Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 21
»Ja! ze zijn der wel in, maar ze hebben het druk; de meiden zijn in de keuken en de knechts dekken de tafel."
»En kan jij ons dan niet bedienen?" vroeg Frits.
»Daar ben ik niet voor. Ik ben er alleen vandaag voor de tafel...."
»Ah, zóó! laat me even door, ik zal dan zelf wel iemand opzoeken;" maar de _Frontin effronté_ bleef den toegang barricadeeren en vroeg alleen: »of de heeren misschien van de gasten waren, die verwacht werden?"
»Wij zijn van de gasten die bediend willen zijn!" hernam Frits, die de schel van de huisdeur in 't oog had gekregen en nu dapper luidde.
Dit werkte.
Met een vuurrood gezicht, opgeschorte mouwen die forsche bruin verbrande armen bloot lieten en de voorschoot bij een puntje opgenomen, om de onfrischheid minder in 't oog te laten vallen, kwam er nu eene flinke boerendeern aanrennen, die »den Jan" een duw gaf om hem uit zijne sterkte te dringen, en terloops een grauw toe, dat hij niet eens eventjes hielp.
Tot onze vrienden genaderd, vroeg zij eenigszins gejaagd wat de heeren bliefden?
»Wat kunnen we hier krijgen?" vroeg Frits, die volgens afspraak het woord zou doen, daar het niet waarschijnlijk was, dat het alliage van gebroken Fransch met nog meer gebrekkig Hollandsch, door Wilkinson zijne »reistaal" genoemd, hier zou begrepen worden.
»U kunt alles krijgen wat u wilt en logies ook, 't is hier het beste logement van het heele Noorderkwartier!" verzekerde het meisje, trotsch op de eer van het huis waar zij diende.
Inderdaad, het huis had een goed aanzien, en _de Zon_ van Baas Koppelman, al was het een stads-logement, ondanks hare vergulde stralen en vollemaansgezicht, kon niet in de schaduw staan van het Bonte Paard, al was het wat erg een boeren-bontje!
Wie buiten verkoos te zitten, zag zich door een wijd uitgespannen zeil tegen zonnehitte of regenbuien beschermd. Wie binnentrad, vond een ruim voorhuis met flinke gelagkamer, eene deftige eetzaal met aangrenzende billardkamer, die op eene kolfbaan uitliep. Eene kleine voorkamer ter andere zijde gaf binnenshuis toegang tot een vroolijken luchtigen koepel, die een verrukkelijk uitzicht had op de schoone landstreek. De bovenvertrekken waren ingericht tot logeerkamers, die zeker des zomers niet ledig bleven.
Nu was men nog niet in het seizoen voor de villegiatuur, maar dat er dies ondanks drukte heerschte, hebben wij reeds opgemerkt.
Frits, die toch geene al te groote verwachtingen bouwde op de verzekering, dat er »alles te krijgen" was, bestelde eenvoudig boterhammen met vleesch en een halve flesch Madera; toen Wilkinson dat zag neerzetten, vond hij het ontoereikend, en sprak met een hoofdschudden tot zijn reisgenoot:
»Als je zulke beschikkingen maakt, ben je een slechte woordvoerder voor mij; wat mij betreft ik heb op 't oogenblik geene behoefte; maar na 't ontbijt bij Koppelman heb ik je niets zien gebruiken, en gij hebt zeker wat meer degelijks noodig dan wat ze ons hier brengen."
»_Can we not have such as a déjeuner à la fourchette?_" vroeg hij nu zelf tot de deerne gewend.
»Dezinee a foursette, ja! dat geven we hier wel!" antwoordde de levendige bruinoogige deerne, die de klanken had gevat; »als we 't vooruit weten.... maar vandaag gaat het in 't geheel niet. Ze vragen hier altijd baars, en we hebben nu een groote partij, daar kan niets extra bij aangenomen worden."
»Ach ja! ik herinner het mij!" hernam Frits, tot Wilkinson gewend, die van het antwoord niet veel had verstaan. »Dit logement is bekend voor de baarspartijtjes, die er gegeven worden."
»_Well! a fish dinner!_ dát zou mij lijken!" riep Wilkinson opgeruimd. »Luister _my friend_, ik kom daar op een inval. Deze landstreek trekt mij aan, en ik zou er wel eens op mijn gemak willen rondloopen. 't Is een mooie dag, als gij nu niet al te veel haast maakt om te Amsterdam te komen...."
»Ik had alleen haast om spoedig uit E. te zijn; gij begrijpt nu zelf wel waarom."
»En _ik_ heb er nu in 't geheel niet meer noodig; zóó zullen wij ons met den koetsier verstaan, om nog een uurtje of wat hier te blijven, om eerst laat in den avond te Amsterdam aan te komen. Gij doet nu uw _luncheon_ met hetgeen ge daar hebt; daarna gaan wij wandelen en intusschen maken ze ons zoo'n dinertje klaar! Hebt gij daar tegen?"
»Volstrekt niet; dus blijven wij nog wat langer samen!"
»Zijn de heeren het eens wat ze hebben willen?" vroeg het bruinoogje ongeduldig met de voeten trappelend, omdat zij niets van 't gesprek verstond, hoe ze ook luisterde.
»Kan je ons over een paar uur voor twee personen baars bezorgen met hetgeen er bij hoort?" vroeg Frits.
»Dat zou heel wel gaan, als het maar vooruit besteld was, anders kan het _niet_, zegt de meester altijd!" sprak de deerne naïef.
»Wel, kindlief! als er nu toch eene groote baarspartij is, dan zal er ook licht voor twee personen meer zijn," voegde Frits haar toe, »vraag dat maar aan je meester."
»Nou, ik zal het vragen!" zei het meisje met eene beweging of zij dacht: maar je krijgt ze toch niet.
»Wel ja! doe dat en ik beloof je een goede fooi als deze heer, die een Engelschman is, eens van je beste Hollandsche baars te proeven krijgt."
Dat onwederstaanlijk argument deed zijne gewone kracht. Op het vernemen van de mare dat een Engelsch heer, die met een reiswagen bij hem stalde, zich wenschte te vergasten aan zijn beroemde baars, haastte zich de kastelein om zelf het antwoord te geven.
Hij was naar het uiterlijk veel meer een heer dan de stadslogementhouder, en kwam de heeren in beleefde termen en met eene diepe buiging aankondigen, dat aan hun verlangen zou voldaan worden, als zij zich getroosten wilden dat er in den koepel voor hen werd gedekt, en niet al te exigeant waren omtrent de bediening, daar hij een diner van twintig personen had, waarbij al zijn personeel te pas kwam en nog extra bedienden in de weer moesten zijn. »Weet u, mijnheer!" ging hij voort, tot Frits gewend, daar hij zich niet aan het discours van den Engelschman waagde. »Ik moet oppassen, want _die_ zouden niet bij mij komen als zij het elders even goed konden krijgen. Het zijn Roomsche kerkvoogden met nog andere genoodigden, en de pastoor van ons dorp is er ook bij. Verleden week hebben ze hier in hunne kerk een nieuw altaarstuk of zoo iets gekregen, en daarvoor zullen ze nu feestvieren."
Uit dit spreken bleek wel dat de man zelf niet tot die religie hoorde; maar Wilkinson, die zoo een en ander van 't Hollandsch begreep, vroeg of dat een mooie kerk was?
»Al een heele mooie, pas verbouwd, en de schilderij moet extra zijn, van 't bovenste plankje, naar ik hoor zeggen; de schilder die 't gemaakt heeft, is ook op het diner gevraagd, dus.... als de heeren nieuwsgierig zijn...."
»Neen, we zijn niet nieuwsgierig!" viel Frits in, die van 't bovenste plankje geene groote verwachting had.
»Maar die kerk is toch te zien?" vroeg Wilkinson, die met de onderzoekliefde van zijn volksaard de gelegenheid om met het meesterstuk kennis te maken, niet verloren wilde laten gaan.
»Wel zeker! dat vindt zich met den koster; de heeren begrijpen mij! Nog iets van uwe orders?"
»Dank je!" zei Frits.
»_Let him take care of the coachman!_" voegde Wilkinson dezen toe, die het verlangen aan den kastelein overbracht, waarna deze zich met nog dieper buiging verwijderde.
Frits, die zich intusschen te goed had gedaan aan het brood met vleesch, waaraan hij dringende behoefte had gevoeld, wilde zijn reisgezel en zich zelven nu van de Madera schenken, maar deze hield zijne hand tegen.
»Dát kan hier niet goed zijn, laat het gerust staan; ik heb wat anders," en daarop stapte hij zelf naar den stal en kwam terug met den koetsier, die zijne reistasch droeg, waaruit hij zorgvuldig eene met mandewerk omvlochten flesch te voorschijn haalde, die met een capsule gesloten was, welke hij behendig losmaakte, en de glazen vullende, sprak hij:
»Zoo iets heb ik altijd bij mij om niet door allerlei bocht vergiftigd te worden. Drink een enkel glas daarvan en gij zult u opgewekt en versterkt voelen. Het is portwijn, dien wij rechtstreeks uit Portugal ontvangen; ik ben zelf te Oporto geweest; ik wist waar ik hem vragen moest."
Frits had geen reden om dien raad te verachteloozen en hij bevond er zich goed bij; Wilkinson drong hem geen tweede glas op en scheen daaraan zelf ook geene behoefte te hebben.
Het geroemde levenselixter werd weer zorgvuldig opgeborgen, en de reistasch den koetsier aanbevolen, die de Madera tot zijne beschikking kreeg.
»En nu, laat ons opwandelen!" sprak Wilkinson; »wat wij elkander nog mede te deelen hebben zal het best gaan in de vrije lucht, en ik brand van verlangen om die duinen, die ik daar zoo nabij zie, eens te beklimmen."
»Die nabijheid zal u bedriegen. Die duinen, die zoo nabij schijnen, liggen op grooteren afstand dan men denken zou en eerst als men dicht bij meent te zijn, ontdekt men de vergissing."
»Wij willen er het op wagen," antwoordde Wilkinson en zij trokken af.
Sir Reginald Peter of Master Wilkinson, zooals hij zich op het vasteland het liefst liet noemen, had Frits in vergelding van het geschonken vertrouwen verteld van zijne eigene zwerftochten te zee en te land; van zijn woelig en avontuurlijk leven toen hij in Britsch-Indischen krijgsdienst was overgegaan, bij de onmogelijkheid waarin hij zich bevond om zijn brevet als marine-kapitein te _koopen_ en zijn tegenzin om als eersten luitenant oud te worden. Van zijne familieomstandigheden, die hem langen tijd veel te doen hadden gegeven en in de grootste moeielijkheden hadden gebracht. Eindelijk, toen hij zich in Indië wat thuis begon te gevoelen en reeds een hoogen rang bij den staf van den Gouverneur-Generaal had verworven, werd hij genoodzaakt naar Engeland terug te keeren, daar zijn oudste broeder kinderloos overleden was, en hij zelf nu het hoofd der familie geworden, allerlei zaken moest regelen en besturen. En het bleek dat er vrij wat te ontwarren, vrij wat te vereffenen viel. De oudste broeder was getrouwd geweest met eene dame van hoog aanzienlijken huize, maar zonder eenig vermogen, en die haar gemaal had verleid om te leven op den voet van een _pair_, terwijl hij slechts de inkomsten had van een landedelman.
Als lid van het Parlement was hij verplicht geweest een groot gedeelte van het jaar in Londen te wonen, waar Mylady intusschen al de genoegens van het _high life_ smaakte tot den prijs van toenemende verwarring in haars echtgenoots geldzaken. Deze dwongen hem het vaderlijk erfgoed, dat hij niet onteigenen mocht, met zware hypotheken te belasten, en het moederlijk kasteel van Desborough in Schotland, waarvan de inkomsten aan de gezamenlijke broeders en zusters waren toegekend, onderhands te verkoopen voor eene aanzienlijke som. De laatsten hadden tegen deze handelwijze geprotesteerd en hun oudere broer een proces aangedaan, zonder Reginald Peter daarin te kennen, onder pretext dat deze zich aan de andere zijde van den grooten Oceaan bevond en de handhaving van hun recht te veel haast had om er met een afwezende over te raadplegen.
Het gevolg van alle deze dwaasheden en ongerechtigheden was, dat Sir Reginald Peter Wilmot bij zijne terugkomst uit Indië zijn vaderlijk erfgoed in handen van schuldeischers vond, die dreigden het te verkoopen, tenzij men aan hunne vorderingen voldeed; terwijl het prachtige Desborough-Castle, voormaals de lust en liefde zijner moeder, onder sequester lag, staande het proces, dat sinds jaren hangende was.
»Voeg hierbij dat de geheele familie onder elkander verdeeld was, door allerlei kibbelarijen en kleingeestige rangtwisten, en gij zult het begrijpelijk vinden, dat ik als hoofd van het geslacht nogal wat te doen vond om den ondergang van mijn huis te voorkomen, waartoe allen in mijn afwezen zoo eendrachtelijk hadden samengewerkt, hoe oneenig ze overigens ook mochten zijn," had Sir Peter, dien wij nu zelf laten spreken, tot Frits gezegd op een toon van ironie, die nòg van zijne gevoeligheid op dit punt getuigde.
»Terwijl ik peinsde op de middelen om te herstellen wat nog niet onherstelbaar verloren was, kreeg ik een brief van een oom, waarmee de geheele familie altijd overhoop had gelegen; neen, dat is het woord niet, dien zij nooit als bloedverwant hadden willen erkennen, en eenvoudig geïgnoreerd hadden, om geen andere, maar in hun oog wettige reden dan dat hij geen edelman, geen zoon uit een patricisch geslacht was, maar een zoon zijner eigene werken, een fabrikant en industrieel, en dat onze tante, mijns vaders jongste zuster, bijgevolg eene ergerlijke _mésalliance_ had aangegaan, toen zij zich met hem in het huwelijk begaf.
»Men had haar dus afgesneden als een verdorven lid, en verder niets van dit echtpaar vernomen, dat van zijne zijde te fier was, en te zeer gekrenkt door dien middeleeuwschen adeltrots, om zich aan de familie op te dringen. Men telde elkander niet, men wist niets van elkander, en op mijne vraag of tante Regina nog leefde en hoe het haar ging, kreeg ik ten antwoord, dat zij jaren en jaren geleden was getrouwd met _somebody_, die eigenlijk _nobody_ was (met zeker iemand, die eigenlijk niemand was). Men _geloofde_ dat hij te Manchester woonde en in ijzerwaren deed.
»Nu dan, van dien ijzerkooper kreeg ik een kort, maar zakelijk schrijven.
»Hij had gehoord dat ik uit Indië was teruggekomen en mijn broeder in zijn titel en rechten was opgevolgd; hij achtte mij niet medeplichtig aan den zotten hoogmoed en ouderwetsche vooroordeelen mijner verwanten; zijne vrouw herinnerde zich nog dat zij, als meisje van zestien jaar, mij ten doop had gehouden en dat ik haar naam droeg; zij verlangde mij weer te zien en mijn oom (ondersteld dat _ik_ bij exceptie hem in die kwaliteit erkennen wilde) wenschte mij over de familieaangelegenheden te onderhouden. De verwarde staat onzer zaken was hem niet onbekend, en hij prees mij om de verstandige maatregelen (zooals hij ze noemde) die ik genomen had om ze op een beteren voet te brengen. Hij wilde mij daarin met raad en daad bijstaan, daar hij in mij een anderen geest onderstelde dan waardoor de overige leden der familie bezield waren. Mijn antwoord zou hem bewijzen, of hij zich al dan niet in mij bedrogen had.
»Gij begrijpt dat ik niet aarzelde op dit voorkomend schrijven een antwoord te geven, zooals hij recht had te verwachten. Hij had volkomen gelijk mij niet met mijne, in hunne verouderde begrippen verroeste bloedverwanten te verwarren. Sinds mijn zestiende jaar had ik op eigen wieken gedreven, had bijkans de gansche aarde rondgezworven, had de wereld en de menschen genoeg leeren kennen en genoeg geleden, allermeest door mijne hooghartige familie, om met hunne begrippen en vooroordeelen gebroken te hebben; de weg dien ik wilde inslaan om mijn voorouderlijk goed van den schuldenlast vrij te maken, was inderdaad geen gewone noch gebaande voor een edelman. Ieder ander zou de eerste en tweede ban zijner hooggeplaatste vrienden en verwanten hebben opgeroepen, om hun invloed te gebruiken, ten einde eenig winstgevend hofambt, eenige ruim betaalde sinecure in zijn eigen graafschap te verwerven, om zich op die wijze gemakkelijk te verrijken en langzamerhand de dringendste schulden af te doen. Ik verkoos mij niet van zulke middelen te bedienen, maar liever mijne ervaring van handel en zeevaart in toepassing te brengen, en door eigen werkzaamheid de welvaart van mijn huis op te bouwen dan die aan hofgunst te danken en er mijne onafhankelijkheid bij in te schieten. Maar de weg, dien ik op wilde, was voor mij niet spoedig gevonden, noch gemakkelijk te bewandelen, en zoo had ik mijne partij nog niet gekozen, toen de brief van oom Wilkinson eene afleiding maakte en mij besluiten deed zijn raad in te winnen eer ik iets ondernam.
»Na mijn antwoord volgde een minzaam schrijven van tante Regina, met eene uitnoodiging om eenige dagen door te brengen in hun countryhouse, in de nabijheid van Manchester; zij sloot er krachtens haar recht van peet-tante eene banknoot in van honderd pond, om de bezwaren van de reis voor mij te effenen! Zij bood mij die aan met zulk eene uitdrukking van moederlijke genegenheid, dat ik met dankbaarheid aangenomen zou hebben, zelfs al ware het mij _niet_ noodig geweest, maar het kwam mij juist heel goed te pas, want ik was op dat oogenblik zeker de armste baronet van het graafschap, hoewel ik tot de grootste grondbezitters daarvan werd gerekend. Mijn voorganger had onze bezittingen zóó bezwaard, dat mijne inkomsten nauwelijks toereikend waren om de rente der hypotheken te betalen; maar met die reis ging ik eene betere toekomst te gemoet. Ik kwam eenige uren vroeger te Manchester aan dan de afspraak was. Mijn oom zou mij van daar laten afhalen. Zeer nieuwsgierig en niet zonder bezorgdheid vroeg ik of de ijzerkooper of ijzerfabrikant (oom had voor eenig adres zijn naam opgegeven) Wilkinson daar bekend was. Tot mijne verbazing hoorde ik hem Sir James Wilkinson betitelen, en vernam dat hij een der eerste handelsvorsten was der groote fabriekstad, herhaaldelijk tot Lord-Mayor was gekozen en sinds lang den titel van Baronet had gekregen, tot erkenning zijner verdiensten! Zoodra ik mij bekend maakte als zijn neef, vloog en boog alles voor mij in het logement; de _ijzerkooper_ bezat tin- en steenkolenmijnen in eigendom, en hield jaarlijks honderden werklieden aan den arbeid, dien hij ruim beloonde; om niet van het groot aantal opzichters, bestuurders, klerken en andere beambten te spreken, die hij in zijn dienst had, om zijne uitgebreide zaken te beheeren.
»Bij het vernemen van deze bijzonderheden bekroop mij de vrees dat ik met een opgeblazen rijkaard zou te doen krijgen, die mij al het gewicht van zijn door ijzer verkregen goud zwaar op de schouders zou drukken, en mijn armen ouden adel zou verachten en vernederen, zooals mijne naamgenooten dit den plebejer hadden gedaan; maar dit kwaad vermoeden werd op de nobelste wijze beschaamd.
Sir James, die zijn titel niet dankte aan het toeval der geboorte, maar aan eigen vlijt en inspanning, die zich met waarheid beroemen kon de weldoener te zijn van het geheele district, was de eenvoudigheid en welwillendheid zelf.
»Hij wist goed te rekenen; men kon het zijne slimme, schrandere trekken aanzien; maar hij wist fijn te voelen ook, dit begreep ik reeds uit zijn eersten hartelijken welkomstgroet. Geen woord van de hatelijke familieveete, die ons zoolang gescheiden had. Hij ontving den eersten Wilmot, die hem ais bloedverwant wilde erkennen, als een zoon. Tante Regina schreide aan mijn hart; ik geleek op mijn vader, beweerde zij, en zij had dezen lief gehad ondanks alles.
»Sir James en ik werden spoedig vrienden, en hij gaf mij met volkomen openheid inzicht van de bedoelingen, waarmee hij onze kennismaking had gewenscht.
»Het is zoo, de eer of de oneer, de voor- of tegenspoed van de Wilmots, die hem als een vreemdeling buiten den familiekring sloten, moest hem volmaakt onverschillig zijn; maar zóó was het niet met zijne vrouw; deze had nooit de stille hoop opgegeven, dat eene verzoening te treffen, eene hereeniging mogelijk zou zijn; en toen nu haar petekind, haar naamgenoot, de vertegenwoordiger was geworden van haars vaders huis, zette zij haar edelmoedigen echtgenoot aan, om bij dezen den eersten stap te doen. Die eerste, nu die gelukt was, sloot naar zijn gevoelen al het andere in.
»Krachtdadige hulp werd mij toegezegd om mijne bezittingen te redden uit den schandelijken en onwaardigen toestand, waartoe zij vervallen waren; aan het ergerlijk proces moest een eind worden gemaakt door alle belanghebbenden schadeloos te stellen en alzoo het gerechtelijk sequester op te heffen. Zoo groote sommen als daartoe vereischt werden, mocht hij, zelfs ten behoeve van een geliefden neef, niet wegschenken, zonder dat er goede vrucht van te wachten was, en hij onderstelde ook in mij te veel zelfgevoel om ze dùs aan te nemen; maar nu hij mij had leeren kennen en wist dat ik mijne afkomst niet als een voorwendsel nam tot ledigheid, stelde hij mij voor, om deelgenoot te worden in zijne zaak; hij had geen zoon, en naar het gevoelen van zijne vrouw, zou niets zoo goed klinken voor zijne firma als: Wilkinson-Wilmot. Niets kon mij welkomer zijn dan dit voorstel, hoewel ik hem mijne onkunde in zaken belijden moest; maar hij voerde mij tegen, dat goede wil en zekere ervaringen, die ik op mijne reizen en tijdens mijn verblijf in Indië had opgedaan, voor 't begin voldoende waren.
Het was nog de vraag niet, hem terstond in alles ter zijde te staan; hij wilde alleen dat ik mij langzamerhand bereiden zou om eenmaal zijn opvolger te zijn! Hij voedde daarbij nog een geheimen wensch, waarvan hij echter wijselijk zweeg, om de vervulling er van niet in den weg te zijn. Hij verlangde dat er nog weer eens eene _mésalliance_ zou plaats vinden tusschen Reginald Peter Wilmot, baronet, en Miss Helena Wilkinson, zijn eenig kind, eene _mésalliance_, waarvan tante hoopte dat hare geliefde dochter er even gelukkig door zou worden als zij zelve het was.
Al de voordeelen waren hier aan mijn kant; Miss Wilkinson was een engel van gracie en van stille vrouwelijke deugden, maar zij was twintig jaar en ik reeds in de dertig, waaronder campagne-jaren in eigenlijken zin, die voor dubbel moesten tellen. Ik kon niet verwachten, ik durfde niet hopen haar hart te zullen winnen. Ik had in den loop van mijn veelbewogen leven het mijne wel eens voelen kloppen, maar mij zelven nooit de vrijheid gegund naar die stem te luisteren; nu sprak zij maar al te luide en ik moest haar met al mijne kracht tot zelfverloochening het stilzwijgen opleggen. Onder die gedurige waakzaamheid over mij zelven werd ik strak en terughoudend; ik scheen koel, waar de heftigste hartstocht in mij gloeide.
»Helena van hare zijde begon ook voor mij te veranderen; zij werd stil en afgetrokken, en het kwam mij voor dat zij er mat en bleek begon uit te zien. Ik vreesde te mishagen, ik voelde dat ik mij zelven geen meester zou worden als ik in hare nabijheid bleef; ik nam het voorwendsel van schikkingen, die nog getroffen moesten worden omtrent mijn proces, om eene reis naar Londen te doen. Toen ik er mijn oom over sprak, zeide hij half lachend, half ernstig: Ja! ja! ik weet wel wat er schuilt onder dat pretekst. Gij kunt die zaken nu best aan de advocaten overlaten, maar het oude erfzwak heeft u weer aangegrepen en gij ziet er tegen op om Miss Helena Wilkinson als Lady Wilmot naar Desborough-Castle te voeren!
»Gij begrijpt _hoe_ ik mij tegen deze onderstelling verdedigde, en met welk eene onuitsprekelijke blijdschap ik van hem de verzekering hoorde, dat ik mij in Helena bedrogen had, die hare geheime liefde aan hare moeder had bekend.
»_All is well that ends well!_" zegt _old_ Will, en ik behoef u niet te zeggen dat van toen af alles voor mij ging als op rolletjes. Toen ik Lady Wilmot naar Desborough-Castle voerde, en haar in de groote oude familiezaal al de portretten mijner voorouders liet zien, was hare eerste vraag naar het portret mijner moeder. Helaas! juist dát ontbrak in de rij. Het miniatuur in 't horloge was de eenige afbeelding die er van haar bestond. Nu voelde ik opnieuw en met verdubbelde levendigheid mijn leedwezen over het offer dat ik had moeten brengen; want na zooveel tijdsverloop moest ik de hoop opgeven dat horloge terug te krijgen.