Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 16
Had hij in zijn schrijven aan Claudine nog moed getoond, nog hoop laten doorschemeren om haar te sparen en zich zelf op te winden, in dezen slapeloozen nacht, onder al die kwellende herinneringen, waaraan hij niet kon ontkomen, drukte zijn jammerlijk lot hem in volle, in dubbele zwaarte; dáár voelde hij zich zóó verlaten, zóó troosteloos rampzalig als hij het nooit was geweest. Hoe zou hij nu verder dat harde lot dragen? vroeg hij in de radeloosheid van zijn beklemd en verslagen hart. Waarom? waartoe? wie vergde het van hem? wie had er belang bij? de spotters misschien, onder wier hoongelach hij suf van schaamte het hoofd zou moeten buigen. Wie toch verloor er,--won hij slechts de ruste?
»Barmhartige God! behoed mij voor een einde als dat mijns vaders!" riep hij op eens met sidderende lippen en ten Hemel geheven handen, overmeesterd door de verschrikkingen, waarin zijne wilde mijmeringen hem rondvoerden, en het eenige wapen aangrijpend, dat ze bestrijden konde: het gebed. Dat vlieden tot den Almachtige, dat zich vastklemmen aan de Vaderhand, die hij in zijn gansche leven nog nooit met zulk een gevoel van behoefte had aangevat, oefende reeds terstond een bedarenden invloed uit. Het hielp hem terugzien naar liefelijker beelden, naar zijne moeder, die in strijd en lijden den Heer zocht.
Hij herdacht hare vrome berusting, hare stille tranen, hare vurige gebeden die kracht gaven, hare zachte vermaningen, die opwekten terwijl zij waarschuwden. Hij voelde zich weer kind aan de zijde zijner moeder. Hij ook vond nu tranen, die verlichtten; hij ook vond nu gebeden, de gebeden zijner kindsheid, die den volwassen man weer te hulpe moesten komen bij zijne eerste pogingen om het ideale, het geestelijke leven te vatten; de hoogste werkelijkheid, die hij onder het zwoegen en slooven voor aardschen roem, onder het najagen van aardsch geluk uit het oog had verloren.
O, zeker! hij bad dat hoogere, dat ideale nooit voorbedachtelijk ontkend; hij geloofde er aan in zekere mate, hij had het alleen beschouwd als iets dat boven hem zweefde, zoo hoog en ver, dat het nooit in hem opgekomen was er zich naar uit te strekken. Hij had mee gepleegd die grootste aller menschelijke dwaasheden, door hare algemeenheid juist niet te meer verschoonlijk, die het Evangelisch gezang schetst als het slaven om een wuft geluk:
Dat bij 't genot reeds vliedt, En met een handvol stofs begraven, Wat eeuwige aanwinst biedt.
Hij erkende het nù! Nog niet te laat, om de bede te slaken: »_Mijne ziele kleeft aan het stof, maak mij levend naar Uw woord!_" Niet te laat om de Jakobsworsteling aan te vangen, die eindigt met het vergezicht van den geopenden Hemel!
Wij beweren niet dat Frits, die geen aartsvader was, maar een kind van zijn tijd, in dienzelfden nacht tot de overwinning kwam, die hem den ladder der gemeenschap tusschen Hemel en aarde gaf te aanschouwen; maar toch was er iets in zijne ziel omgegaan, dat hem kenbaar maakte wàt hij miste, en hij zou bij die ontdekking niet meer blijven wàt hij was en rust hebben; al zou zij ook later door andere indrukken verdrongen worden, altijd weer zou zij opkomen en hem vervolgen, tot zij hem op den weg had gevoerd van den waren vrede,--tenzij hij, door het materialisme overheerd, den strijd opgaf en wegzonk in het stof, waaruit hij zich niet had willen opheffen.
Maar wij hebben betere gedachten van den zoon zijner moeder; de roepstemmen van dien slapeloozen nacht zouden geene verlorene zijn, al werkten zij niet onverwijld en waarneembaar voor ieders oog datgene wat menschelijke wijsheid er van zou gewacht, er van zou gevorderd hebben. Eerst tegen den morgen zonk Frits in een zwaren, doffen slaap, waaruit hij ontwaakte, mat en afgetobt naar het lichaam, maar dies ondanks verfrischt naar den geest, bekwaam om met een kalmer blik zijn toestand te overzien, versterkt in zijn besluit om manmoedig de schouders te zetten onder 't juk en niet meer te blijven onder den slag van zijne tegenspoeden, maar er zich boven te stellen door er geene andere beteekenis aan te hechten dan die ze werkelijk hadden. Het waren de voorbijgaande lasten en bezwaren der levensreize, die men dragen moest, niet slechts omdat er geen ontkomen aan was, maar omdat ze een doel hadden waarnaar men het eerst moest vragen, en dat wellicht het zekerst bereikt kon worden langs den moeielijksten weg. De afmatting van den slapeloozen nacht, de ernst van zijne overpeinzingen bij 't ontwaken, drukten haar stempel op het gelaat van Frits, toen hij de gelagkamer binnentrad om zijn ontbijt te nemen. Hij zag er zoo bleek, zoo mat, zoo verouderd uit, dat menige kennis onder zijne stadgenooten hem hier had kunnen vinden, zonder hem te herkennen voor dienzelfden frisschen, levendigen, bevalligen jonkman, die vroeger als een aankomend, beroemd kunstenaar, met zooveel belangstelling, met zooveel bewondering was aangegaapt, nagewezen, toegejuicht!
Baas Koppelman, blij hem nu eens zonder den verdachten mantel te kunnen aanschouwen, nam hem van het hoofd tot de voeten op, en zag nu niets ergers meer in hem dan »een _harden_ heer", die niet meer zijn wantrouwen wekte, maar niettemin zijne gedienstigheid weinig uitlokte.
Dit gekleede jasje was wel elegant van snid, maar kennelijk reeds druk gebruikt, die zwart zijden das, maar los omgeknoopt, had ook zijne eerste frischheid verloren, en dat vest van violetkleurig fluweel zou wel prachtig genoeg zijn geweest, indien het niet zoo erg verkleurd ware, noch hier en daar zulke vale en kale plekken had gehad; daarbij die geruite pantalon, zooals _men_ in het kleine stadje nog niet droeg, dat was geene deftige of degelijke mans-kleedij, naar zijn oordeel; de vreemdeling had op de nachtlijst de vraag naar zijn beroep oningevuld gelaten. Het een met het ander combineerend, kwam de kastelein tot de onderstelling, dat het een »_sinjeur_" van een paardenspel of van eene comedie kon wezen, die zijne standplaats kwam bespreken tegen de aanstaande voorjaarskermis.
In die meening werd hij versterkt, toen Frits hem vroeg of hij wist wanneer men op het stadhuis en ter secretarie terecht kon.
»Nou, ik zou wel denken te negen uur!" gaf hij ten antwoord, iets minder bokkig bij het vooruitzicht dat er door een troep paardrijders of comedianten al licht wat levendigheid in het stadje, wat drukte in zijne zaak zou komen.
»Goed, en hoe laat is het nu hier?" vroeg Frits, zijn horloge uithalende, om dat naar de huisklok te regelen.
Een goud horloge! »Nou! dàt valt toe," dacht de kastelein; »komaan, dan is hij ook wel in staat om zijn logies te betalen. Geen bagage bij hem, het was hachelijk genoeg! Het _moet_ de baas van 't spul zijn; paardrijders en comediespelers houden er zoo maar geen gouden horloges op na!"
Helaas! hetgeen de kastelein voor een teeken van _aisance_ hield, levert ons het bewijs van verval. Frits had in een oogenblik van geldverlegenheid zijn zilver horloge moeten wegdoen, en gebruikte nu uit nooddwang het dierbare pand dat hij niet mocht verkoopen, volgens de belofte aan zijne moeder gedaan, en die hij houden zou, zelfs al had hij broodsgebrek, zooals hij zich had voorgenomen. Maar toch, zóó hoog was de nood nog niet bij hem gestegen, dat hij er toe in verzoeking kwam. Wel had hij reeds, met het oog op zijn aanstaanden veldtocht, al zijne meubelen en schilders-benoodigdheden te gelde gemaakt, zoodat hij op andere wijze maar toch in meer eigenlijken zin den wijsgeer kon nazeggen: »dat hij al zijne bezittingen bij zich droeg."
Frits kreeg nu eerst zekerheid, dat hij de schrale gastvrijheid van Baas Koppelman met nog een persoon had gedeeld. Het vermoeden daarvan was bij hem opgekomen, toen hij laat in den avond iemand had hooren rondloopen in de kamer naast de zijne, dan eens met een zwaren, driftigen stap, dan weer langzaam en slepend, als iemand die van verveling zelf niet recht weet wat hij zal aanvangen; ten laatste had hij op een forsche wijze zware krakende laarzen hooren uittrekken, die met een harden bof buiten de deur werden geworpen, zonder eenige verschooning voor het gehoor der mogelijke buren. »Dat's er een die ageert of hij alleen in de wereld was," had Frits bij zich zelven gezegd, »denkelijk een van die aannemers, die laat thuis is gekomen, nadat hij er nog eenige glaasjes klare bij gebruikt heeft."
Werkelijk was er ontbijt klaar gezet voor twee personen, maar de andere logeergast scheen vroeger bij de hand te zijn geweest dan Frits, want hij had het zijne reeds genoten toen deze de gelagkamer binnentrad.
En ruim genoten ook, met toevoeging van eieren en karbonaden, waarvan de overblijfselen nog op tafel stonden. Het hoofd vervuld met zijne eigene aangelegenheden, had Frits op deze bijzonderheid geen acht geslagen, maar de kastelein, die hem nu een praatje schuldig meende te zijn, maakte hem daarop attent, door te zeggen: »Gulzig volk, die Engelschen! Me dunkt dat we hier een fatsoenlijk ontbijt geven, ik veronderstel, zal ik maar zeggen, dat meneer er mee tevreden zal zijn?"
»Volkomen!" antwoordde Frits, die, na zijne reis, zijn kop thee van den vorigen avond en zijn slapeloozen nacht, dringende behoefte gevoelde om er recht aan te doen; en inderdaad, in de eenvoudige logementen der kleine provinciesteden vond men diestijds een onbekrompen ontbijt, waarvoor nu zoowel in de groote hotels binnenslands als in den vreemde _grand-extra_ zou worden gerekend.
»Ik zeg, meneer!" hervatte Koppelman met zelfvoldoening, »het kan er door: tweeërlei kaas, Edammer van de beste die we hier hebben en goede Leidsche, rookvleesch, beschuit en krentebrood, dàt's ordentelijk, als je er nog kadetjes en wittebrood bij hebt zooveel je lust, en wie geen vraat is heeft er wèl aan; maar meneer, de Engelschman, want het moet een Engelschman zijn, moest er nog lamscoteletten en versche eieren bij hebben, en dàt bij zijn thee, wie heeft er ooit van gehoord, maar hij zal ervoor betalen, dàt spreekt...."
»Zóó, is die heer een Engelschman?" vroeg Frits, minder uit nieuwsgierigheid dan om toch iets te antwoorden.
»Daar houd ik hem ten minste voor, een Engelsche kapitein of zoo iets, die hier om den kaas- en boterhandel is gekomen. Hij koetert zoo wat Fransch, Engelsch en Hollandsch dooreen, en verbeeldt zich dat wij daaruit dan maar begrijpen moeten wat hij eigenlijk wil. Nou, daar we hier meer met zulke vreemde snaken te doen hebben, kan ik er wel mee terecht. Voor hij uitging heeft hij zoo wat gebrabbeld van de »Note"; ik denk dat het zooveel is alsdat hij de rekening vraagt. Nou, ik zal hem dienen met de rekening, daar kan hij staat op maken. Hij is een dag of drie hier geweest, maar hij had zoo'n drukte op zijn lijf, altijd wat bijzonders, met niets tevreden, zooals we het hier geven. Vandaag zal hij wel optrekken, hij staat gepakt en zal vast te negen ure met de diligence meegaan."
»Vertrekt de diligence al om negen uur?" vroeg Frits, wien deze bijzonderheid meer trof dan de praatjes en mededeelingen van den kastelein omtrent de _faits et gestes_ van den vreemdeling.
»Altijd precies, meneer! je kunt er op rekenen."
»Zóó, dat's erg genoeg voor mij," mompelde Frits binnensmonds, »en wanneer rijdt er dan weer een?"
»Te zes uur, ook precies."
»Daarmee zal ik dan moeten gaan!" sprak Frits met een gesmoorde zucht.
Het vooruitzicht van nog een ganschen dag ten prooi te blijven aan de smartelijke indrukken en gewaarwordingen, die zijne geboortestad hem gaf, lachte hem gansch niet aan.
»En.... is er geene andere gelegenheid voor vandaag?"
»Te vijf ure de beurtman, en morgenochtend in de vroegte de barge, die vaart driemaal in de week."
»De beurtman!.... de kaailoopers!...." er ging Frits eene rilling over de leden; »neen, dan was wachten en zich schuil houden in 't logement nog verkieslijk."
»Passagiers mee voor de diligence?" vroeg de conducteur, die met het leege, logge gevaarte was komen aanrijden, en zich nu even op den dorpel van de gelagkamer vertoonde.
»De Engelschman zal denkelijk meegaan, maar.... hij is er nog niet!" riep Koppelman hem toe.
Frits nam nu haastig zijn hoed, om alvast buiten de deur te zijn eer er passagiers kwamen opdagen; hij begaf zich langs een omweg naar het stadhuis, om de hoofdstraat te mijden, waar Claudine woonde.
Door den ouden bode niet herkend vóór hij zijn naam noemde, werd hij in de conciergekamer gelaten, in afwachting dat de bureaux open zouden zijn, terwijl de bode hem waarschuwde dat hij nog wel heel lang zou moeten wachten, en dat zulk vroeg komen hem weinig zou baten.
»Toch zoo heel lang niet," antwoordde Frits; »het zal zoo op 't oogenblik negen uur slaan; komen de heeren dàn niet op het stadhuis?"
»Ja wel, mijnheer! ze komen dan wel, maar vóór half tien gaan ze er niet voor zitten...."
»Zóó, dat's mooi! en waarom niet?"
»Ziet u, mijnheer! de secretaris komt zelf eerst tegen tienen en vóór die er is beginnen ze ook niet. Ze houden een praatje, en lezen de Staats-courant, die de post gebracht heeft; nu, een mensch is er dan ook nieuwsgierig naar; alle dagen wat anders, en maar zelden wat goeds. Wat een tijd, mijnheer! wat een tijd? die muiters, die muiters! dat is wat te zeggen; maar ze zullen der nu van lusten; ik hoor, het zal er op losgaan, onze Hollandsche jongens zijn niet voor niet uitgetrokken! En je zult het zien, als ze niet anders kunnen, dan doen ze allemaal net als van Speijk: de lucht in met de blauwkielen!"
Met dit knal-effect trok de bode af, niet zeer gesticht door de weinige spraakzaamheid van Frits, wiens geduld toch niet op zóó harde proef werd gesteld als het oudje hem had doen vreezen.
Nadat hij eenige minuten alleen was gebleven, trad er een heer binnen, die van den concierge reeds vernomen had wie er wachtte.
»Wel, hé, Frits! gij hier?" riep eene bekende stem, terwijl hem de beide handen gul en haastig werden toegestoken.
»Bram Duinstee! dat tref ik, ben jij hier klerk?"
»Een trapje hooger! een trapje hooger, vriendlief! of je mankeert mij!" riep deze lachende. »Ik ben niets meer of minder dan ambtenaar van den burgerlijken stand; geen baantje om schatrijk bij te worden, een povere zeshonderd gulden, maar wat zal ik je zeggen, op een notariskantoor is het ook niet alles, en.... maar jongen! ben je ziek geweest? Je ziet er vervallen uit!"
»Mij scheelt niets, niets," sprak Frits, sterk kleurende en in zekere verwarring, »ik.... ik...."
»Nu ja! je behoeft me niets te vertellen, ik ben zoo'n loshoofd, dat ik er op dit oogenblik niet aan dacht.... ik moest het niet eens gemerkt hebben, dat je er wat bleek en wat mager uitzaagt, ik begrijp wel wat er hapert."
»Er hapert, dat ik mijne papieren noodig heb, en sinds dat in je emplooi valt moest je mij den goeden dienst bewijzen om er mij maar eens gauw aan te helpen," sprak Frits met eene poging om in den lossen opgewekten toon van zijn ouden schoolkameraad mee in te stemmen.
»Wel, met alle pleizier, kom mee naar boven, als ik maar weten mag waarvoor ze dienen moeten, dáár komt het op aan!"'
Al sprekende waren zij de breede trap opgestegen en Bram opende eene kamer, die vrij ruim was, maar zeer laag van verdieping en waaruit eene gloeiende hitte hen tegenstroomde. Niet vreemd; de voorjaarszon scheen op de ruiten, en een groote kachel stond gloeiend!
»Ik geloof dat ik noodig zal hebben mijne geboorte-akte, een bewijs dat ik aan de militie voldaan heb, en...." begon Frits, nadat hij den hem aangeboden stoel had ingenomen, terwijl Bram zich op het hooge met leer bekleede kantoorstoeltje plaatste.
»Zeg maar waar je ze voor noodig hebt, dan zal ik wel zorgen dat je alle stukken krijgt die er wezen moeten."
»Ik wensch als vrijwilliger uit te trekken met de Noord-Hollandsche schutterij...."
»Jij, Frits? mijn hemel, jongen! wat is dát voor een inval! Heb je zoo'n vaderlandsch hart, dat je er de heele kunst aan geeft! want schilderen met het penseel en _schilderen_ met het geweer dàt gaat niet samen," sprak Bram genoegelijk lachende dat hij dit _jeu de mots_ kon plaatsen.
Frits zuchtte tot eenig antwoord en wendde het hoofd af.
»Een slechte tijd voor de kunst, hè? als voor alles, niet waar?" zei Bram op meewarigen toon, »maar jongelief, ik dacht dat jij zoo'n matador waart, en dat het je niet hinderen zou al bleef je eens een jaartje met je schilderijen zitten."
»Och! was dàt het eenige," bracht Frits uit met een pijnlijken glimlach.
»Ja! ja! daar is meer, ik versta je, ik kan het best begrijpen dat je naar de grenzen wilt, liefst nog er over; en ik geef je gelijk als je 't met je werk schikken kunt. Nu, voor de stukken zal ik zorgen, wees daar gerust op. Zeg maar waar ik ze adresseeren moet; daar vallen natuurlijk eenige kosten op, doch die komen nà."
»Kan ik ze niet meenemen?"
»Meenemen! hm!.... hm!.... hoe meen je dat? Blijf je lang in E.?"
»Ik zou liever nog in den voormiddag gaan dan van avond; gij zoudt mij een waren vriendendienst bewijzen als je mij daaraan helpen wildet!"
»Willen, met al mijn hart; maar je begrijpt, het is tegen de gewoonte en ik ben hier niet alleen baas! Ik kan de stukken wel direct stellen, maar er moet kopie van gemaakt worden op zegel, dàt moet de klerk doen; daarbij moeten Burgemeester en Secretaris beiden ze contrasigneeren, dáár moet men _hun_ gelegen tijd voor afwachten, en 't is tien tegen één dat dit alles vandaag lukt!"
»Dat spijt mij ontzaggelijk," hernam Frits op een toon, die al zijne teleurstelling uitdrukte. »Ik ben er expres zelf om gekomen, en--in vertrouwen tegen u gesproken--ik heb reden om te wenschen dat mijn verblijf hier zoo kort mogelijk zij, opdat het niet ruchtbaar worde, dat ik hier geweest ben; ik kan het je niet meer duidelijk maken, maar geloof vrij dat het mij eene geduchte kwelling zou zijn zoo ik hier nog een dag of wat, ja zelfs een enkelen dag moest overblijven."
»Je behoeft mij niets te zeggen," zei Bram met meegevoel zijne hand drukkende. »Ik weet er alles van. Ik heb ook eens een ongelukkig engagement gehad, en hoe luchtig van aard ik ook ben, het kostte mij heel wat moeite om er over heen te komen. Wat _ik_ doen kan om je gauw te helpen is je beloofd," en reeds nam hij zijne registers ter hand, sloeg ze open en ving aan zijne notities te maken, terwijl Frits het zwijgend aanzag, onaangenaam getroffen zich dus geraden te zien, maar zonder lust of moed om de waarheid te ontkennen en de onderstelling af te weren.
»Komaan! dat zal wel gaan, daar is alles wat wij hebben moeten, op de militiezaken na. Ja! dat's erger, die zijn niet van mijn departement.... als nu sinjeur Verjuus maar meewerken wil, dan is het niemendal! Wacht eens, mijn factotum zal er wel raad op weten." En opwippende liep hij naar eene zijdeur in het vertrek, opende die en riep door de reet heen.
»Eilieve Mosje! kom eens even hier."
De persoon, die op deze benaming antwoord gaf, door zich onverwijld te vertoonen, was een jonkman van even in de twintig, die zeer klein van gestalte was en nog met een vervaardelijken bult was bezwaard daarenboven. Hij kwam binnen met de pen achter 't oor. Zijne bleekheid, zijne magerheid, zijne oudsche trekken, die hem bijkans het voorkomen gaven van een veertiger, wekten evenveel deernis als zijn kale zwarte rok en zijn papieren boordje, dat voor al het overige afwezige linnen moest volstaan. Een echte pennelikker, veroordeeld om levenslang op ééne hoogte of liever laagte te blijven, zoowel door de natuur als door de maatschappij als stiefkind behandeld. De kleine, groengrijze oogen, levendig en schrander, schenen echter aan te duiden, dat hij naar den geest minder misdeeld was dan naar het lichaam.
»Luister, Mosje!" zei Bram, half gemeenzaam, half gebiedend, »hier zijn een paar stukken, maak jij die nu eens heel gauw voor me in orde! Op zegel, hoor! en netjes zooals we dat van je gewoon zijn."
»Wat noemt _u_ heel gauw, mijnheer Duinstee!" vroeg Mosje met een tintje van nurksheid.
»Mijnheer Rosemeijer hier, wou er op wachten, je zoudt er hem en mij een heel groot pleizier mee doen, weet je!"
»Wachten! er op wachten!" herhaalde Dumos (want dàt was eigenlijk zijn naam) en zag Frits aan, de oogen wijd opengespalkt van verbazing, dat er zulk eene begeerte in diens hoofd was opgekomen.
»Ja, mijnheer moet vandaag nog weer weg en heeft er wel wat voor over als 't in orde komt, niet waar?" hernam Bram, zich met die vraag tot Frits wendende.
»Wel zeker!" riep deze, verheugd dat er kans scheen op de vervulling van zijn wensch.
»Ik zal mijn best doen! dat is alles wat ik zeggen kan," beloofde Mosje met een zweem van vriendelijkheid, nadat hij de papieren had ingezien, hem door Bram ter hand gesteld, en reeds maakte hij eene achterwaartsche beweging om heen te gaan.
»Ja, maar mijn beste Dumos! er is nog wat," hervatte Bram. »Weet je ook of mijnheer Verjuus van de militiezaken al op zijn bureau is?"
Dumos knikte van ja.
»Heeft hij het druk?"
»Hij bestudeert het Journal de la Haye," antwoordde Mosje met een ironiek glimlachje.
»Zie jij dan dat hij dat stuk van de militie voor ons in orde brengt, maar direct, versta je; hij kan er de kosten voor rekenen, het wordt niet gratis gevraagd."
»Mijnheer Duinstee! u weet wel dat Verjuus traag is...."
»Dat weet ik ook wel, maar de prikkel van uwe activiteit, vriend Dumos...."
»Mijne activiteit, nu ja! als ze dáár exempel aan nemen, die heeft me vèr gebracht, dàt moet ik zeggen."
»Komaan, Mosje! niet zoo moedeloos, wie weet waar je hier zit eer we een jaar verder zijn! Als je hoofd er maar toe staat, ben je een echte drijver, als jij er niet waart zou er niet veel worden afgedaan, dat weet de Burgemeester ook wel; en zie je, de Secretaris wordt oud, die zal behoefte krijgen aan zijn pensioen...."
»Dat zal _mij_ wat helpen; zijn post is weggelegd voor mijnheer Duinstee," merkte Dumos aan met een pijnlijken glimlach.
»Wel mogelijk! Maar dan is er immers ook wat voor mijn ouden vriend Mosje in 't zout."
»Enfin, we zullen zien!" hernam de klerk met een schouderophalen, dat niet van vast geloof getuigde.
»Nu we van den Secretaris spreken, zal jij zorgen dat hij ze teekent als de stukken klaar zijn?"
»Ik zal 't probeeren...."
»Wanneer kan de Burgemeester hier wezen?"
»Om elf ure is het zitting."
»Mooi! daar reken ik op. Vóór elven kán alles klaar zijn, als zij nu maar willen, en dan zie ik den _ouwe_ te snappen om de hanepooten te krassen, die zijn naam verbeelden. Het overige is je aanbevolen, Mosje! dat's net een kolfje naar je hand; toon ons eens wat je kunt, mijn brave, het zal je niet berouwen, mijnheer hier zal het goed met je maken."
Mosje antwoordde niet, maar nam Frits opnieuw in oogenschouw met een scherpen, naijverigen blik, als benijdde hij dezen al zijne voorrechten. Opgeruimd zag hij er wel niet uit, maar.... zoo'n fraaie gestalte, en dan zoo'n talent! Het was immers diezelfde Frits Millioen, waar men vroeger zooveel over hoorde spreken! Die behoefde niet dag in, dag uit, het heele jaar door aan den lessenaar te zitten; die werd niet half uit goelijkheid, half uit spotlust »Mosje" genoemd; die was: »Meneer de schilder, hm! ja toch, meneer _Millioen_! als hij, Dumos, nu maar durfde, dan zou hij...." Maar neen! hij durfde niet, er viel wat te verdienen en Bram was toch eigenlijk zijn _chef_, en al hield die van een grapje, hij kon kwaad worden ook; neen, hij durfde niet en hij ging zwijgend heen! Had hij kunnen weten wat er in dien benijde, bevoorrechte omging, terwijl hij daar moest zitten wachten, licht had hij zich zelf de gelukkigste geprezen!
Toen hij weg was, scheen Bram voor 't oogenblik niets meer te doen te hebben. Hij keerde zich om op zijn tabouret, met den rug naar den lessenaar en zei tegen Frits: »Ik zou je wel voorstellen om te rooken tegen de verveling, maar dat is hier het gebruik niet, en als ik het doe kan ik het de klerken niet verbieden. Wil je een snuifje?" en hij gaf zelf het voorbeeld.
»Dank je wel! Ik verveel mij niet. Ga gerust aan je werk."