Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 12

Chapter 124,138 wordsPublic domain

»Integendeel, er was geen schuld, alles was orde en klaarheid in hare zaken, en na den verkoop van haar inboedel en modewinkel, bleef er met hetgeen zij ter zijde had gelegd, een mooi sommetje voor Frits over. Om mijn woord aan zijne moeder te houden en tegelijk uw geluk te verzekeren, deed ik hem het voorstel dat geld in mijne zaken te nemen en vruchtbaar te maken, hem daarbij de jaarlijksche rente van uw moederlijk vermogen uit te keeren, hetgeen te zamen voor een jong huishouden een vrij goed inkomen zou hebben daargesteld, onafhankelijk van hetgeen hij met zijne kunst daarbij had kunnen verdienen. Welnu! hij weigerde; hij gaf voor de erfenis zijner moeder tot een ander einde te moeten besteden, en daar hij meerderjarig was, kon ik er niets tegen doen en moest hem alles ter hand stellen. Daar ik wel zag dat die weigering hem zelf veel kostte, deed ik een ander voorstel, waarbij alle opofferingen alleen aan mijne zijde waren; ik zou uit mijne zaken treden, en wij zouden te zamen één huisgezin uitmaken, dat zich vestigen zou waar hij verlangde. En zie! hij weigerde ook dit! Hij moest zijne onafhankelijkheid bewaren, gaf hij voor! Noemt gij dát liefde? Noemt gij dát uwe teedere genegenheid beantwoorden? Noemt gij dát ons vertrouwen verdienen en mij dankbaarheid bewijzen? Hij, die er altijd den mond vol van had, dat hij u zou vergelden wat ik voor hem en zijne moeder ben geweest! Hoe! was het niet veel, was het niet te veel bijkans, dat ik, _hem_, den jonkman die geene vooruitzichten had dan zijn talent, dat ik den zoon van den uitgejouwden krankzinnige, dat ik hem, die nóg in de wandeling als Frits Millioen met vingers wordt nagewezen, dat ik aan dezen mijne dochter, mijn eenig kind toezeide, en hem zelf de middelen als in de hand gaf, om met haar vereenigd te worden,--en hij weigert! Hij weet welke teleurstelling hij zijne verloofde bereidde, en toch, hij treedt terug waar ik hem voorkom; hij laat een vol jaar voorbijgaan zonder zelf het uitzicht te openen op een huwelijk, hoe dan ook in de verte, en in dat jaar doet hij niets, volstrekt niets om u van zijne trouw te verzekeren en de hoop in u levendig te houden, door u van tijd tot tijd te komen zien en van zijne vorderingen, van zijne uitzichten te spreken; in dat jaar heeft hij geen enkele maal behoefte u weer te zien, noch voldoet aan uw stillen, al is het dan niet uitgesproken wensch! zelfs zijne brieven bepalen zich bij korte mededeelingen en verontschuldigingen, die niet dan ijdele voorwendsels zijn. Wat moet een vader van dat alles denken, wat moet hij doen, meent gij? Zoo ik u had zien treuren en kwijnen, zeer zeker had ik geen jaar gewacht om aan deze marteling een kort al ware 't ook een geweldig einde te maken."

»Juist daarom verborg ik u zooveel het in mijne macht was, wat in mij omging. Ik vreesde niets zoozeer als u tot toorn te verwekken tegen Frits, u en hem heftig, vijandelijk tegen elkander te zien overstaan en u eene overijlde beslissing te zien nemen, die alle hoop op herstel en hereeniging te loor deed gaan."

»Gij hebt inderdaad dit doel bereikt. Toen ik u kalm en gelaten zag, opgeruimd en tevreden in mijn huis en in uw kleinen kring, oordeelde ik, dat er nog geen gevaar bij was, dat er geene haast was bij eene beslissing, en dat ik geduld kon oefenen tot de band zich vanzelf ontsnoerde; hadt gij mij laten doorzien met welk eene onverzettelijkheid gij u daaraan vastklemdet...."

»Als Frits mij niet opgeeft, kan _ik_ hem niet opgeven, dat is zeker, vader!" viel Claudine in, het oog op het pakket gevestigd, dat Verburg haar op den schoot had geworpen, en reeds greep zij er naar alsof zij te kennen wilde geven, dat zij nu boven alles verlangde te weten, wat Frits haar zelf te zeggen had.

»Maar _hij heeft_ u reeds opgegeven, arme bedrogene! En ik heb het hem gedaan!"

»Waarom toch?" vroeg zij heftig.

»Omdat ik u niet het lot bereiden wilde, dat zijne moeder heeft gedragen; omdat ik uwe toekomst niet in handen wilde geven van een onbezonnen speculant."

»Vader! waarom gelooft gij anderen, die hem belasteren; waarom niet gewacht tot hij zelf kon spreken."

»Juist omdat hij zelf gesproken heeft, juist omdat niet anderen hem belasterd, maar hij zich zelf getoond heeft, was het mij noodig een kort en goed besluit te nemen. Verbeeld u, Claudine! in de vorige week vroeg hij mij kort en goed vijftig duizend guldens ter leen, om eene zaak door te zetten, die zooals hij voorgaf, drie dubbele winst moest opleveren!"

Claudine zuchtte en schudde droevig zwijgend het hoofd bij deze mededeeling.

»Gij begrijpt welk een antwoord ik gaf!" ging Verburg voort, nog geërgerd bij het herdenken van een verzoek, dat in zijne oogen erger was dan een onzinnige eisch, dat hem het bewijs leverde van de maatschappelijke onbruikbaarheid des schilders. »Het is gansch geen tijd voor een koopman om zulk eene som uit zijne zaken te nemen, en het zou mij op dit oogenblik minder schikken dan ooit; maar al had ik dat geld renteloos in mijne secretaire liggen, nog zou ik er hem de helft niet van vertrouwen voor zijne speculaties."

»Heeft hij ze u uiteengezet?"

»Neen, hij weet wel dat ik er nooit van zou willen hooren; maar het kán niets goeds zijn; daarbij, waarom houdt hij zich niet bij zijn palet, dáár ligt zijne fortuin, al zou dat dan ook maar eene matige zijn, wat doet er dat toe, zij is licht eene meer verzekerde, dan het najagen van onbereikbare schatten, die rampzalige erfkwaal!"

»Och, vader! vader! gij hebt toch zoo iets niet aan Frits geschreven?"

»Zeer zeker heb ik het hem geschreven. Ik zie niet waarom ik hem zou sparen, die ons nooit heeft gespaard. Daarbij, ik achtte het oogenblik gekomen voor eene ruiterlijke verklaring. Ik heb hem de keus gelaten tusschen het voltrekken van het huwelijk binnen de twee maanden of ons het woord terug te geven, zoo hij niet in staat of ongeneigd was het zijne te houden."

»Maar waarom dat drijven, dat haasten? Gij begrijpt toch wel, vader! dat ik geen gedwongen huwelijk wil aangaan.... Zelfs niet met hem."

»Waarom? Wel! omdat ik een eind gemaakt wilde hebben aan die zaak. De uitkomst heeft bewezen, dat ik gelijk had, want hij is boos geworden, beschuldigde mij dat ik hem den tijd niet wilde laten, zijne fortuin te maken noch hem aan de middelen wilde helpen, om schielijk dat doel te bereiken, en wel verre van tegen mijne uitspraak te appelleeren, nam hij haar aan als een rechtvaardig vonnis, mogelijk als een voorwendsel waarop hij slechts gewacht had om u uwe vrijheid te hergeven."

»En dat alles hebt gij gedaan zonder mij te waarschuwen, te raadplegen!" sprak Claudine met gedwongen kalmte.

»Als ik u geraadpleegd had, zouden wij over een jaar mogelijk nog even ver met hem staan als altijd; nù is er ten minste eene beslissing!"

»Eene beslissing, die mijne hoop op levensgeluk voor altijd verijdelt!" riep zij op een toon van verwijt, terwijl zij hare smart trachtte te beheerschen.

»Integendeel! die strekken zal om het op nieuwere en vastere grondslagen te vestigen!"

»Daarmee bedoelt gij toch niet.... dat.... ik dat.... andere huwelijk zou aangaan?" vroeg zij met eene stem waarin allerlei aandoening trilde.

»Dat bedoelde ik juist. De heer Veere is...."

»Laat de heer Veere zijn wat hij wil, dat doet er niets toe," viel zij in. »Maar al zou ik berusten in uwe beslissing, die niet de mijne is, al zou uit dit onzalig geschrift," zij legde de hand op het pakket, »mij de zekerheid geworden, dat Frits mij eene vrijheid hergeeft, die ik niet heb gevraagd; al kon het zijn dat zelfs mijn hart vrij ware geworden met het slaken van den uiterlijken band, dan nog begrijp ik niet hoe mijn vader zich zóó in mij kan vergissen om te meenen, dat ik daarna nog weer een ander zou kunnen hooren spreken van liefde, dat ik in staat zou zijn die aan te nemen en opnieuw dat hart weg te schenken, dat zoolang voor een ander heeft geklopt!"

»Veere vraagt ook niet terstond uwe liefde, hij heeft u de zijne geschonken, hij vraagt alleen de toezegging van uwe hand en hoopt uwe genegenheid te winnen door zijne gedragingen! Wat ik u voorstel, Claudine! is eene overeenkomst van het verstand, geene verbintenis des harten."

»En door zulke overeenkomst zou mijn levensgeluk gevestigd worden!" sprak zij met bitterheid, »ik vergeef het dien vreemde, dat hij zóó van mij denkt, maar gij vader, hoe kunt gij u voorstellen!..."

»Uwe toekomst zou er door verzekerd zijn, en dat zou voor mij eene groote gerustheid wezen."

»Van die toekomst worde wat wil, ik heb nog geene haast u te verlaten, vader! Moet ik dan vreezen dat gij mij moede zijt," sprak zij met eene poging tot vriendelijke scherts.

»Neen! maar ik ben de onzekerheid moede, die mij martelt over uw lot!"

»Mijn lot! Maar, beste vader! dat zal immers het uwe zijn, laat mij slechts bij u blijven, meer verlang ik niet."

»Weet gij dan hoelang ik bij u zal blijven?" vroeg hij met tranen in het oog.

»Ieder onzer is sterfelijk op elken leeftijd, maar toch, vader! Gode zij dank, gij geniet eene goede gezondheid, gij zijt nog maar even zestig, en ziet er uit als een krasse vijftiger, dat geeft toch geen reden tot bezorgdheid, dat geeft integendeel hoop op menig jaartje levens.... Waarom bekommert gij u dan zoozeer over mij, waarom die zonderlinge haast om mij uit te huwelijken; mij, die met het meeste geduld den gelegen tijd van Frits zou hebben afgewacht."

»Gij kunt wachten, dat is mogelijk, maar ik.... ik.... dat is wat anders."

»Zoo is het een offer, dat ik _u_ zou moeten brengen, vader! dan.... dan.... zal ik zien wat mij mogelijk is, gun mij slechts eenigen tijd van beraad."

»Ik zou u dien wel gunnen, maar 't is de vraag of de omstandigheden het _mij_ zullen toelaten. Ik kan in den val van anderen worden meegesleept, verliezen, die ik niet heb kunnen voorzien, veelmin voorkomen, hebben mij reeds getroffen. Aan meerdere, aan zwaardere dan deze zou ik het hoofd niet kunnen bieden."

»Welnu, vader! trek u dan uit de zaken terug en laat ons van eene kleine rente leven, eenvoudig, rustig, zonder van elkaar te scheiden."

»Ik zou niets liever verlangen, maar het oogenblik is veel te ongunstig daartoe. Ik wensch uit mijne zaken te scheiden als een fatsoenlijk, als een eerlijk man, en als ik het nú deed, zou dit gelijk staan met mij failliet te verklaren, daar de fondsen zoo laag staan, en de huizen aan welke ik het meeste krediet had gegeven dus wankel, dat wissels op hen getrokken mogelijk over een dag of drie _non valeurs_ zullen zijn!

»Neen! om stil te gaan leven moet ik wachten dat deze stormen zullen zijn overgewaaid, en om ze het hoofd te kunnen bieden, heeft Veere zich aangeboden als mijn associé! Hij is rijk genoeg om de schokken te kunnen dragen van allerlei kwade kansen, hij is zelfs bij machte ze te dwingen tot ze hem voordeelig worden. Wie in tijden als deze een half millioen kan wagen zonder een bedorven man te zijn als hij verliest, is in zekeren zin meester van den toestand en kan met de rampen van anderen zijne winst doen; de firma Verburg en Veere zou eene schitterende toekomst tegengaan, en later...."

»Maar, vader! kan de heer Veere dan niet uw associé zijn zonder ik zijne vrouw worde?"

»O, zeer goed! maar ongelukkig is dit juist zijne voorwaarde. Keer de zaak om, hij kan, hij wil althans mijn associé niet zijn, tenzij hij mijn schoonzoon worde...."

»En noemt gij dien man edelmoedig! Hij die een vriend niet helpen wil met zijne schatten, tenzij diens dochter zich daarvoor verkoopt!" sprak Claudine met bitterheid.

»Beoordeel hem niet zoo hard, hij heeft mij reeds bijgestaan met belangrijke sommen op een oogenblik, dat ik van alle zijden teleurgesteld werd. Nog hedenmorgen heeft hij mij geld voorgeschoten, daar die Duitschers de wissels op het huis Heerdt niet wilden accepteeren; blijft dat kantoor zich staande houden, dan betaal ik Veere met die wissels; zoo niet, dan ben ik opnieuw voor eenige _millen_ zijn schuldenaar.... en.... ik.... ik beken u mijne zwakheid, ik zelf zou niet gaarne aan iemand anders dan aan mijn schoonzoon zulke verplichtingen hebben."

»Zoo moet mijne hand de losprijs zijn, en daarom was er dan zooveel haast met eene beslissing, waarnaar ik niet vroeg! En daarom is dan de arme Frits in allerijl afgescheept, zonder eerst gehoord te zijn!" riep zij, hare smart, hare verontwaardiging niet langer bedwingende.

»Dat laatste zal Frits niet met waarheid kunnen zeggen," hernam Verburg, droevig het hoofd schuddend over de hartstochtelijkheid zijner dochter, die hem niets goed beloofde.

»Toch wel, want gij hebt zelfs deze brieven niet ingezien, die zeker de verklaring inhouden van zijn gedrag, en toch werd hij door u reeds teruggewezen."

»Op dezelfde gronden die hij ter zijner verdediging heeft aangevoerd. Wat hij goedvindt u te schrijven doet niets ter zake voor mij. Ik heb begrepen wat hij bejaagt en dat is mij genoeg, en al ware er geen Veere in de wereld, en al stonden mijne eigene zaken nog zoo gunstig, en al had hij zich bij machte verklaard, om u binnen zeer korten tijd te trouwen, toch zou ik na zijn verzoek om die vijftig duizend guldens u ernstig hebben afgeraden, om dát huwelijk aan te gaan! En van mijne zijde alles hebben gedaan om het te verhinderen. Ik mag uw lot niet verbinden aan dat van dien roekeloozen plannenmaker. Ik kan mijn eenig kind toch niet met opene oogen in haar verderf laten gaan."

»Neen, vader! dat is waar, dat----kunt gij niet," viel Claudine in met een pijnlijken glimlach, »dus van het huwelijk met den heer Veere verwacht gij _mijn_ geluk?"

»Uw welverzekerd lot althans, en, zoo de rust van mijn ouderdom, zoo mijn eer en goede naam voor u iets te beteekenen hebben, zoo weet dat ze in uwe hand liggen.... geef die aan Veere; dwingen zal ik u niet, maar uw vader smeekt er u om."

»Ik zal voor de eer en den goeden naam van mijn vader doen wat ik kan, maar toch, vader! mag de goede naam van uwe dochter ook niet in aanmerking komen, en gelooft gij niet dat die er bij lijden moet als men weten zal--en in een stadje als het onze _weet_ men alles van allen--dat ik de hand, die aan Frits was toegezegd, in die van een ander leg, om geene andere oorzaak dan dat deze met veel goud is gevuld?"

»Uw engagement is nooit publiek geweest, gissingen, praatjes, geruchten komen voor rekening van hen, die ze verspreiden, en dat alles kan niet beter onderdrukt worden dan door uwe openlijk verklaarde verloving en een huwelijk, dat zoo spoedig doenlijk zou doorgaan."

»En wát zal het schaamtegevoel en de zelfverfoeiing in mijn binnenste onderdrukken, zoo ik met een hart, dat een ander toebehoort, trouw belove aan een echtgenoot?" vroeg zij met eene uiterlijke kalmte, waaronder diepe verontwaardiging gloeide.

»Nu ik u zóó hoor spreken, heb ik dubbel berouw, dat ik mij ooit aan dien Frits heb laten gelegen liggen... iedere goedheid, die ik hem bewees, heeft hem stouter gemaakt om er nieuwe aanspraken op te bouwen, en nu zou het er nog mee eindigen, dat zijn vermeend recht bij u meer gold dan alles wat gij mij verschuldigd zijt!" riep de heer Verburg korzel, als een zwak man, die ten einde raad is en, tegen alles in, zijn wil wenscht door te drijven.

»Neen, vader! dàt zal het niet. Ik weet dat men met zijn naaste plichten, niet met zijne liefste wenschen moet te rade gaan. Frits zelf, ik ben er zeker van, zal niet vergeten wat hij u schuldig is, maar vergeet gij ook niet, dat gij zelf hem hebt aangemoedigd om mijne hand te vragen, toen alles hem eene schitterende toekomst scheen te beloven, en dat voorheen zijn _recht_ bij u hetzelfde gold, als nu nog bij mij!"

»Gij hecht daaraan dan meer dan hij zelf, want hij heeft met gretigheid in de scheiding toegestemd; de heer Veere daarentegen dringt met al het vuur van den hartstocht op de verbintenis aan... Gij ziet dus zelf, dat er voor ons geene reden is om te aarzelen."

»Ik zie, vader! dat deze verbintenis wel zeer noodig moet zijn voor u, anders zoudt gij u niet zóó over alles heenzetten, om haar te verkrijgen; maar ik voor mij kan in dezen geen besluit nemen vóór ik mij zelve overtuigd heb van die groote gewilligheid, waarmee Frits mij zou afstaan."

»Overtuig u daarvan, gij hebt den geheelen dag vóór u om al dat geschrijf door te lezen, maar Frits zou mij zeer uit de hand vallen, zoo hij tweeërlei taal voerde en bij u vasthield aan 't geen hij bij mij heeft losgelaten; en wat u betreft, Claudine! beraad u met u zelve zooveel gij wilt, alleen bedenk dat de heer Veere morgen uw antwoord komt halen, en dat het daarvan zal afhangen of ik mij al of niet als koopman zal kunnen staande houden."

II.

Het wordt voor ons tijd om naar Frits uit te zien, dien wij te lang reeds ter zijde lieten. Wij moeten weten hoe zijn karakter zich heeft ontwikkeld, wat er van zijn talent is geworden; wie van beiden het dichtst bij de waarheid is, de heer Verburg die hem verdenkt en veroordeelt, of zijne dochter die hem haar vertrouwen, hare liefde blijft schenken, al zou zij ook reden hebben om in 't geloof aan de trouw van zijn hart te wankelen. Om tot die kennis te komen, is er voor ons geen beter middel dan inzage te nemen van het uitvoerig schrijven dat hij aan Claudine had gericht, ten geleide zijn »Journaal," want dat was het wat het pakket inhield, haar door Verburg ter hand gesteld. Zijn dagboek, aangevangen van den eersten avond af, toen hij als zeventienjarige knaap met een bang gevoel van verlatenheid in zijn eenzaam kamertje neerzat op de derde verdieping van een Amsterdamsch winkelhuis, tot op den laatsten morgen waarop hij besloot om het haar toe te zenden, met een diep verslagen gemoed en een gebroken hart!

Deze zelfbekentenissen, bijna zonder lacune van dag tot dag aan haar gericht, bewezen Claudine dat de schaarschte en het onbestemde zijner brieven althans niet veroorzaakt was door het afzwerven zijner gedachten, of de ontrouw van zijn hart, daar de eerste gedurig aan haar waren gewijd en hij het laatste elken avond voor haar had ontsloten.

Dat dagboek behoeven wij niet te doorbladeren, maar onze belangstelling verlokt ons eene indiscretie te plegen met den geleidebrief, die evenmin voor de pers was bestemd.

»Mijne innig geliefde Claudine!

»Het is mij behoefte u nog eenmaal dus te noemen, al berust ik in den smartelijken dwang der omstandigheden die ons scheidt; want ik _weet_--ik zou haast zeggen ik _vrees_--dat uw hart mij trouw is gebleven tot op dezen stond, en wat het mijne betreft, met waarheid mag ik zeggen, dat het nooit van u is afgezworven, noch in zijne volkomen toewijding heeft gefaald, al zou ook de schijn tegen mij getuigen. En zoo ik er in berust u te verliezen, zoo ik zelfs in den laatsten tijd het mijne heb gedaan om u op zulke scheiding voor te bereiden, was het omdat ik u liefhad met eene volkomene liefde, die zich zelve niet zoekt: was het omdat ik het uw vader schuldig was, en het mijner moeder in eene plechtige ure heb beloofd, uw geluk, uwe fortuin althans niet in den weg te staan, sinds onze maatschappij nu eenmaal zóó is ingericht, dat het eerste niet meer mogelijk wordt geacht zonder de andere!

»En, ach! ik moet ze gelijk geven, mijns ondanks, die maatschappij, zoo onverbiddelijk in hare eischen, en hare toonvoerders die zich de »wereldwijzen" noemen. Ja, met een bloedend hart erken ik het: ze hebben gelijk. Claudine Verburg, de oogappel haars vaders, van hare kindsheid af in den zachten schoot der weelde opgekweekt, die het leven niet kent dan van de lichtzijde, Claudine Verburg mag geene kennis maken met de smartelijke werkelijkheid, mag niet langer hare jeugd zien verkwijnen door eene uitgestelde hoop die het harte krenkt, maar kan evenmin worden meegesleept in den maalstroom, waartegen een Frits Millioen moet worstelen, waarin hij, ondanks alle krachtsinspanning, reddeloos zal te gronde gaan!

»Frits Millioen, die gehate bijnaam, die een storm van de pijnlijkste herinneringen in mij opwekt, die mij zoo vaak sarrend en spottend in de ooren heeft geklonken, die uw kiesche mond, zelfs in kinderlijke onbedachtzaamheid nooit heeft uitgesproken, moet ik, ik zelf, thans voor uwe oogen neerschrijven, opdat gij met mij volkomenlijk zoudt inzien, _wat_ die te beteekenen heeft, en hoe ik u niet kon laten deelen in den last, in den smaad dien hij oplegt.

»Gij zult mij tegenwerpen dat ik onder dien smaad, onder dien last gebukt ging reeds als knaap, en dat het u niet heeft verhinderd in mij uw liefsten speelkameraad te zien, dat die mij zelfs niet heeft belet het hart der jonkvrouw te winnen en aan te nemen. Dat was eene fout, ik belijde het, maar.... het was toen nog geene misdaad, zooals het nu zou worden als ik voortging uw leven en dat uws vaders te bederven met de mislukte uitkomsten van het mijne. Want ziet gij, Claudine! toen ik den schat van uwe liefde aanvaardde, dien ik met woeker hoopte weer te geven, leefde ik in de vaste hoop, dat ik dien last die op mij drukte eenmaal zou kunnen afwentelen, dat ik bij machte zou zijn den smaad, dien ik droeg, in triomf te doen verkeeren!

»Toen de schimpnaam mij voor het laatst naar het hoofd werd geworpen, in het eigen oogenblik waarin ik voor het eerst mijne geboortestad verliet, deed die wel op mij de gewone uitwerking van beschaming en verbittering, maar juist te midden mijner ergernis, onder den gloed der verontwaardiging, vatte ik een voornemen op, dat er eene gansch andere beteekenis aan gaf; die bijnaam moest eene profetie zijn, waarvan mijne beschimpers de verwezenlijking tot hun spijt en verbazing zouden zien; die bijnaam zou mijn devies zijn dat ten strijde roept, maar tegelijk tot de overwinning zou voeren, en ik deed mij zelven en u, ja ook aan u, aan u het eerst! de gelofte, dat ik door mijn werk, door mijne volharding, dien bijnaam tot waarheid zou maken en dat ik hem eenmaal voeren zou, zooals een vorst den bijnaam voert, die aan zijne eigenschappen, aan zijne veroveringen herinnert!

»Karel de Stoute," »Frederik de Groote" konden niet trotscher zijn op den hunnen, dan Frits Millioen zich voornam het te wezen op den zijnen, als die eens bij hem tot werkelijkheid zou zijn geworden! Arme stakker die ik was, toen nog het hoofd buigend onder den mededoogenloozen schimp, hoe fier hoopte ik het eenmaal op te heffen als ik met den lauwerkrans der kunst prijkend en den gouden tooverstaf van den rijkdom voerend, opnieuw tot mijne vaderstad inkeerde, als ik tot de gapende menigte zeggen zou: »Nu ja! Frits Millioen die ben ik, die ben ik in vollen zin, ik heb er voor gewerkt om het te worden en wie van u nu zijne hulp noodig heeft, behoeft maar te spreken!"

»In mijn jeugdigen overmoed, in mijne onkunde van de wereld en het leven, had ik mij dien triomf beloofd en het vooruitzicht er van gaf mij reeds kracht en geestdrift, naar ik meende.

»Helaas! het was een stroovuur, en vergeef me dat ik u eene voorstelling geef, waaraan ik mij zelven in verbeelding vaak heb te goed gedaan en die gij nu als ik zelf met een glimlach en een traan in het oog zult overzien, een traan van diepen weemoed over teleurgestelde hope--het kan niet anders, zij het maar geen traan van verbittering tegen mij, geen traan van spijt en toorn tegen den onnoozelen eigenwaan van den verwatene, die u een tijdlang mee rondvoerde in zijne luchtkasteelen!

»Maar ik vraag u, Claudine! was die eigendunk niet verklaarbaar, niet verschoonlijk in den zestienjarige, die door zijne vrienden over het paard is getild! Zijn het niet mijne vrienden, mijne beschermers, die mij het eerst zulke luchtkasteelen hielpen stichten, die mij althans hebben gevoerd in de sferen, waar ze als vanzelven worden gebouwd....

»Och, alles wat ze mij in 't hoofd hebben gezet, ook de zedigste zou er door in verzoeking zijn gekomen om er zijn gulden tooverpaleis bij op te trekken! Ik wil de ondankbaarheid niet plegen hen te beschuldigen, waar zij gehandeld hebben naar de inspraak van hun goed hart, maar het helderzien in de toekomst was hun niet gegeven, wat voor oogen lag heeft hen aangetrokken, en zij hielden hun blik voor onfeilbaar.