Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 22
»Onder alle slingeringen, lotswisselingen en reizen had ik ja wel veelmalen om mijn verlies gedacht, maar ik had wel wat anders te doen dan een toertje naar Holland om het terug te vragen. Later gaf ik het verloren; alleen hij die niet meer met de groote bezwaren des levens te kampen heeft, kan zich de weelde gunnen van zekere emotiën, zekere souvenirs. Nu ik gelukkig was, nu ik onder geene zorgen en lasten meer gebukt ging, kwam het herdenken aan 't verledene weer bij mij op, en bij dien terugblik op mijne jeugd, ook het verlangen naar het geliefde kleinood; maar nú terstond zelf naar Holland reizen voor zóó onzekere kans.... allerlei plichten, allerlei werkzaamheden van mijne nieuwe positie verhinderden het mij. Toch liet ik informaties nemen door onze correspondenten in Holland. Wij kregen óf geen óf onvoldoend antwoord. Zij achtten de zaak zeker niet belangrijk genoeg om er veel moeite voor te doen; een hunner antwoordde op mijn dringend schrijven, dat men even goed een naald in een voer hooi kon terugvinden als een horloge op te sporen dat reeds in 1811 was verkocht. De groote bankier vond het zeker kleingeestig, dat hij met _such trifles_ werd belast. Opzettelijk droeg ik later een onzer agenten, die naar Amsterdam moest, den last op om onderzoek te doen in het stadje E. Maar zijne onbekendheid met de taal en het land was oorzaak, dat hij zich al heel slecht van zijne taak kweet; hij verwarde de eene plaats met de andere en kwam te Zaandam, waar men hem het huisje van Czaar Peter liet zien, maar van geen horlogemaker Rosemeijer wist. Een ander, die wat later werd afgezonden, verbeeldde zich dat hij de aangeduide plaats in Friesland moest zoeken en kwam bijgevolg onverrichterzake terug.
»Toen gaf ik het op; maar in 't laatste jaar hadden wij drukke zaken gedaan met zeker Amsterdamsch handelshuis, en in 't voorjaar hoorden wij zooveel kwade geruchten van Belgische en Nederlandsche kantoren, die door den algemeenen nood der tijden hunne betalingen staakten, dat wij ons eenigszins ongerust maakten over het huis Heerdt en Cº., waarbij wij een belangrijk verlies konden lijden. Mijn schoonvader is nog zoo wakker, dat ik hem gerust een tijdlang alleen kon laten voor de werkzaamheden, die sinds mijn toetreden tot de compagnieschap nog merkelijk zijn uitgebreid. Wij zijn al tien jaren getrouwd; mijne vrouw is gezegend met lieve kinderen; ik zou haar niet te eenzaam achterlaten; zoo besloot ik naar Amsterdam te reizen, onderzoek te doen naar den staat der firma Heerdt en Cº.; en ééns in Holland zijnde sprak het vanzelf, dat ik mij naar E. begaf, om te zien of ik mijn verloren kleinood op het spoor kon komen. Gij ziet _que tout se tient dans la vie_; ware een mijner agenten snuggerder geweest en had hij u uitgevonden, de inwisseling zou zijn geschied zonder onze persoonlijke kennismaking; nu ben ik gekomen precies op het oogenblik dat wij elkander treffen moesten, en gij begrijpt wel dat ik u zoo niet loslaat nu ik u eens gevonden heb. Ik heb u een groot deel van mijne lotgevallen juist zóó uitvoerig medegedeeld, opdat gij mij kennen en volkomen vertrouwen zoudt.
»Ik hoop u nu afgebracht te hebben van dat ongelukkige idee om dienst te nemen...."
»Gij hebt goed spreken, er van afzien is.... het zwaarste niet, maar wat is er voor mij anders te beginnen?"
»Laat mij daarvoor zorgen. Gij hebt mij bekend dat gij lust en aanleg hadt voor industriëele ondernemingen, dat gij geloofdet zekere plannen uws vaders met geluk te kunnen uitvoeren, dat het u alleen aan geld en vrijheid van beweging ontbroken heeft om dit te beproeven. Welnu! dat is alles te vinden. Vergezel mij naar Engeland, de firma Wilkinson-Wilmot doet uitgebreide zaken genoeg om u goed te kunnen plaatsen; wij zijn gewoon notitie te nemen van allerlei plannen en uitvindingen, die ons worden voorgelegd. Sir James heeft een scherpen en helderen blik. Laat hem die projecten van uw vader onderzoeken. Hij zal u spoedig weten te zeggen wat daarvan uitvoerbaar is of niet. In 't eerste geval probeeren wij het en zult gij bij het welslagen goed staan; in het andere is er nog niets verloren en kunt gij bij ons werk genoeg vinden naar uwe geschiktheid zal blijken; in geen geval laten wij u weer op uwe eigene wieken drijven, vóór wij de zekerheid hebben dat gij ferme slagpennen hebt. Wij beginnen met een toertje voor uitspanning. Gij moet Schotland zien, gij moet een tijdlang op Desborough-Castle vertoeven, kennis maken met de kunstgalerij, die wij er verzameld hebben, en wie weet of de lust voor de kunst niet opnieuw en frisscher zal ontwaken. In elk geval eisch ik van u een dienst; de leemte in de rij mijner familieportretten moet door u worden aangevuld; gij zijt er de naaste toe om dat te doen. Zeg mij dat gij het wilt? Geef er mij de hand op dat gij mijn voorstel aanneemt, eer wij dat prachtige duin bestijgen, aan welks voet wij nu toch genaderd zijn, hoewel gij dat ook onwaarschijnlijk hebt geacht, zwaarhoofd!"
Werkelijk waren zij al pratende maar altijd voortgegaan met een fikschen, gelijkmatigen stap, zonder eigenlijk acht te slaan op die fraaie landstreek, waarvan Wilkinson getuigd had dat zij hem zoo aantrekkelijk scheen, zooals men dat meer ziet van lieden, die voorgeven dat zij eene wandeling doen uit zucht voor de schoone natuur, terwijl zij het zoo druk hebben met alles wat zij in zich zelven meevoeren, dat ze vergeten dit genot te smaken. Denkelijk verkeerde Sir Reginald in dat geval en had hij niet veel van dat schoone bespeurd; mogelijk ook had hij het opgemerkt met den snellen en levendigen blik hem eigen, doch was hij te veel vervuld geweest met zijne herinneringen, en met het oogmerk waartoe hij ze ophaalde, om zich zelf telkens in de reden te vallen met een uitroep van bewondering.
Hoe dat ook zij, hij had nu het doel van zijne wandeling bereikt, en geloofde tegelijk dat zijner mededeelingen getroffen te hebben.
Hij wachtte het antwoord van Frits met de rustige goede luim van een welmeenend man, die weet dat hij iets aannemelijks heeft voorgeslagen, en niet twijfelt of het zal worden aangenomen; maar de jonkman zweeg, aarzelde en sprak ten laatste in zekere gejaagdheid:
»Ik mag dat niet aannemen, ik durf niet, ik vrees dat gij u in mij vergist.... dat ik u op iedere wijze zal tegenvallen...."
»Welnu dan is er immers nog niets verloren? Een toertje naar Engeland en Schotland te doen kan niemand schaden, en wij hebben bij ons zoo van alles aan de hand, dat er zeker werkzaamheid voor u te vinden zal zijn. Wij houden er tot chemisten en natuurkundigen op na, die ons voorlichten omtrent de gehalte en bij de sorteering der ertsen. Architecten en modelteekenaars komen ons altijd te pas, en het zou al vreemd wezen zoo gij onder die allen uw emplooi niet zoudt kunnen vinden; daarbij als het ten slotte bleek, dat niets u paste, niets u kon voldoen, dan blijft u immers nog altijd de vrijheid om te eindigen met hetgeen gij nu voor hadt?...."
»Verschoon mij, die gelegenheid zou dán zijn voorbijgegaan; hetgeen nu nog de verdienste heeft van het à propos, zou dan deze eenige waarde verloren hebben.... en.... en ik vraag mij zelven af.... of.... het nu niet mijn naaste plicht is."
»Uw naaste plicht datgene wat gij alleen als noodgreep der vertwijfeling hebt aangevat!...."
»Ja, maar Sir Reginald! gij ziet ook geheel voorbij wat mijn vaderland van mij zou kunnen eischen.... Ik weet wel, de Engelschen in 't algemeen hebben geen sympathie voor ons kleine landje.... maar toch...."
»_I'll be damned!_ als ik u van zoo'n inval verdacht had," viel Wilkinson uit, het hoofd schuddend. »Gij beoordeelt dáár eene geheele natie naar de ongerechtigheden, die hare diplomatie pleegt. Denkt gij misschien dat Palmerston alle Engelschen vertegenwoordigt? Als gij meent dat ik uit zulke bedoelingen uw vaderland van uwe diensten wil versteken, zal ik zorgen een plaatsvervanger te stellen met krachtiger knoken dan de uwe, en die beter gehard zal zijn tegen de vermoeienissen van een krijgstocht dan van u is te verwachten.... Ja, als het systeem van non-interventie niet al te streng gehouden wordt, zal ik den wakkeren generaal Chassé een paar stukken geschut zenden van ons fabrikaat, die voor 't gemis van een vrijwilliger volledige schadeloosstelling zullen zijn...."
»Ik zie wel dat gij mij uitlacht...." sprak Frits wat verlegen.
»Een weinigje, en dat verdient gij! Wij leven niet meer in de tijden van de geharnaste ridders, toen een _fier-à-bras_ soms een ganschen veldslag besliste. Wie de beste artillerie en de zekerste vuurwapenen heeft, is meester van den toestand en zal het meer en meer worden. De persoonlijke moed kan nog wel te pas komen, maar die redt geen verloren situatie en onder ons gezegd.... het wijste en beste wat Koning Willem der Nederlanden doen kan is: niet een oorlog aanvangen om te veroveren wat hij verloren heeft, en toch niet meer zal kunnen houden, maar den toestand nemen zooals die is en er partij van trekken, om rust en zekerheid te hergeven aan zijne getrouwe noordelijke provinciën, die frisscher en krachtiger wasdom zullen krijgen, als ze van hun belemmerend aanhechtsel zullen bevrijd zijn. Daar zijn onhoudbare posities, die alleen blinde koppigheid zal willen handhaven; ik vrees dat de volharding van uw vorst dien weg uitgaat, en dat zijn volk er de wrange vruchten van zal smaken. De Hollanders komen in een leelijk parket als zij soldaatje willen spelen; geloof mij en laat er u niet in meetrekken, dat is mijn vriendenraad, waarvoor gij mij eenmaal danken zult!"
»Geloof mij geen ondankbare, omdat ik dien niet met zooveel blijdschap aanneem als ieder ander in mijne plaats mogelijk zou doen...."
»Ah zoo! gij neemt dan toch aan, dat is 't voornaamste.... ik neem geene ergernis aan wat tegenstribbelens, geloof mij; maar tot dankbaarheid hebt gij nog geen reden, dat zal later komen zoo ik hoop. Ik heb u nu alleen nog maar overlast aangedaan, maar _dit_ durf ik met zekerheid zeggen, eer wij scheiden, wanneer dan ook, zult gij oorzaak hebben om voldaan te zijn over Sir Peter Reginald, en--ik durf er bijvoegen--over de firma Wilkinson-Wilmot niet minder. En hierop mijne hand, en nu laat ons zien hoe ver wij het brengen kunnen in het bestijgen van die schilderachtige zandhoogten."
Sir Reginald vond veel vermaak in die opstijging, die voor hem, aan de rotsgebergten van Schotland gewoon, geene vermoeienis was.
Frits, al was hij zooveel jonger en slanker van gestalte, had moeite om hem bij te houden; tot een der hooge toppen genaderd, die zij zich ter bereiking hadden voorgesteld, waren zij in de gelegenheid om zich schadeloos te stellen voor het vroeger veronachtzaamde natuurgenot, door het rustig beschouwen van het heerlijk panorama, dat zich daar voor hen uitbreidde in heerlijke ruimte. Ter eener zijde de liefelijke landouwen in bonte schittering en van kleur verwisselend naarmate de langzaam terugtrekkende zon er hare lichttinten overheen wierp; de fraaie Hollandsche buitenverblijven, nu nog meest van dor loof omringd, maar des te minder verborgen voor het rondwarend oog; de rijke weiden nog slechts bevolkt met wat schapen en een enkel paard, maar reeds groenend en waar een frisch watertje doorheen speelde als een zilveren koord. Ter andere zijde de diepe blauwende zee in het verschiet, nu eens als een lichte nevel aan den horizont, nauwelijks te onderscheiden van de zachte wolkjes, die er boven zweefden, dan weer opdoemend voor het oog als een ringmuur van staal, door gouden glansen betint. Met het Britsche _sans-gêne_ liet Wilmot zich neervallen op het lauwe zand en tuurde naar de heide- en mosplantjes, nu nog pas in aanvang van ontwikkeling, maar die welhaast in bonte verscheidenheid zouden opschieten. Frits had zich naast hem gezet, zijne hand speelde met de lange dorre helmstelen, zijne oogen waren vochtig, terwijl hij den blik liet rondwaren over het liefelijk landschap. Dáár lag nu dat geboorteland dat hij verlaten ging, nu vrij van zorgen voor eene toekomst die hem zoo zwaar en somber had toegeschenen en die hem licht en helder werd voorgespiegeld; want de verzekeringen van Sir Reginald hielden schoone beloften in voor wier verwezenlijking geen twijfel bestond; hij had zich nu maar te laten leiden en vertrouwend te volgen, en alles zou goed gaan, zijn lot was verzekerd. Waarom nu _toch_ die beklemdheid die hem overviel, die smart als bij eene scheiding van alles wat hij liefhad, hij, die het met volle overtuiging des harten had gezegd, dat hij niets meer te verliezen, niets te verlaten had in zijn vaderland, waarvan hij niet reeds gescheiden was. Waarom kon hij nu niet blijmoedig zijn en niet dankbaar waar zijne fortuin hem in de hand was gegeven die hij maar behoefde te vatten. Och! hij voelde het nu, zijne armoede, zijn tegenspoed was niet zijne grootste kwelling geweest; alleen dat Claudine er door geleden had, dat hij er door gescheiden was van haar, ziedaar wat hem rampzalig maakte; wat kon het hem toch eigenlijk schelen wat er nu verder van hem werd? Hij verweet zich zelf die onverschilligheid voor dat uitzicht op de verwezenlijking van zijns vaders plannen, dat hem zoo plotseling en op zoo ruime schaal geopend werd. Hij moest zich met de hand op het hart bekennen, dat ze hem niet meer aanlachten en dat hij zich alleen had gewonnen gegeven omdat hij niets meer had tegen te werpen; onbestemd voelde hij dat hij zich onder een protectoraat stelde en hij wist bij ervaring hoe vriendenhanden drukken kunnen terwijl zij beschermen; hoe zij afleiden kunnen juist van het doel dat men zich zelf heeft voorgesteld. Het kwam hem voor dat het zwakheid was weer eene onafhankelijkheid prijs te geven, die hij zoo pas had veroverd. Was het vreemd dat hij stil en peinzend neerzat, terwijl hij met een blik vol verrukking en vol weemoed tevens het liefelijk duinlandschap overzag. Daar ginds viel hem de toren in 't oog van zijne vaderstad, die als in een nevel in de diepte aan zijne voeten lag. Blauwgrijze rookwolkjes stegen op hoog in de lucht. Waar moest hij in deze donkere massa het huis van Verburg zoeken? uit welke van deze schoorsteenen rookte nu de walm van het feestmaal waarbij Claudine geofferd werd? Een koude rilling gleed hem door de leden, hij wendde zich schielijk naar de zeezijde met tranen in de oogen.
Wilkinson was opgestaan en keerde zich naar hem toe; hij zag die bewijzen van diepe somberheid, hoewel Frits ze trachtte te ontveinzen; meewarig legde hij hem de hand op den schouder.
»Het kost altijd zijn vaderland te verlaten, kost het _u te veel_ dan zijt gij immers nog vrij om te blijven," sprak hij met zachten ernst.
»Neen, neen! waartoe zou dat leiden, dat zou jammerlijke zwakheid zijn," hernam Frits; »niets is mij noodiger, niets moest mij liever zijn, dan heen te gaan en te breken met alles wat mij week en zwak maakt."
»Nu dan, sta op! wees kloek en mannelijk, en zie niet om," sprak Sir Reginald, zijne hand vattend terwijl Frits zich ophief. »Er zijn kranken die duizelig worden op de hoogten, in de vlakte zal het u beter zijn."
»Ja, laat ons neerdalen. Ik zou zeer ten ontijde het heimwee krijgen."
Weer beneden gekomen, wist Sir Reginald met veel tact eene afleiding te maken en Frits als uit zich zelven op te heffen, zonder er opzet in te leggen. Hij begon over Holland te spreken, over de rijke hulpbronnen die het aanbood voor handel en industrie, over de wijze waarop daarvan partij werd getrokken, die niet volkomen zijne goedkeuring wegdroeg, hoewel hij in de beoordeeling van het karakter en de gewoonten der bevolking zachter en minder laatdunkend was, dan de meeste vreemdelingen. Hij gaf duidelijke bewijzen dat hij over dit alles ernstig had nagedacht en zijne kennis niet had geput uit de valsche en oppervlakkige bronnen, waaruit zulke ongerijmde voorstellingen over ons land ontstaan, maar uit de eigen waarnemingen en den scherpzienden blik, die de waarheid heeft gezocht en niet dan deze; dies ondanks, misschien juist daardoor, vond hij er veel te berispen, veel te betreuren, veel dat Frits noch ontkennen, noch vergoelijken kon, omdat hij het zelf inzag. Er heerschte slapheid en lauwheid in alles, de oude moed en ondernemingszucht, die de Nederlanders tot heerschers over de zee, tot koningen in Oost en West had verheven, scheen nu gansch uitgebluscht en zich alleen te bepalen tot de zucht, om gemakkelijk geld te verdienen. Koning Willem had het zijne gedaan om een beteren geest op te wekken en aan te wakkeren, maar de naijver tegen de Belgen die, levendig en gevat, de noordelijke broeders in alles vóór waren, verlamde menigen goeden maatregel, waartoe samenwerking van de geheele natie noodig zou zijn geweest. Nu, na den opstand, bij de onderlinge worsteling, verscherpte de afgunst, de sprekende disharmonie van den wederzijdschen volksaard, nog de haat tegen de »muiters" die men niet onafhankelijk wilde zien, en toch nooit met waren broederzin aan het hart had kunnen drukken. Het gedwongen huwelijk, waardoor het Noorden en 't Zuiden waren samengesnoerd, had niet eens eenheid van materieele belangen daargesteld, veelmin samensmelting der gevoelens; bij zooveel elementen van strijd, van weerzin, was wettelijke, ordelijke scheiding hoog noodig, en hoe eer zij volbracht was des te beter voor beiden.
Over 't geheel moest Frits met deze zienswijze instemmen, hoewel hij altijd volhield dat de eer van Noord-Nederland den strijd eischte, al ware het ook eene gewaagde onderneming; er was nu toch nationaal leven en geestdrift opgewekt en die had hare voldoening noodig.
Sir Reginald begreep, dat een Hollandsche jonkman dus zien, dus voelen moest, al zag hij zelf het eerst op het hachelijke van een kamp, waarin de overwinning nooit aan de zijde van Holland gelaten zou worden; dit vreesde, dit voorspelde hij en stapte daarmee van het onderwerp af om Frits allerlei vragen te doen op commercieel en industrieel gebied, waarop deze het antwoord niet behoefde schuldig te blijven, daar hij er in de laatste jaren meer aandacht aan gewijd had, dan aan de kunst die hij heette te beoefenen. Intusschen waren zij weer in het dorp teruggekomen, en nu bleek het dat Sir Reginald, al gaf hij niet telkens door uitroepen en aanmerkingen te kennen dat hij iets opmerkte toch _un [oe]il en campagne_ hield, hoe druk hij ook praatte, en zich door niets van een voornemen liet afleiden dat hij eens had opgevat.
»Zie, daar ligt de kerk," sprak hij op eens, »die moeten wij nog bezoeken; ik wil toch zien wat er moois is aan die hooggeprezen schilderij!"
»Och, eene nieuwelings gebouwde dorpskerk, eene kersversche schilderij, door boerenkerkvoogden gekocht, misschien op bestelling vervaardigd, dat zal wel niet veel bijzonders zijn," sprak Frits die na zijn eigen _échec_ in de kunst, een somber mistrouwen had opgevat tegen alle kunstproducten van zijn tijd, om niet te zeggen zekere heimelijke, zich zelven niet gansch bewuste antipathie tegen al wat kunstenaar heette.
»Het doet er niet toe, men mag niets veroordeelen zonder het te kennen, ik wil juist eens zien wat deze lieden in hunne naïeveteit voor mooi houden."
En zij traden de kerk binnen die openstond, hoewel er op dit uur geen dienst werd gedaan, maar de sacristijn, die er bezig was met zekere kerksieraden weg te nemen en het fluweel der communiebank met een overkleed te bedekken, kwam spoedig naar hen toe, en op het verlangen, door Frits uitgesproken, om het nieuwe altaarstuk te zien, verklaarde hij dat de schilderij, waarmee de kerk pas begiftigd was, niet tot altaarstuk zou dienen, maar bestemd was om een der zijmuren te versieren. De schilder had die daar zelf in 't vereischte licht geplaatst, en buiten den dienst was zij voorloopig met eene gordijn gedekt, maar hij wilde ten believe der vreemde heeren zich wel de moeite getroosten haar te laten zien.
Eene onschuldige, maar duidelijke uitnoodiging om den zilveren sleutel te gebruiken, waaraan dan ook door Wilkinson onmiddellijk werd voldaan; maar juist die mildheid was oorzaak dat de man zich in gemoede verplicht achtte hen eerst de geheele kerk rond te leiden om met het omhulde kunststuk te eindigen. Het kerkje zelf viel mee. Het was, misschien meer uit gebrek aan middelen dan uit goeden smaak hoogst eenvoudig ingericht, en zoomin met beelden en schilderijen als met sieraden overladen. Al het houtwerk was van donkerbruin eikenhout. De zoogenaamde passieweg was voorgesteld door eenvoudige lithographieën, naar beroemde oude meesters, in vergulde lijsten gevat. Het altaarstuk ook, eene Madonna met het Heilig Kind, maakte geene aanspraak op kunstwaarde, maar het oog kon er met zeker welgevallen op rusten; het geheel gaf een goeden, kalmen indruk en zoo er niets was dat door uitstekende pracht of kunstschoon aantrok, evenmin zag men er wat smaak en kunstzin ergerde, of het protestantsch-christelijk gevoel pijnlijk aandeed. Men begreep dat eenvoudige geloovigen hier tot devotie konden worden gestemd, en dat wie meer eischte van eene dorpskapel, grovelijk overvroeg. Wilkinson had spoedig het zijne van een gebouw, waar hij niets te bewonderen, niets te berispen vond. Hij toonde zijn ongeduld naar de schilderij, tot leedwezen van den kerkbeambte, die willens scheen hun geene enkele bijzonderheid te sparen. Toch moest hij dit opzet laten varen, en na aangekondigd te hebben een weinig met den deklamatietoon dien hij achtte bij den uitleg te passen, dat de schilderij voorstelde: »de steeniging van den Heiligen Stefanus, hun patroon," werd de grasgroene gordijn weggetrokken. Frits, die op eenigen afstand was blijven staan, trad nu schielijk vooruit, terwijl hij halfluid sprak: »Dat's er een die durft, maar ik begrijp er niets van!"
Sir Reginald daarentegen die heel dichtbij stond, week eenigszins achterwaarts als om zich te orienteeren, terwijl hij uitriep: »_Vigorous, most vigorous indeed!_"
»Ja, 't is een brutaal penseel," stemde Frits in, toen hij dichter bij genaderd was, »maar woest, achteloos; 't is neergeflapt, 't is niet geteekend, die man heeft geen manier!" voegde hij er bij met een misnoegden trek op het gelaat.
»'t Is de romantiek, de nieuwe smaak van den tijd."
»Grotesk, zou ik liever zeggen," merkte Frits aan. »De opvatting is inderdaad grootsch, maar al te bizar; ik begrijp mij niet hoe een man van talent, als deze zijn moet, er toe gekomen is om zich aan zulke schrille contrasten te wagen."
»Wie waagt wint, en mij dunkt, deze hier is een strijd begonnen, waarin hij mooi op den weg is om overwinnaar te worden, al _is_ hij het nog niet in allen deele."
En Wilkinson toonde dat hij juist zag, terwijl Frits over zekere verbazing, zekere ergernis niet genoeg kon heenkomen, om de verdiensten van de schilderij volkomen recht de doen.