Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 15
»Zoo stond het met mij, toen ik in den aanvang van Maart een zeer dringend en misnoegd schrijven ontving van den heer Verburg, waarin hij pertinent van mij eischte dat ik mij verklaren zou omtrent mijn huwelijksplan. Hij verlangde dat het binnen den kortst mogelijken tijd zou doorgaan en beloofde mij daartoe zijne materieele hulp. Minder dan ooit was ik in staat en gerechtigd om deze verbintenis aan te gaan, die hulp aan te nemen. Ik antwoordde ontwijkend en verlangde uitstel. Te sterker drong hij er op aan dat ik te E. zou komen om hem opening van mijne zaken te geven, die hij achtte beter te staan dan ik voorwendde; hij zelf had mij belangrijke mededeelingen te doen. Toen besloot ik, hem met alles bekend te maken en na volkomene oprechtheid mij geheel aan zijne uitspraak te onderwerpen, maar daartoe te E. komen ging niet; ingeval van het afbreken onzer betrekking, dat op mijne bekentenissen volgen moest, als ik maar al te zeer vreesde, was het tegenover u beter dat ik niet weerkeerde. Ik stelde hem dus eene samenkomst voor op eene derde plaats, werwaarts hij zich meermalen voor handelszaken begaf; verwierf ik dan niet zijne vergiffenis na mijne volkomene belijdenis, zooals ik vreesde, dan waart gij althans niet blootgesteld aan 't gebabbel en de uitleggingen onzer bemoeizieke kleinzielige stadgenooten, en ook.... u weerzien, om u voor goed te verliezen, ik kon het niet! Maar uw vader verkoos niet in dit voorstel te treden. Hij antwoordde kortweg, dat hij niet zag waarom ik niet te E. zou komen als ik het eerlijk met u meende; zoo niet, dan was er geene reden om u en hem langer op te houden en dan was het beter de verbintenis te verbreken hoe eer hoe beter! Op zulk een schrijven kon ik niet antwoorden dan met volledige biecht, maar ik kon tegelijk niet nalaten hem opmerkzaam te maken op de welgelukte onderneming met Verkouteren, die alleen door de tijdsomstandigheden tot mijn nadeel was gekeerd. Ik hoopte hem te overtuigen dat althans _deze_ uitvinding van mijn vader niet alleen uitvoerlijk was, maar ook vruchtbaar zou zijn; dat het mij alleen aan de fondsen had ontbroken om de proefneming opnieuw in Holland te hervatten, die in België goede voordeelen had opgeleverd. Met vijftig duizend gulden, ik was in staat die berekening met gewisheid te maken, konden wij te E. of elders doorzetten wat reeds de vuurproef der practijk had doorgestaan! Maar zijne verbolgenheid dat ik mij onderstaan had, nevens de kunst en zonder zijne voorkennis mij met dergelijke ondernemingen in te laten, was zoo heftig dat hij dit belangrijke voorstel niet eens in overweging nam. Hij antwoordde per omgaande, dat hij zijn gegeven woord terugnam, en de vrijheid begeerde voor zijne dochter, wier lot hij niet wilde vertrouwen aan een man, die zich met planmakerij en windhandel inliet! Welnu, hij had van zijn standpunt volkomen gelijk; ik had het zelf al zoolang gevoeld dat ik niet het recht had uw leven te verontrusten door het aan mijne onzekere toekomst te verbinden. Ik begreep wel dat uw hart niet zou instemmen met dien eisch, dat daar nog wel eene stem voor mij zou pleiten; maar daar ik zelf terugschrikte bij het denkbeeld, dat gij ooit een leven van armoede en ellende met mij zoudt deelen, dat ik u, U het lot mijner moeder zou bereiden,--daar de dankbaarheid, die ik uw vader schuldig ben voor zijne vroegere weldaden en vriendschap, mij verplichtte eerbiedig te berusten in elke beslissing die hij nam, hoe hard mij die ook vallen moest,--antwoordde ik kort en, zooals ik geloof, kalm en waardig, dat ik mij onderwierp aan zijne uitspraak en het mijne wenschte te doen om ook u te stemmen tot berusting in eene scheiding die noodzakelijk was geworden, al hadden wij elkander te lief om uit ons zelven tot de erkenning dier noodzakelijkheid te komen; alleen verzocht ik hem als een laatste gunstbewijs u mijn dagboek te doen toekomen, nevens dit schrijven dat er als de toelichting van is; dat u in staat zal stellen mijn geheele leven zoowel naar de uiterlijke daden als naar de innerlijke bewegingen mijns harten te overzien. Ik twijfel niet, of de heer Verburg zal mij die gunst, u dien dienst bewijzen, want alleen door alles te weten, zult gij getroost zijn, zoo niet verheugd, dat uw leven niet aan het mijne werd vastgeschakeld voor altijd. Zonder de toestemming, zonder de uitnoodiging uws vaders, zal ik u na dezen nooit meer schrijven, nooit meer zien. Wat het mij kost, mij zelven deze verplichting op te leggen, zult gij voor en met mij voelen. Maar het _moet_ zijn, en daarom is het beter met een snellen, scherpen slag af te snijden wat niet meer bijeen kán blijven, dan onder afmattende marteling langzaam te verbloeden. Nu de wond nog versch is, zult gij _niet_ aan hare genezing gelooven; maar die zal volgen, geloof mij, en daarna.... wat zal het daarna zijn, ik wil, ik kan, ik mag het nu niet indenken; ik zeg alleen uit de volheid van mijn hart: »Wees gezegend! Word gelukkig! Bekommer u niet over mij en mijn lot; zoo het u mogelijk is, tracht mij te vergeten; ik heb in de laatste jaren zoo weinig plaats ingenomen in uw uiterlijk leven, dat ook de innerlijke scheiding wel ras volbracht zal zijn. Vergeet de smart, de onrust, de onzekerheid, waarmede ik uwe jeugd mijns ondanks verbitterd heb, dat zal mij het zekerste bewijs zijn uwer vergiffenis! Op die uws vaders durf ik vooreerst niet hopen; eenmaal zal hij mij met meer verschooning beoordeelen, als de storm van zijn toorn bedaard zal zijn, als hij uw lot verzekerd ziet op zulk eene wijze als zijne vaderzorge het veiligst acht!
»Nu hij alles van mij weet, zou uw vader mij nooit meer tot zijn schoonzoon willen hebben, zelfs niet al keerde zich de kans van het lot mij ter gunste. Gij, gij kent uw plicht jegens hem niet minder dan ik. Vervul dien, al moest ook gij er onder lijden; gedaan te hebben wat men moet is een voldoening, die menige diepe smart verzacht. Wie tegen den strijd van het leven opziet, heeft ook geen recht op de overwinning.
»Stel u mij niet voor als een die in wanhoop tot vertwijfelde, tot schuldige stappen zou kunnen komen. Ik heb kracht gekregen om het leven met nieuwen moed op te vatten, nu van gansch andere zijde. Uit de schipbreuk van mijn geluk, van mijne liefste wenschen heb ik toch nog iets kostbaars gered, mijne onafhankelijkheid. Ik durf nu openlijk met de kunst breken, ik durf nu mij zelf zijn; ik geef zelfs de hoop niet op, eenmaal mijn vaders nagedachtenis recht te laten weervaren; maar het is nu geen tijd voor ondernemingen van welken aard ook, en mijn tijd is het allerminst; ik moet met alles breken, wat mij vroeger bond, ik moet met alle gewoonten, met alle herinneringen breken. Ik heb noodig mijne kracht te versterken en afleiding te zoeken in een bont en woelig leven. Het is daarbij een tijd, waarin ieder, die gezonde armen heeft ze uit den mouw moet steken, om het vaderland te dienen. Ik neem het geweer op den schouder en trek als vrijwilliger naar de grenzen! Er over, zoo ik hoop, als de Koning en de Prins van Oranje woord houden! Behalve de algemeene grieven heb ik mijn persoonlijken wrok tegen dat muitergebroed, dat mijne fortuin tegelijk met de welvaart van ons oud Nederland heeft te gronde gericht.
»Nu ik u moet opgeven, heb ik niets meer te verliezen dan het leven; maar wees gerust, ik zal niet in woeste vertwijfeling den dood zoeken; slechts zal ik strijden als een die op niets behoeft te zien dan op de overwinning, en die de gevaren niet telt.
»De laaghartige Belgen, die nu de Hollanders lafaards schelden, omdat zij, gehoorzaam aan hun plicht, niet als bandelooze horden op hen uitvallen, zullen hoop ik nog wel eens anders praten als ons maar de gelegenheid wordt gegeven te toonen wát wij zijn.
»En nu, Claudine, _mijne_ Claudine, _voor het laatst_ vaarwel! Ik heb boven alles behoefte aan uwe vergiffenis, uwe vergiffenis dat ik uw hart aannam, uwe vergiffenis dat ik u afsta eer gij zelve uwe vrijheid hebt gevraagd. Schenk mij die vergiffenis met een enkel woordje, het zal mij tot onuitsprekelijke verlichting zijn en alle goedheid en trouw, die gij mij betoond hebt, bekronen; ach! dat het zóó tusschen ons moest eindigen! Wee mij, dat ik niet ben geworden wat men van mij wachtte; wee mij, dat men zich in mij heeft bedrogen; de vergissing komt mij duur te staan!
»En nu, vaarwel, vaarwel, Claudine! denk een enkele maal met deernis en zonder bitterheid, zoo het zijn kan, aan uw Frits, uw armen Frits Millioen!"
III.
Destijds kon ieder jongmensch in de zuidelijke provinciën, die van strijdlust werd aangegrepen, die eerste ingeving volgen zonder eenige hindernis; hij had alleen maar zijne werkplaats of zijn atelier te verlaten, een snaphaan over den schouder te leggen of een sabel over zijn blauwen kiel te hangen en hij had het radikaal om zich bij eene burgerwacht te voegen, zonder dat iemand verdere navraag deed; maar in 't gezegend Noord-Nederland, waar nog de wetten werden geëerbiedigd en de orde bleef heerschen, waren dergelijke plotselinge besluiten niet even snel ten uitvoer te leggen als zij werden gevormd. Men kreeg te doen met allerlei voorschriften, bepalingen, reglementen, uitgevaardigd met de wijze bedoeling om verwarringen te voorkomen en overijlingen te keer te gaan, maar die op iemand die haast heeft de uitwerking moeten doen van zoovele dwarsleggers, welke hem bij iederen voetstap in den weg worden gelegd.
Frits Rosemeijer althans ondervond dit toen hij aan zijn voornemen om met de Amsterdamsche vrijwilligers uit te trekken, gevolg wilde geven; dat ging maar zóó niet.
Er moesten akten gepasseerd, bewijzen geleverd, formaliteiten in acht genomen worden, die maar niet zóó voor de hand lagen, en die hij alleen kon verkrijgen door middel van 't bestuur zijner geboortestad. Wie eenigszins bekend is met de omslachtige wegen en den tragen gang der bureaucratie, althans toen alles nog op de oude verroeste schroeven draaide, kan zich voorstellen dat het ongeduld van Frits, die maar één wensch had: al het verledene te ontvluchten en dan aan, mocht het zijn _over_ de grenzen te komen, zich moeielijk kon schikken in den traditioneelen slakkengang der stedelijke ambtenaren die de onmisbare stukken moesten stellen, kopiëeren, op zegel brengen, teekenen, in couvert sluiten en ten laatste afzenden, met eenig verwijl tusschen ieder dier verrichtingen!
Zelf naar E. te gaan, zich aan 't stadhuis te vervoegen en daar alle inlichtingen te geven en te vragen; den ijver der beambten aan te vuren door alle gebruikelijke middelen, dat was zeker de kortste en zekerste weg, maar men verklaart zich zijn tegenzin om dien in te slaan.
Toch had hij niemand die in dezen voor hem tusschenbeide kon treden. Zijn voormaligen voogd kon hij thans geene diensten meer vergen, en hoewel hij in zijne geboortestad genoeg kennissen had, was hij van allen zoozeer vervreemd, dat hij niet eens wist wie hunner er nog woonde en waar hij ze had moeten zoeken. Na den dood van dominé Willems had hij er geen vriendenhuis meer dan dat der Verburgs, en sinds het overlijden zijner moeder had hij het stadje met opzet gemeden en er alle betrekkingen afgebroken; hij had dus niemand aan wien zich te wenden, en besloot dus maar om den zwaren tocht zelf te doen, die zoo snel en heimelijk moest geschieden als eenigszins mogelijk was, opdat Claudine er geene kennis van zou krijgen, om haar leed en ergernis te besparen. Had hij zich den bitterzoeten, troost van een afscheid ontzegd, om haar en zich zelven niet zwak te maken, hij voelde zich ook nu sterk genoeg tot zelfverloochening om niet voor de verlokking te bezwijken.
»Wie het zich nog kan herinneren, weet dat het jaar 1831 een heerlijke lente schonk als wilde de natuur door hare liefelijkste gaven protesteeren tegen de zorgwekkende krijgstoerustingen der menschen. Met waarheid zong destijds een dichter:
En zie! daar leven klont en kluit, Daar breekt het winterkoren uit, En 't eerste groen versiert de velden, Ofschoon de zaaier wijd van hier De rangen vult van Hollands helden En 't kouter neerlei voor 't rapier!
En hoor! daar lokt in 't bloemprieel Ons 't minnelied van filomeel En doet het zang'rig woud verstommen, Maar wij, voor liefde en lente koel, Verdooven 't met 't geraas van trommen Met dof en daav'rend krijgsgejoel.
En ginder kneust het breede rad Van 't log geschut de velden plat, De landman moet zijn hoop beweenen, Terwijl de meibloem uit het groen, Zich strengelt om den vuurmond henen, Op batterij en bastioen!
Maar op den dag toen Frits den tocht ondernam die hem zoo zwaar viel, toonde April zijn grilligen aard. Met zwoel lenteweer was hij in dien namiddag Amsterdam uitgereden en toen de diligence in het late avonduur voor het logement _de Zon_, het eenige van het stadje E., stilhield, was alles wit van de sneeuw en glad van den hagel, die voortdurend de rammelende glasraampjes van de duffe menschendoos zoo fel had bestookt of hij ze werkelijk wou doorboren.
»Frits Millioen is een onweersvogel!" zouden zijn stadgenooten hebben gezegd, als zij hem hadden zien uitstijgen.
Maar die gure hagel- en sneeuwbuien kwamen hem juist te stade, daar het allen binnenhield die naar de gewoonte van het eentonig leven in 't kleine stadje, zoowel naar het aankomen als het afrijden der diligence kwamen kijken, en waaronder altijd nieuwsgierigen waren die den conducteur kwamen vragen: »Of hij de kranten had meegebracht? Of er nieuws was in de hoofdstad?" enz. enz.
Zoo'n conducteur is een gewichtig personage onder zulke omstandigheden en Frits had gezorgd zich er een vriend van te maken door hem al vooruit eene goede fooi in de hand te stoppen, waardoor hij eene plaats kreeg in de cabriolet en het voorrecht had daar alleen te blijven. Dus was hij beveiligd tegen nieuwsgierige blikken en onbescheiden vragen van reizigers, stadgenooten wellicht. Hij had echter in dezen geen gevaar geloopen; er zaten slechts eenige boere-heeren en aannemers in de diligence; een luitenant-kwartiermeester die zijn post ging betrekken bij het _depot_ en die volkomen vreemd was in het stadje, en eene jongejuffrouw die bij den nieuwen dominé logeeren ging, zooals zij verklaarde, en die dan ook door zijn wel-eerwaarde in persoon werd afgehaald onder een weidsch _familiedak_, dat de kletterende hagel- en regenbui triomfantelijk kon weerstaan, die rammelend op de zware zijde neerviel. Frits, die niet op zoo gunstige bijomstandigheden had durven rekenen, wipte vlug de cabriolet uit, dicht in zijn mantel gedoken en de reismuts diep over de oogen getrokken, en ijlde als een opgestooten haas het logement in, de gelagkamer binnen met de gerustheid van niet door den kastelein herkend te worden, daar _de Zon_ telkens van bewoners wisselde, waaronder zelden stadgenooten, die maar al te goed wisten dat er bij die zaak lichter geld te verliezen dan te winnen viel.
Vooral in dezen slechten tijd was er zoo goed als niets te doen. Nu ook traden de boeren het »Heeren Logement" niet binnen, de officier werd afgehaald door een oppasser, en de aannemers alleen volgden Frits op de hielen, die door den kastelein met een wantrouwigen blik en een onduidelijk gebrom dat: »g'en-avond!" beteekenen moest en met even een tik aan de pet werd begroet.
De aannemers eischten terstond een »glaasje klare!" en gaven daarop al hunne opmerkzaamheid aan de bestekken en publicaties, die tegen het schrilgele met blauwe rozetten bezaaide behangsel waren vastgehecht.
Frits vroeg zijne kamer.
»Wou meneer logeeren?" vroeg de kastelein en draaide om hem heen al wilde hij hem van alle kanten goed opnemen.
»Als het zijn kan!" zei Frits ook stug.
»Ja, het kan, maar de kamer is zoo in eens niet klaar. Wat zal meneer gebruiken?"
»Nog niets! of ja, een kop thee."
De thee was natuurlijk ook nog niet klaar.
Mijnheer moest dus vooreerst maar beneden blijven.
De eenige logé en nog niet welkom! hoe kon dàt zijn? Juist omdat er bijna niets te doen was, gaf men zich ook geene moeite voor datgene wat er nog moest gedaan worden; en daarbij, Frits zag er zoo vreemd uit naar de opinie van den logementhouder. Een weinig uit kunstenaars-_chic_ en met het oog op zijne martiale plannen, had Frits zijne knevels laten groeien. Eene onvoegzame nieuwigheid in de oogen van baas Koppelman! En dan zoo'n grooten mantel met schotsch gevoerd, neen! dat was verdacht. Zóó kon een fatsoenlijk Hollander er niet uitzien; mogelijk was het een Belg of een Franschman.... in dezen tijd! men kon het nooit weten--een commis-voyageur mocht er zóó wel uitzien, maar dàt was hij niet, die hadden altijd pakgoederen en koffers bij zich en de stalenkaart onder den arm; dit geheimzinnig personage had niets bij zich dan zijn hoed dien hij in de hand hield, niets dat te zien was althans, en dit vermeerderde het wantrouwen van den hospes, die wel onder den Almaviva had willen gluren om te zien of er niet een blauwe kiel onder verborgen was en een gordelriem met een paar pistolen! En toch, tot zijn spijt legde de verdachte zijn mantel niet af, trok dien veeleer strakker om de leden uit eene oorzaak die Koppelman best had kunnen raden, als hij zijn argwaan niet het luidst had laten spreken. Frits namelijk, door zekere huiverigheid bevangen, had zich terstond dicht bij de groote kachel geplaatst, die echter niet brandde; het was den heelen dag »zomerweer" geweest naar het oordeel van den kastelein, en 's avonds kwam er toch niemand; 't was voor een enkelen passagier de moeite niet waard om te stoken. En toch.... Eene kachel die niet brandt in eene ruime tochtige gelagkamer, waarvan de deur met de buitendeur van 't huis die altijd open blijft, in correspondentie staat; is er meer noodig om iemand huiverig te maken, die pas in de broeikas eener diligence is gestoofd?
Daarbij zijn er aandoeningen die rillingen over de leden brengen en Frits moest die gevoelen nu hij zijne vaderstad binnentrok, en hij zag niet in, waarom hij zich voor een herbergier geneeren zou; hij draaide dezen dus den rug toe en hulde zich nog dichter in zijn mantel!
Koppelman wist er echter raad op om, zoo niet onder den mantel, dan toch op de persoonlijkheid van zijn gast een blik te slaan; met andere woorden: hij wilde achter diens naam komen.
Hij legde Frits een gedrukt papier voor, schoof een looden inktkoker in een zandbak naar hem toe en zei op barschen, bijkans gebiedenden toon:
»De nachtlijst teekenen, meneer!"
»Dat placht hier vroeger niet noodig te zijn," hernam Frits wat verwonderd, terwijl hij zich zonder aarzeling aan de formaliteit onderwierp.
»Ja, vroeger! maar 't is nu zoo'n rare tijd; daar zwerven zooveel uitlanders en spionnen in 't land, de politie mag er wel zoo wat het oog op houden."
»Mijnenthalve mag zij," hernam Frits, en wierp de pen met een schouderophalen in 't zand terug.
»He! hm, hm! Rosemeijer! is dat geen Brabandsche naam?" vroeg de kastelein, maar half voldaan dat hij zijne verdenking moest opgeven.
»Zoover ik weet niet, want ik ben hier te E. geboren."
»O zoo, dat verandert," sprak de hospes op gerekten toon, »en de familie.... woont hier niet meer, zou ik denken."
»Een kop thee, meneer!" zei nu een armelijk gekleed, roodharig knechtje, dat het emplooi van staljongen met dat van eersten en tweeden kellner in zijn persoon vereenigde.
»Kan ik vuur krijgen op mijne kamer?" vroeg Frits zich naar dezen wendende.
»Dat doen we hier niet," viel de kastelein in, aan de aarzeling van zijn bediende een eind makende, die blijkbaar niet wist wat hij antwoorden moest.
»Maak de kachel hier wat aan, Jan!" voegde hij er in één adem bij, als ter vergoelijking van de weigering.
»Dat's onnoodig voor mij," zei Frits, die zijne thee had gebruikt, »wijs me mijne slaapkamer."
»Blieft meneer ook den mantel te geven?" vroeg de roodharige zeer gedienstig.
Frits schudde ontkennend, liet zich alleen den hoed nadragen en tot groote teleurstelling van zijn onwilligen gastheer, klom hij naar boven zooals hij was binnengekomen.
Daar stak wat achter, de baas kon het niet van zich zetten.
En hij had wel gelijk, daar _stak_ wat achter. Verscheurende zielesmart werd onder die onverschilligheid voor al het uiterlijke rondgedragen!
Met welke kloppingen des harten had Frits die stad zien opdoemen in 't verschiet, met haar eenen toren en haar flauwe lichtjes, om welhaast de overbekende straten door te rijden, om eindelijk voor het logement stil te houden, om niet tot »het geliefde vriendenhuis" in te keeren, om er de moederlijke woning niet meer te vinden, om er vreemdeling te zijn in den volsten zin des woords, en zich nog gelukkig te moeten rekenen het te kunnen blijven.
Terugkomen op zijn vroeger besluit om Claudine niet weer te zien, mocht hij niet. De scheiding tusschen hem en haar moest onherroepelijk zijn en waartoe dan elkaar zwak te maken, door de smartelijkste aandoeningen op te wekken bij een samenzijn, dat toch een afscheid moest wezen,--neen, neen, voor deze verzoeking wilde hij niet bezwijken!
Hij wierp zich op de legerstede neer met een gevoel van matheid en moedeloosheid, waaronder hij toch den slaap niet kon vatten. Het bekende klokkenspel, dat het slaan van ieder uur, van ieder half uur zelfs, voorafging, en waarnaar hij luisteren moest, zijns ondanks, riep hem de schrikkelijkste tooneelen zijner kindsheid in het geheugen; alles, alles kwam weer bij hem op wat reeds vergeten of ter zijde gedrongen was door latere indrukken, en in plaats van er nu boven te staan, zooals voorheen in de eerste frissche kracht der ontluikende jeugd, toen hij het sombere heden voor het liefelijk uitzicht eener blijde toekomst kon voorbijzien, lag hij er nu dieper onder gebogen dan ooit. De schoonste bloeitijd des levens lag reeds achter hem, en de vruchten waren niet gevolgd, het schitterend vergezicht was ijle luchtspiegeling gebleken, en er bleef niets van over dan nevelen en duisternis, die zelfs voor de hoop geene plaats meer lieten.
Daar klingelde weer het klokkenspel tergend het wijsje van eene romance, die toenmaals druk in zwang was en op alle kermisorgels werd uitgevoerd:
Après la richesse Soyons pélerins! Moi je cours sans cesse Et je cours envain. Quoique la coquette M'échappe souvent, Gaîment je répète En la poursuivant: Espérance Confiance C'est le refrain Du pélerin.
Frits kende het air genoeg om de woorden bij de tonen te herhalen, maar niet met de Fransche luchtigheid die de opwekkende maat vorderde. Integendeel, met al de bitterheid der smartelijkste ontnuchtering, van al hare illusies bekomen.
Hij ook had dien pelgrimstocht naar eer en schatten ondernomen, geschraagd door hulpvaardige vriendenarmen, die hem als het ware hadden weggedreven uit het veilige land der ruste en der middelmatigheid, om hem te doen jagen naar de dingen die hem te hoog en te machtig waren; en nu, wat was er van hem geworden? Hij was den mannelijken leeftijd genaderd en hij lag neer als een vermoeide en verslagene, die van zijn kruistocht niets medebracht dan een gebroken hart, vermoeide voeten en een leegen buidel!
Toch moest hij weer opstaan--om opnieuw zijne loopbaan te loopen en nu zonder iemands hulp of raad; nu arm niet slechts aan geld, maar armer nog aan moed, aan kracht, aan lust om dien zwaren Sisyphussteen, dien men het leven noemt, weer den berg op te torsen. Het beste uitzicht dat hij zich nog voorstellen kon was: een eervolle dood in den dienst van zijn vaderland; dat bewaarde hem ten minste voor dien allerschrikkelijksten wanhoopsdood, dien hij zijn vader had zien zoeken--en--vinden! Al had hij, door eigen zorg en leed overmeesterd, dit ooit kunnen vergeten, die klok, die onbarmhartige klok, deed hem er telkens weer aan denken en schonk hem geen half uur gratie.