Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 13
»Dáár ligt de fout! Gevaarlijke kortzichtigheid.... maar allermeest voor mij. Ik moest wel eindigen met in mij zelven te gelooven, met mij bezield te gelooven door eene geestdrift, die mij van buiten was aangeblazen.
»Hoe nu!" riep men om mij heen, »Frits Rosemeijer op een kantoor! Frits Rosemeijer in de routine van een ambtenaarsleven, hij, op wien de Nederlandsche kunst maar wacht om hare schoonste triomfen te vieren! Dat gaat niet, dat mag niet zijn, dan moeten wij ons liever offers getroosten en toonen dat wij wat over hebben voor den roem van ons land!"
»En werkelijk de edelmoedige kunstvrienden getroostten zich offers. Wat mij betreft, ik was de eerste die er een bracht en dat mij zwaar genoeg woog. Ach! het was niet eens het scheiden van mijne moeder, van mijne _kleine vriendin Dientje_, het was dat afstaan mijner onafhankelijkheid waarop ik altijd gerekend had, als op mijn beste, zekerste schat. Van nu aan had ik beschermers, weldoeners, die een recht hadden op mijn persoon, op mijn werk, op alles wat ik was of ook niet was en die bovenal het recht hadden te eischen dat ik in hunne wegen zoude gaan, dat ik mijn leven zou regelen naar hunne inzichten, dat ik mijne aandacht geven zoude aan datgene wat zij voor mij het ééne noodige achtten en aan dát alleen! Ik die mij eene middelmatige positie zou getroost hebben, mits zij mij vrijheid van bewegingen waarborgde, ik zag mij veroordeeld om op straffe van mijne weldoeners te leur te stellen en mij een ondankbare te toonen, te streven naar de dingen die mij te hoog en te wonderlijk waren, iets wat ik uit het voorbeeld van mijn rampspoedigen vader had leeren kennen als het onvruchtbaarste en hachelijkste ondernemen.
»Ziedaar wat mij door het hoofd woelde en mij als den voorsmaak gaf van ongekende weeën, toen alles om mij heen juichte over het groote geluk dat mij te beurt viel, dat ik schilder zou worden, zooals mijn aanleg voorschreef. Ziedaar hoe ik zelfs reeds toen, al was het niet met zoo klare voorstelling, dat geluk beschouwde, dat de arme Piet Snibs, die van onvoldane kunstdrift gloeide, mij zoo benijdde! Maar toch, zooals ik reeds zeide, hun vast vertrouwen had ook mij moed en vertrouwen ingeboezemd; ik geloofde in mij zelven, al was het dan ook op het woord van anderen. En zooals het in het geestelijke waar is, dat het geloof bergen verzet, ook in de kunst mag die uitspraak gelden, ik heb er de ervaring van.
»Ik vermocht wat ik nooit had gemeend te kunnen doen. In het atelier van den beroemden meester, onder zijne leiding, zijne aanmoediging, werd mijn zelfvertrouwen niet beschaamd, maar tot geestdrift geprikkeld. Mijne eerste vorderingen waren verbazend, men riep mirakel, ik zelf het eerst! Zoo was het dan waar. Ik zou kunnen worden wat men van mij wachtte, uit het beneveld verschiet doemden voor mij rooskleurige lichtbeelden op. Ik glimlachte over mij zelven dat ik nog een oogenblik met heimwee had kunnen omzien naar het armzalig lot van een vergeten ambtenaartje, want reeds werd mijn naam genoemd als die van een veelbelovenden jongen kunstenaar, tegelijk met schilders van den eersten rang. Gij herinnert u nog de innige zelfvoldoening waarmee dominé Willems het eerste schilderijtje van mijne hand voor de E.'sche bevolking ter bezichtiging stelde. Hij was het, hij, die dit talent het eerst had ontdekt! Hij had reeds in den ruwen diamant, den brillant gezien! Hij vergat, dat ook valsche steenen, in zeker licht gesteld, schitteren kunnen als echte, maar dat ze niet als dezen _in_ de duisternis hun licht in zich zelven hebben, bovenal dat er proefnemingen zijn waartegen zij niet kunnen bestaan. Destijds wist ik dat evenmin als hij, en al had ik het geweten, ik was nu al zoo ver dat ik mij zelven voor echt hield. Hoe had het ook anders kunnen zijn? Gij weet welk een succes mijn werk had op de groote tentoonstelling te Haarlem. Er werd eene medaille aan toegekend; mijne groote schilderij werd door den Koning gekocht, een kunstkooper verzuimde niet de beide kleinere te nemen op speculatie, een vermogend dilettant droeg mij eene bestelling op! Dat waren als zooveel bazuinen, die te mijner eere schetterden, en gij weet beter dan iemand _hoe_ zij weerklonken in ons kleine stadje. Te dier dage, mijne innig geliefde! ben ik mij bewust dat er menigmaal een blos van vreugd heeft gegloeid op uw liefelijk gelaat, later, helaas! om mij rampzalige verbleekt.... Ik zie in verbeelding uwe zachte lijdende trekken, uwe vochtige oogen en mijn hart breekt er onder.
»Vergeef het mij! vergeef het mij, dat ik mij bedwelmen liet door den algemeenen roes, dat ik alleen niet helder zag toen alles om mij heen zich aan den schijn vergaapte.
»Want inderdaad voor wie achter de schermen kon zien, was er veel klatergoud aan die blinkende gloriekroon, en was dit schitterend begin bovenal niet van zoo groote beteekenis voor de toekomst als het toekijkend en toejuichend publiek zich dat voorstelde.
»Aan mijn beroemden meester, die het oor des Konings had, behoefde het maar een woord te kosten om dezen over te halen het eerste kunstproduct van een zijner »veelbelovende" leerlingen te koopen, die aanmoediging verdiende en materieele ondersteuning noodig had.
»Hoe kon de schare aan _gunst_ denken waar het: »verkocht aan Zijne Majesteit" haar als onderscheiding in de oogen schitterde. De concurrentie van aankomende Noord-Nederlandsche kunstenaars was daarbij niet groot, in proportie van de zwermen kunstbroeders die uit het Zuiden kwamen opdoemen en zonder zich juist door een bekrompen provincialisme te hebben laten leiden, was de Haarlemsche jury er toch door consideratiën van dezen aard toe geleid om een jeugdig Hollander te onderscheiden, wiens werk de verdienste had van eene vaardige nabootsing te zijn der kwaliteiten van zijn beroemden meester. Deze werd nog weer geëerd en gevleid in zijn navolger van wien men hoopte dat hij eens zijn eigen weg zou gaan. De kunstkooper waagde niet veel met tot lagen prijs een paar stukjes te koopen, die licht te verpassen waren aan niet al te kieskeurige en niet overbemiddelde liefhebbers, die tegen de groote prijzen van den meester opzagen. De particulier, die mij door zijne bestelling vereerde, was de schatrijke bankier v. d. H., die zich voor mij interesseerde om voldoening te geven aan een geacht Amsterdamsch predikant, academie-vriend van dominé Roestink!
»Gij ziet het, wat het succes van mijn talent werd genoemd, was niets dan het gevolg van gunstige omstandigheden. Ik zag toen nog niet zooals nu _le dessous des cartes_ van dit alles, en wat ik er van merkte overtuigde mij slechts, dat ik bij mijn talent ook dàt geluk had zonder hetwelk zelfs het stoutste _genie_ in de worsteling met het leven bezwijkt. Bij zooveel goede fortuin kwam geen twijfel in mij op aan mijne verdienste; integendeel ik was gerustgesteld, ik liet mij _à plaisir_ meeslepen en bedwelmen door de toejuiching van de oppervlakkige menigte, door de vervoering mijner vrienden, en ik hield mij overtuigd dat nu ééns mijn talent was erkend en als gestempeld, nu de eerste schrede op de baan der glorie was gezet, al het andere gereedelijk zou volgen! Toen ik de eerste koninklijke goudstukken in mijne hand liet glijden, schitterden ze mij tegen als de liefelijke lenteboden van den vollen oogst, dien ik mij zelven dacht te geven.
»Met zijn eerste tientjes in den zak, schroomde Frits Millioen niet langer zijne vaderstad te bezoeken, die hij gezworen had niet weer te zien dan triomfantelijk. En werkelijk, ik werd er ontvangen als een Romeinsche triomphator, zelfs de slaaf die achter de zegekar loopt om aan de menschelijke broosheid te herinneren, ontbrak er niet aan. Menigeen herinnerde zich nog mijn bijnaam, ik ervoer het bij meer dan eene gelegenheid, maar niet meer met ergernis; mijn trots werd er door geprikkeld, niet meer gekrenkt.
»Eene ernstige hoorbare stem der waarschuwing klonk mij niet in de ooren. Mijne moeder had slechts tranen van dankbare blijdschap. Uw vader heette mij welkom op eene wijze, die mij terstond weer in zijn huis voerde op den ouden voet;--neen, niet meer op den ouden voet! Was het mij mogelijk de bevallige jonkvrouw weer te zien met dezelfde kalme genegenheid die ik voor mijn _klein vriendinnetje_ had gevoeld? Ik wist het vooruit welk gevaar ik tegenging; had het alleen _mij_ gegolden, toch had ik mij zelven voorzichtigheid opgelegd; ik zou nog zwijgen, zwijgen tot ik ver genoeg gevorderd was op de pas betreden baan, om haar goed te kunnen overzien; dan.... mijne terughouding werd misverstaan door u, en uw vader zelf leidde mij in verzoeking, om eene roekeloosheid te begaan. Hij gaf mij als het ware het woord in den mond, ontlokte mij de bekentenis, die ik U niet had willen doen, en moedigde mij aan door zijn welgevalligen glimlach en zijn hartelijken handdruk. Toen kon, toen mocht ik niet langer aarzelen om u van mijne liefde te spreken. Uw hart had het mijne verstaan, wij waren verloofd!
»Ik sidderde voor u te midden van mijn geluk, want eerst toen ik uw lot aan het mijne verbonden wist, begon een bang voorgevoel mij te beklemmen en de vraag rees in mij op: of niet 't geen men voor eene vaste ster had aangezien, bij uitkomst blijken zou een dwaallichtje te wezen?
»Een twijfel die mij soms het voorhoofd bewolkte, terwijl ik de volle weelde scheen te smaken van uwe teedere genegenheid, terwijl gij met mijne moeder allerlei liefelijke plannetjes zat te beramen voor ons huiselijk samenleven.
»Helaas! maar al te gerechtigd was mijn twijfel; hetgeen men het begin mijner glansrijke loopbaan had geacht, was het toppunt geweest mijner fortuin, van nu aan zou zij slechts dalen!
»En ik was verantwoordelijk geworden voor uw geluk, voor uwe toekomst! Hoe die bijgedachte mij gekweld, hoe die verantwoordelijkheid mij gedrukt heeft, wat ik voor u en met u geleden heb, zult gij uit mijn dagboek zien; iederen avond heb ik eene ure met u, met mij zelven geleefd en geworsteld en dien strijd aan het papier vertrouwd, opdat gij dien eens in zijn geheel zoudt kunnen overzien, en gij mij zoudt kunnen vrijspreken van de verdenking u verwaarloosd te hebben, al schreef ik zelden en al waren mijne brieven »zoo onbestemd,"--zoo onbeteekenend, hadt gij mogen zeggen,--terwijl de uwe mij alles schonken wat een vrouwenhart als het uwe in gul vertrouwen, in teedere openheid heeft te geven; maar, helaas! juist waar ik zag hoe gij op mij rekendet, met hoeveel innigheid gij u aan mij had gehecht, welke liefelijke droomen gij droomdet van onze vereeniging, die voor mij hoe langer hoe onzekerder werden, waar ik wist dat gij van maand tot maand hooptet op de komst van den verloofde, die uw bruidegom en echtgenoot moest worden, terwijl voor mij met iedere maand, met ieder jaar het uitzicht, dit doel, mijn geluk! te bereiken, meer en meer achterwaarts week en ten laatste als wegschoot achter de duisterste wolken--als ik dit alles gadesloeg met een bloedend harte, terwijl iedere uwer teleurstellingen, iedere uwer grieven mij op het geweten brandde--hoe kon ik dan voor u uitspreken, rondom welken afgrond mijne gedachten dwaalden? Zoolang mij nog eenige hope bleef, moest ik u dàt lijden sparen, maar ik.... ik ben u rekenschap schuldig waarom het niet was te ontgaan.
»Toen de leerjaren, die ik bestemd was in het atelier van den heer P. door te brengen, om waren, moest het blijken wàt ik zelf, wat ik alleen vermocht. Ik kon nu niet langer op zijne composities teren, noch met zijne schetsen en studies mijne winst doen; de vraag was nù, of ik wist te scheppen; of ik het vermogen had licht en leven te brengen op het paneel, of ik iets anders was dan.... een kopiïst--in één woord! Mogelijk zou ik nog op dit punt voor mij zelven in onzekerheid zijn gebleven, en mij met ijdele inbeelding hebben gevleid, zoo ik nog een tijdlang in de nabijheid van mijn meester had kunnen leven. Hulpvaardig en belangstellend als hij zich altijd voor mij betoond heeft, zou hij mij zeker van tijd tot tijd hebben bezocht, om mij met raad en voorlichting te dienen, en waar hij mij zwak zag zijn steun en voorspraak verleend hebben, om vooruit te komen in de gunst van dezulken, van wie wel niet het talent, maar veeltijds het lot eens kunstenaars afhankelijk is. Ongelukkig nu waren de omstandigheden mij evenzeer tegen als zij mij vroeger waren meegeloopen. De beroemde P. zag zich juist toen verplicht tot eene reis naar Engeland en een langdurig oponthoud in Londen.
»Dáár zat ik dan nu voor het eerst alleen en geheel aan mij zelven overgelaten in het bekrompen atelier, dat ik in het achterhuis mijner hospita had laten inrichten. Ik had de kale wanden verrijkt met zooveel schetsen, gravures en kopieën van beroemde schilderijen als ik maar machtig had kunnen worden. Met zulke meesterstukken voor oogen moest ik, naar ik mij inbeeldde, zelf tot het voortbrengen van meesterstukken worden bezield. Aan den wil daartoe ontbrak het mij niet; maar ik zou tot mijne schade leeren inzien, dat men geen kunstenaar wordt door afzien en nadoen! Evenmin als men dichter wordt door het van buiten leeren der heerlijkste verzen.
»Dáár zat ik dan voor mijn ezel, met vlijtige, vaardige handen, met lust en liefde voor de kunst, met het vaste voornemen om te volharden ondanks alle bezwaren; maar als geboeid door een reddeloos onvermogen om datgene daar te stellen, wat mij voor de verbeelding zweefde. Ik zocht het op allerlei wijze, maar altijd tevergeefs. Ik raakte altijd met mijne composities in de war; nu eens waren ze zoo rijk en zoo vol, dat ze niet uit te voeren waren, althans niet door mij; dan weer waren ze zoo arm, dat ze alleen door hulpmiddelen van executie gered konden worden, die ik niet in mijne macht had. Ik zag mijne gebreken, maar ik kon ze zoomin verhelpen als mij zelven tot een ander mensch maken. Ik hoopte met stalen volharding te bemachtigen wat ik mij zelf bekennen moest niet te bezitten. Ik gunde mij rust noch uitspanning. Ik tobde mij af, ik werkte gestadig door; helaas! ik werkte met de getrouwheid van een eerlijk daglooner, waar mij de bezieling van den kunstenaar ontbrak, die den arbeid licht maakt ondanks de inspanning die hij vordert.
»Een werkman aan de hei glijden niet zóó smartelijke angstperels langs de slapen als mij, terwijl ik dat lichte penseel hanteerde, dat mij zoo zwaar viel in mijne onmacht, en de _meesterstukken_, die na zulke smartelijke geboorteweeën het licht zagen, hadden dan de waardij van beschilderde planken! dát zekere, dát eenige wat aan een voortbrengsel der beeldende kunst waarde geeft, ontbrak er aan, zou er immer aan ontbreken, al had ik het honderdmaal opnieuw aangevangen.
»Niet spoedig verloor ik het geduld, en langen tijd worstelde ik tegen dat onvermogen, mij zelven altijd vleiende met de hoop, dat ik het eenmaal overwinnen zou,--mij zelven bedriegende met de oorzaken van die mislukte pogingen, tot ik ten laatste na allerlei smartelijke ervaringen tot de zekerheid was gekomen, dat ik geen schilder was, en nooit iets anders noch iets beters zou kunnen worden in mijne kunst dan--een kopiïst!
»Nauwelijks had ik deze treurige ontdekking gedaan, of ik werd daarvan afgeleid door een diep harteleed, dat mij trof, waarin gij zoo oprecht hebt gedeeld, en dat gij getracht hebt te verzachten.
»De ziekte mijner moeder riep mij naar E. terug en dwong mij er te blijven tot haar afsterven. In de eerste droefheid vergat ik alles, mijn strijd, mijne nederlaag, alles; bij meer kalmte dankte ik God in mijn hart, dat zij, zij althans was heengegaan zonder iets van mijne kwellingen geraden te hebben, dat zij niet dan vreugdetranen over mij had gestort, en van mij gescheiden was met het volle vertrouwen op mijne goede vooruitzichten en op de zekerheid onzer spoedige verbintenis.
»Het kostte mijn gevoel veel haar in deze dwaling te laten, te versterken zelfs; maar het ware wreedheid geweest de lijdende, de stervende met de harde, koude waarheid te bezwaren; de teleurstelling harer illusiën zou haar toch niet meer krenken, zij van haar kant had alles gedaan wat in hare macht stond om mijne toekomst, om ons geluk te verzekeren zoo zij meende. Hare nalatenschap was niet zoo onbeduidend als ik reden had te wachten, en op dat kleine vermogen had zij haar verlangen gebouwd, dat wij zoo spoedig na haar overlijden als met onzen rouw bestaanbaar was, zouden trouwen. Toen ik haar die begeerte niet onvoorwaardelijk wilde inwilligen, op grond dat ik met u niet zoo eenvoudig zou kunnen leven als zij zich voorstelde, glimlachte zij rustig en sprak: »Och kom, Frits! een jongelui's huishouding kost zoo heel veel niet; Claudine krijgt immers ook wel wat mee, als gij 't eene en 't andere samenvoegt met uwe verdiensten, waar gij nu alleen van leeft, zal het heel wel gaan." Mijne verdiensten! Ja, voorwaar! die waren schitterend, maar de goede vrouw moest er zich in vergissen, dat is waar, want sinds ik mijn eerste geld had verdiend, sinds het jaargeld, voor mijne vrienden voor mij samengebracht, niet meer geacht werd mij noodig te zijn, en ik dus geheel op eigen wieken dreef, had ik haar nooit meer iets gekost, was het mij zelfs mogelijk geweest haar van tijd tot tijd met een, klein geschenk te verheugen, als bewijs dat het mij goed ging en dat ik niets behoefde.
»Werkelijk had ik het geheim gevonden om van zeer weinig te leven en iets meer dan het volstrekt noodige te verdienen, slechts niet met mijne schilderijen, en _hier_ lag hare vergissing. En ik die rondborstig van aard was, die eerlijkheid en oprechtheid als de noodigste eigenschappen van een man beschouwde, ik had mijne moeder misleid, ik had haar althans de waarheid verheeld, die zij niet giste! Hoe het mij mogelijk was?
»In eene groote stad vindt men soms hulpbronnen geopend, waarvan men zich in eene kleine zelfs geen denkbeeld kan maken. Onder kunstkoopers was ik spoedig bekend, als vaardig en gelukkig kopiïst. In het buitenland was vraag naar kopieën van oude meesterstukken uit bekende galerijen, en men wendde zich het liefst aan mij om ze te verkrijgen. Maar die arbeid wordt uiterst sober betaald, en om het tekort aan te vullen kopiëerde ik niet slechts schilderijen en teekeningen, maar zelfs muziek, maar zelfs handschriften, die voor de pers waren bestemd; dat laatste natuurlijk in het diepste geheim en in den nacht; de beste uren van den dag was ik in mijn atelier schilderend, worstelend met de kunst, maar de enkele schilderij, die het mij gelukte af te maken, bracht mij zelfs minder op dan de minste kopie; want de kunstkooper, die ze van mij nam om mij een dienst te bewijzen, die mij als hooge gunst werd toegemeten, maakte zijne berekening dus, dat het hem geen groot verlies kon zijn, zoo hij er mee bleef zitten. Ik geloof niet dat zulks het geval was, ik weet maar al te goed, dat de smaak van den gewonen liefhebber in ons land niet zoo ontwikkeld is, dat hij het gebrekkelijke kon zien van mijn werk, en ik kon nog lang genoeg teren in de opinie der menschen op mijn vroeger succes, vooral daar het nog gesteund werd door de kunsthandelaren, die belang hadden bij mijne voortbrengselen. Maar ter wille van dien dienst moest ik mij tevreden stellen met het weinige, dat zij mij toekenden, en daar ik er aan hechtte zoolang mogelijk het _prestige_ van mijne reputatie te bewaren, liet ik mij villen zooveel men wilde, altijd in de hoop dat ik eens de positie zou kunnen beheerschen, en dien kunstmatigen goeden roep voor eene degelijke en door mijn werk zelf verkregene zou kunnen verwisselen. In het kleine stadje E. kwam men natuurlijk niet tot het maken van deze onderscheiding, te meer daar de dagbladen en kunstjournalen toenmaals nog mee in 't complot waren, dat er was gevormd om mij te doen mousseeren, zooals de geijkte term is. Uw vader zelf was niet beter op de hoogte dan het publiek, en daar hij voortdurend goede berichten las van mijn werk, kon hij zich niet voorstellen, dat een vermaard kunstschilder zooals ik in zijne oogen geworden was, die zuinig leefde en druk werkte, niet genoeg inkomsten zou hebben om eene huishouding op te zetten en een huwelijk aan te gaan met een meisje, dat nog bovendien vermogen aanbracht.
»Hij was getroffen, teleurgesteld, en verdacht mij zeker van koelheid jegens u, toen hij zag dat ik zijne voorstellen op dit punt van de hand wees na den dood mijner moeder; hij wilde zich uit zijn handel terugtrekken en met ons samen gaan leven waar ik goed vond!
»Inderdaad, Claudine! Mocht ik u aan zulk een vooruitzicht wagen? Mocht ik uw beider lot verbinden aan het mijne en uw vermogen tot het mijne maken, waar mijne geheele maatschappelijke positie op zoo bedriegelijke fondamenten rustte? Dat Claudine Verburg hare hand schonk aan een waardig kunstschilder, zelfs al was zijne fortuin nog niet gemaakt, dát kon er door, daarmee zou zij niet in de opinie zijn gedaald, en ware het tegengeloopen, zij had, fier en blijmoedig, lief en leed met hem kunnen deelen; maar _ik was_ nu eenmaal geen waardig schilder, ik begon reeds de hoop op te geven het eenmaal te zullen worden. Mijn ongeluk was dat ik wist wát ik wilde, zonder het te kunnen volbrengen; mijne mismoedigheid en wantrouwen in mij zelven namen toe met iedere mislukte poging. Ik werd schuw en beschroomd, waar anderen in mijne plaats verwaten en stoutmoedig voortgegaan zouden zijn. Want ik had zeker succes; zij die belang hadden bij mijne voortbrengselen, wisten het voor mij staande te houden; maar het eenige succes wat voor mij zelven het kenmerk kon zijn van de verdienste,--de vraag naar mijn werk door ware kunstkenners, zonder kunstmatige hulpmiddelen,--dat succes bleef uit sinds het meer en meer bleek dat mijn werk oorspronkelijkheid ontbrak en niets was dan eene flauwe nabootsing van de schilderijen mijns meesters, van wiens groote kwaliteiten ik een zwakken weerschijn, van wiens gebreken ik de _charge_ gaf. Van toen aan lieten ook de kunstbeoordeelaars in de dagbladen mij zinken, tenzij ze er hunne redenen voor hadden om mij zoo van tijd tot tijd als »den gevierden" aan te duiden. Ik zelf wist beter dan iemand wat er van was, en daarom voelde ik het zoo levendig: tot den kopiïst, tot den poveren schilder, die bij gratie voor spotprijzen zijne moeielijk verkregen voortbrengselen afzette,--tot den ongelukkigen Frits Millioen, in wien men zich bedrogen had, en die nu de bittere vruchten van die vergissing en van zijn zelfbedrog begon te smaken, die voorzag, dat ze hoe langer hoe menigvuldiger, hoe langer hoe wranger zouden worden, die voorzag dat het kunstmatige samenstel, waarop zijn kunstenaarsbestaan nu nog rustte, bij den eersten schok den besten ineen zou storten en hem in het niet zou doen terugzinken.... erger! hem der bespotting prijsgeven,--tot dezen paria der maatschappij mocht Claudine Verburg niet neerdalen zonder zich weg te werpen, zonder al de rampzalige gevolgen van die onvoorzichtigheid te dragen. Ik althans wilde geen oorzaak worden dat zij er zich aan blootgaf; uw vader, wien mijne weigering om aan zijne voorstellen gehoor te geven, onverklaarbaar voorkwam, gaf er eene verklaring aan, die hem de waarschijnlijkste scheen en drukte die uit met zekere bitterheid, die ik lijdzaam verdroeg.
»Ik had wijzer gehandeld, meer oprecht en voorzichtig zeker, zoo ik hem toen reeds een volkomen inzicht had gegeven van mijn geheelen toestand, maar hoewel hij mij verweet, dat ik u niet genoeg liefhad; mijne liefde voor u was juist zóó vurig, dat ik u nog niet kon opgeven; en hem alles blootleggen, ware geweest afstand van u te doen voor altoos!
»En juist waar de kunst mij ontzonk, was er voor mij een nieuwe grond tot hoop ontstaan, dien ik eerst wilde beproeven, en die mij de kans scheen te bieden, u eens tot de vrouw van een vermogend man te maken, al was die man dan juist niet meer een geacht kunstenaar!