Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 20
»Dan verwondert het mij niet dat ik, van ochtend nog eens voor 't laatst naar Busch gaande, om te hooren of er ook antwoord gekomen was, weer tevergeefs kwam. Toen nam ik het besluit mijn tijd hier niet langer met wachten te verliezen en naar Amsterdam terug te keeren, vanwaar ik, nota bene! pas gekomen was! U daar zelf op te zoeken en mondelinge berichten in te winnen die de voorname kunstenaar mogelijk geen lust gehad had om aan den voormaligen collega zijns vaders mee te deelen; den vreemdeling die tegelijk zijne kunst kwam bewonderen zou hij eerder te woord staan, stelde ik mij voor; gij ziet hoe verkeerd ik u beoordeelde en hoe onjuist mijne veronderstellingen waren.... Vergeef het mij, maar gij begrijpt wat ik moest gevoelen toen ik dezen morgen in dat logement een jonkman, die mij geheel onbekend was, een horloge voor den dag zag halen dat ik terstond voor het mijne hield: die gedreven kast, die gekartelde rand, die ongewone dikte voor onzen tijd, alles scheen het te bewijzen; toch kon het een _idée fixe_ zijn van mij, om bij eenige gelijkvormigheid, juist het voorwerp mijner nasporingen te willen zien, dat mij in 't hoofd speelde, en ik vreesde nog mij bedrogen te hebben, maar ik nam mij terstond voor om tot elken prijs zekerheid te krijgen. Van toen aan beschouwde ik u, om mij zoo eens uit te drukken, als mijne prooi die ik niet weer dacht los te laten. Mijn aanbod om samen de reis te doen was dus niet geheel onbaatzuchtig, en toen gij mij later uw naam bekend maaktet, werd ik versterkt in mijne meening, dat ik gevonden had wat ik zocht; ik kreeg er de bevestiging van door uwe gelukkige onachtzaamheid, die mij in de gelegenheid stelde om het horloge in handen te nemen en te bezichtigen eer ik het u teruggaf, maar _indeed my dear!_ het had slecht kunnen afloopen zoo mijn blik niet even snel en scherp ware geweest als uwe voeten gejaagd om weg te komen. Gij zoudt mij eene geduchte poets hebben gespeeld, als dat dierbare kleinood daar was blijven liggen, u zelven ook, want die afzetter van een kastelein was zeker niet veel te vertrouwen, en 't zou onvergefelijk zijn geweest zoo wij het door zulk eene achteloosheid waren kwijtgeraakt. Met uw verlof zal ik het dan nu ook maar in bezit nemen, gij mocht u weer eens boos maken tegen den een of anderen herbergier!" eindigde hij schetsenderwijs en borg het horloge in het leeren geldtasje dat _en sautoir_ op zijne borst hing.
»Ik verzoek u te gelooven dat het mijne gewoonte niet is, zoo opvliegend te zijn," sprak Frits, niet zonder eenige verlegenheid; »maar ik bevond mij dien ganschen morgen door allerlei smartelijke herinneringen en een samentreffen van verschillende onaangenaamheden in een zeer geprikkelden toestand. Om weer mij zelf te worden was niets mij zoo noodig, als mijne geboorteplaats, werwaarts ik alleen uit nooddwang gekomen was, zoo schielijk, mogelijk te verlaten. Met iedere minuut blijvens groeide mijn ongeduld, mijne overprikkeling aan, toen het na zooveel ergernissen, na zooveel oponthoud, er eindelijk toe kwam, dacht ik aan niets dan om maar weg te komen...."
»En in al uwe haast vondt gij nog gelegenheid om den vreemdeling te verplichten door hem zijn goed na te dragen, terwijl gij het uwe vergat!" sprak Wilkinson, even het hoofd schuddend, terwijl een glimlach om zijn mond speelde.
»Dit verwijt...." viel Frits in.
»Och kom, het is er geen. Ik ken ook zulke toestanden, men loopt zich zelf voorbij, wil nog daarenboven een ander helpen en.... raakt zijn horloge kwijt, zooals gij nu! Maar wees gerust, ik zal er u een ander voor in de plaats geven, ik kan niet ruilen met hetgeen ik nu bij mij heb, want dat is slechts een zilver. Op reis gebruik ik nooit anders, 't is een _time-keeper_, een beste, maar een elegant jongmensch moet wat anders hebben.... nu, wij scheiden nog niet; wij moeten eerst afrekening houden, hebt gij al uitgerekend hoeveel geld ik u schuldig ben?"
»Wel, Sir! daar komt zooveel rekenen niet bij te pas; driehonderd francs, dat zal zoo ongeveer honderd vijftig gulden zijn; wij rekenen nu gelukkig weer met Hollandsche munt."
»Ja, de Franschen en Belgen nemen graag de Hollandsche gulden voor twee francs, hoewel het een verschil is in hun voordeel; maar met u wil ik niet chicaneeren, wij nemen dus honderd vijftig gulden Hollandsch als wortel, en die is goed opgeschoten en heeft goede vruchten geleverd in die twintig jaar, want er zijn twintig jaar verloopen, mijnheer Rosemeijer! sinds ik dat geld van uw vader leende. Gij waart toen nog een blonde krulkop, die bij moeders schoot uw boterham stond te eten, toen ik met een kloppend hart dat winkelkamertje intrad, en uw vader te spreken vroeg!"
»Hebt gij dàt nog onthouden? Mij heugt er niets meer van?"
»Gij waart te jong; laat mij eens zien: vier, vijf jaar."
»Ik ben in mijn zes-en-twintigste jaar, mijnheer!" zei Frits met zwaarmoedigheid.
»Nu, dat's een mooie leeftijd, dat's de ware om nog alles van uw leven te maken wat gij maar wilt."
Frits zuchtte en sloeg de oogen naar den grond tot eenig antwoord.
»Ik ben zes-en-veertig en niet afgeleefd genoeg om zwak van memorie te zijn; zooals gij ziet, ik kan ook nog goed rekenen, en zoo zou ik u kunnen voorcijferen, dat uwe driehonderd francs tot driehonderd gulden zijn aangegroeid, en nu stel ik alleen maar eene matige rente en geen rente van rente, zooals zeker geschied zou zijn, ware ik in woekeraars handen gevallen."
»Als gij in uwe edelmoedigheid er zulke som van maken wilt, Sir! zal ik niet den hooghartige spelen en weigeren. Mijn vader heeft in zijn leven zooveel zaken gedaan, waar hij slecht mee gevaren is, dat het hem mogelijk nog in zijn graf verheugen zal zoo het eens anders uitvalt; maar ik erken dat het zijn zal door uwe welwillendheid en niet door ons recht. Ik moet u doen opmerken dat het nooit de intentie van mijn vader kan geweest zijn, om te speculeeren op de geldverlegenheid waarin een vreemdeling, een krijgsgevangene, zich buiten schuld zag gebracht, en ik houd het er dus voor, dat hij u geen intrest zou hebben berekend, zooals daarvan dan ook niets staat aangeteekend."
»Omdat zoo iets vanzelf spreekt, een _sous-entendu_, waarvan men onder eerlijke lieden geen aparte clause behoeft te maken, en gij begrijpt dus ook dat ik mijnerzijds den nood, waarin ik op dat oogenblik verkeerde, niet als voorwendsel zou nemen om een edelmoedig man, die al te goed van vertrouwen was, jarenlang op voorgeschoten geld te laten wachten, dat hij best in zijne negotie gebruiken kon, zonder dat ik hem daarvoor vergoeding zou schuldig zijn, neen, mijne jonge vriend! ik mag u immers zóó wel noemen? _Measure for measure_, zeggen wij in Engeland onzen Shakespeare na, en ik heb van de familie Rosemeijer, vader, moeder en zoon, zooveel gemoedelijkheid, zooveel edele onbaatzuchtigheid, en zooveel voorkomende hulpvaardigheid ondervonden dat ik zeer in mijn schik ben nu ik geloof in de gelegenheid te zijn daarvan iets aan een hunner te kunnen vergelden. En daarom zeg het mij gul uit, als er iets zijn mocht waarmee ik u dienst kan doen?"
»Maar ik heb u immers gezegd dat ik de door u gestelde som aanneem, al komt mij de berekening wat te ruim voor."
»Ta! ta! afrekenen is geen dienst bewijzen, _les bons comptes font les bons amis_, en daarom moeten wij op dit punt in 't effen zijn eer wij verder gaan." En daar Frits niet antwoordde, ging hij voort: »Sta mij toe, eene gissing te wagen naar 't geen gij geen lust schijnt te hebben mij zelf mee te deelen. Anderen hebben mij van u gezegd dat gij een voornaam kunstenaar zijt en ik wil dat gaarne gelooven; maar daarmee is me nog niet bewezen dat gij voorspoed hebt gehad. Men kan een zeer verdienstelijk man zijn, een talentvol kunstenaar, en toch geen geluk hebben--ik bedoel dit in den zin van geen goede zaken doen.... Uit uwe eigene woorden is het mij gebleken, dat gij althans nog geen fortuin hebt gemaakt. Heb ik dat geraden?"
»Dat is ongelukkig maar al te waar," hernam Frits.
»Neen, dat is nog zoo heel ongelukkig niet; wat niet is kan komen; het zou erger zijn zoo gij rijk waart en toch nog onvoldaan en ziet gij, van 't eerste oogenblik af dat ik mijne opmerkzaamheid op u vestigde, zonder nog iets van u te weten, zei ik in mij zelven: »die jonkman dáár heeft iets dat hem kwelt! Gij hadt niets van dat vroolijke, opgewekte, zorgelooze dat der jeugd, dat vooral den jeugdigen kunstenaar eigen is; gij waart somber, prikkelbaar, heftig, onverschillig voor alles wat u omringde, gij hadt honger noch dorst en dát in een logement! In een logement, jonkman! moet men altijd honger en dorst hebben of voorwenden, anders maakt men er een slecht figuur; de indruk dien gij op mij maaktet was deze: er hapert wat aan, er hapert zelfs veel aan, wat het zijn kon vermoeide ik mij toen niet uit te vinden, nu.... zal ik niet rusten voor ik er achter gekomen ben."
»Ik heb met tegenspoed te kampen gehad, ik ben teleurgesteld in verwachtingen, die, mogelijk door de schuld van anderen, wat te hoog gespannen waren, ik ontveins het niet, mijnheer! maar geene schatten zijn in staat mij dátgene te vergoeden wat ik het meest betreur!" antwoordde Frits strak en somber.
»Dat spijt mij zeer, want ik zou anders wel in de gelegenheid zijn u een handje te helpen, als het de vraag ware van fortuin te maken, met uwe kunst. Welk genre hebt gij gekozen?"
»Figuur-, interieurs- en genrestukken, ik placht zoo wat van alles te ondernemen wat maar voorkwam."
»Ook portretten?"
»Och ja, maar...."
»Zoudt gij u in staat achten om naar het miniatuur in 't horloge een groot portret te schilderen?"
»O ja! dat zou wel gaan. Ik ben geen ongelukkig kopiïst, maar ziedaar eene sterkte, die tegelijk eene groote zwakheid verraadt," antwoordde Frits met zekere bitterheid, waar niet slechts spijt, maar ook dat tintje gemelijkheid uit sprak van iemand die zich ongaarne nuttelooze vragen ziet voorgelegd.
»Nu! ik zou het op die zwakheid wel durven wagen en dan zou ik al terstond werk voor u hebben."
»Gij zijt wel goed, maar ik ben niet in de gelegenheid om het op mij te nemen."
»Niet? En waarom niet? Geen lust meer in 't werk? Waaraan kan dat liggen? Ah ja! nu ben ik er, niet genoeg gewaardeerd, misschien gekrenkte ambitie, ja! ja! dát zal het zijn, vandaar dat verlaten van het atelier, dat wegtrekken uit de hoofdstad, of het moest zijn om eene kunstreis te ondernemen?"
»O, neen! dát plan had ik niet."
»Zoudt gij er lust in hebben, al lag het juist niet in uw plan?"
»Nu niet meer.... waartoe zou het dienen?"
»Waartoe! waartoe! wel om uw smaak, om uw geest te vormen, om aan de uitnemendste kunstgewrochten van anderen het oog te verlustigen, de geestdrift te ontvonken, er uit te leeren zien wat u zelf ontbreekt."
»Och, dat alles zou mij toch niets meer baten," hernam Frits op moedeloozen toon, daarop vervolgde hij na eene korte pauze: »Waarom zou ik het u niet bekennen, gij hebt het toch al geraden. Het is mij niet slechts tegengeloopen als schilder, maar ik ben _tegengevallen!_ Niemand gelooft meer aan mijn talent, en ik zelf het allerminst; zoo heb ik allen lust verloren voor dat vak, en ik ben in het stadje E. geweest om er zekere officieele stukken te halen, die mij noodig waren omdat ik dienst wilde nemen."
»Dienst nemen!" riep de Engelschman met meewarige verwondering, »gij! hoe moet ik dat verstaan, toch geen soldaat worden?"
»Niet juist dát, ik wilde als volontair uittrekken, onze schutterijen zijn mobiel verklaard, vrijwilligers uit iederen stand bieden zich aan om bij dat corps te dienen, men spreekt al luider en luider van den oorlog, het kwam mij voor, dat ik niets beters had te doen dan ook mee uit te trekken."
»Gij zegt dit op een toon, die niet precies getuigt van vurige geestdrift."
»De geestdrift zal hoop ik later wel komen. Ik kan niet onwaar zijn en tegen u de houding aannemen van een held, door vurige vaderlandsliefde gedreven; helaas neen! ik heb met de kunst gebroken, andere pogingen om fortuin te verwerven zijn ook mislukt; ik verloor daarbij het weinige wat ik nog bezat, ik heb niets meer te hopen, niets meer te verliezen, en zoo wil ik mijn leven aan het vaderland geven, omdat dit het eenige is wat ik er nog mee weet te doen!"
»Op uw zes-en-twintigste jaar zoo radeloos verlegen wat aan te vangen, in zoo diepe moedeloosheid neergezonken!" sprak Wilkinson op een toon van afkeuring, die door diepe deernis verzacht werd, »en dat de zoon van den wakkeren, opgewekten, vindingrijken Herman Rosemeijer?"
»Juist omdat ik zijn zoon ben," hernam Frits met vastheid, »moet ik niet zijne wegen gaan. Bij de enkele pogingen om die te volgen, troffen mij dezelfde teleurstellingen, dezelfde miskenning; gelijke onheilen, gelijke jammeren dreigden mij, zoo ik mij niet bijtijds omwendde en afzag van het najagen der schatten, die hem voor de oogen schitterden. Ik wil mij niet door dezelfde verlokkingen laten meeslepen, ik mag het niet, want ik heb God gebeden mij te bewaren voor een uiteinde als het zijne, en het zou zijn God verzoeken, zoo ik, dies ondanks, dezelfde hersenschimmen najoeg!"
»Ik heb van dat uiteinde gehoord!" sprak Wilkinson, getroffen hem met vernieuwde opmerkzaamheid aanziende, »en ik begrijp dat het op u een onuitwischbaren indruk moet gemaakt hebben; maar naar de ziekelijke geestverbijstering van zijne laatste jaren moet de klare, vernuftige man, niet beoordeeld worden, dien ik gekend heb in zijne volle kracht. Mij heeft hij ook van zijne projecten en uitvindingen gesproken; ik was toen, zooals gij denken kunt, niet in de conditie om er veel belang in te stellen, maar ik kan u toch zeggen, dat ze mij niet zoo onzinnig, noch zoo onuitvoerbaar toeschenen, en het verwondert mij, dat men er in Holland geene partij van getrokken heeft."
»En als gij dan wist hoe het mijn armen vader in Engeland is vergaan?" sprak Frits niet zonder bitterheid; en hij kon zich niet weerhouden om Wilkinson het treurig verhaal te doen van de laatste, omvangrijkste onderneming zijns vaders, en haar jammerlijken afloop!
Wilkinson beantwoordde dit vertrouwen door de betuiging van oprechte deelneming. »En van dat alles heb ik niets geweten," hernam hij, »hoe jammer! en toch.... ja! op dat tijdstip was ik nog in Indië en had met den besten wil van de wereld niets voor hem kunnen doen."
»Ja!" sprak Frits, »zoo moest het zijn; had mijn arme vader daar slechts ééne hand gevonden die zich hulpvaardig naar hem had uitgestrekt, wie weet hoe alles anders uitgevallen ware, doch we zien hier weer uit, wie tot tegenspoed is voorbestemd, moge doen wat hij wil, alles valt hem tegen, zelfs datgene wat naar menschelijke berekening hem ten goede had moeten komen."
»Zoo spreekt men uit vertwijfeling omdat men het geduld, de lijdzaamheid en bovenal het geloof mist om op het einde te wachten," sprak Wilkinson met vastheid en ernst. »Uit het kwade kan nog wel het goede voortkomen, maar wat waarlijk goed _is_ kan nooit ten kwade leiden, zelfs al schijnt ons dat zoo. De voorzienigheid Gods leidt en beheerscht de dingen dezer wereld naar andere inzichten dan de onze; moet men het aan haar wijten zoo zij daarbij niet rekenen kan met de menschelijke zwakheid en feilbaarheid, die zich niet vertrouwend aan hare leiding wil overgeven, niet door het geloof met hare wegen wil vereenzelvigen, maar liever vooruit wil ijlen en alleen loopen om zich dan verlaten te achten en te vertwijfelen."
»Gij hebt zelf het eerst het wanhopig bestaan van mijn vader ziekelijke geestverbijstering genoemd," viel Frits in met eene stem die van aandoening trilde.
»Ik zeg dit niet om een oordeel uit te spreken over den vader, ik zeg het ter waarschuwing van den zoon. Bij de dispositie die ik nu in u vind, loopt gij waarlijk de gevaren in den mond, die gij uit alle macht wilt vermijden. Hoe! op uw zes-en-twintigste jaar, dat wil zeggen in den vollen bloei des levens, wilt gij soldaat worden om aan de verzoeking te ontkomen van de voetstappen uws vaders te volgen; gij stelt voor vast dat alles u _moet_ tegenloopen. Stel nu eens dat de eerste kogel de beste die gewisseld zal worden u trof?"
»Ik heb mij die mogelijkheid voorgesteld," zei Frits met gedwongen kalmte, »en zooals het nu met mij staat, zou niemand er bij verliezen, niemands hart er om bloeden," eindigde hij, terwijl hij het hoofd afwendde en zijn zakdoek voor de oogen hield.
»Ah! zoo! hebt gij _die_ overtuiging," hernam Wilkinson een weinig sarcastisch, maar weer ernstig ging hij voort: »er ligt dus zooveel als een verholen wensch naar een snel en gemakkelijk einde op den diepsten bodem van uw hart; in uwe plaats zou ik het mijn naasten plicht rekenen die verborgen neiging moedig te bekampen in plaats van haar voedsel te geven, onder voorwendsel van vaderlandsliefde, want gij _hebt_ het land niet lief, waar gij niets te verliezen, niets meer te hopen hebt, waar noch de roem, noch de fortuin uw deel zijn geworden, waar niemand u liefheeft noch betreuren zou, dit alles volgens uwe eigene getuigenis; nu moet ik u zeggen, _ik_ die zestien jaren lang de gevaren van den oorlog te zee en te lande uit onafwijsbaar gevoel van plicht heb getrotseerd, die den dood heb zien naderen onder allerlei gedaanten, heb zien treffen onder elken vorm, dat niets, niets de ziel met zulke eene innerlijke afschuw vervult als juist dat zien komen van dien onvermijdelijken dood bij volle gezondheid en krachten, en als dan op zulk een oogenblik de stem van het geweten zich verheft en bij alles wat zij te zeggen heeft ook nog deze beschuldiging moet voegen, dat men roekeloos, eigenwillig deze verschrikkingen is tegengegaan dan...."
»Sir Reginald! mijnheer Wilkinson! waarom zegt gij mij dit?" riep Frits met siddering in de stem.
»Omdat het mij voorkomt, dat gij u zelven deze dingen _niet_ gezegd hebt, en opdat gij ze dan wel eens zoudt kunnen hooren als het te laat ware, en toch dit houdt gij voor 't gelukkigste wat u zou kunnen overkomen; gij hebt er dus niet op gerekend _dat alles u tegenloopen moet_, zooals gij u nu eenmaal inbeeldt en dat bij voorbeeld een kogel verdwaalde in een uwer ledematen, zonder den dood te brengen,--gewond op een slagveld te liggen is geen zacht lot, ik heb er ondervinding van. Ik heb eens een houw over mijn achterhoofd gekregen, waaraan ik meende dood te bloeden, en toch allen om mij heen bemoeiden zich slechts, om anderen met gelijke munt te betalen en eigen leven te beschermen, zonder er aan te denken mij eenige hulp toe te brengen; dat kan u ook gebeuren, verminkt voor het leven, en dan te herstellen, ongeschikt voor alles misschien! en--ik spreek altijd van u als van den vervolgde door het noodlot--en dan vergeten en verlaten te worden in een land, waar niets of niemand zich om u bekommert! En nu heb ik nog niet eens van de krijgsgevangenschap gesproken, een toestand waarin gij ook zoudt kunnen geraken, en die zoo drukkend kan zijn, dat men groote provisie van zedelijken moed dient op te doen, en gelijken voorraad van rustig, kinderlijk vertrouwen, al is men nog zoo'n kloeke man, om niet in verzoeking te komen het vraagstuk van de uitwisseling eigenmachtig op te lossen. Geloof mij, jonge man! dat ik hier niet spreek van eene onderstelling uit de lucht gegrepen om u te verschrikken. Toen wij uit Holland naar Frankrijk getransporteerd werden om te Brest in een kerker te worden opgesloten, wij, eervolle krijgslieden, met het schuim van volk uit alle natiën, matrozen, deserteurs, kaper-kapiteins, wat niet al, toen kon een mijner geliefde makkers, een onzer rapste en lustigste officieren, dat lot niet dragen; hij, altijd de kloekste in 't vuur, werd kleinmoedig als een kind, en als een kind dat moedwillig eene bloem ontbladert, knakte hij zelf de bloem van zijn twintigjarig leven! Ik zou vreezen dat in een gelijken toestand uwe lijdzaamheid, uw geduld om de uitkomst af te wachten, evenzeer zouden te kort schieten en daarom wees gewaarschuwd!"
»Ik waardeer de oprechtheid van uwe waarschuwingen," hernam Frits in zichtbare ontroering, »maar wellicht zoudt gij mij minder hard beoordeelen, en den stap waartoe ik gekomen ben minder onzinnig achten, als gij alles van mij wist."
»_For Gods sake my young friend!_ zeg mij dan alles!" viel de Engelschman uit, »maar meen niet dat ik u veroordeelen, dat ik u hard vallen wil, omdat ik tracht u in te lichten over u zelven. Al zou er ook eigen schuld, al zou er ook misdaad loopen onder 't geen gij uw ongeluk noemt en dat u tot zulk een wanhopig besluit voert, belijd het mij gerust, ik stel reeds genoeg belang in u om u de hand te bieden in alles waartoe die noodig kan zijn. Ik ben het uw vader schuldig, en gij zelf hebt een recht op mij verkregen; geloof mij, al is uwe positie in dit land nog zoo onhoudbaar, nog zoo bedorven, waardoor dan ook, ik kan u elders rust en veiligheid waarborgen en uitzicht openen op fortuin!"
»Ik ben u dankbaar voor de intentie. God zij geloofd! geene schuld, geene misdaad dwingt mij mijn land te verlaten, maar toch, ja! zoo gij mij zes weken vroeger zulk een voorstel hadt gedaan, ik zou het met onuitsprekelijke blijdschap hebben aangenomen. Nu is het te laat, nu zou het mij toch niet meer baten, mijne hoop op levensgeluk is onherstelbaar verloren. Het is niet alleen omdat ik mij als kunstenaar mislukt acht dat ik lijde, nog minder omdat de fortuin mij tegen is; voor mij zelven alleen had ik geen rijkdom noodig, maar door dien tegenspoed is aan mijn hart eene diepe, smartelijke wonde toegebracht, waarvoor ik genezing, waarvoor ik afleiding wensch te zoeken in strijd, in levensgevaar, in alles wat maar vergetelheid belooft, en die mij voortdrijft om elke herinnering, om mij zelven te ontvluchten, zoo het mogelijk ware!"
»Ik dacht het wel dat er eene liefdeshistorie achter school!" sprak Wilkinson even het hoofd schuddend.
»Eene liefdeshistorie!" herhaalde Frits, »och noem het zóó niet, het is er geene die op zich zelve staat als een incident in mijn levensloop, het is eene die met _de geschiedenis_ van mijn leven is samengevlochten. Ja! waarom zou ik voor u niet mijn gansche hart uitstorten; zoo iemand, _gij_ zult geduld hebben om mij aan te hooren."
»Nu bemerk ik dat gij mij hebt verstaan." Wilkinson drukte hem de hand, en Frits deelde hem alles mede wat wij reeds weten. Nu eens op den vasten, korten toon eener hartstochtelijke gemoedsbeweging, dan weer kalm verhalend en zich uitsprekend over eigen bevindingen en ervaringen. Dit verhaal, van tijd tot tijd afgebroken door de vragen, de uitroepingen of de betuigingen van deelneming van de zijde des toehoorders, was nog niet geheel ten einde gebracht, toen het rijtuig stilhield voor eene uitspanning, die het _Bonte Paard_ tot uithangbord voerde, en de koetsier, fluks van den bok gesprongen, het portier opensloeg met de vraag:
»Heeren! ook uitstappen aan Halfweg?"
»Wel, die inval is zoo kwaad niet," sprak Wilkinson, Frits aanziende, »wij kunnen ons hier eens vertreden en eenige verversching gebruiken, waaraan gij groote behoefte hebt." En reeds was de forsche, maar vlugge man uitgestegen. Frits volgde ook, verheugd versche lucht te scheppen na een rit van ruim anderhalf uur!
VII.
»Het schijnt hier deftig!" zei Frits, een knecht ziende met witte das en zwarten rok, die in den deurpost stond te leunen zonder eenige _mine_ te maken van dienstvaardigheid, toen hij de vreemdelingen zag komen. Buiten de deur stonden eenige tafeltjes en stoelen ten behoeve van hen, die in de vrije lucht eenige verversching wenschten te gebruiken. Wilkinson wendde zich naar eene daarvan, maar de zwartrok verroerde zich niet om hem een stoel te geven; behalve de stalknecht, die toegeschoten was om het rijtuig en de paarden in de stal te bezorgen, nam geen mensch notitie van de reizigers. Wat ongeduldig over deze nalatigheid, tikte Wilkinson hard en driftig met zijn rotting op het tafeltje, in de verwachting dat men op dit signaal zou toeschieten; maar men haastte zich niet, en de man in 't zwarte pak zag het glimlachend aan, zonder zich te verwaardigen van houding te veranderen, en antwoordde alleen op de vraag van Frits of er dan niemand in huis was?