was, begreep ik dat de verwildering je het meest in je kleeren, in je manieren zat, en dat je karakter, je sentimenten, je gedrag precies het contrarie waren van 't geen ik mij had voorgesteld. Op mijn woord van eer, Piet, ik ben blij met je kennismaking!"
»En ik dan, papaatje! Ik heb alle reden om voldaan te zijn over de uwe. Zoo gij zelf mij niet het eerst gezegd hadt, dat moeder wat voor mij had nagelaten, zou ik er nooit aan gedacht hebben er naar te vragen! Je bent een eerlijk man, mijnheer Doelman!"
»Wel, dat's een mooie, je hoeft sergeant Doelman toch niet te prijzen, omdat hij geen dief is!"
»Ik mag toch wel zeggen, dat ge een stiefvader zijt uit duizenden! Het moederlijk erfdeel van den verloren zoon zóólang trouw bewaren, zoo voordeelig te beleggen en zoo gulweg uit te betalen, zonder dat hij er naar vroeg."
»En je hebt me nog den last aangedaan van het je te moeten opdringen, drommelsche stijfhoofd! Het kwam je immers toe en je kunt het gebruiken ook, denk ik?"
»Wat dát betreft, altijd! Waarheid is dat ik met heel weinig toe kan, maar met veel ben ik nooit verlegen; vooral niet nu ik naar Rome ga...."
»Maar daarvoor hebben ze je immers een jaargeld toegelegd?"
»Dat is zoo en Monseigneur de M. heeft mij mijne schilderij goed betaald ook; maar reizen, reizen in 't wild vreemde kost geld, en ik kan het nu niet meer doen zooals ik voormaals in België en in Frankrijk heb gereisd, te voet en zoo wat half om Godswil. Neen, nu zal het duur worden, voor mij vooral! want ik heb een zwak.... een gebrek...."
»Wat voor gebrek kan dat zijn, je lapt het toch niet door de keel? Met water en brood ben je immers tevreden?"
»De gewoonte," zei Piet met een glimlach; »ik heb het er zóólang mee moeten doen."
»Welnu, wat is het dan, de vrouwen?"
Piet haalde met sprekende minachting de schouders op. »De leelijken zie ik niet aan, de mooien zijn mij niets anders dan begeerlijke modellen! daarbij, een kunstenaar moet zich rein houden van alle uitspattingen, dat's mijn principe."
»Drommels, ben je zoo'n Jozef! dan geef ik het op om er naar te raden, want ik kan toch niet denken, dat het spel...."
»De afleiding voor leegloopers en suffe grijsaards! Ik zou mij schamen.... Neen, maar ik heb het ongelukkige zwak voor mooie zaken; het kost mij zelfs strijd om mij niet telkens te laten verlokken tot »zotte koopjes," zooals de kameraden het wel eens noemen. Antieke beeldjes, oude schilderijtjes, bronzen, vazen, al wat van dien aard artistieks onder mijne oogen komt, trekt mij aan als met onweerstaanbare macht, en als de prijs maar eenigszins onder mijn bereik valt, moet ik het koopen! Ik weet dat het eene dwaasheid is, bovenal voor een zwerver als ik ben, die beter deed zijn geld in zijn zak te houden en zijne bagage niet nutteloos te bezwaren; maar wat zal ik u zeggen, _c'est plus fort que moi_, en al neem ik mij vast voor aan geen caprice meer toe te geven, vrees ik toch dat er te Rome menige klip zal zijn, waarop mijne zwakheid moet stranden."
»Dat's nog een erfzwak van je moeder! Ik kon ze geen boeltafel voorbij krijgen, of ze moest koopen, schoon we al lang rentenierden!"
»Als dat zoo is, heeft het zich bij mij toch nogal gewijzigd. Zij zocht de winst, ik denk niet aan 't verlies, en dat volgt er toch meestal uit; zoo is 't ook met mijn tijd. Ik werk druk, dat is waar, met ijver, met volharding; maar op _mijne_ uren, ik luister gewoonlijk meer naar mijne fantasie dan naar het verlangen van liefhebbers en kunstkoopers. Ik onderneem soms van alles tegelijk zonder iets af te maken vóór het mij bijzonder aantrekt; en nog.... als anderen zeggen, dat eene schilderij af is, kan ik het niet nalaten om er eens opnieuw frisch op in te gaan.... gij begrijpt wel, dat deze manier niet de beste is om hetgeen men noemt geld te maken met zijn talent; maar ziet gij, ik kán niet anders, ik ben nu eenmaal niet geschapen om daglooner te zijn, en aan de onafhankelijkheid hangt bij mij de inspiratie."
»Sakkerloot, Piet! als ik je zoo hoor en zie en dan bedenk hoe je moeder je kortgehouden en gekoejonneerd heeft, je niets wou laten leeren, toen je eens van de cathechisatie af waart, zooals zij mij in hare uren van berouw wel eens gebiecht heeft,--dan moet ik zeggen, je hebt het ver gebracht, jongen, en dat zoo in je eentje!"
»Ja, Goddank! zoo ik geen idioot en geen huichelaar ben geworden, is het moeders schuld niet; maar, ziet gij, al dank ik veel aan mijn eigen moed en wilskracht, zonder bijstand van anderen ware ik nooit op gang geraakt.... Daarbij ik ben nu wel op den weg waarop ik wezen wilde; maar ik ben nog lang niet gekomen waar ik zijn moet! Ik wil eerst rondzien in Italië, in Rome vooral. Ik moet weten wat de groote meesters gedaan hebben, en dan probeeren wat ik zelf vermag! en vooruitgaan! vooruitgaan! streven naar het hoogste! meesterstukken scheppen, die onsterfelijk zijn, en een naam verwerven, die.... maar als ik daaraan denk! is het niet erbarmelijk, mijnheer Doelman, dat ik geen beteren naam heb om beroemd te maken dan dat wanluidende Piet Snibs?" eindigde hij verdrietelijk en met zekere drift den stoel wegschuivende, waartegen hij al pratende en declameerende had staan leunen, want bij zijne levendigheid van gebaren en woorden was hij geen oogenblik rustig blijven zitten.
»Ja, Piet! gij hebt wel gelijk, dat Snibs klinkt niet mooi voor een schilder van de romaneske school, zooals jij dat noemt."
»Pardon, papaatje! de romantieke school als ik je verzoeken mag; maar 't is waar, mijn naam past sinds lang niet meer bij mijn persoon, bij mijn werk, en als ik er voorloopig niet wat op gevonden had, zou ik liever drie kruisjes teekenen, dan dat hatelijke Snibs op mijne schilderijen te zetten."
»Daarbij komt nog, dat je niet eens recht hebt op dien naam."
»Geen recht, en waarom niet?" vroeg de jonge schilder wat verwonderd.
»Hé, ik dacht dat je 't wist," antwoordde de oude sergeant, nu ook opgestaan, zijn arm nemende en met hem opwandelend langs den straatweg; want de knecht in den zwarten rok, die »alleen voor de tafel" was, kwam weer post vatten in de open deur, kennelijk met het doel om eens naar hun gesprek te luisteren.
Piet met den rug naar die zijde gekeerd, zou hem niet hebben opgemerkt, maar de sergeant had den spie terstond in 't oog gekregen, en door »op te rukken" zijne intentiën verijdeld.
»Wat zou ik weten?" vroeg Piet in zekere spanning; »ik ben toch wel de zoon mijner moeder?"
»Ja! maar toen deze den cathechiseermeester Snibs trouwde, was haar kind zoo wat anderhalf jaar oud, en gij waart op het stadhuis alleen aangegeven als: Pieter, zoon van Neeltje Jansen."
»En mijn vader?"
»Hm! een rijkelui-zoontje, die het aardige naaistertje wat al te druk het hof had gemaakt, later zich met een handvol zeeuwen van de zaak afmaakte, met eene juffer van zijn stand trouwde en sinds lang overleden is. De goede Snibs had medelijden met het gevallen meisje, en ging haar opzoeken, om haar van de »dwaling haars wegs af te keeren," zooals je moeder zich uitdrukte. De veiligste manier daartoe scheen haar een echtgenoot tot gids te nemen en Snibsje liet zich snappen! Het zou me echter niet verwonderen, dat hij er spoedig berouw van heeft gehad, en er _onder_ is geraakt, want hij moet aan de tering gestorven zijn."
»Ja! nog zie ik den bleeken, kwijnenden man met een droeven blik zijn kerkboek opnemen en het huis uitsluipen, om naar zijne leerlingen te gaan; hij moet zeker een goed mensch zijn geweest, want ik herinner mij nog hoe hij mij vaderlijke zorg betoonde. Als ik gehoord had dat _zij_ mijne moeder niet was, het zou mij verlichting zijn geweest, ik beken het u; maar hij--mijn vader niet! Die vrouw heeft alles tegen mij gepleegd wat zij vermocht, niet eens een wettig kind! O, moeder! moeder!" en er sprak smartelijke bitterheid uit den toon der stem, uit den neergeslagen blik.
»Gij begrijpt wel, dat de weduwe Snibs mij deze bijzonderheden niet heeft meegedeeld dan op 't uiterste, toen er kwestie was van haar testament te maken; wat mij betreft ik stapte er overheen, en gij moet het u ook maar niet aantrekken; ik sprak er alleen van om u te beduiden, dat gij u met hetzelfde recht Pieter Doelman kunt schrijven, en mijn naam is tot je dienst als die je beter voldoet."
»Dankbaar voor de intentie, maar.... ik kan dat zoo dadelijk niet met mij zelven eens worden," hernam de schilder, die zijn arm losgelaten had, en nu driftig heen en weer liep met gebukten hoofde en door strijdige gedachten geslingerd, die hij onwillekeurig uitdrukte door levendige gebaren.
De oude sergeant stond met verbazing naar hem te kijken, even het hoofd schuddend en in zich zelf mompelend: »'t Is toch een rare snuiter!"
Piet kruiste de armen over de borst, drukte den hoed nog dieper over de oogen en bleef in die houding naar den grond staren, onder het mompelen van onverstaanbare klanken, die zeker ook niet voor zijn eenigen toehoorder bestemd waren en wier bedoeling vermoedelijk niet vleiend was voor de vrouwen in 't algemeen en voor de weduwe Snibs-Doelman in 't bijzonder, want de oude sergeant, die al naderbij was gekomen en enkele klanken opving, riep nu op eens:
»_Sacre bleu_, Piet! je vergeet dat we hier op den publieken weg zijn en zooals je daar staat een morrende alleenspraak te houden, doe je me denken aan Ward Bingley in »Menschenhaat en Berouw".... En dan je vreemde kleeding daarbij; het verwondert mij niet dat een buurman te E. mij vroeg of er een _spulle_man bij me logeerde?"
Die toespraak was nog niet voleindigd, of Piet, in zijne sombere overwegingen gestoord, barstte in een schaterend gelach uit, dat echter eer van geprikkelde zenuwen, dan van opgeruimdheid getuigde, ging naar hem toe en sprak met een blik, waar een zonderlinge gloed uit lichtte:
»Welnu, die buurman heeft gelijk! een spulleman, een zwerver, een wie niemand toebehoort, kan precies met zich zelven doen wat hij wil en die heeft ook geen vasten naam noodig. In Engeland noemt hij zich John, in Frankrijk Louis, in Duitschland Hans, in Italië Mas-Aniëllo! en zóó zal ik ook doen."
»Mas-Aniëllo! ben je dol, Piet! die vent uit de comedie daar het oproer in Brussel door aangekomen is; als je zoo praat, zou men waarachtig denken dat er een streep door loopt; maar, komaan, daar halen ze den kiereboe al uit den stal; het wordt mijn tijd en de uwe ook, je moet je toch zeker kleeden?"
»Mij verkleeden? Waartoe dat! Is mijne polonaise niet elegant? En fluweel, de rijkste stof, de laatste chic! Ik heb expres de speld in mijn das gestoken, die de prinses d' A. mij gegeven heeft, omdat zij zoo voldaan was over haar portret."
»Ja! maar jongen! voor zulke deftige heeren dien je toch wel een zwarten rok aan te trekken."
»Een zwarte rok!" en de lach van Piet was ditmaal even natuurlijk als luid; »een zwarte rok! Men moet een Hollander zijn om op zoo'n inval te komen; in onze schildersbent te Parijs hadden wij er één met z'n zessen; wie naar een bal of eene audiëntie moest, kreeg hem aan; ik.... heb hem nooit noodig gehad."
»Ik weet dat je er een in je koffer hebt!"
»Een mensch kan diep vallen! In België heb ik er een laten maken, omdat ik bij _la Comtesse_ de M. dineeren moest met Monseigneur; maar dat's nog geen reden om hem hier aan te trekken op eene vischpartij, in een buiten-herberg! haast een _pique-nique_! 't Is al mooi dat ik lichte glacé handschoenen aan heb, maar nu ik ze bekijk, mag ik ze wel wegmoffelen, ze zijn gescheurd en morsig geworden; als zoo iets niet frisch is, staat het armzalig," en al sprekende stak hij ze in zijn zak!
»Mijnenthalve, je moet zelf weten hoe je met die heeren omspringt!"
»Wees er gerust op dat ik weet wat ik doe. De pastoor is de gastheer; behalve een paar zijner stads-collega's en de agent van Monseigneur de M., zijn het allemaal burgerlieden, boeren-kerkvoogden, enz.; als zij nu den _épicier_ uithangen en met zwarte rokken en gewitdast verschijnen op een diner, dat zij aan een schilder geven, dan kan ik het niet helpen, dat zij een gek figuur maken. Zij moeten mij nemen zooals ik ben, dat's de beste manier om er niet onder te raken! Geloof mij, papaatje! zoo'n beetje excentriciteit is een schild, waarmede men veel kan afweren en alles onder mee kan voeren wat men maar goedvindt."
»Nu, 't is je eigen zaak! Daar is de kast, die mij _meevoeren_ moet en uit de laan hierover zie ik heeren komen, zeker van de gasten; nu jongen, ik zeg je adieu met een heel ander gevoel dan ik je welkom heette. Wij scheiden als vrienden en ik hoop je weer te zien! Als je soms te Rome wat te veel aan je liefhebberij en je fantasie hebt toegegeven en je beurs wat slap wordt, denk er dan aan dat je nog een stiefvader hebt, die Doelman heet en kind noch kraai in de wereld heeft; je kent zijn adres."
»Het zou al erg moeten spannen als ik me dát veroorloofde; maar gij zult toch van mij hooren, papa Doelman! en hierop houd je gezond en blijf bij de opgeruimdheid!"
»Zegen en voorspoed met je werk!" was het antwoord van den oud-militair, terwijl Piet hem in den wagen hielp; zij drukten elkaar nog eens hartelijk de hand.
De kiereboe reed weg op het sukkeldrafje van één paard. Piet zag haar na; in zijne groote wonderlijke oogen dreef zoo iets als een helder vocht; hij trok de randen van zijn slappen hoed, die al een paar keer op en afgenomen was, nu weer laag over 't voorhoofd, ging bij het tafeltje zitten, liet de beide ellebogen er op rusten en sprak halfluid: »Toch nog een vaderhart gevonden, ik, de verschoppeling!" en hij snikte onder zijne aandoening, maar verborg die en smoorde zijne eigene stem door zijn gelaat met beide handen te bedekken.
De heeren, die naderden, troffen hem nog in diezelfde houding, zijn rug en het gebogen hoofd was dus àl wat zij van hem te zien kregen; maar zij behoorden niet tot de genoodigden voor het diner; het waren onze goede kennissen Frits Millioen en zijn Engelsche reisgenoot.
»Aha!" sprak de laatste in 't voorbijgaan, »dáár zullen wij onzen genialen schilder hebben!"
»Ja! hij ziet er excentriek genoeg voor uit," stemde Frits toe; »zeker een Belg, die hier den Parijzenaar komt uithangen!" en met die weinig vleiende opmerking ging hij langs zijn ouden schoolkameraad heen zonder hem te herkennen!
IX.
Baptist Meijer, de kastelein uit het Bonte Paard, was voorheen kamerdienaar geweest bij een groot heer, die hem in zijne zaak had gezet; vandaar dat hij beter wist wat »een fatsoenlijk mensch toekwam," zooals hij het zelf uitdrukte, dan zijn collega uit de Zon. Nauwelijks had hij dan ook Sir Reginald met Frits bemerkt, of hij ging hen te gemoet met het bericht, dat er reeds voor hen gedekt was in den koepel, terwijl hij voorging om hun den weg te wijzen.
»De heeren zullen bediend worden nog vóór de groote tafel aanvangt," sprak de kastelein plechtig en verliet het vertrek met eene dier buigingen, die hem tot eene tweede natuur waren geworden.
Van uit die hooge luchtige koepelkamer had men door twee ramen een ruim landgezicht; een derde zijraam gaf gelegenheid om te zien wat er vóór het logement plaats vond, zoodat Frits die zich daar geposteerd had, den schilder kon gadeslaan, die nog in dezelfde houding was blijven zitten.
»De groote man schijnt niet in eene opgewekte luim; hij zit te pruilen of te mijmeren," sprak hij spottend.
»Wie weet welke zorgen of welk leed hij te verkroppen zal hebben voor zijne feestgenooten," antwoordde Sir Reginald.
»Gij hebt gelijk, dat zou kunnen zijn, en in dat geval ben ik hard en voorbarig met mijne aanmerking; maar toch.... ik weet zelf niet hoe het komt, hij wekt mijne ergernis door zijne vreemde uitmonstering; daar is ostentatie in, hij wil effect maken door alles en ten koste van alles. En nu! de houding van _le beau ténébreux_ aan te nemen, te midden van een triomf, dat komt mij voor aanstelling te zijn, die ik in een talentvol kunstenaar niet best velen kan. Als hij onze belangstelling wil wekken, moet het zijn door zijn werk, niet door een onmogelijken hoed op te zetten, en haarlokken te dragen als een middeleeuwsche troubadour."
»'t Is duidelijk," hernam Sir Reginald, niet zonder wat ironie, »die vreemde kunstbroeder heeft het bij u verkorven, omdat.... hij een vreemdeling is, en mogelijk niets ergers heeft gepleegd dan zich te vormen naar 't exempel van hen, in wier midden hij heeft geleefd. Wat mij betreft, ik laat me nooit afschrikken door wat bizarrerie. Ik wil zelf niet beoordeeld worden naar mijn uiterlijk voorkomen, omdat ik aantrek wat mij het meeste comfort geeft; bijgevolg acht ik dat anderen recht hebben op dezelfde vrijheid. Vergeef hem dus zijn hoed; wie weet hoe de persoon meevalt als gij maar eens zijne kennis hebt gemaakt."
»Ik geloof waarlijk dat niets mij zoozeer ergert dan dat hij mij de gelegenheid daartoe niet laat, door gestadig het hoofd af te wenden. Wacht, daar staat hij toch op, ik zie waarom, daar komen heeren aan van de dorpszijde; de pastoor, dat behoeft men niet te vragen, nog een frisch jong man, zoo het schijnt; de anderen.... zeker dorpsnotabelen. Ha! onze artist zet zich in postuur en gaat hen te gemoet; de buiging valt mij toe, die is los en zonder serviliteit; hoe! neemt hij niet eens zijn hoed af, waarlijk! maar even, alleen een genadige hoofdknik voor de boerenheeren, en aan heeroom steekt hij minzaam de hand toe! Dat's nogal sterk van een, die zich door de geestelijkheid laat voortkruien!"
»Is 't niet wat gewaagd dat zoo maar in eens vast te stellen, omdat hij eene schilderij aan een bisschop heeft verkocht?" sprak Sir Reginald met een ernstig hoofdschudden, hoewel hij overigens met echt Britsch laconisme al de opmerkingen van Frits aanhoorde, zonder dat zij hem bewogen om van de eens gekozen plaats aan de tegenovergestelde zijde der kamer op te staan.
»Ah zoo! nu keert hij zich met hem om!" riep Frits in triomf, zonder de _botte_ van Sir Reginald te riposteeren.
»Kom, dat valt mee! dat's geen alledaagsch gelaat; hij heeft waarlijk zijn hoed niet noodig om de attentie te trekken. Hoe nu?--daar wordt die afgenomen, toch niet om te groeten; neen, de pastoor bekijkt hem, en ze lachen er samen over! Dat's zonderling! dat voorhoofd, die oogen, wonderlijke oogen, zooals ik ze nooit meer heb gezien; ja toch, ja wel! zij doen mij denken aan.... maar dat's onmogelijk, dat bolbleeke, slaperige kereltje, en de sterke, bewegelijke trekken van dit schrale, maar zielvolle gelaat. Hoe komt het toch in mij op, en, dies ondanks, is er iets in die oogen.... dat zware beenige voorhoofd, dat mij hier eene gelijkenis doet vinden. Och! het zal zeker eene zinsbegoocheling zijn; de herinneringen mijner jeugd, die ik zoo pas opgefrischt heb, zijn er oorzaak van; want het is niet denkbaar...."
»Maar wat toch is niet denkbaar, wat brengt u zoo in vervoering?" vroeg Sir Reginald, nu zelf opgestaan en zich bij hem voegende.
»Sir Reginald! Gij zult mij uitlachen, maar die excentrieke schilder heeft een gezicht, dat mij herinnert aan dien armen stakkert, waar ik u van verteld heb, den cathechisant van dominé Willems, dien Piet Snibs, die zoo ongelukkig was en zoo jaloersch van mij, omdat ik mij aan de kunst mocht wijden. Hij kán het niet zijn; en toch hoe nader hij komt; hoe meer ik hem gadesla, hoe sterker die gelijkenis tot mij spreekt."
»En waarom zou het niet kunnen zijn? Kan de ingeschapen kunstliefde hem geene macht hebben gegeven, om alle hinderpalen uit den weg te ruimen...."
»Ik moet daar de waarheid van weten!" en Frits scheen willens zich in één vaart naar het voorplein te begeven, maar Wilkinson hield hem terug.
»Luister, _my friend!_ als gij van zulke herkenning pleizier wilt hebben, leg het dan voorzichtig aan; gij zult er wel gelegenheid toe vinden; dit oogenblik is het ongeschiktste, daar komen al meer en meer genoodigden; dit is zeker, zoo omtrent het uur van het diner.--Is hij, dien gij meent, dan is het tien tegen één dat hij daarvoor tegenover al die vreemden herkend wil zijn, en als hij zich koud en stug terugtrekt, maakt gij een gek figuur. Hij maakt niet veel werk van zijn familienaam, dat's gebleken, daar hij zijne schilderijen teekent als: Cham."
»En dat _Cham_ is juist iets wat in den zoon van vrouw Snibs kan vallen, wat op hem past; want hij doorzag hare huichelarij, hij ontdekte hare schande, en zij zal hem zeker haar zegen niet hebben meegegeven op zijne vlucht; maar gij hebt gelijk, als _hij_ het is, moet ik den gelegen tijd afwachten om de kennis te vernieuwen; als hij het _niet_ is, zou ik er evenzeer gek afkomen; gij hebt altijd gelijk, Sir Reginald! gij zijt de ware mentor voor zoo'n poveren Telemachus als ik ben."
»Als Telemachus maar naar Mentor wil luisteren, zie ik hem nog eens koning van Ithaka!" sprak Sir Reginald lachende; »nu moesten wij eens raadplegen over een punt, dat bij een _fish-dinner_ gansch niet onverschillig is. Hebt gij vertrouwen in de beloften van deze kaart?" en hij hield hem de lijst voor met de namen en de prijzen der wijnen.