Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 23
De schilder had kennelijk met vroegere tradities en conventies gebroken, trachtte naar oorspronkelijkheid al zou zij ook tot het bizarre gaan, maar hij vergoedde dit door zeldzame kwaliteiten. Er was kracht, er was kleur, er was leven in. De Christen martelaar was voorgesteld in het oogenblik waarop hij neergeknield ligt te midden zijner beulen, de aandoenlijk verhevene bede uitspreekt: »_Heer! reken hun deze zonde niet toe_," terwijl zij zich gereed houden met den laatsten snerpenden steenworp de reeds bloedende borst te verpletteren. De schilder had goedgevonden van zijn Stefanus geen zwakke, lijdende figuur te maken, maar een kloeken, majestueusen strijder in vollen zin. Die forsche, gespierde leden waren niet met den eersten steenworp ten doode gewond. De marteling moest niet van korten duur zijn geweest, maar zij had de heilige rust niet kunnen verstoren van den bloedgetuige des Heeren, sterk in _Zijne_ kracht. De uitdrukking van 't gelaat was in vollen zin eene Hemelsche; al het licht der schilderij was met meesterlijke kunstvaardigheid heengeworpen over het hoofd en de schouders. In den lichtglans, die als van dat gelaat afstraalde, was het te zien, dat die oogen zoo pas in zielsverrukking den geopenden Hemel hadden aanschouwd en dat de lichaamssmarten niet meer geteld werden, nauwelijks meer gevoeld bij de onuitsprekelijke zaligheid waarmee dát aanschouwen den trouwen belijder reeds nú had vervuld. Een fijnvlottende lichtcirkel zweefde boven het hoofd van den martelaar, als de gloriekroon die hem wachtte. Het effect van dien zilveren lichtglans te bewaren te midden van den breeden stroom van licht, die van boven neerviel als om de gemeenschap van den Heilige met de Bron van alle Licht aan te duiden, was eene vermetelheid, die alleen door _slagen_ kon worden gerechtvaardigd, maar zij _was_ geslaagd en het meesterschap van den kunstenaar was er door gestempeld. Het gekneusde en gebeukte onderdeel des lichaams was ten deele in het duister gelaten, ten deele vermomd door de omringende beulen, die met Rembrantieke forschheid waren opgevat; zij drukten inderdaad de helsche macht uit die hen bezielde, de macht der duisternis die beproefde wat zij vermocht tegen het Goddelijke licht. Saulus, waar hij de kleederen bewaart die de uitvoerders van het gericht der dweepzucht aan zijne voeten hebben geworpen, was voorgesteld in al den gloed eener dwalende geestdrift,--de vurige jongeling ziet het slachtoffer aan met al den haat van zijn gloeiend fanatisme; geen zweem van mededoogen beweegt die strenge trekken, alleen de toorn van den geloovigen Israëliet tegen den Godslasteraar, die den gekruisten Nazarener boven Mozes vereert, spreekt uit het belangwekkend gelaat. Ziedaar wel de Saulus die eenmaal Paulus zal zijn, maar hij is nu nog de Joodsche ijveraar, in vollen nadruk door het eerste bloed dat hij geroken heeft tot bittere vervolgzucht geprikkeld, en die welhaast zal opgaan naar Damascus, blazende dreiging en moord.
In één woord, de figuren hadden karakter en waardigheid, hadden geleefd voor den schilder, en daarom leefden ze nu ook voor den aanschouwer, ondanks het wilde, het schrille, het achtelooze zou men haast zeggen van de uitvoering.
»Ziedaar een groot, een merkwaardig talent," sprak Sir Reginald, nadat hij zich een tijdlang in stille beschouwing had verdiept.
»Dat moet erkend worden," zei Frits, »maar de schilderij spreekt niet tot ons met zachte waardige roeping, zij schreeuwt als een Jood bij eene kermistent! Er is eene overdrijving in, een jacht naar effect, eene vermetelheid in het minachten der détails, die artistieke losheid heet, maar hier tot ruwheid en hardheid is ontaard.
»Gij zijt een scherp kriticus," sprak Sir Reginald met een fijn glimlachje; »maar.... dat verwondert mij niet."
»Wie zelf gevallen is weet waar de struikelblokken liggen, meent gij misschien," sprak Frits somber; »maar toch deze fouten waren de mijne niet; had ik zóó gezondigd, ik zou niet aan mij zelven hebben gewanhoopt, al hadden ook anderen het gedaan. Deze schilder is zeker nog jong, en hij heeft al de gebreken van zijne deugden, maar...."
»Maar wie kan het zijn?" viel Sir Reginald in, bracht zijne _binocles_ aan het oog en zocht den naam op de schilderij.
Eindelijk vond hij in een duister hoekje de initialen C. H. A. M.
»Kent gij hier te lande een schilder, die deze voorletters voert?" vroeg hij aan Frits, die ontkennend het hoofd schudde, en zich tot den sacristijn wendde met de vraag of hij wist wie de maker was van de schilderij.
»Ik zou het mijnheer niet kunnen zeggen, ik heb alleen gehoord, dat de naam op de schilderij zijn ware naam niet is."
»Niet eens zijn ware naam en dan toch vier voorletters," sprak Frits, »dat lijkt wel eene charade."
»Wel, dan heb ik er het woord voor gevonden!" riep Sir Reginald opgewekt. »Cham! Cham! dat zal zijn pseudoniem zijn."
De sacristijn schudde even het hoofd.
»Mijnheer zal gelijk hebben, maar ik ken in den ganschen kalender geen heilige of martelaar die zoo heet, ofschoon ik mij heb laten vertellen, dat het toch een bijbelsche moet zijn."
»Wel zeker is het dat; een Oud-Testamentische, denk maar aan Noach: Sem, Cham en Jafet!"
»Daar heb je het!" riep de sacristijn, alsof hem een licht opging, »daar maalde me zoo iets van in 't hoofd, maar ik kan niet zeggen, dat ik het een mooien naam vind voor een Christen-kunstenaar...."
»Het kan wel een Jood zijn!" plaagde Frits, die zelf wat geprikkeld, juist in de luim was om anderen een weinig te kwellen.
Hij trof doel, de sacristijn kleurde van ergernis.
»Een Jood, mijnheer! Zou een Jood bekwaam zijn om onzen grooten Heilige, onzen patroon, dezen welzaligen martelaar zóó uit te schilderen!"
»Waarom niet, als hij een bekwaam kunstenaar is; het geloof zou er wel niet veel toe doen."
»Dat ben ik niet met u eens," viel Wilkinson in, met grooten ernst: »een Jood, tenzij er met hem de omkeering had plaats gegrepen, die een Saulus tot Paulus maakte; een Jood zou dit sujet óf niet gekozen óf niet zóó behandeld hebben; daar spreekt eene _gedachte_ in die verdeeling van licht en duister, die alleen vallen kan in een geloovig Christen, diep vervuld met en zich geheel indenkende in de hooge beteekenis van zijn onderwerp."
»Wat mij betreft ik geloof, dat het hier meest aankomt op de kunstvaardigheid en het begrip van kleur. De schilder zal een kolorist zijn, die zijne manier tot eene overdrijving opvoert, welke de verdienste van zijn kunstproduct vermindert; het is zeker een Franschman of een Belg."
»Ik zou het mijnheer niet kunnen zeggen!" hernam de sacristijn wat droogjes. Het kwam hem voor, dat Frits niet de vereering had voor het meesterstuk, die hij had hooren zeggen dat het toekwam. »Ik weet alleen dat die heer er mee uit Braband is gekomen...."
»En het toen aan uw pastoor heeft verkocht?"
»Excuus, mijnheer! Zijne Hoogwaardigheid de Bisschop van L. heeft het aan _onze_ kerk vereerd," zei de man met al de fierheid en deftigheid van zijn ambt.
»Wel zoo! wel zoo! is uw pastoor zóó in de gratie bij Monseigneur * * *?"
»Daar is me niets van bekend, mijnheer; maar Zijne Hoogwaardigheid is in den tijd hier bij ons pastoor geweest en uit oude betrekking op onze kerk heeft Monseigneur ons met dit kostbare kunststuk begiftigd."
»Ziedaar een goede _inval_, en ik stem u toe dat de schilder, die zijne voortbrengselen aan hooge geestelijken verkoopt, geen Jood kan zijn, maar wel degelijk een getrouwe zoon uwer Kerk moet wezen."
»Ik zou 't mijnheer niet kunnen verzekeren; ik weet alleen dat de kunstenaar verleden week toen de schilderij hier geplaatst is, met groote devotie den dienst heeft bijgewoond, en nadat deze geëindigd was en alle menschen uit de kerk waren, is hij nog wel een half uur op zijne knieën blijven liggen, dáár in dien hoek, vlak tegenover de schilderij, terwijl op zijn verlangen de organist nog een psalm moest spelen."
»Nu! wat heb ik gezegd; maar bij zooveel devotie kan hij geen Franschman zijn van onzen tijd; de maëstro zal een Italiaan wezen."
»Wel mogelijk, zijne kleedij althans is.... wel wat heel vreemd, maar de heeren hebben vandaag occasie hem te zien, als zij in 't Bonte Paard eten ten minste, want daar wordt hij gewacht; er zal een groot feestmaal gegeven worden te zijner eere."
»Wel, dan hopen wij zeker de kennis te maken van den grooten man," sprak Frits op een toon, die eene mengeling was van scherts en bitterheid. Nogmaals vestigde hij met diepe aandacht den blik op de schilderij, streek even met de vlakke hand over het voorhoofd als wilde hij eene pijnlijke gedachte wegvagen, slaakte een zucht en volgde met gebukten hoofde Sir Reginald, die bij 't uitgaan der kerk een paar goudstukken in de offerbus liet glijden. Een voorbeeld dat onze jonkman in zijne mate volgde.
De sacristijn deed hen uitgeleide onder diepe buigingen; hij had er nu berouw van dat hij wat strak en droog was geweest tegen vreemdelingen, die toch zoo kwaad niet waren, al had hunne geestdrift voor het kunststuk naar zijn gevoelen levendiger kunnen zijn.
Wat maakte Frits zoo somber en zwijgend op den terugweg? Wat had hem, gewoonlijk zoo goedhartig en welwillend, ditmaal in zoo'n kwelzieke stemming gebracht? Wat maakte hem wrevelig in zich zelf en tegen anderen? Waarom was hij zoo streng, zoo zonder verschooning tegenover de gebreken eener schilderij, die zeker geen onberispelijk meesterstuk was, maar toch een merkwaardig kunstgewrocht, terwijl de lofspraak hem zoo lauw en traag van de lippen ging? Waarom was hij beurtelings rood en bleek geworden, en beet zich de lippen zoo vaak hij er den blik op richtte? Was het ergernis over het werk of over zich zelf?
Sir Reginald was een opmerker voor wien deze symptomen niet verloren waren gegaan; genoeg menschenkenner om die gewonde ziel te doorzien en genoeg menschenvriend om mededoogen te hebben met een lijden, dat zich dús uitsprak. Voor het oogenblik deed hij niets om dat te verzachten; hij wist dat er kwetsuren zijn, die verergeren als men ze aanraakt; later, als hij het middel had uitgevonden om die te heelen, zou hij er op wijzen; maar hij wist nu dat hij in Frits een patiënt had getroffen, die zorgvuldige verpleging noodig had en ook waardig was.
VIII.
Pas hadden Frits en Sir Reginald den rug gewend om hunne wandeling naar het duin te ondernemen, of eene kleine dusgenoemde kiereboe met één paard kwam van de stadszijde aangereden, om evenals de berline voor het Bonte Paard stil te houden. Twee personen stegen er uit; een bejaard man met grijze haren en snorrebaard, stijve zwarte stropdas en sluitjas tot aan de keel dichtgeknoopt, die een stijf been had en op een stokje leunde, maar er overigens nog kras en opgewekt uitzag, en in wien men terstond den oud-militair moest herkennen; de ander, de jongere, die het eerst met één vluggen sprong uit de »boerenkast" wipte, zooals hij het voertuig noemde, terwijl hij zijn reismakker in 't afstijgen behulpzaam was, zag er vrij excentriek uit.
Hij droeg een zwarte vilten hoed met wapperende groene linten, welks hooge bol als een suikerbrood uitliep, en die slechts een veer of eene roos noodig had, om door den eersten Tyroler den besten te worden gemijnd. Zulk een hoed werd toenmaals in Holland noch gezien noch gedragen, dan in kermistijd, en »door 't kermisvolk"; wie er zich buiten die bachanaliën-dagen mee vertoonen durfde, moest òf een brutale opsnijder òf een vreemdeling zijn, onbekend met en onverschillig voor den indruk, die zulk een inbreuk op het alledaagsche bij de bevolking van oud-Nederland moest maken. Deze heeft zich sedert 31 wel aan wat anders moeten gewennen! Maar _la question n'est pas là_. Dit hoofddeksel rustte bij onzen jonkman op zwart haar, dat _à la page_ gescheiden, langs zijn hals en schouders neerviel, lang en sluik als de manen van een paard, terwijl de eenigszins slap neerhangende rand een breedbeenig voorhoofd bedekte met zware zwarte wenkbrauwen, die een paar diepliggende oogen overschaduwden van eene onzekere kleur, maar wier glans zoo vaak hij ze opsloeg, zoo vaak hij ze spreken deed, zou men haast moeten zeggen, licht en leven gaf aan een bleek, mager gelaat, met sterke onregelmatige trekken, maar die zeer bewegelijk waren en vol uitdrukking. Een zwarte fluweelen jas _à la polonaise_ met passement belegd en blinkende vergulde knoopen; een pantalon met Schotsche ruiten van blauw, rood en groen dooreen; verlakte laarzen, wier punten lang en smal uitstaken, of ze aan de tootschoenen der middeleeuwen wilden herinneren; een groote omgeslagen boord, die den hals bloot liet, terwijl een zwart satijnen cravat met roode punten er losjes onder geschoven en vastgemaakt was met eene speld in den vorm van een ster, een smaragd met kleine diamanten omzet, wier schittering bij iederen lichtstraal die er op viel geen twijfel aan hunne echtheid veroorloofde, die anders licht had kunnen opgewekt worden; want behalve de glacé handschoenen, _gants jaunes_ van de ware soort en onberispelijke frischheid, was het geheele kostuum reeds wat van zijn eersten luister vervallen, hetgeen denkelijk het meest was toe te schrijven aan de achteloosheid waarmee het werd behandeld. Achtereenvolgens werd er een koffer, eene schilderkist en een _almaviva_ uit den kiereboe te voorschijn gebracht, waarbij de eigenaar dapper in de weer was om den stalknecht te helpen zonder aan zijn fijn handschoeisel te denken.
»Met dien boel maar naar mijne kamer, want ik kan hier logeeren, denk ik?" sprak hij, zich tegen den kastelein wendend, die zelf was toegeschoten toen hij den fantastisch uitgemonsterden vreemdeling had zien uitstijgen.
»Zeker, mijnheer! maar verschoon me, ik dacht dat het mijnheer was, die.... voor het diner kwam."
»Daar kom ik ook voor, waardige hospes! maar dat belet immers niet dat ik hier blijf als het mij in 't hoofd komt, _L'inspiration, la spontanité, la fantasie, je ne connais que ça_, en als ik hier iets zie dat mij aanstaat, je boerenerven, je binnenhuisjes, je mooie boerinnetjes, dan maak ik het tot het mijne, dan croqueer ik het, dat is mijne gewoonte, versta je?"
De kastelein sloeg groote verwonderde oogen op, hij begreep er niets van, de heele personage kwam hem onmogelijk voor. Met zulke deftige heeren als die het diner besteld hadden, kon het toch geene maskerade zijn!
»Zooals mijnheer blieft," antwoordde hij met eene buiging, »verkiest mijnheer zijne kamer te zien?"
»O, neen! dat's tijds genoeg als ik slapen ga, 't is nergens zoo goed als hier in de frissche lentelucht, vind je dat ook niet, papa?" eindigde hij, zich tot den oud-militair wendende, die reeds plaats had genomen aan een der tafeltjes in de nabijheid van dat, waar Wilkinson en Frits hadden gezeten.
»Ja, jongen! dat zeg ik ook, maar als je in de lucht zit, moet je wat gebruiken."
»Tot uw dienst, papa! wat verlangt gij, een glas madera?"
»Bah! neen, dát goed gebruik ik nooit, een bittertje, dat's voor alles goed, op marsch, voor den eten, voor alles."
»Een bittertje, Jan!" beval de excentrieke schilder, zich tot den knecht in den zwarten rok richtende, die hem in 't oog viel omdat deze uit nieuwsgierigheid zoo wat om het tafeltje heendraaide.
En zonderling, de Jan was geïmponeerd en stelde zich terstond in beweging om het verlangde aan te bieden.
Die heer hoorde bij »de tafel", mogelijk dacht hij op die wijze niet te derogeeren.
»En gij zelf?" vroeg de »papa" toen hij opmerkte dat de andere niets voor zich had besteld.
»Och _ik_ gebruik dat goed nooit, en straks aan tafel zal ik meer wijn moeten drinken, dan me lief is. Eens van mijn leven te Parijs, onder de Vesuvianen, toen ik nog niet wist wat champagne was, hebben ze mij dronken gemaakt; maar sinds dien tijd ben ik op mijne hoede. 't Is walgelijk zijne rede prijs te geven, om het dierlijk genot van wat vocht naar binnen te slaan."
»_Sacre-bleu_, Piet! je bent toch een rare snuiter. Ik heb je soms hooren redeneeren alsof je in een gloeienden roes waart, en je drinkt niets dan water!"
»Reden te meer! zou ik dien bol hier," en hij sloeg met de vlakke hand op zijn voorhoofd, »nog meer verhitten, die toch al kookt van het _feu-sacré_, zooals de kameraden het noemen. Wat u betreft, papaatje! geneer je niet als je een tweede glaasje verlangt; voor een zestiger en die Quatre-Bras meegemaakt heeft kan het geen kwaad meer! Wil je ook wat eten? Het spijt me dat ik geene vrijheid heb om je voor het diner te inviteeren. Had ik er vooruit van gesproken, het ware te doen geweest; maar, ziet gij, wij kenden elkander toen nog niet, en mij eene invitatie voor je te laten geven, eer ik wist wie ik in je vinden zou, dat ging niet, gij begrijpt mij?"
»Opperbest. Gij kondt geene hooge verwachting hebben van den uitverkoren echtvriend uwer moeder; dat ik meegevallen ben, doet me pleizier, maar dat's voor mij geen reden om me aan die vrome, deftige heeren op te dringen. Daar je toch rijtuig nemen moest, vond ik het aardig je zoover te brengen, maar voor mij is het consigne: afmarcheeren als de vrienden aanrukken; waren 't vijanden, dan zou 't wat anders zijn, dan zou ik nog wel courage hebben om bataille te presenteeren, _crédié!_ Ik heb de oude garde front geboden!"
»Dank voor uw ijver, papaatje! maar alles zal vreedzaam toegaan, wees er zeker van."
»Ja, het blijkt dat jij met die heeren goed terecht kunt komen, hoewel het mij een mirakel schijnt; ik dacht eigenlijk dat je hier bij den pastoor logeeren gingt."
»_Merci_, papa! wel uitgenoodigd, maar _pas si bête_. Goede vrienden met hen, _cela suffit_; ik wil graag wat voor de kerk doen, ik dank haar menige inspiratie, ik hoop dat zij mij nog eenmaal onuitsprekelijke dingen zal prediken, zal helpen uitdrukken; maar wat de geestelijke heeren betreft, ik laat me niet insluiten, niet onder voogdij brengen; de vrijheid! de vrijheid! Dat is het ware element voor den kunstenaar! Laten ze oppassen dat ze mij niet als gevangene aan de pilasters van hun tempel binden, want dan verbreek ik mijne banden als Simson en ruk me los, al zouden kolommen en spitsbogen daarbij instorten!" En de bewegelijke kunstenaar, die bijna niets zeide wat hij niet door drukke gebaren verduidelijkte, was opgesprongen en maakte met beide armen de beweging of hij sterke koorden losrukte. Zijne mimiek was daarbij zoo sprekend, dat de invalide zich ook ophief en hem bij den arm vattende uitriep:
»Hou je bedaard, jongen! ze doen je immers nog niets! Ik zie dat je niet voor niet onder die woelzieke Franschen en onder die muiters van Belgen gezworven hebt; doch bij zulke disposities is 't maar goed dat je niet in dienst zijt gegaan, want daar is het contrarie: zonder discipline geen goed soldaat, geen goed generaal zelfs, want er is bij ons geen superieur die niet op zijne beurt het hoofd heeft te buigen voor zijn chef. En zoo behoort het ook, anders is er geen orde, en orde moet er zijn in den staat, ook in 't gezin! Dat was mijn principe, en je moeder wilde in 't eerst die orde omkeeren. Mij: een sergeant die Quatre-Bras heeft meegemaakt, wilde zij drillen en naar hare hand zetten of hij een recruut ware geweest; maar je vat, dat ik mijn dienst niet vergeten was en haar op der voorman zette. En 't is me gelukt in de schermutseling het veld te behouden, dat mag ik zeggen! De discipline! _sacre-bleu!_ Juffrouw Doelman wist al heel gauw wat dat woord te beduiden had, en toen ze 't eens kende, was ze afgericht als de beste militair die zijn twaalf jaren dienst heeft. Op 't eerste: »Geef acht!" stond ze al in 't gelid klaar voor 't commando dat volgen zou; maar zie-je, heel glad is het niet gegaan en de korporaalsstok kwam er wel eens bij te pas."
»Als ik u verzoeken mag, mijnheer Doelman! niet meer daarvan!" viel de schilder in, plotseling hoog en strak. Hij wendde zich af, bracht de hand voor de oogen, en na een stilzwijgen, waarin de oude sergeant zijn tweede borreltje in één teug ledigde, ging de jonkman voort met eene zachte stem, waarin kennelijk sterke gemoedsbeweging trilde. »Ziet gij, het is mij eene altoosdurende grieve dat ik mijne moeder niet heb kunnen achten, niet heb kunnen liefhebben, en dat ik haar ten slotte zulk een diepgaand zielsverdriet heb moeten aandoen, dat zij vergetelheid heeft gezocht in eene omkeering van alle hare gewoonten, van haar geheele wezen. God weet dat ik niet anders kon, dat de aandrift die mij voortzweepte, de aandrift die Hij zelf in mij had gelegd, mij te machtig was om er weerstand aan te bieden! Ik voelde dat ik niet geboren was om onder haar slavenjuk te blijven kruipen; ik moest uitbreken, uitvliegen. God zij geloofd! nog niet te laat, de veerkracht in mij was wel diep, diep neergedrukt, maar niet verlamd; bij den eersten ademtocht der vrijheid hief ze mij op, voerde mij over alle hindernissen heen; toen, toen volgde ik niets meer dan het instinct dat mij dreef. Zooals de vogel naar het Zuiden trekt als het Noorden hem te bar wordt, zoo trok ik weg uit de kille, doodende atmosfeer, waarin ik niet langer ademen kon; maar ik liet eene moeder eenzaam achter en de natuur heeft hare rechten, die men niet straffeloos schendt. Later, veel later, heb ik het gevoeld _wat_ ik haar heb gedaan, en 't is mij eene pijniging, het klinkt me toe als eene luide aanklacht tegen mij, als ik van u hooren moet hoe dat hardvochtige, onbuigzame schepsel, dat mij het leven gaf, tot eene smijdige vrouwengestalte is geworden onder uwe hand! Het snerpt mij door de ziel alsof het _mijne_ zonde ware die gekastijd werd in haar!"
»Zou die malle schilder ook tegelijk comediant zijn?" vroeg de knecht, die »alleen voor de tafel" was, aan den kastelein, terwijl ze samen voor de ramen van de groote eetzaal stonden en den spreker gadesloegen, die inderdaad door zijne gebaren en de wisselende uitdrukking van zijn gelaat op toeschouwers, die zijne woorden niet verstaan konden, noch meevoelen wát er in hem omging, wel den indruk moest geven van een acteur die eene scène vertoonde.
»Je hebt gelijk, het is waarachtig of hij zijne rol opzegt voor dien andere; maar, Jan! ik waarschuw je, pas op dat je hem aan tafel niet uitlacht, en dat je hem op z'n wenken bedient, anders krijgen we er nog last van, zoo'n opgewonden standje.... Ik heb wel hooren zeggen dat er door die kunstenaars altijd een streep loopt, en die hier, weet-je, dat zoo'n bovenste beste is."
»Begrepen, meester! hij is nou al half gek en als de champagne er in is zal hij als een razende zijn; maar ik heb meer tafel bediend en ik weet waar ik staan moet, geloof dat vrij. Die dolleman heeft daarbij iets in zijne oogen.... een mensch weet niet recht wat hij er aan heeft; hij commandeerde een bittertje, en ik had het hem zelf gebracht, eer ik wist wat ik deed, zal ik maar zeggen."
Papa Doelman kon het Jan nazeggen dat hij niet recht wist waar het hem zat, maar hij voelde wel dat hier geen rol werd gespeeld, en hij was zelf wat in de war geraakt door de sterke gemoedsbeweging van zijn stiefzoon.
»Piet! jongelief, ben je dol!" riep hij nu, »dat gij u dit nog zoudt aantrekken; als je in alles zoo overdreven te werk gaat en de wereldsche zaken zoo haarfijn uitpluist om u zelf te kwellen, dan krijgen de priesters waarachtig nog vat op je, al zwaai je de vrijheidsvaan nog zoo hoog! En wat je moeder aangaat, het heeft haar goed gedaan dat zij onder mijn commando is geraakt, _militairement_ gesproken! Ze heeft daardoor met de femelarij gebroken en er een rustig sterfbed aan te danken gehad, al moest ze het zonder dominé doen; want met die uit de stad kon ze 't maar niet vinden, en de voormalige broeders van de oefeningen wilden van haar niets meer weten; maar ik zei: »Vrouwlief! daar ben je protestantsch voor, om geen zwartrok noodig te hebben bij de groote reis."
»En heeft ze mij _niet_ gevloekt, vader? zweert gij mij dat ook op je woord van eer?" viel Piet in met een somber wenkbrauwfronsen.