Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 17
»Och! daar is niet veel en wàt er is kan wachten. Ik behoef je niet te zeggen, Frits, dat ik er raar van opgekeken heb, toen ik dat hoorde van Dientje Verburg! Ja! ja! die vrouwen, daar is toch maar niet op te rekenen. Ik weet wel, het heette geen engagement van jelui, maar toch.... iedereen wist het, iedereen vroeg: wanneer zouden die twee toch eens trouwen, en daar hoor ik nu op eens dat zij.... foei, neen! 't is leelijk, dàt kan geen inclinatie zijn, dàt niet."
»Wat niet, wat is er, wat valt er voor met.... juffrouw Verburg?" vroeg Frits, op het pijnlijkst verrast en wien 't onmogelijk viel zijne brandende nieuwsgierigheid te beheerschen.
»Wel, ik dacht dat je 't wist.... ze gaat trouwen met een schatrijk heer uit Oost-Indië; een man van haars vaders leeftijd bijna."
»Nu al!" zuchtte Frits, terwijl hij de hand naar 't hart bracht, als voelde hij dáár de pijl die getroffen had; maar bij een oogenblik nadenkens herstelde hij zich, en hoewel bleek van aandoening, sprak hij met vuur: »Neen! neen! dat is onmogelijk, dat is logen en laster, Bram! Niet van u, dat geloof ik wel, maar.... ze zijn zoo babbelachtig in dit stadje!"
»Leugen en laster! ik wenschte voor je dat het zóó ware, maar 't is de _waarheid_; zij teekent van avond aan. Om zeven uur moet ik er heen, om hen in te schrijven!"
»Nu, het is zóó goed, heel goed!" sprak Frits, met sidderende lippen, terwijl hij de tranen trachtte terug te houden, die hij voelde opwellen.
»Kon ik ook denken dat gij daar niets van wist!" riep Bram getroffen door het zien van eene smart, die hem ter harte ging, »waarom heb ik mijn mond niet gehouden...."
»Dat zou het gebeurde niet veranderd hebben," antwoordde Frits zachtmoedig, »en.... weten moest ik het immers toch...."
»Nu ja, maar ze heeft je dan wel slecht behandeld, niet eens haar woord teruggenomen! dat heeft de mijne ten minste gedaan. Neen zie, ik meende dat je uit baloorigheid mee uittrekken gingt."
»Daar is wat van aan," bekende Frits, »maar zij heeft geene schuld; ik heb.... haar afgestaan; zij is.... vrij; maar ik wist niet, ik had niet kunnen wachten, dat zij zooveel haast zou gemaakt hebben met.... met.... dat andere."
»Ja, wat zal ik je zeggen, Frits! daar wordt zoo wat gemompeld, dat de oude heer Verburg wrak staat, en het is heel wel mogelijk dat zij het om haar vader doet. De Nabob moet een doordrijver zijn, die alles kan krijgen wat hij hebben wil. Verleden zomer heeft hij hier een huis gekocht, het mooiste van de stad, en van den grond af laten hernieuwen. Meubelen, tapijten, behangsels, alles is uit den vreemde gekomen, het moet er zijn of je in een paleis komt. Al onze jonge meisjes hebben dezen winter zoo wat half om hem gevrijd, hij zelf maakte juffrouw Verburg het hof; hij moet zóó verliefd zijn geworden op hare mooie stem, en hij zal haar zulke schitterende voorstellen hebben gedaan, dat zij zich heeft laten verblinden en meeslepen; maar mooi vind ik het niet!"
Bram had nog heel lang kunnen doorpraten, zonder dat Frits hem zou gestoord hebben, die roerloos neerzat om met den heldenmoed van een zedelijken Winkelried al de spietsen van de smart samen te vatten en zich in de borst te laten drukken. Hij wilde alles weten, alles hooren, niet om Claudine te haten en te verachten, maar om haar zacht te beoordeelen, om haar vrij te spreken zoo het mogelijk ware.
»Ja, zoo zal het zijn, ik begrijp nu alles!" sprak hij overluid, hoewel niet voor zijn toehoorder. »Die haast die Verburg had.... hare gedruktheid, haar verlangen dat ik zou komen.... zij wordt opgeofferd, ik ben er zeker van, en ik... ik kan, ik mag er niets tegen doen!" En de handen voor de oogen drukkend bleef hij in diepe zwijgende neerslachtigheid zitten.
De goede Bram was er verlegen mee; hij wist niet wat hij zeggen zou om die bittere droefheid te troosten.
»Gelukkig dat het leven kort is!" riep Frits opspringende en de tranen afwisschende, die hij nu toch lucht had gegund; »gelukkig dat we weten waar we heengaan, waar we balsem vinden voor zulke smarten."
»Frits, jongelief, beste vriend! wat gaat er in je om?" vroeg Bram verschrikt, en zijne beide handen vattende; »je wilt toch je leven niet verkorten; als je daarom dienst zoekt, dan.... dan.... gooi ik je papieren zóó in de war, dat je ze in geen drie maanden krijgt."
»Neen, wees gerust!" antwoordde Frits met een kalmen glimlach, hoewel nog met vochtige oogen, »zóó bedoel ik het niet; maar de tijd is kort, altijd kort voor iedereen, meest voor hen, die aan wat anders kunnen denken, en die den zwaren, bangen droom die men leven noemt vergeten kunnen voor...."
Daar trad Dumos binnen, met zegevierende hand de stukken in de hoogte houdend.
Frits keerde zich haastig naar den muur en bekeek de kaarten en tabellen die er hingen met eene attentie of hij ze instudeeren moest. Waarheid is, dat hij ze niet eens onderscheidde!
»Mijnheer Duinstee! daar zijn ze nu allen. Verjuus is klaar gekomen en de Secretaris heeft geteekend!" riep Dumos met schitterende oogen, in de volle fierheid van zijn triomf.
»Nu, Mosje! dat's een meesterstuk van je, maar ik wachtte zoo iets," zei Bram met voldoening. »Ziezoo, dat's in order, nu teeken ik ze ook, en dan moet de Burgemeester er aan; 't is nog geen elf, het komt precies uit," en in 't voorbijgaan fluisterde hij Frits in: »Stop hem nu een paar drieguldens in de hand!"
Werktuigelijk haalde Frits zijne beurs uit, en gaf het eerste stuk geld het beste dat onder zijne vingers kwam aan Dumos, die verrast en diep buigend de kamer verliet.
»Drommels, een tientje!" juichte de klerk, toen hij buiten was, »die schilders! dat's me een volkje, die hebben 't goud maar voor 't opscheppen, en dan nog zoo van tijd tot tijd hun naam in de krant met allerlei moois er bij. Ja! dat's voor arme sukkels als wij zijn niet weggelegd."
Weer kwam de misnoegde trek op zijn gelaat; de afgunst had de vreugd over het extraatje bedorven!
IV.
Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe, want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd; hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg haar »geluk" noemde in den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch--had hij zelf haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart; moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde, hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn; zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen, om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven, dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn, zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen, al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.
»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?" met die vraag van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht."
»Als ik hier blijven moet," antwoordde hij, nog niet recht bij de kwestie, in eenige verwarring.
»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen."
»Wordt hier table d'hôte gehouden?" vroeg Frits die zijn best deed om zich in de situatie van 't oogenblik te voegen.
»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en in de kermis is er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden, in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden, want ik heb eene goede kokkin--al zeg ik het zelf. Maar wat helpt me dat nu, de commis-voyageurs,--als ze er zijn, maar dit jaar zijn die ook al schaarsch,--de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om met den Engelsman mee te doen die nog hier is--want hij kwam te laat voor de diligence--en die tusschen twaalf en half een zijn tweede ontbijt gebruikt, dat hij _luns_ noemt, en daar we weer wat warms voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen...."
»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde," viel Frits in om er af te wezen.
»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw gaat trouwen."
Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.
»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?" vroeg hij op eens met een plotseling besluit.
»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence; als wij die benadeelen dan doen zij 't ons ook!"
»Wat moet het kosten?" vroeg Frits dringend, zonder zich om die praatjes te bekommeren.
»Als meneer zoo'n haast heeft, tien gulden!"
»Alleen naar halfweg, dat's afzetterij! maar dat doet er niet toe, laat inspannen," hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.
De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischt werd, beweerde Frits, wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde en de gelagkamer verliet.
Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette, nam deze _par manière de contenance_ eene courant in handen en ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.
Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen, hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:
»'t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en daar komt nog niets."
»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom, en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?"
Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was de _scène_ tusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan, en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval, zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:
»_Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir_--_and he charges so much as it is bad_," eindigde hij in zijne eigene taal.
Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken; want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar," vervolgde hij nu weer in 't Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en bestel het bij een ander." Al sprekende had hij zijn horloge op tafel neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.
»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen," hernam deze brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen; 't is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt."
Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.
De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen, terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:
»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt, wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!"
Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling toegekeerd.
»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te maken van uw aanbod?" vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.
»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!" antwoordde de vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere paarden bespannen die, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed waarborgden.
»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan," sprak Frits, geheel gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak uit het gelaat van den Brit.
»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?"
»Rosemeijer!"
»_Your health master Rosemeijer!_" sprak nu de vreemdeling, terwijl hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote nauwkeurigheid teruggaf.
»De uwe, master Wilkinson!" riep Frits, met levendigheid zijn voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog op te houden.
Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een trouwhartig _shakehands_.
»Denkt meneer ook te gaan?" vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren laat!" mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie van dat gemor.
»_Yes we are going! pay yourself_," en Wilkinson wierp hem een Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.
Frits vroeg ook naar zijne vertering.
»Dat heeft nog geen haast," gaf Koppelman ten antwoord met eene bedoeling die licht te raden was.
»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee."
»Zoo, dat's 'n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder moment komen kan."
»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en verklaag je van afzetterij," sprak Frits nu met vastheid maar zonder drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort: »Neem daar af wat je toekomt."
»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee rijdt," sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf, de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig en wat meer gedwee.
Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen, daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.
»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen," sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!" en hij stelde het hem ter hand.
Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.
»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn," sprak hij het zorgvuldig bij zich stekende.
»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk, zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude repetities, ze maken die nu beter."
»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie is?" vroeg Frits wat verwonderd.
»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te onderstellen, die ik u zeggen zal als we _confortable_ in ons rijtuig zitten!"
»Klaar koetsier!" en de staljongen-_kellner_ sloeg het portier dicht dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.
Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden, kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.
»Komt van?" vroeg Koppelman schrijvende.
»Van mijnheer Verburg," antwoordde de knecht.
»Voor wie?" vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het bureau der diligence.
»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam, _cito-cito_."
»Nou! dat's al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart, had hij het zelf kunnen meenemen!"
V.
Bram Duinstee had geen logens verteld. Dien eigen avond tegen zeven ure ging hij, in een plechtigen zwarten rok gekleed en met zijne ambtelijke portefeuille onder den arm, naar het huis van den heer Verburg om den eersten schakel te smeden van de keten, die Claudine voor het leven aan den heer Veere binden zou.
Er wachtte hem echter eene ontvangst, waarop hij wel niet had kunnen rekenen.
Eerst liet men hem een kwartier lang op de stoep staan, en toen hij door een herhaald bellen zijn ongeduld had getoond, werd er niet geopend door den ouden huisknecht in 't ceremoniëele Zondagspak, zooals hij zich voorgesteld had, maar door eene zoogenaamde noodhulp-keukenmeid, die in plaats van hem behoorlijk binnen te laten, op het punt stond de deur voor zijn neus dicht te slaan, zeggende: »dat mijnheer bij de juffrouw was, en geen mensch kon spreken!"
Op zijn aandringen en bij de luide verzekering dat hij de ambtenaar van den burgerlijken stand was, die ontboden en op ditzelfde uur te dezen huize verwacht werd, liet ze hem in de spreekkamer en ging den knecht waarschuwen.
De oude getrouwe kwam langzaam, bijna op de teenen aansluipen, zag er zeer gedrukt en verlegen uit, en vroeg met eene zachte trillende stem, verschooning: »dat men mijnheer niet had afgezegd; in de drukte was dat vergeten, mijnheer moest het niet kwalijk nemen."
»Maar wat is dat dan voor drukte?" vroeg Bram half korzel, half nieuwsgierig, »waarbij zoo iets vergeten wordt; ik dacht dat jelui het vandaag met niets druk zoudt hebben, dan met de partij."
»Dat was ook zoo, mijnheer! maar de juffrouw is van der zelve gevallen toen ze zich zou gaan kleeden, en nu is ze ziek, zoo ziek dat de dokter er al tweemaal geweest is, en mijnheer niet van haar bed wijkt."
»Wel, wel! dat's eene teleurstelling voor den bruigom op het tipje," zei Bram zelf wat in zijn wiek geschoten, »dat aanteekenen zal dan wel voor lang uitgesteld zijn?"
»Als het maar niet afgesteld is voor goed?" zuchtte de goede, oude man, nu zijne smart niet langer beheerschend, »want ze komt er niet door, ze komt er niet door, dat geloof ik vast!"
»Kom, zie maar moed te houden, de juffrouw is nog zoo jong, wat ziekte is het?"
»Ze zeggen erge zenuwkoortsen, zij ijlt, zij is buiten kennis, met ons tweeën hebben wij haar haast niet...."
Een schrille, snerpende gil werd nu uit een der bovenvertrekken gehoord. Jacob bracht den volzin niet ten einde, maar vloog naar boven en liet Bram in den steek, die stillekens wegsloop met de overtuiging, dat hij hier vooreerst niet weer behoefde te komen. »Had Frits nu maar zoo'n haast niet gemaakt," sprak hij bij zich zelven, »dan zou ik hem dat toch nog kunnen meedeelen, maar ook.... waartoe. Hij kan haar toch niet meer krijgen."
Zoo de heer Verburg had kunnen berekenen aan welke zielverscheurende smart hij zijne dochter ten prooi gaf, toen hij op hare scheiding van Frits aandrong en haar bewoog aan de wenschen van den hartstochtelijken Oosterling gehoor te geven, zou hij zeker zijn innig geliefd, eenig kind niet op zulke proef hebben gesteld. Maar hare zelfbeheersching, hare zedelijke kracht om onder uiterlijke kalmte de smartelijkste aandoeningen te verbergen en iedere heftige uiting daarvan te beheerschen, tot ze in eenzaamheid op hare kamer neerzat, deze kracht, die naar zijn gevoelen boven haar vermogen ging, had hem misleid. Het is nu eenmaal het lot van diepe, fijnvoelende naturen, die gewoon zijn naar binnen te leven en haar lijden weten te verbloemen, dat zij minder gespaard worden dan degenen wier indrukken zich terstond in een tranenvloed lucht geven of met sprekende gebaren en roepingen van wanhoop.