Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 14

Chapter 143,268 wordsPublic domain

»Gij herinnert u, mijne lieve, dat ik als een instinctmatigen afkeer had opgevat tegen alle speculatiën, planmakerijen, industrieele ondernemingen en wat dies meer zij; het zekere dat men bezit te wagen om het onzekere te winnen, was mij altijd als eene roekeloosheid voorgekomen, die niemand minder plegen mocht dan ik zelf. Met niets te doen dan rustig zijne rente te verteren, had mijn vader een welgesteld burger kunnen blijven; hij wilde millionair worden en anderen rijk en gelukkig maken; gij weet wat er het gevolg van geweest is. Zijn zoon behoorde althans door zijn voorbeeld geleerd te zijn. Ook zoolang ik mij nog wiegen kon in de gouden droomen der kunst, was niets mij zoo ver en zoo vreemd als de gedachte, dat men geld kon winnen door geld te wagen. Geld verdienen met mijn werk was mijn eenige wil en wensch.

»Maar men leeft niet straffeloos in eene groote koopstad, waar verbazende fortuinen in één beursuur worden gewonnen of verloren, waar men dagelijks hoort van arme sukkels, die zonder iets te wagen, daar ze eigenlijk niets bezitten, plotseling tot fortuin komen door een gelukkigen greep in de fondsen; men leeft niet straffeloos in eene lucht, die met de speculatiekoorts is verpest; men ondergaat er den invloed vanzelfs eer men het weet; licht vatbaar was ik niet en zeker zou ik aan dien invloed weerstaan hebben, zoo ik meer gerustheid had gehad op de toekomst van mijn werk, en zoo ik niet: de zoon van mijn vader ware geweest. Mijne moeder was in 't bezit gebleven van de papieren, waarin deze zijne grootsche ontwerpen had neergelegd en die hij altijd met zekere plechtigheid zijne schatten noemde; als knaap had belangstelling, met een tintje nieuwsgierigheid gemengd, mij er wel eens naar doen hunkeren die in te zien, maar mijne goede moeder wilde ze mij niet overgeven vóór mijne meerderjarigheid, daar zij oordeelde dat ik tot volle rijpheid des verstands moest gekomen zijn, eer ze mij waagde aan de verzoeking, die zij achtte dat er ook voor mij in schuilen kon. Daar ik begreep dat zij er aan hechtte, als aan de reliquiën van den altijd geliefden man, liet ik ze haar, zelfs toen mijn leeftijd mij het recht gaf ze op te vorderen. Destijds dacht ik wel niet, dat ze voor mij ooit andere waarde konden hebben dan die eener aandoenlijke gedachtenis.

»Eerst ná den dood mijner moeder kwamen zij in mijn bezit, niet zonder tegenkanting van den heer Verburg, die ze, nog mijn voogd zijnde, ten vure had bestemd, en die, terwijl hij mij in 't beredden der zaken behulpzaam was, met leedwezen zag dat ik ze behouden en meenemen wilde.

»Waartoe?" vroeg hij misnoegd, »waartoe u te wagen aan de verleidelijke voorstellingen, die daarin werden neergelegd; het zijn toch niets anders dan zeepbellen, die uiteenspatten als men ze aanraakt!"

»Welnu! dan kunnen ze mij immers ook niet schaden!" wierp ik hem tegen.

Allemaal jammerlijke misrekeningen, planmakerijen zonder uitkomsten; uw vader was een onpractisch man," mompelde hij en keerde mij knorrig den rug toe, daar hij zag dat ik ze zorgvuldig bijeenverzamelde en wegsloot. Terwijl uw vader protesteerde had ik ze alleen terloops ingezien en ik had ook geenszins het voornemen er nadere kennis van te nemen, al wilde ik ze als dierbare relieken met eerbied bewaren.

»Maar te Amsterdam weergekeerd, bedroefd over mijn verlies, ongerust over mijne toekomst, gedrukt nog daarenboven door de overtuiging, dat ik van den heer Verburg in zekeren onmin gescheiden was, daar ik zijne schikking, hoewel die den innigsten wensch van mijn hart te gemoet kwam, niet had willen aannemen, zat ik op mijne eenzame kamer, in zóó diepe zwaarmoedigheid neer, voelde mij daar zóó alleen, zóó verlaten, dat ik verstrooiing zocht tot iederen prijs.

»Menschen opzoeken, och! de barmhartigsten onder hen tasten u meestal juist in de pijnlijkste wonde; zoogenaamde uitspanningen, ach, de liefelijkste muziek maakt mij diep zwaarmoedig als ik haar niet met een vroolijk gestemd gemoed kan aanhooren. Uit allerlei oorzaak geïsoleerd van mijne kunstbroeders, had ik geen enkelen vriend onder hen; ik had de gewoonte en ook de zelfbeheersching gehad om mijne zorgen en strijd te verbergen onder uiterlijke opgewektheid, en ik wilde ook nu geen voorwerp van hunne meewarigheid zijn. Evenmin kon ik, onder den slag mijner diepe moedeloosheid, zoo terstond mijn gewone avondwerk opvatten. Boeken! maar ik las zonder te weten wat, ik dacht aan wat anders, en ik verzonk opnieuw in mijn eigen leedgevoel. Ik moest iets zoeken dat mij als uit mij zelven trok, dat de geheele aandacht vorderde van hoofd en hart; »zoo ik nu kennis maakte met de nalatenschap van mijn vader, zooals hij zelf die papieren altijd noemde, dit althans zal mij inspannen. Ik zal mij verdiepen in het pijnlijk verleden en alzoo mijn leedgevoel van heden overwinnen door er mee te strijden." Ik ving aan met zekere bevooroordeeldheid. Ik had er te veel tegen hooren zeggen, te veel door geleden om ze met onbevangenheid in te zien, of geloof te hechten aan de verzekeringen van den schrijver zelven, dat ze onberekenbare waarde hadden. Maar toch ik las met al den ernst der kinderlijke piëteit, en welhaast werd ik getroffen door de juistheid en de klaarheid, waarmee alles uiteen was gezet; van enkele ontwerpen zelfs sprong mij de uitvoerlijkheid in het oog juist in onzen tijd. Ik begreep nu dat mijn vader werkelijk een man van buitengewonen geest moest geweest zijn, maar dat hij gedwaald had in het oogenblik van de toepassing zijner theorieën. Het had hem ontbroken aan medewerking, aan hulpmiddelen om zijne plannen tot rijpheid te brengen, en dies ondanks had hij ze toch doorgezet, bijgevolg met slechte uitkomst, maar dat bewees hunne gebrekkelijkheid nog niet! Neen, mijn vader was geen onpractisch mensch, maar hij was te voorbarig geweest en te hartstochtelijk. Hij had volharding maar geen geduld.

»Ik zag duidelijk, dat, hetgeen in zijn tijd onbereikbaar was, ongerijmd moest schijnen, nu zeer wel zou zijn te verkrijgen, dat veel daarvan, hoewel langs anderen weg verkregen, in onze dagen reeds tot banale waarheid was geworden, reeds in algemeen gebruik was geraakt, wat men in de zijne als dwaze hersenschim had bespot. Niet dien avond alleen, maar een groot deel van den nacht hield ik mij met deze lektuur bezig; zoo boeide zij mij, zoozeer raakte ik er in verdiept, zoo geheel mee vereenzelvigd, dat het mij onbegrijpelijk voorkwam hoe ik zoolang had geleefd zonder dit alles te zien, wat mij nu klaar voor oogen lag, zonder te raden wat mij hier werd voorgelegd. Als een licht ging mij op over mij zelven. Hier lag mijne roeping, hier de werkkring die mij paste; in deze dingen kon ik leven, daarmee kon ik vooruit komen: ik moest industrieel, ik moest man van zaken worden, ik moest tenuitvoerleggen wat mijn vader had uitgedacht, ik voelde mij als met nieuw leven bezield, ik vergat alle mijne smarten, mijne zorgen, ik die mij sinds lang zoo klein, zoo in de engte beklemd wist, zag mij plotseling als in de ruimte gezet, en of mij vleugels waren aangeschoten nadat ik lang op de aarde had rondgewriemeld! De geest van mijn vader was in mij gevaren door zijn woord, door zijn schrift. Frits Millioen! Frits Millioen! klonk eene stem als ter waarschuwing mij tegen. Welnu, ja! die ben ik, die ben ik, daar draag ik roem op, ik ben de zoon van mijn vader, maar Frits Millioen kan geen schilder zijn, ziedaar de hindernis!

»Ik droomde dien nacht als vanzelf spreekt in mijn korten en zwaren slaap van gouden wolken, die zich voor mij openden en van dorre lauweren, die ik met den voet ter zijde stiet. Maar des morgens bij 't ontwaken zag ik den schildersezel voor mij, waaraan ik was vastgeklonken! En waarom dan toch? vroeg ik mij zelven. Zij, die zich met de regeling van uw lot hebben belast, en die meenen aanspraak te hebben op uwe dankbaarheid, omdat zij zich ongevraagd beijverden om u dezen onzaligen dienst te bewijzen van u aan het martelaarschap der kunst toe te wijden: deze zullen zeker van ondank schreeuwen, zoo ik met versmading van hunne vermeende rechten, voortaan mijn eigen weg volge; maar, als ik hen nu triomfantelijk bewijze, dat zij zich in mijne roeping hebben vergist? Ben ik als man dan tot levenslange onmondigheid veroordeeld, omdat men den zestienjarigen knaap giften en gunsten heeft opgedrongen, die hij niet had gevraagd? Moet ik welvaart, levensgeluk, alles, alles ten offer brengen, om aan hunne verwachtingen te beantwoorden, die ik toch niet kan voldoen, om hunne profetieën te bewaarheden, die toch blijken zullen valsche geweest te zijn? Neen! Neen! dat is meer dan menschen van een mensch mogen vergen, meer dan een mensch voor zijns gelijken behoeft te doen. De meesten dier vroegere »_weldoeners_" waren daarbij niet meer in leven; aan hunne schim behoefde ik toch waarlijk mij zelven niet te offeren, maar terwijl ik daar zoo bezig was mij van alle die banden los te maken, rees het beeld van uw vader voor mij op; als dat van den vertoornden Neptunus, die de baren stilt! Hij was de levende, onverzettelijke hinderpaal in mijne nieuwe plannen. Hij, die mij vaderliefde, vaderzorge had betoond, mocht niet zoo bitterlijk door mij bedroefd worden als ik vooruit wist, dat hij het zijn zoude, zoo ik het penseel neerlegde, dat hij den tooverstaf achtte, waarmee nòg voor mij goud en glorie te winnen waren, om de plannen ten uitvoer te leggen van den door hem zoo gewantrouwden, zoo geminachten dweper, als hij mijn vader achtte.

»Ik voorzag dat hij in zijne teleurstelling, in zijn toorn mij een ondankbare zou noemen en mij de hoop zou ontzeggen op uwe hand! Wat gij zelf zoudt zeggen, ik durfde het nauwelijks indenken; er was reeds te veel reden, om hetgeen ik beproeven wilde, met de diepste geheimzinnigheid te omsluieren. Beproeven wilde ik het toch, maar vóór ik op gelukkige uitkomsten kon wijzen, moest ik die proefnemingen geheim houden voor mijne vrienden als voor mijne vijanden; en tot zoolang hield ik mij oogenschijnlijk aan de kunst; bij mislukking zou de erbarmelijke schilder althans zijn roemloos brood hebben, al kon hij u niet aanbieden dat met hem te deelen!

»In de eerste plaats was er geld noodig. Het kleine vermogen mij door mijne goede moeder nagelaten, was onder mijne berusting; ik kon er over beschikken, zonder dat ik er met iemand over behoefde te raadplegen; kon ik het beter besteden, ook in haar geest beter, dan door de nagedachtenis van mijn vader recht te doen en der wereld te bewijzen, dat hij geen dwalend warhoofd was geweest, maar een scherpzinnig, een vindingrijk man, in verlichting en kennis zijn tijd een kwart eeuw vooruit? Welk een triomf zou dàt zijn voor zijn zoon, zoo het dezen gelukte haar tot die erkenning te brengen.

»Maar vooreerst mocht die zoon zelf niet op den voorgrond treden. Zijn naam reeds zou aan het doel, dat hij wilde bereiken, schade hebben gedaan; daarenboven een schilder, wie hij ook ware, die zich met zaken bemoeide en als industrieel optrad, zou ter weerszijden mistrouwd worden. Ik moest dus een associé hebben, die als _prête nom_ voor mij optreden en handelen kon.

»Ik twijfelde niet of er zouden zich in eene handelsstad als Amsterdam genoeg lieden opdoen, geschikt en gewillig om deze verbintenis met mij aan te gaan; maar ik had de lantaren van Diogenes wel willen leenen, om den rechten man te vinden, want met een ongetrouw of ook slechts onvoorzichtig deelgenoot, wien ik opening moest geven van het geheele ontwerp en aan wien ik vooreerst alles moest overlaten, liep ik groot gevaar van bedrogen en ter zijde geschoven te worden, zoo er winsten te deelen vielen.

»Toch had ik het geluk te vinden wat ik zocht. Een jonge Vlaamsche beeldhouwer, die zich te Amsterdam had neergezet en met wien ik op een vriendschappelijken voet stond, deelde mij mede dat hij een broeder had die in de nabijheid van Antwerpen eene fabriek had opgezet, waarbij de toepassing van mijns vaders stelsel zeer goede diensten zou kunnen doen, dat hij reeds goede zaken deed en niet ongenegen zou zijn die verder uit te breiden en de proef te nemen van de door mij aan te wijzen verbeteringen. Onder den schijn van een kunstreisje naar Antwerpen te maken, trok ik derwaarst, en na mij van zijne soliditeit overtuigd te hebben, gaf ik hem opening en inzage van het bedoelde plan; hij juichte het toe en nam aan het in werking te brengen, hij zou daartoe eene gelijke som inbrengen als die ik er voor overlegde, hij bedong zich alleen zekere voordeelen boven die welke ik zou genieten, daar hij alle moeite en bezwaren der uitvoering op zich nam en nog bovendien den naam zou dragen en de verantwoordelijke persoon was. De geheime vennootschap werd notarieel bekrachtigd en gewettigd. Zoo ik u dit alles dus omslachtig mededeel, mijne lieve! is het opdat gij van mij weten zoudt, dat ik niet lichtvaardig de spaarpenningen mijner moeder en ons beider vooruitzichten op het spel heb gezet, dat ik met kalmte en goed overleg alle maatregelen en voorzorgen heb genomen, die mij tegen bedrog waarborgden. Maar 't is een mensch niet gegeven in alles te voorzien, en er zijn rampen die men niet voorkomen kan.

»In den aanvang ging alles goed, nauwelijks was er een half jaar verloopen, of ik kreeg zóó gunstige berichten van de onderneming, dat ik u opgeruimde brieven kon schrijven, die hoop gaven op eene spoedige vreugdevolle overkomst. Bij het einde van het eerste jaar der associatie, was er een batig saldo verkregen, ondanks al de kosten die het in werking brengen van het nieuwe stelsel had vereischt. Mijn associé stelde voor die winsten aan te wenden tot uitbreiding der zaak op grootere schaal, waardoor wij het uitzicht kregen dat zij in 't volgende jaar belangrijke voordeelen zou opleveren. Ik kon niet anders dan dit voorstel toejuichen, en ik zag het oogenblik naderen waarop ik uw vader zou kunnen verrassen met de verkregene uitkomsten en u, met den prachtigen kanten bruidsluier, dien Madame Verkouteren, de vrouw van mijn compagnon, op zich genomen had voor mijne aanstaande te bestellen in eene der voornaamste kantfabrieken te Brussel! Onder zulke vooruitzichten opende zich voor mij het jaar dertig--aan het eind van dat jaar hoopte ik al die schoone voorstellingen verwezenlijkt te zien, maar helaas! toen wij 25 Augustus hadden beleefd, brak de opstand uit die omwenteling is geworden, oorzaak van allerlei rampen, allerlei verwarring, allerlei verraad. Verkouteren, geheel voor zijne industrieele onderneming levende, had niets voorzien, toen hij op eens bemerkte dat zijn eigen volk mokte en samenschoolde en welhaast hem tegentrad, met hooge woorden, met ongerijmde en onredelijke eischen, waaraan hij noch kon, noch wilde voldoen. Toen werd hij orangist gescholden, men viel op hem aan; met enkele getrouwen verdedigde hij zich zoo goed hij kon, maar op zijn afgelegen dorp en bij de algemeene bandeloosheid was er noch aan bijstand van krijgsmacht, noch aan dien van hooger gezag te denken; dat wisten de woestelingen heel goed, zij mishandelden hem en de zijnen, plunderden zijn huis, vernielden er alles wat zij niet wilden of konden medenemen en eindigden met de fabriek in brand te steken, terwijl de zegevierende bende de zwermen leegloopers en roovers gingen versterken, die onder de leuze van de »liberteit" het platteland afliepen en schade deden tot aan de zaak zelve die zij zeiden te verdedigen! De ongelukkige Verkouteren overleefde de vernietiging van zijne bezittingen maar eenige uren. Ik was met dienzelfden schok geruïneerd. Ja! ik had rechten, maar zelfs al had ik die in deze oogenblikken kunnen doen gelden, wat zou het mij gebaat hebben? Op brandschade was gerekend, maar op zulke totale verwoesting door oproer, waarbij zelfs de boeken, zelfs de schuldbrieven die er in kas waren, onder gejuich in 't vuur waren geworpen! Wie had zich daartegen kunnen wapenen! Zijn broeder schetste mij den beklagenswaardigen toestand waarin de weduwe met haar gezin zich bevond, en hoewel hij geen lust had partij te kiezen voor eene revolutie, die begon met hem zulk een slag toe te brengen, achtte hij zich toch gehouden zijne zuster te hulp te snellen; hij verliet Holland in allerijl en zocht over de grenzen te komen, eer dat volstrekt onmogelijk werd. Daar lag dan mijne pasgebouwde fortuin als in rookende puinhoopen in de verte; en ik die alles had opgeofferd, kon mij niet weer van dien val herstellen, bij volkomen gemis van de middelen om haar elders op te bouwen. Na zulk eene uitkomst, al liep er geen waaghalzerij onder, kon ik niets meer aan uw vader bekennen. Mismoediger dan ooit, onmachtig om voortaan weer iets te ondernemen, sukkelde ik maar weer met schilderen voort, doch de tijd was voorbij dat een prikkel van buiten: aanmoediging, bestellingen, van welken aard dan ook, mijne slappe handen tot den arbeid kwam sterken. In den laatsten tijd met de gewisheid eener aanstaande lotswisseling, had ik mij geene moeite meer gegeven de relatiën aan te houden, die mijn kunstmatig succes hadden daargesteld, en uit goedwilligheid of belangzucht nog opgehouden hadden. Ik leverde bijna niets meer af en werkte, _als ik werkte_, met zooveel achteloosheid en oppervlakkigheid, dat er eene grootere mate van gedienstigheid toe noodig was dan die waarop ik voortaan kon rekenen, om zulk werk te prijzen, aan te nemen. _The decline and fall_ van den eens zoo veelbelovenden jongen schilder werd dan ook luide aangekondigd; men had mij opgegeven, voortaan zou men van mij zwijgen; dit was mij levend dood verklaren. De enkele kunstbroeder, die zich nog wel eens in mijn atelier had vertoond, stond verbaasd over mijn achteruitgang; ik zag het hem aan, al ontzag zijne barmhartigheid zich ook, het mij ronduit te zeggen. Ik moedigde niemand aan om weer te komen. Mijn meester, dien ik sinds zijne terugkomst van zijne reizen niet meer had durven bezoeken, hoorde van anderen, zeker niet op het gunstigst, hoe het met mij ging en toen ik hem eens bij toeval ontmoette, wendde hij zich met een misnoegd hoofdschudden van mij af. Hij vergaf het mij niet dat hij zich zoo in mij vergist had, hij vergaf het mij niet dat ik mijn »veelbelovend talent" zoo roekeloos had verwaarloosd! O! had hij alles kunnen weten, hij zou mij zachter beoordeeld hebben. Ik heb schuld, ik erken het met smart, met schaamte, voor u het eerst, mijne Claudine! die door mijne schuld hebt geleden, nog lijdt als ik moet vreezen, maar het is niet _die_ schuld die men meent! De zucht tot geldwinnen door geld te wagen, was nu eenmaal in mij opgewekt; bij de behoefte om nog iets meer te verdienen dan de ellendige penning die ik nu nog als veracht kladschilder, als kopiïst kon machtig worden, wist ik de verlokking niet te weerstaan, tegen wier bedwelming ik mij vroeger zoo veilig achtte. Ik waagde mij aan het gevaarlijk fondsenspel, maar altijd in kleine proporties, daar ik te gemoedelijk was om te wagen wat ik niet zou kunnen betalen. Voor dit spel ontbrak mij de stoutheid der gewetenloosheid. Mijne winsten balanceerden zoo wat mijne verliezen, maar tot belangrijke voordeden kwam het met mij nooit.

»Zoo bracht ik den ganschen winter door. Gij kunt beseffen hoe weinig ik mij gestemd voelde om tot u te komen onder deze omstandigheden, en waarom ik niet of nauwelijks meer van mij hooren liet; behalve de ontstemming die zich als vanzelf aan ieder mijner brieven had moeten mededeelen, kwam ook nog deze bijgedachte: u langzaam te ontwennen aan de hoop, u langzaam te gewennen aan het denkbeeld eener scheiding, die ik voorzag dat komen moest, u zoo het nog zijn kon te genezen van eene onvruchtbare genegenheid, opdat zij u niet al te bittere tranen zou kosten.