Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 19

Chapter 193,912 wordsPublic domain

Zonder iets te antwoorden, wandelde Claudine aan zijn arm den tuin rond, als in nadenken verzonken. Eindelijk verbrak zij dat zwijgen.

»Zeg, vader! heb ik niet wel eens van u gehoord, dat mijn moederlijk vermogen buiten uwe zaken is gebleven?"

»Ja, gelukkig! Zoo is het. Hare huwelijksvoorwaarde ten bedrage van vijftigduizend gulden, is te uwen behoeve op het grootboek geplaatst na haar overlijden; die zijn in elk geval voor u gered."

»Maar is uwe eer als koopman daarmee ook gered, vader?"

»Niemand zal eenige fraude vinden in mijne boeken, niemand zal mij van deloyale handelingen kunnen beschuldigen," hernam hij met zekere vastheid, na een oogenblik zwijgens.

»En Veere?"

»Die heeft geen recht zich te beklagen zoo hij verlies lijdt door een bankroet, dat hij met eenige edelmoedigheid had kunnen voorkomen. Zoo hij mij in deze crisis had willen bijstaan, zonder mij vernederende voorwaarden op te leggen, zou hij het geleende geld nevens het andere eenmaal met winst hebben terugbekomen; nu heeft hij zelf mij de gelegenheid benomen om mij met hem afzonderlijk te verstaan."

»Maar als ik nu die vijftigduizend gulden afstond, om onder uwe crediteuren verdeeld te worden, zou dat dan de schikking niet bespoedigen? Zou vriend en vijand u dan niet den lof geven van een loyaal koopman en een volkomen eerlijk schuldenaar te zijn?"

»Ik ken er die mij een gek zouden noemen, maar.... ik stem het u toe, ook zouden er zijn, en van de besten, die deze handelwijze zouden weten te waardeeren.... doch.... laat ons daar niet meer van spreken, Claudine! er kan toch niets van komen."

»Waarom niet, vader? Ik ben immers.... meerderjarig geworden en heb vrijheid over dat geld te beschikken?"

»Dat is wel zoo, maar als gij, ik zou eigenlijk moeten zeggen als _wij_ dit offer brengen, rest ons niets meer dan eene lijfrente, die uwe tante voor u kocht en die nog geen zeshonderd gulden bedraagt."

»Laat ons trachten van die lijfrente te leven, vader! en toon u een onberispelijk eerlijk man, zooals gij zijt in uw harte," sprak Claudine met eene edele geestdrift, waarbij een zachte blos hare bleeke wangen overtoog.

»Zoo ik alleen in de wereld ware, zou ik het zeker doen, geloof dat van mij!" sprak hij, haar met tranen in het oog de hand drukkende, »maar u arm en behoeftig te zien, u ontberingen te moeten opleggen van allerlei aard, dát.... dat gaat boven mijn vermogen."

»Doe u zelven dan eenig geweld aan, vader! want het _moet_ zoo zijn, nu wij eens weten wat wij hier te doen hebben, mogen wij het niet laten."

»Gij spreekt zoo, mijn kind! omdat gij den jammer niet overziet, waarin gij u storten zoudt, bedenk toch, als gij dit offer brengt, houden wij niets, niets meer over...."

»Ja toch, vader! dan houden wij wel iets over, en iets zeer kostelijks zelfs, dat bij alles te pas komt, de getuigenis onzer consciëntie dat wij onzen plicht hebben gedaan!"

»Die zullen wij hebben, dat is waar!" hernam hij met zekere bitterheid; »maar wij zullen doodarm zijn!"

»Het zij zoo! arm maar vrij! Men kan een vernieuwd leven niet beter aanvangen," hernam zij met vastheid, en de schoone, zwakke oogen schitterden met een liefelijken glans, en de edele uitdrukking van haar gelaat had iets zóó wegslepends, dat Verburg haar met verrukking in zijne armen sloot, en als buiten zich zelven gebracht instemde met hare beslissing.

Hierbij bleef het, en alzoo deden zij.

Al hunne bezittingen werden den schuldeischers overgeleverd. Hun huis, hunne prachtige meubelen werden verkocht, en zij behielden er niets van dan de piano, die Claudine liet inkoopen, omdat zij er een plan mede had, en een schilderijtje van Frits, dat deze haar vader geschonken had en dat in het kleine stadje geen kooper vond.

Daarna trokken zij weg, zonder iemand met hunne voornemens of met hunne toekomstige verblijfplaats bekend te maken.

_Men_ keurde deze geheimzinnigheid af. Zij behoefden zich immers niet te schamen, zij waren verarmd en vernederd, dat is waar; maar geen vlek bleef rusten op hun naam. Het bankroet was een ongeluk, geen schandaal!

Integendeel, de schuldeischers hadden reden van tevredenheid, en er waren onder hen die gaarne de handen ineen zouden gelegd hebben, om er Verburg weer op te helpen; maar deze was niet meer de man om iets te beginnen, hij had er den lust en den moed toe verloren. Veere noemde hem een dwaas en beschuldigde Claudine van roekeloosheid en trots, omdat zij de vijftigduizend gulden, die haar toebehoorden, zoo onberaden in den draaikolk van eene failliete massa had geworpen.

Claudine glimlachte met zachten weemoed, toen dit oordeel haar werd overgebracht. »Hoe weinig pasten die man en zij bij elkander! maar zij dankte God in 't harte, dat zij bewaard was gebleven voor die andere roekeloosheid; haar leven te werpen in den draaikolk van zulk een ongelijk huwelijk!"

VI.

Wij hebben Frits met den Engelschman in de berline laten stijgen, en ons daarna van hem afgewend, maar wij moeten hem toch nog vergezellen op dat tochtje.

Eerst zal het goed zijn een blik te slaan op zijn reisgezel.

»Een Engelsche kapitein," had de kastelein uit de Zon gezegd, en daaronder werd door hem een dier gezagvoerders van koopvaardijschepen verstaan, die hij in zijne kleine havenstad gewoonlijk steenkolen zag aanvoeren, om boter en kaas mee terug te nemen, meestal lieden die een goed bestaan, maar daarom nog geen beschaafden geest hebben, en die, al schijnen ze iets meer heeren dan de gewone Hollandsche vrachtschippers van de buitenvaart, toch inderdaad huns gelijken zijn in stand en afkomst. De kleeding van Wilkinson onderscheidde hem dan ook in niets van dezulken, onder wier rubriek baas Koppelman hem bracht. Zware, plompe laarzen met dikke zolen, zooals toenmaals nog geen Hollandschen voet schoeiden; vest, pantalon en korte nauwsluitende zeemansjekker van bruin mollig laken; een hooge witte boord met een zwart zijden stropdas; voor overkleed een dusgenoemde macintosh, een paletot van zwaar grein met impermeable voering; over den kraag heen een schotsch geruite wollen bouffante en een lage zwarte hoed met breede randen; de handen meest weggedoken in de groote wijde zakken van den paletot, maar toch geschoeid met castoren handschoenen, meer solide dan fijn; en 't geen den kastelein het allerminst beviel, hij droeg maar een zilver horloge, vastgehecht aan een zwaren geschakelden ketting van hetzelfde metaal; door deze bijzonderheid was hij zeer gedaald in diens schatting, en zoo de vreemdeling naar zijne eigene getuigenis niet zoo iets »_heerachtigs_" over zich gehad had, zou hij hem zeker voor een eersten of tweeden stuurman hebben gehouden. Werkelijk kenschetste het bruin verweerd gelaat hem als iemand, die veel aan den invloed van de buitenlucht is blootgesteld geweest, terwijl de trekken bij eene oppervlakkige beschouwing niets gedistingueerds hadden; zij waren grof en goelijk; om den grooten, gullen mond speelde een welwillende glimlach, die echter verre was van zekere stereotype weekheid en het wenkbrauwfrondsen, het voorhoofdsrimpelen niet belette als er oorzaak voor was. Niet groot van gestalte, maar forsch en gespierd, met een paar breede krachtige schouders, scheen hij inderdaad de type van een kloek zeeman, en de rosachtige bakkebaard, waaraan wel wat al te weelderige groei werd gegund, voltooide zoozeer de gelijkenis, dat men in verzoeking kwam om naar zijne ooren te kijken, of ze wellicht ringen droegen in den vorm van ankertjes of scheepjes; maar men zou alleen een litteeken gezien hebben, dat voortging over een deel van het achterhoofd, mogelijk de oorzaak waardoor hij bijna geheel kaal was, en slechts enkele dunne vlokjes langs de slapen het absente haar vertegenwoordigden. Zijn leeftijd?... kon zijn tusschen de veertig en vijftig, en zoowel zijn goede eetlust, die wij opmerkten, als zijn goed humeur getuigden dat hij was in 't volle bezit van gezondheid en krachten. Hij bleek een origineel die zijn eigen invallen volgde meer dan de gewone convenances, want in plaats van Frits in te lichten zooals deze verwachtte omtrent zijne vermeende kennis aan diens horloge, vroeg hij hem in eens lakoniek weg: »Of hij het hem verkoopen wilde?"

»'t Is niet te koop, mijnheer!" was het antwoord, ook wat kort, want Frits voelde zich een weinigje geprikkeld door het _sans gêne_ van die inleiding.

»_Oh, my dear!_ dat's nu achteruitgaan om beter toe te springen," hervatte Wilkinson lachende, »maar dat is niet noodig met mij, ik zou er zulk eene som voor kunnen bieden, dat gij bewogen werdt het af te staan, al is het nog zoo'n geliefd familiestuk."

»Ik begrijp wel dat gij mij niet voor een rijk man aanziet, en daarin hebt gij gelijk; maar gij vergist u, zoo gij meent dat de verlokking van 't geld mij tot iets zou kunnen brengen, dat mij niet geoorloofd is...."

»Niet geoorloofd! het zal toch wel uw eigendom zijn?"

»Ik heb het van mijne moeder gekregen onder voorwaarde, dat ik mij er nooit van zou ontdoen, en zij moest mij dit opleggen, omdat wij het in zekeren zin niet als ons eigendom mogen beschouwen. Mijn vader, mijnheer Wilkinson! was horlogemaker en heeft het in den tijd gekocht van iemand, die in geldverlegenheid was, onder conditiën, die naar onze meening niet verjaren kunnen...."

»Dat is wat anders!" hernam Wilkinson, en zweeg eenigszins getroffen.

Frits hield hem voor geslagen en meende nu op zijne beurt eene vraag te doen, toen de Engelschman opnieuw inviel:

»Maar als nu de voormalige bezitter zich aanmeldde?"

»Als dát gebeurde! hoewel het onwaarschijnlijk is, dan.... dan spreekt het vanzelf, maar dan zou het niet de vraag wezen van verkoopen, dan zou het eenvoudig eene teruggave moeten zijn tot den prijs, die daarvoor eenmaal betaald is en die mijn vader zelf...."

»Uw vader was een nobel, was een eerlijk man, mijnheer Rosemeijer! en gij.... zijt zijn waardige zoon!" riep de Engelschman op een gullen, blijmoedigen toon; »ik had dat wel vooruit kunnen berekenen, en niet noodig gehad u op de proef te stellen; verschoon mij deswege, maar een man, die veel in de wereld heeft gezworven, een koopman, een industrieel, heeft al zoodanige ervaringen van de menschen opgedaan, dat een weinigje omzichtigheid in hem geene onvergefelijke fout moet geacht worden. Vergeef mij!" eindigde hij, hem de hand biedende.

»Ik neem die met dankbaarheid voor uwe getuigenis omtrent mijn vader!" sprak Frits, de aangeboden hand drukkende met vochtige oogen, »maar verschoon mij.... op mijne beurt moet ik zekerheid hebben, eer ik mij scheide van een aandenken, dat mij zoo dierbaar is geworden, eer ik onrecht plege tegen den rechtmatigen eigenaar; eene vergissing zou hier zeer.... zeer.... noodlottig zijn.... de persoon van wien mijn vader het horloge kocht, heette niet Wilkinson...."

»Dat is ook mijn naam niet, dat is eigenlijk maar de naam van de firma, waaraan ik geassocieerd ben, en die ik op deze reis vertegenwoordig."

»Dat wil ik aannemen, maar.... gij noemt u koopman en industrieel, een burgerman in 't eind, en de andere was...."

»De andere was edelman, officier in Engelschen zeedienst en krijgsgevangen op zijn woord van eer tijdens het Fransche keizerrijk. Het kleine stadje, dat wij nu achter den rug hebben, was hem tot verblijfplaats aangewezen. Hij heeft het er niet best gehad, dat kan ik u verzekeren. Maar dien naam, niet waar, dien naam wilt gij hooren? Welnu, hij heette Reginald Peter Wilmot; zijn vader was baronet, maar hij zelf had destijds nog geen titel, daar zijn oudste broer leefde en dien voerde. Hij heeft voor het horloge ontvangen driehonderd francs, zooals gij uit deze eigenhandig door Herman Rosemeijer geteekende nota kunt zien," en de Engelschman nam het bewuste stuk uit zijne portefeuille en gaf het Frits in handen.

»Mijn vader, mijn goede, mijn ongelukkige vader!" riep Frits terwijl hij op het geschrift staarde met oogen vol tranen, zonder dat hij eigenlijk las; daarop tot Wilkinson nog met bewogene stem: »Verschoon mij, Sir! die letters.... mijns vaders eigen hand.... ik.... ik ben ten volle overtuigd,... maar dit.... dit laat gij mij, niet waar?"

»Dat spreekt vanzelf, gij zult daarentegen mijne handteekening gevonden hebben onder de papieren van uw vader; zoo gij 't verlangt zal ik mijne identiteit constateeren door opnieuw mijn naam te schrijven, dan kunt gij vergelijken."

»Ik zou mij schamen zoo ik nog een oogenblik kon aarzelen," viel Frits in, terwijl hij reeds het horloge te voorschijn bracht.

»Nu! nu! het heeft immers zoo'n haast niet," sprak Wilkinson goedhartig, daar hij zag hoe Frits met eenigszins bevende vingeren het horloge losmaakte van het fijne in haar gevlochten kettingje, waaraan het vastgehecht was.

»Verschoon mij, mijnheer! het heeft wél haast!" zei nu Frits, zich over die aandoenlijkheid heenzettende, en hem het kleinood overreikend, dat Wilkinson dan ook welgevallig aannam en met kennelijke voldoening aan alle zijden bekeek, terwijl hij sprak:

»Geef nu wel acht! en ik zal u het bewijs leveren, dat dit tikkertje en ik oude kennissen zijn;" al sprekende had hij even gedrukt op een bijna onzichtbaar knopje, dat in den geciseleerden als een koord gedraaiden rand, die de zware gedreven kas omgaf, verborgen was. Het sloeg open en niet de dekplaat van het werk vertoonde zich, maar een miniatuurportret op ivoor geschilderd, dat tusschen het dubbele deksel was vastgezet. Het stelde voor eene vrouwenfiguur in een prachtig toilet naar de mode van 't laatst der 18de eeuw.

»Om _dit_ portret was het mij voornamelijk te doen," ging Wilkinson voort. »Het is de beeltenis mijner moeder Lady Augusta, eenig kind van Lord Thurloë van Desborough, een Schotsch edelman. Zij is voorgesteld in bruidstoilet, en liet het miniatuur in 't horloge zetten, opdat haar echtgenoot het altijd bij zich zou dragen. Daarin is hij ook getrouw geweest tot aan zijn dood; maar hij stierf vóór ik mijn zestiende jaar had bereikt; mijne moeder gaf mij het geliefde kleinood tot een aandenken, daar ik toen op het punt stond als midshipman mijne eerste zeereis te doen. Zoo bezat ik haar afbeeldsel, zelve zag ik haar nooit weer; zij bezweek eenige weken na mijn vertrek; het verlies van haar echtgenoot had haar een schok toegebracht, waarvan zij niet weer bekwam."

»Hoe is het mogelijk dat gij u ooit van dat dierbare pand hebt kunnen scheiden!" sprak Frits met de openhartigheid, die hem eigen was, hoewel die opmerking klonk als eene afkeuring van de handelwijze des vreemdelings; maar deze nam het niet kwalijk, integendeel, hij drukte hem de hand en hervatte:

»Ik waardeer het fijn gevoel dat u dus spreken doet, maar geloof van mij, dat er vrij wat gebeuren moest en dat ik door allerlei leed en ontbering heengegaan was eer het er toe kwam. Een aankomend zee-officier, die acht broers en zusters heeft, en van zijn oudsten broer afhankelijk is, die zijne redenen had om niet heel vrijgevig te zijn; zulk een jong officier heeft tijden van nijpende geldverlegenheid, zooals gij wel kunt nagaan, jonge man! maar toch, ik hield dit aandenken zóó hoog in eere, dat ik mij liever als een schraalhans, als een saaie uilskuiken door mijne kameraden bespotten liet, dan mijn horloge te verkoopen of te verpanden, zooals ik menig kameraad zonder schroom met het zijne zag doen. Ook heb ik mij er nooit van gescheiden tot in 1811, maar toen.... krijgsgevangen zonder eenige hulpbron in een vreemd land, door mijne familie, die hare eigene bezwaren had, verlaten of vergeten, moest ik tot een maatregel overgaan, die alleen door den hoogsten nood kon worden opgelegd. Uw vader heeft het mij zeker kunnen aanzien in welke smartelijke ontroering ik tot hem kwam, al deed ik mijn best het hem te verbergen. Hij was zoo voorkomend, zoo meewarig, zoo loyaal, dat ik het er met hem op durfde wagen eene conditie te stellen, die een ander waarschijnlijk niet zou hebben aangegaan. Als men een horloge verpandt, krijgt men er nauwelijks een derde van de waarde voor; ik had om mijn leven te rekken, om mijne eer op te houden, driehonderd francs noodig, meer dan de volle waarde, naar de berekening van een horlogemaker althans; en toch, hij gaf ze mij, op eene voorwaarde, die geheel in zijn nadeel was en die mij nog eene kans liet om het eens weer terug te krijgen. Het tijdstip mijner uitlevering was nog onzeker en daarna zou hij nog een vol jaar geduld moeten nemen om mij gelegenheid te laten tot de lossing van dit pand, voor hem een _non valeur_, 300 francs, die deze kleinhandelaar als een dood kapitaal moest laten liggen! _O! 't was generous, utmost generous indeed!_" herhaalde Wilkinson, kennelijk bewogen als in zich zelven. »Ja, mijnheer Rosemeijer!" ging hij voort, »als ik bedenk dat gij de zoon zijt van dezen vader, in zijne principes opgevoed en ze nalevend, dan neem ik mijn hoed voor je af!" hij voegde de daad bij het woord en de indruk dien zijn eigen voorkomen maakte, won er bij. Inderdaad nu die _sailors-beaver_ dat hooge edele voorhoofd niet meer verborg, scheen het of die helderblauwe oogen, waar een tintje van echte Engelsche humour in blonk (goedhartigheid met diep gevoel doormengd), scheen het of die schrandere, vroolijke oogen dat gansche gelaat verlichtten en veredelden.

Ja, bruin verbrand waren de trekken, grof en ongeregeld, maar ze hadden niets ruws noch laags, het was John Bull in zijne forschheid, maar tegelijk Sir Reginald Wilmot de Engelsche edelman in zijne fierheid, bij wien de ingezogen vooroordeelen der geboorte zoo niet uitgewischt, dan toch gelenigd waren door een langen strijd met het leven, in alle zijne hoogten en diepten. Een strijd waarbij de overwinning aan zijne zijde was gebleven, dit sprak uit alles. Uit dien vrijen en rustigen blik, uit zijn opgeruimden glimlach, uit zijn lossen en gullen toon, uit zijne houding en manieren, zelfs waar hij voor 't oogenblik goedvond den eenvoudigen burgerman uit te hangen, bleek nog iets anders, iets dat baas Koppelman zijns ondanks als bij instinct had gevoeld, namelijk, dat hij gewoon was te gebieden en gehoorzaamd te worden op zijn wenk. Deze had hem ook daarom »kapitein" genoemd en bij zich zelven gezegd: »Ja, die zeelui zijn zoo wat kortaf, en geene tegenspraak, daar zijn ze niet aan gewoon."

Nog een bewijs van goede afkomst en opvoeding, dat echter aan de opmerkingsgave van Koppelman was ontgaan, maar niet aan die van Frits, leverden zijne handen, wel niet week en mollig als die van een leegloopenden fat, maar fijn en welgevormd en met aristocratische zorg onderhouden; men begreep het, forsch als ze waren, hadden zij zich niet ontzien om een scheepstouw aan te vatten of een zeil te reven als het nood deed; maar men moest er geen pek op zien kleven, dát was zeker een punt van zijne ambitie geweest zoolang hij in zeedienst was. Niet langer onder de zware reishandschoenen verborgen, getuigden ze nu tegen eene dwaling, die hij zelf met zeker opzet had gevoed.

Maar Frits, al erkende hij nu ook in hem den edelman _jusqu'au bout des ongles_, scheen toch niet willens den vrijen en gemeenzamen toon te laten varen, die van begin aan tusschen de reisgenooten was gevoerd.

Hij glimlachte zijns ondanks over de geste, waarmee de hoed was afgenomen, nam op zijne beurt ook de reismuts af, dankte nogmaals voor die uitdrukking van hoogachting voor zijn vader, maar kon toch niet nalaten zijne verwondering uit te drukken, dat Sir Reginald, al ware het ook dat hij zich door drang van omstandigheden genoodzaakt had gezien, om van zulk een kostbaar familiestuk tijdelijk afstand te doen, zooveel jaren had laten verloopen zonder er werk van te maken het terug te krijgen, terwijl hij het bezit daarvan nu dankte aan eene toevallige ontmoeting....

»Gij hebt gelijk!" viel Sir Reginald in, »dit lange tijdsverloop getuigt tegen mij; ik geloof wel dat ik »_not guilty_" zou kunnen pleiten, althans verzachtende omstandigheden kan laten gelden, maar dat zou nu een verre omweg zijn; alleen mag ik ter mijner verschooning aanvoeren, dat ja! ons samentreffen in die ellendige herberg inderdaad is hetgeen men gewoonte heeft toevallig te noemen; maar toch, mijne komst in het stadje E. had geen ander doel dan het bewuste, en al ware mij het genoegen ontgaan heden met u te zamen te reizen, zou ik u toch uitgevonden en opgezocht hebben, want sinds ik het er eens op gezet had, ben ik niet de man om het licht op te geven. Gij moet weten, mijnheer! ik ben nu op reis naar Amsterdam, om den zoon van Herman Rosemeijer op te zoeken! Maar terwijl ik u verslag doe van mijne nasporingen, konden wij, dunkt mij, eene sigaar rooken. Ik heb hier echte Manilla's, zooals er niet veel naar Europa verzonden worden, probeer maar eens."

Frits liet zich niet lang noodigen om uit de fijne buigzame sigarenkoker van Indisch maaksel, die hem werd aangeboden, zijne keus te doen, en terwijl zij zich verkwikten met den fijnen tabaksgeur, dien zij al rookend rondom zich verspreidden, sprak Sir Reginald:

»Gij kunt wel denken, _dear Sir!_ dat ik bij mijne komst in uw stadje al spoedig naar de oude bekende horlogemakerswinkel informeerde, niet zonder vrees dat ik er noch dezelfde bewoners, noch dezelfde affaire zou vinden, maar er in elk geval het een of ander van de eersten zou kunnen vernemen. Mijn vermoeden werd bewaarheid. In hetzelfde huis werd nog hetzelfde beroep gedreven, maar een zeer jong mensch, die Fries of de Vries heette, woonde er nu. Hij was gehuwd met de dochter van Koenraad Busch, de persoon die de zaak van de Weduwe Rosemeijer had overgenomen; deze Fries wist natuurlijk niets van de overeenkomst tusschen mij en Herman Rosemeijer; zijn schoonvader had er hem ook nooit iets van gezegd; maar het kon toch zijn, dat deze er iets van gehoord had en zich dat herinnerde. Deze rentenierde zoo wat uit noodzakelijkheid, omdat zijn gezicht zeer verzwakt was, en hij bewoonde ter verbetering zijner gezondheid een klein buitentje in de nabijheid van de stad. Het was maar eene fiksche wandeling en door Fries vergezeld ondernam ik die. Ik trof den man thuis, hij wist mij echter geene inlichtingen te geven in de zaak, die mij tot hem voerde; maar hij kon toch mijne belangstelling bevredigen op een punt, dat mij mede zeer ter harte ging. Het lot van uw vader, den belangloozen hulpvaardige, die mij een vriend in nood was geweest. Bij de treurige omstandigheden, waarin zijne weduwe achterbleef, was het niet waarschijnlijk dat zij na zooveel tijdverloop zich nog verplicht zou gerekend hebben een pand te bewaren, waarvan de waarde in gereed geld haar zoo best kon te pas komen en het is wel gebleken, dat uwe moeder geene alledaagsche vrouw moet geweest zijn; maar integendeel, de waardige wederhelft van haar edelen, onbaatzuchtigen echtgenoot!"

»Gij weet niet hoe goed het mij doet, u zóó over mijne ouders te hooren spreken," viel Frits in met schitterende oogen.

»Ik vernam dus ook dat er van dit gezin nog een zoon was overgebleven, die zooals Busch meende een voornaam kunstschilder was geworden en te Amsterdam woonde. Ik verzocht Busch in mijn naam aan dezen te schrijven om informaties omtrent het punt in kwestie; mogelijk zou hij zich nog kunnen herinneren waar het horloge gebleven was, en kon hij ons misschien aanwijzingen doen hoe het op te sporen. Ik bleef hier twee dagen wachten op antwoord, hetgeen mij nu niet meer bevreemdt; gij waart op reis.... een kunstreisje misschien?"

»Neen, ik ben eerst gisteren uit Amsterdam vertrokken en rechtstreeks naar E., maar dat schrijven van Busch zal verloren zijn gegaan of nog zwerven; want ik ben sinds eenigen tijd verhuisd en mijn nieuw adres is hier niet bekend," sprak Frits met gedempte stem, en na eenige aarzeling voegde hij er bij: »om de waarheid te zeggen heb ik op het oogenblik geene woning meer te A. Ik heb mijn atelier opgebroken en mijn goed staat gepakt bij een vriend op mijne terugkomst te wachten."