Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 11
Wat moest zij er van denken? In het eerste jaar van hun engagement, was hij vrij geregeld om de drie weken gekomen, maar in het volgende slechts eenmaal, en wel ter gelegenheid van de ziekte en den dood zijner moeder! Toen had zij echter niet behoeven te vragen of hij haar nog liefhad, hoewel de treurige aanleiding zijner komst als vanzelve een somberen nevel had verspreid over hun samenzijn; zekere neerslachtigheid en iets gedwongens in zijne houding tegenover haar vader, liet zich ook wel verklaren; denkelijk was de nalatenschap zijner moeder nog tegengevallen, hoe kleine verwachting men daarvan ook had. Maar daarna niet terug te keeren, het gansche jaar niet! Hoe had hij het op zich zelf kunnen verkrijgen, en waarom toch kwelde hij haar met dit afzijn? Was er eenige ernstige reden voor die onthouding, waarom achtte hij haar niet hoog genoeg of niet sterk genoeg om haar die mede te deelen. »Hij meent mij te sparen, en hij martelt mij slechts met die achterhoudendheid!" Met zulke sombere mijmeringen en pijnlijke zelfgesprekken bracht het bevallige, talentvolle meisje, de gevierde en benijde dochter van den rijken Verburg, menigmaal hare uren van eenzaamheid door; hoe betreurde zij het dan dat dominé Willems niet meer leefde, aan dezen had zij haar hart kunnen uitstorten, gewis zou deze haar getroost en bemoedigd hebben, en zeker zou hij van Frits ophelderingen gevraagd en verkregen hebben, die haar vader wel het recht had te vragen, maar zij zelve vreesde juist niets zoozeer dan dat deze van dat recht zou gebruik maken. Eens uit zijne goelijke lijdzaamheid opgewekt, zou hij heftig zijn en onbuigzaam tevens. Frits was prikkelbaar en licht gekwetst, eene verklaring tusschen die twee kon leiden tot strijd, tot verwijdering, tot eene onheelbare breuke en liever dan iets te doen om tusschen die twee geliefden eene vlamme des toorns aan te blazen, leed Claudine in stilte, leed zij alleen!
Dien ochtend had zij haar best gedaan om zooveel doenlijk buiten zich zelve te treden en al wat haar kwelde ter zijde te zetten om een vroolijk, althans een vriendelijk gelaat te kunnen toonen aan de gasten haars vaders, die met hem dejeuneeren zouden en mogelijk den dag bij hen moesten doorbrengen. Zij was er op voorbereid. Hare koffie geurde aanlokkelijk en het dienstmeisje dat de gekookte melk binnenbracht, kreeg order: »Mijnheer te waarschuwen."
Reeds zat zij in wachtende houding, niet van de dingen, maar van de personen die komen zouden. Zij had geene vrouw moeten zijn, zoo er niet een weinigje nieuwsgierigheid onder geloopen had; zij behoefde maar eenige minuten geduld te oefenen, daar trad de heer Verburg binnen, zooals gewoonlijk met zijn pakket couranten en brieven onder den arm, maar alleen.
»Hé, vader! nog alleen? Zouden die vreemdelingen meenen dat we hier zóó laat komen koffie-drinken?"
»Die heeren komen _niet!_" hernam hij kortaf, en als in eigen gedachten verdiept, zette hij zich werktuigelijk aan tafel en terstond een der nieuwsbladen ontvouwende, ging hij druk zitten lezen als trachtte hij verdere navraag af te weren.
Maar zóó ontkwam hij zijne dochter niet, die onaangenaam verrast en getroffen was door zijn ongewoon stug antwoord en de zichtbare ontstemming op zijn gelaat.
»Scheelt er wat aan, vaderlief?" vroeg zij vleiend.
»Welneen, wat zou er aan schelen? Ik heb met die lieden afgedaan, waarom zou ik ze langer gehouden en hier gebracht hebben?"
»Waarom? Wel, mij dunkt omdat u mij nadrukkelijk gezegd heeft, dat ze voor heden geïnviteerd waren. Nu zitten we met ons tweeën voor een uitvoerig ontbijt, want die Oost-Indische heer, die u mij aangekondigd had en die ik maar terstond hier moest ontvangen, is ook niet gekomen!"
»Nu, zooveel te beter. Die heeft mij belet gevraagd voor morgen, en dan zal hij mij welkom zijn, en u ook, zoo ik hoop!"
»Zeker, vader! Maar eigenlijk vandaag was er nu alles voor klaar, ik heb pasteitjes, kievitseieren, ossetong, een extraatje in één woord, omdat ik weet dat men in het buitenland weelderiger leeft dan bij ons."
»Wat zegt dat bagatel onkosten. Mij is het liever dat wij nu alleen blijven. Ik heb kwestie gehad met die Duitsche zaakgelastigden en daarom heb ik ze zoo gauw mogelijk afgescheept, ziedaar de geheele zaak."
Claudine drong niet verder. Als haar vader, doorgaans zoo goed en inschikkelijk, zoo boos was geworden, dat hij zijne gewoonte van gulle gastvrijheid had verzaakt, dan moest hij daarvoor ernstige redenen hebben, en zijne ontstemming was haar nu verklaard. Zwijgend schonk zij hem zijne koffie, die hij dronk zonder van zijne krant op te zien, zette hem een pasteitje voor dat hij binnen liet glijden, zonder consciëntie van hetgeen hij at; een broodje met ossetong onderging een gelijk lot, en hij kreeg eerst bewustheid van deze verrichtingen toen zij hem noodigde meer te gebruiken.
»Dankje, Claudine!"
»Een enkel gebakje dan?"
»Neen, kind! neen!" antwoordde hij op den toon van iemand, die niet gestoord wil zijn, »je hebt me al meer laten eten dan noodig is," en weer werd de blik op de courant gericht, die heden al bijzonder veel aantrekkelijks scheen te hebben.
Claudine verkropte hare spijt en oefende nog weer geduld; maar ziende dat hij het eene nieuwsblad na het andere opnam, inzag en wegwierp met telkens verhoogde ergernis of bekommering, kon zij dat gespannen zwijgen niet langer dragen en vroeg met bezorgdheid: »Staat het zóó slecht met de zaken van 't land, vader?"
»Zoo slecht als het maar kan," antwoordde hij, het ongelukkige blad in de handen verfrommelend, »ze foppen ons daar in Engeland, dat is blijkbaar; eerst moest dat lieve België aan ons goede oud-Neerland worden vastgehecht! Daar hebben wij al het profijt van gesmaakt, God betere het! Nu, daar die woelgeesten er het hunne van hebben, willen ze weer anders, en die edelmoedige groote mogendheden stellen hen weer in 't gelijk. Holland moet zich nu maar schikken en met alles tevreden zijn; naar recht of tractaten wordt niet gevraagd, als zij hun zin maar krijgen; onze Koning heeft gelijk dat hij zich zóó niet laat ringelooren en dat hij volhoudt, maar 't zal ons wat kosten, dat zal het! En dan die verweerde Prins van Oranje die met het muiterrot heult."
»Vader!" riep Claudine met zekere ergernis. In hare schooljaren had zij sympathie opgevat voor België en de Belgen, had er ook menigmaal klachten en uitingen van den volksgeest opgevangen die haar rechtmatig voorkwamen, en die haar bewogen om minder hard te zijn in de beoordeeling van den Belgischen opstand dan haar vader en de meeste harer landgenooten op dat tijdstip.
»'t Zou wat fraais zijn, als gij die ondankbare rustverstoorders gingt voorspreken, die ons land in 't ongeluk storten," knorde Verburg. »Ik heb er haast berouw van dat ik je dáár naar die kostschool heb gestuurd, ze hebben er je wel niet Roomsch gemaakt, zooals dominé Willems vreesde; maar daar is je toch wat in 't hoofd gezet dat niet in een Hollandsch meisje past. Die liberteit, die liberteit! Dat is daar schering en inslag. Nu dan, onze Prins die op niets dan onze rechten en belangen behoorde te letten, zong dat liedje van de liberteit met hen mede; of het is geweest om hen te paaien of ons af te vallen, is nog wel niet zeker, maar er is toch iets dubbelzinnigs in zijne houding dat tot achterdocht gerechtigt. Hij schijnt nu toch weer moed gevat te hebben om hier terug te komen. Volgens het _Journal de la Haye_ zou hij in den Haag zijn!"
»Nu! dat is dunkt mij een goed teeken."
»Op de Beurs schijnen ze het daarvoor niet te houden. Onze effekten staan zóó laag alsof er een nationaal bankroet te wachten ware. Daar is geen vertrouwen meer voor niemand, de soliedste huizen springen bij de rij af, of het eene weddingschap ware; wat heden nog vaststaat, ligt morgen op den grond!"
»Maar, vader! als het er zoo mee gelegen is, dan kon er, dunkt mij, ook wel gevaar zijn voor u!"
»Ik, kind! ik.... ik heb vooreerst nog niets te vreezen, zou ik meenen; ik heb mij nooit aan onvoorzichtige speculaties gewaagd, ik heb nergens roekeloos mijn vertrouwen geschonken, mijne handelsartikelen zijn van algemeene bruikbaarheid en onmisbaar in oorlog als in vrede; maar toch.... voor u wil ik het niet ontveinzen, in tijden als deze is er voor een koopman altijd gevaar. Ik kan in den val van anderen worden meegesleept; dezen morgen weigerden die moffen een wissel op het huis Heerdt & Cº. te Amsterdam, onder pretext dat er kwade geruchten liepen van een ontzaggelijk verlies dat het in Antwerpen zou hebben geleden. Ik voor mij geloof er niets van, ik geloof dat zij er wel tegen kunnen, maar toch, Claudine! ziet gij, als het huis Heerdt & Cº. failleert, dan.... dan.... zie ik niet, hoe ik staande zou kunnen blijven."
Eene rilling gleed Claudine door de leden, toch hield zij zich goed, zij uitte geen kreet van schrik, zij trachtte zelfs vastheid aan hare stem te geven toen zij sprak: »Nu begrijp ik wat u dus heeft ontstemd, vader! Het is maar goed zich uit te spreken; wees verzekerd, dat de tegenspoed mij niet ongewapend zal treffen. Ik geloof in God, en ik weet wie mij steunen zal onder rampen."
»Het verheugt mij u dus sterk te zien, mijn kind! want...." Hij zweeg plotseling, kreeg tranen in de oogen en bleef haar aanzien met diepe ontroering.
»Waarom aarzelt gij voort te gaan, vader? Is er meer, is er anders?" vroeg zij dringend en met zekere heftigheid, »een ongeluk toch komt zelden alleen, vader! Spreek toch...."
»Er _is_ nog geen ongeluk gebeurd," hernam hij zich herstellende en een rechtstreeksch antwoord ontduikend, »maar in den hachelijken toestand van ons land, van geheel Europa, is alles mogelijk. Ook het onwaarschijnlijkste,--men moet op iedere smart, op elke lotwisseling voorbereid zijn, dat bedoel ik."
»Ik dacht, ik meende dat er iets was, dat mij persoonlijk dreigde.""
»Wel neen! maar is het dan al niet erg genoeg dat het land te gronde gaat! Het volk verdeeld, morrend tegen den Koning, zijne regeering wantrouwend! Het leger aan de grenzen, de bloem der jongelingschap, de kern der burgerij als schutters of vrijwilligers onder de wapenen, al de lasten van den oorlog, zonder één van de voordeelen."
»De voordeelen van den oorlog! Zulk eene ijselijkheid!" sprak zij met een pijnlijk glimlachje.
»Ja toch, als het maar tot een strijd mag komen, dan is er nog uitkomst mogelijk, dan komt er althans verandering, beweging, leven. Nu is er stagnatie in alles en 't is niet om in te denken waar het heen moet!"
»Dan hoop ik met u op oorlog, vader!" hernam zij, bevreemd over den vloed en de opgewondenheid zijner woorden; hij, anders zoo kalm en bedaard bij geldelijke verliezen.
»In afwachting van mogelijke rampspoeden, die niet zijn af te weren, zouden wij zuiniger kunnen leven, niet waar vader? Wij kunnen ons nog veel verminderen eer de wereld er iets van bemerkt. Ik voor mij ben wel een beetje verwend, maar toch niet zóó, vaderlief! of ik zal mij naar de eenvoudigste levenswijs kunnen schikken. Vreest gij misschien dat het mij te veel kosten zou?"
»Och wat zou dat beetje bezuinigen baten?" hernam Verburg hoofdschuddend. »Daarbij," hernam hij met zekere forschheid: »Ik wil dat niet, ik wil niet dat mijne dochter, dat mijn eenig kind zich verminderen zal, neen nooit!"
Claudine zag hem verbaasd, zag hem angstig vragend aan; zij vatte niets van zijne bedoeling.
Op eens scheen hij besloten zich uit te spreken, want hij had eigenlijk meest gepraat, omdat hij den moed miste ronduit voor den dag te komen met hetgeen hij zeggen wilde; ook nu nam hij een omweg en wel een die Claudines hoogste verbazing wekte. Hij schoof zijn stoel dichter bij, vlak tegenover den haren, en vroeg, haar opnieuw sterk aanziende:
»Zeg mij, Claudine! hebt gij iets tegen den heer Veere?"
»Tegen dien Oost-Indischen heer, die van ochtend hier zou gekomen zijn; wel neen, vader! volstrekt niets; waarom vraagt gij dat?"
»Zoo zult gij hem morgen hoffelijk, vriendelijk ontvangen?"
»Kunt gij er aan twijfelen, iemand waar gij zaken mee hebt, zou ik zóó kinderachtig zijn, om die kleine teleurstelling van heden kwalijk te nemen...."
»Neen, neen! dat weet ik wel beter, gij zijt een lief, goed, verstandig meisje. Hoe vindt gij den heer Veere?"
»Om de waarheid te zeggen, ik heb er nooit aan gedacht hoe ik hem vind.... die Indische menschen gelijken, dunkt mij, allen zoo wat op elkaar; overigens is hij, geloof ik, nog een knap, kloek man voor zijn leeftijd."
»Voor zijn leeftijd!" herhaalde Verburg, »hij is nog geen veertig, en hij heeft mooie donkere oogen, zwart krullend haar en... niet als de meeste Indiërs een platten, breeden neus of dikke lippen."
»Gelukkig voor hem," hernam Claudine, onwillekeurig glimlachend, »maar eigenlijk.... wat kan dat ons schelen?"
»Zooveel, Claudine! dat ik u niet van hem spreken zou, zoo hij er uitzag als een mummie of een Hottentot."
»Gij wilt over hem spreken, omdat hij er naar uw gevoelen beter uitziet," hernam Claudine, eenigszins van kleur veranderende en nu niet meer op haar luchthartigen toon; »ik begrijp niet waarom...."
»Omdat hij uwe hand heeft gevraagd, Claudine!" sprak de heer Verburg luid en heftig, terwijl hij het hoofd afwendde, als wilde hij den schrik en de afkeuring niet zien, die hij vreesde gaande te maken.
Dan.... zij werd alleen wat bleeker en hernam uiterlijk kalm: »Dat spijt mij voor hem, hoe is hem dát in 't hoofd gekomen?"
»Het schijnt dat gij op dat dinertje hier aan huis nogal druk met hem gepraat hebt."
»Waarom niet! Gij hadt hem naast mij gezet en ik moest de honneurs als gastvrouw waarnemen; hij had nogal discours, het zou lomp zijn geweest zoo ik mij niet een weinig met hem geoccupeerd had... maar dat is nog geen reden om...."
»Hij was er verrukt over, dat gij voor hem gemusiceerd hebt."
»Voor hem! Als er gezelschap bij ons is en het mij gevraagd wordt, maak ik immers altijd muziek; hoe kan die man zich dat aantrekken als eene persoonlijke gunst, er waren vijftien gasten!"
»Gij hebt op zijn verlangen zekere romance gezongen."
»_La négresse_! O, ja! dat weet ik nog wel, maar...."
»Welnu! het een en het ander heeft hem zóó voor u ingenomen, dat hij er schatten voor over heeft om u tot vrouw te krijgen en... daar hij ouwerwetsch Oost-Indisch rijk is, heeft dat nogal zoo iets te beteekenen!"
»Dat is wel mogelijk, vader! maar gij hebt hem toch, hoop ik, gezegd, dat die begeerte onmogelijk kan vervuld worden," hernam Claudine met vastheid.
»Neen, Claudine! dat heb ik hem _niet_ gezegd, want ik geloof niet aan die onmogelijkheid."
»Hoe, vader! gij zoudt hem aanmoedigen, dát, dat kan ik van u niet denken; het verwondert mij zelfs, dat de man de onvoorzichtigheid heeft begaan, dien wensch uit te spreken; al is hij hier vreemdeling, hij komt toch van tijd tot tijd onder de menschen, en die zijn te praatziek en te onbescheiden dan dat hij niet van mijn engagement zou gehoord hebben."
»O, ja! de praatjes die er gaan, zijn hem wel ter oore gekomen, maar...."
»Dan pleit het niet voor zijn karakter, dat hij zich dies ondanks opdringt."
»Integendeel, het doet zijn hart eer aan, dat hij zich daaraan niet stoort."
»Dat hij zich niet aan praatjes stoort, ja! dat geef ik toe, maar u zult hem toch wel van de waarheid hebben ingelicht."
»Dat zou ik gedaan hebben, Claudine! maar ik ben zelf niet goed op de hoogte van 't geen hier eigenlijk de waarheid is."
»Vader!"
»Claudine! zeg mij in volle oprechtheid hoe het staat tusschen u en Frits?"
»Tusschen mij en Frits, vader! dat weet gij immers, er is niets tusschen ons veranderd sinds ik hem mijn woord gaf; hoe komt die vraag bij u op?"
»Veins niet met mij, kind! kunt gij zeggen dat alles tusschen u en hem hetzelfde is gebleven, hij is immers in geen jaar hier geweest. Kan men dat nog een engagement noemen?"
»Waarom niet? 't Is eene verbintenis des harten, die zooveel uiterlijks niet noodig heeft; eene oprechte liefde kan lang teren op de herinnering, zelfs al kreeg zij geen ander voedsel."
»Ja, maar ten laatste sterft zij den hongerdood, dat kan niet anders."
»Dat zou ik niet denken, maar in elk geval: dát gevaar loopt de mijne nog niet. Gij weet wel beter, vader! Gij weet wel, dat Frits het zóó slecht niet met mij maakt," hernam zij met eene poging tot glimlachen, die wel iets gedwongens had.
»Ik zie niet hoe hij het slechter zou kunnen maken! Met zijne brieven althans maakt hij het ook niet goed; hoelang is het wel geleden sinds hij u het laatst schreef?"
»Dat's nog zoo heel lang niet geleden."
»Jok er niet om, mij ten minste heugt de tijd niet, dat gij me een of ander uit zijne brieven hebt medegedeeld."
»Omdat ik u wel eens knorrig of verdrietig meende te zien, als ik het gesprek op Frits wilde brengen, en ook omdat hij meest korte, vluchtige biljetjes schreef, in de hoop dat hij zelf zou kunnen komen of tijd zou vinden om uitvoerig te schrijven."
»Vindt gij dat niet vreemd, dat hij den tijd daartoe zelfs niet heeft kunnen vinden?"
»Niet zoo heel vreemd; over dag heeft hij het zoo druk met schilderen en 's avonds moet hij zich wel wat onder de menschen bewegen, dat schijnt noodig voor zijne reputatie; zoo ziet u..."
»Zoo zie ik, dat gij om den tuin geleid wordt, arm kind! Mijnheer Frits Rosemeijer heeft het zóó druk met schilderen, dat hij meest alle dagen de beurs bezoekt."
»Vader! vader! geloof dat toch niet!"
»Ik weet het door mijn correspondent; de oude erfkwaal, de planmakerij, de speculatiezucht zit er nog in en komt weer boven. Hij denkt in troebel water te visschen en speculeert op de kwade tijden en de verlegenheid der menschen."
»Men belastert hem!" hernam Claudine met vastheid, maar toch bleek als eene doode.
»Ik heb er zekerheid van!" hernam Verburg, die door wilde gaan met de pijnlijke kunstbewerking, nu hij eens moed had genomen om haar aan te vangen. »En hoe hij zijne avonden gebruikt weet ik niet, maar aan tijd om u te schrijven heeft het hem niet ontbroken, en het bewijs daarvoor is--dat hij u geschreven heeft!"
Claudine was niet in staat eene vraag te doen. Strak en zwijgend staarde zij haar vader aan, die vervolgde:
»Ja, hij heeft geschreven, in alle uitvoerigheid zeker, want het is geen brief, het is een heel pakket, het gelijkt wel een boekdeel."
»Hij schreef! en niet rechtstreeks aan mij, dat.... dat is zijne gewoonte niet!" stamelde Claudine.
»Hij zond het pakket aan mij, opdat ik het aan u overhandigen zou...."
»Dat beduidt niets goeds!" riep Claudine met stijgende onrust, terwijl zij haar best deed hare tranen te verkroppen.
»Ik geloof, dat uw voorgevoel u niet bedriegt, mijn kind!"
»_Gij gelooft_ slechts, vader! Gij weet het dan niet zeker?"
»Van de vrijheid, die hij mij liet om het pakket te openen, heb ik geen gebruik gemaakt."
»Zoo geef het mij, vader! ik.... ik heb haast mijn vonnis te lezen!"
»Uw vonnis! Arme misleide. Uw lot hangt niet meer aan zijne willekeur; de gewisheid dat gij uwe vrijheid herkregen hebt kan ik u geven vóórdat gij deze bladen doorleest, want, al zou hij ondanks al dat geschrijf u nóg tot zijne gade verlangen, ik, uw vader, _verkies_ hem niet meer tot mijn schoonzoon!"
»Vader! vader!" snikte Claudine, »gij weet niet _wat_ gij mij doet met dit te zeggen; dus ontneemt gij mij alle hoop," vervolgde zij hartstochtelijk; »weet gij dan niet dat ik Frits liefheb met mijn gansche hart, nog altijd en ondanks alles!"
»Neen, inderdaad, dat niet, dat wachtte ik niet," hernam hij in zekere verlegenheid. »Ik dacht, ik hoopte dat zijne onverschilligheid, zijne verwaarloozing, zijn onverschoonlijk verschuiven van 't geen zijn vurigste wensch had moeten zijn, uw vertrouwen geschokt, uw hart gekrenkt zou hebben.... en uwe genegenheid verkoeld."
»Neen, vader! ik ben niet voor hem veranderd, want ik heb altijd vertrouwen gehad op zijn hart en geloofd dat hij anders zou handelen, als de omstandigheden het hem veroorloofden. Daarom kon ik kalm en rustig zijn onder alles."
»Ik heb mij dan wel zeer in die berusting bedrogen. Mij scheen zij voort te komen uit het gevolg dat zijne handelwijze op iedere andere zou hebben uitgewerkt; het uitslijten eener genegenheid, die zoo weinig beantwoord werd; ik begreep wel, dat gij nog niet geheel los zoudt zijn van den ouden band, maar ik hield het er toch voor, dat het verbreken daarvan u slechts een lichten schok, geen al te ondragelijke pijn zou veroorzaken."
»Het is mij dan wel goed gelukt mijn leed voor u te ontveinzen!" hernam zij met een smartelijken glimlach, »dat gij u zóó zeer in mij hebt vergist. Neen! zeker neen!" ging zij voort met hartstochtelijkheid, »niet uit onverschilligheid voor hem, maar uit die liefde, die alle dingen tracht te bedekken, toonde ik mij kalm en blijmoedig, al bloedde mij ook het harte, niet omdat in mijn gevoel de band losser was geworden, maar omdat ik niet wilde dat die hem knellen zou, nam ik den schijn aan of die zoo rekbaar ware, dat hij tot het uiterste kon worden uitgespannen, zonder breken."
»Kind! kind! moest gij veinzen tegen uw vader, moest gij niet het eerst uw geheim leed hebben geklaagd aan mij!"
»Waarom u in mijn lijden te doen deelen; ik hoopte nog altijd dat gij, in uwe zaken verdiept, geen oog zoudt hebben voor mijn hartsgeheim, dat de weken, de maanden zouden voorbijgaan zonder door u geteld te worden, dat gij zelfs ieder jaar winst zoudt achten, dat uwe dochter nog bij u bleef."
»In dat laatste hebt gij gelijk; maar, weet gij dan niet wat er is voorgevallen na den dood zijner moeder."
»Ik weet, dat haar innigste wensch is geweest ons huwelijk voltrokken te zien.... op haar sterfbed heeft zij nog onze handen in elkaar gelegd, en hem toen smeekend aangezien, als met zwijgende bede."
»Juist! en de edele vrouw heeft al gedaan wat in hare macht stond om hem het vervullen van dien wensch mogelijk te maken. Door hare vlijt, hare spaarzaamheid en de ontberingen, die zij zich getroost heeft, is het haar gelukt een aardig spaarpenningje na te laten."
»Ik.... ik meende juist dat hare nalatenschap was tegengevallen," hernam Claudine, wat getroffen, »ik vreesde dat zij met schulden was bezwaard."