Frits Millioen en zijne vrienden

Chapter 10

Chapter 103,798 wordsPublic domain

»Neen, moeder! als ik het van uw spaarpenning had moeten doen, zou niemand mij er toe gekregen hebben om schilder te worden, al had ik er nog zoo'n zin in, en toch.... ik beken u, dat het mij genoeg hindert zooveel van anderen te moeten aannemen."

»Zijt gij zóó hooghartig Frits? dat past niet in onzen toestand."

»Niet uit hooghartigheid, maar ik zou zoo graag onafhankelijk zijn in de wereld als ik eens een man ben, en.... en zulke tegemoetkoming legt zware verplichtingen op. Neen, moe! zie mij niet aan met zulk een afkeurenden blik. Ik hoop mij te kunnen kwijten en als _zij_ gelijk hebben, _als_ het gelukt, zijn wij allen geholpen en zullen zij hunne satisfactie hebben; ik zal er voor doen wat ik kan, ik zal werken als een ezel, neen niet als een ezel, dat zou in den domme zijn en dus wordt men mogelijk goed arbeider, maar zeker geen goed kunstenaar. Ik zal werken als een die weet wat zijne lieve moeder en zijne edelmoedige vrienden van hem wachten, en voor hem opofferen; ik zal werken, ook met de gedachte aan Dientje, die bitter pruilen zou als haar buurvrijer geen beroemd schilder werd, maar weet u wat ik mij toch heb voorgenomen?"

»Nog niet."

»Als ik vijf jaren ouder ben en bemerk dat ik de ware roeping niet heb, dan is het nog niet te laat om wat anders te beginnen."

»Hoe! gij zoudt dan door gebrek aan volharding ons allen teleurstellen?"

»Ik zou u allen teleurstelling besparen en op die wijze mijne weldoeners dienst doen. Zij hebben mij immers niet bestemd om een martelaar voor de kunst te worden, welnu dan! als ik zie dat de kroon mij te hoog hangt, zal ik er niet langer naar opspringen."

»Gij zijt al te ongeduldig, te meenen dat gij op uw twintigste jaar al meester zoudt kunnen zijn in dat vak."

»Neen, moeder! nu verstaat gij mij verkeerd, maar als ik op mijn twintigste zie, dat het meesterschap voor mij onbereikbaar is, dan.... dan.... gij en ik, lieve moeder! hebben leergeld betaald om van het onbereikbare af te zien."

»Kind! kind! veroordeel uw ongelukkigen vader niet in zijn graf."

»Ik veroordeel niet, moeder! Ik heb geleerd, en de wijze waarop was te smartelijk om niet levenslang indruk te maken, en nu wij toch hiervan spreken.... die papieren van vader zijn immers niet verloren geraakt?"

»Gij weet wel dat de lieden er eene soort van wreedaardig pleizier in vonden ze mij allen stuk voor stuk terug te brengen."

»Ik meen niet alleen die van dien rampzaligen dag, maar alle anderen."

»Ze zijn allen zorgvuldig bewaard. Ik wist hoe hij er aan hechtte, kon ik ze wegdoen al strekken zij mij ook tot de smartelijkste herinnering?"

»Wilt gij ze mij afstaan, moeder?"

»Als gij meerderjarig zult zijn, ja, Frits! dan krijgt gij ze."

»Waarom tot zoolang te wachten, heeft mijn voogd ze onder zijne berusting?"

»Och, neen! ik bewaar ze zelve."

»Heeft de heer Verburg ze ingezien?"

»Waartoe? Hij was ongelukkig juist een van diegenen, die niet het minste geloof sloegen aan de plannen van uw vader. Hij verklaarde ze eens vooral voor hersenschimmen en had geen geduld om te luisteren tot ze hem werden uiteengezet. Hij heeft er nooit van willen hooren iets met hem te ondernemen; zelfs voor de zaak waaraan dominé Willems nog geloof sloeg en zijne deelneming gaf, was hij niet te winnen, hoewel hij als mensch van uw vader hield en dat ook wel heeft getoond."

»Dus.... als we een jaar of vijf verder zijn, krijg ik dan toch die nalatenschap van vader in mijn bezit?" hervatte Frits, die een oogenblik in eigen gedachten was verzonken gebleven.

»Treurige nalatenschap en gevaarlijke ook naar het zeggen van wijze en practische menschen," hernam de weduwe met een zucht. »Verburg raadde mij ze te verbranden, om u tegen de verzoeking te veiligen, ze ooit in te zien."

»Och!.... daarin zou toch voor mij geen gevaar liggen," hernam Frits met een pijnlijk glimlachje; »ik heb er genoeg van gehoord, om.... om.... er geene luchtkasteelen op te bouwen."

»Zoo komt het mij ook voor: wat wilt gij er dan mee doen, mijn kind?"

»Ze met eerbied en liefde bewaren als een grooten schat, want vader kon soms zoo met nadruk zeggen in zijne heldere oogenblikken: »Frits, mijn jongen! zie niet laag neer op mijne erfenis, al zijn het maar berekeningen op papier, zooals de menschen spotten, mijn geest is daarin neergelegd," en ziet u, moeder, dat voel ik zóó, dat er iets van vader in zit."

»Nu, datzelfde gevoel ik ook, Frits! en daarom...."

»Daarom kunt gij ze mij nog niet afstaan, dat begrijp ik moeder!"

»Maar ik kan u toch reeds eene gedachtenis van hem geven," sprak zij meer opgeruimd, opende een marokijnen foudraaltje, dat naast haar op tafel stond, en gaf het hem.

»Hoe, moeder, moeder! een goud horloge voor mij, dat.... dat is te veel, ik kan het immers met mijn zilveren wel doen."

»Ja, maar dit moet gij er bij hebben, als aandenken van mij en van uw vader beiden; hij droeg het nooit, maar hij placht het te gebruiken om zijne uurwerken naar te regelen in zijn besten tijd, toen hij nog pleizier had in zijn vak. Het is een Engelsch werk, eene repetitie, en 't gaat altijd accuraat. Uw vader heeft het in den Franschen tijd gekocht van een Engelsch officier, die krijgsgevangen was op zijn woord van eer en in groote geldverlegenheid verkeerde. Uw vader was toen nog een bemiddeld man, hij betaalde de volle waarde, misschien iets daarboven, want het lot van dien vreemdeling ging hem ter harte; daar werd zelfs eene conditie tusschen hen gemaakt, dat hij het zou mogen terugnemen als zijne omstandigheden veranderden. Uw vader deed de belofte het niet te verkoopen, opdat het altijd ter zijner beschikking zou blijven; daarom kon ik ook niet besluiten het aan Busch over te doen met de andere winkelgoederen. Wel zijn er nu al tien of twaalf jaar verloopen, en de Engelschman, die, toen hij uitgewisseld werd beloofde binnen het jaar met goede intrest het horloge terug te nemen, is nóg niet weergekeerd; dus de man is dood of heeft er van afgezien, zoo geef ik het u, maar onder voorwaarde, dat gij er u nooit van zult ontdoen."

»Van zulk een aandenken! van dezen schat! Neen, moe, nooit al had ik broodsgebrek!"

»Pas op de zakkenrollers in de groote stad!" sprak zij half lachend, half in ernst; »draag het altijd aan dit kettingje van mijn haar, dat ik in stilte voor u heb laten maken."

»O, moederlief! moe, dat is te veel!" riep Frits met een kleur van blijdschap en tranen in de oogen, »dat is me nog meer dierbaar dan het horloge zelf, ik zou liever sterven dan er ooit van te scheiden."

»Blijf leven om uwe moeder gelukkig te maken," sprak de weduwe, haar eenige in de armen sluitende en hem hartelijk kussende.

»En nu Frits, ik heb nog enkele kleinigheden voor u in te pakken, mij dunkt wij moesten het horloge maar mee in den koffer doen, men kan niet weten op reis..."

»Dat's goed, moeder! als u nog iets te beredderen heeft, ga ik intusschen even naar dominé Roestink, die mij recommandatiebrieven beloofde aan een paar vrienden van hem te Amsterdam."

»Dat is goed, ga die halen! maar.... Frits, blijf je niet te lang weg?"

»Zeker niet, moe!'t is maar op een drafje heen en weer!"

Des anderen daags bracht de heer Verburg Frits zelf naar den beurtman, het eenige communicatiemiddel tusschen E. en de hoofdstad; maar dat geregeld om den anderen dag plaats vond.

Dientje had eerst gedwongen om mee te gaan, maar daar men haar onder het oog bracht, dat Frits haar niet moest zien schreien, om zelf niet van zijn streek te raken, berustte zij en vergenoegde zich met naar juffrouw Rosemeijer te gaan en deze op hare wijze te troosten.

Goed dat die beiden niet tegenwoordig waren bij de afreis. Frits hield zich kloek genoeg, dat is waar; maar bij 't afvaren van een veerman zijn er altijd kaailoopers en rondslenterende straatjongens op de been, die niets te doen hebben dan met de handen in den zak te staan kijken naar de _faits et gestes_ van de afreizenden, en die daarbij gewoonlijk de vrijheid nemen hunne critiek te maken over hetgeen zij zien, op luiden vrijpostigen toon, meestal met aardigheden van zeer twijfelachtig gehalte doorspekt.

Ook ditmaal ontbraken zij niet, en nauwelijks zagen zij den heer Verburg met Frits aankomen, of er ontstond zeker gelach en geginnegap onder dat troepje; de onbeschaamdsten drongen vooruit en wilden fooitjes verdienen door valies en koffer aan boord te helpen brengen, en toen de heer Verburg hen wat korzel afwees, met de verzekering, dat hij zijn eigen kruier had, trokken zij schreeuwend en scheldend terug, hunne achtergebleven makkers toeroepend: »Hei! Frits Millioen gaat weg, Frits Millioen gaat weg!"

De heer Verburg trok zijn beschermeling maar schielijk mee, opdat deze het minst mogelijke hooren zou van dat schimpen.

Aan boord stijgend en overstelpt door duizenderlei aandoeningen, die hij moest beheerschen, had de zoon van den beklagenswaardigen Herman ternauwernood die klanken verstaan.

Met tranen in de oogen, die hij zijn best deed te weerhouden, bleef hij tegen het zijboord van den achtersteven leunen, om zijn vriend en in dezen alles wat hij liefhad nog eens den laatsten groet toe te wuiven, toen het schip in beweging raakte....

Op eens hoorde hij een schelle kwajongensstem den schipper toeroepen:

»Opgepast, kapiteintje! mooie lading, kapiteintje, je hebt het Millioentje aan boord!"

En dat: _Millioentje! Millioentje!_ werd als door schorre echo's nagebouwd, totdat het vaartuig uit de enge haven in ruimer vaarwater was overgegaan.

Toen droogden op eens de tranen, die Frits met alle zelfbeheersching tevergeefs had weerhouden, toen gloeiden zijne oogen van hartstochtelijken toorn, toen kleurden zijne wangen zich hoog rood, en met lippen van drift sidderende, sprak hij halfluid:

»Schimpt maar! schimpt maar, laaghartigen! ik zal dien spot nog wel eens te schande maken, klaarder dan ooit zie ik het nù in, hier blijven kon ik niet," eindigde hij kalmer, en geheel bevredigd met de lotswisseling, die hem te voren zoo zwaar had gewogen.

EINDE VAN HET EERSTE STUK.

TWEEDE STUK.

I.

Wij zijn in de lente van het jaar 1831. Acht jaren zijn er verloopen sedert dien lentemorgen toen onze held zijne geboortestad verliet. Veel is er veranderd in dat stadje in dien tijd, en de groote gebeurtenissen, die Europa schokten, die het koninkrijk der Vereenigde Nederlanden verdeelden en beroerden, waren ook niet zonder terugwerking gebleven op de Noord-Hollandsche provinciestand. En zelfs al had deze zich kunnen onthouden de beweging van den tijd mede te maken, aan de drukkende lasten van de tijdsomstandigheden zou zij niet ontkomen. Ook haar handel en scheepvaart waren belemmerd, zoo niet geheel gefnuikt door den Belgischen opstand, en diens verderfelijk gevolg: een toestand aarzelend tusschen oorlog en vrede, waarbij alles onzeker, alles onveilig was; ook hare burgerzonen waren vrijwillig of gedwongen met de mobielverklaarde schutters naar de grenzen getrokken, om er onbewegelijk te blijven met het geweer in den arm, en zich door de »blauwkielen" (de geijkte term) te laten uittarten, zonder hunne revanche te mogen nemen. Alle nering en bedrijf leed er door, eerder nog in de kleine stad dan in eene groote, waar meer gemist kan worden zonder dat men het merkt. Maar onder alles wat er veranderd was, scheen de voorspelling van Frits, dat Dientje Verburg niet jong zou trouwen, zich te vervullen, want zij is haar twee-en-twintigste jaar ingetreden, en zij is nog niets anders dan: de dochter haars vaders, hoewel zij nu niet meer slechtweg Dientje wordt genoemd, maar juffrouw Claudine of juffrouw Verburg. Na den dood der goede »tante-juffrouw" heeft zij het toezicht over haars vaders huishouding op zich genomen, geen overzware taak voorwaar, daar zij alles kan schikken zooals zij zelve wil, en oude getrouwe dienstboden heeft, die sinds jaren aan »het huis" gewend zijn, en niets liever verlangen dan er te blijven. Tijd voor muziek en lectuur, voor uitspanning en liefhebberijtjes heeft de jonge dame dus in overvloed. In het huisvertrek, waar wij haar nu aantreffen, staat een prachtige piano, ziet men eene elegante boekenkast met keurig ingebonden boeken; op een Japansch verlakt boekenrek liggen de werken van smaak, de lectuur van den dag, stichtelijke en profane, in eenigszins bonte mengeling door elkander, een bloemenmand is reeds met geurende hyacinten en kleurige tulpen gevuld. Haar sierlijk werktafeltje, een spiegelkastje met een aantal kostbare nietigheden, en alle overige meubels getuigen van de weelde en den goeden smaak, die in het huis van den rijken koopman schijnen te heerschen.

Het jeugdige huismoedertje zit voor de eettafel in het midden der kamer. Vóór haar staat een sierlijk ingelegd schenkblad met een porseleinen koffieservies, en zij is bezig dien verkwikkenden drank te bereiden, die al liefelijk geurt uit een nieuwerwetsche zilveren koffiekan. Het zoogenaamd twaalfuurtje staat klaar op het opengeslagen buffet, en al is het gebruik van een Engelsch luncheon nog niet ingevoerd, het spreekt van eene onbekrompen leefwijze. De overvloed en de verscheidenheid der gereedstaande délicatesses geven intusschen recht tot het vermoeden, dat het tweede dejeuner niet door vader en dochter _en tête à tête_ zal gebruikt worden.

Claudine is ook niet in haar dagelijksch huisgewaad. Zij ziet er allerliefst uit in haar grijs zijden kleedje, _corsage à la Sévigné_, met _guimpe en tulle appliqué_, waardoor de blanke hals en schouders te bespieden zijn, met wijde wat opgepofte mouwen, een ceintuur à la van Speijk, zwart en rood met een gouden gesp; een coquet, zwart zijden voorschootje kenschetst haar als de _dame_ van het huis. Het hooge inderdaad _niet_ gracieuse kapsel, met een vervaarlijke schildpadden kam en drie zware doffen, door de mode van het oogenblik voorgeschreven, was niet hij machte hare schoonheid te verduisteren, en dàt zegt veel.

Zij was niet meer het aardige blonde krulkopje van voorheen, maar de donkerblauwe oogen zijn even liefelijk en meer sprekend. Haar tint is even blank al is haar blosje fijner; maar de bolronde wangen van het kind zijn veranderd in een zacht ovaal met schrandere trekken, nu en dan door een tintje van zachte melancholie omneveld. In één woord, het snoepig lachebekje is gerijpt tot eene belangwekkende jonkvrouw, die reeds niet meer vreemd is aan den strijd des levens. Hare gestalte is rijzig, hare houding los en bevallig. Zij heeft den toon en de manieren van eene jonge dame, die een jaar of drie op eene Brusselsche kostschool is geweest om hare opvoeding te voltooien.

Het had den heer Verburg veel gekost, zich zoolang van zijne dochter te scheiden; maar tante had het toch doorgedreven. Op die gebrekkige Fransche school te E. leerde Dientje alles ten halve; zij moest daarbij aan het kleinsteedsche leven worden ontwend, zij moest bovenal worden ontwend aan de afgodeering, waarvan zij in het huis haars vaders het voorwerp was.

Tante zelve had wel mee gedaan, maar zij begreep toch dat het niet wèl en wijs gedaan was, en dat het bedorven kindje gevaar liep eene luimige en heerschzuchtige vrouw te worden, zoo een jaar of drie van goede tucht en samenleven met anderen in het jonge meisje niet bijtijds de gevolgen harer alleenheerschappij te keer ging. Tante had daarbij nog ééne overwegende reden, maar die zij voor zich zelve hield om Verburg niet tegen het geheele plan in te nemen, en dominé Willems niet te kwetsen. Zij vond het godsdienstig onderwijs van den laatste wat lauw en flauw; zij had gehoord van de dame, die haar de Brusselsche kostschool had aangeprezen, dat een Waalsch predikant van uitnemende gaven en vol Christelijken ijver zich daar ten dienste had gesteld voor de godsdienstige leiding der pensionaires.

Met haar veertiende jaar werd Dientje dus aan de herderzorge van dominé Willems ontrukt en naar den vreemde overgeplaatst. Dat was wel eene teleurstelling voor den goeden man, die veel van het lieve kind hield, en zich met recht had gevleid haar te zullen aannemen; maar hij was te zeer een man des vredes om boos te worden, en te veel vriend der beschaving om niet te begrijpen, dat men eene eenige dochter, een meisje van Dientjes fortuin en vooruitzichten eene »geacheveerde opvoeding" wilde geven. Dientje zelve, al kostte het haar tranen, al wilde zij zich noode van vader en tante scheiden, vond toch dat het in E. na het vertrek van Frits niet langer zoo pleizierig was, en eens iets van de groote stad, van het mooie België te zien, was voor haar een verlokkend vooruitzicht, zoodat zij zelve de eerste was geweest om tantes plan toe te juichen.

De uitkomst beschaamde de goede bedoeling niet. Claudine sprak vlug en zuiver Fransch toen zij terugkwam, maar zij was toch geen verfranscht nufje. Integendeel, zij, die gedreigd had een willekeurig, capricieus, zelfzuchtig tirannetje te worden voor hare omgeving, had geleerd zich naar anderen te schikken, wist zich te beheerschen en te verloochenen, had aanvankelijk iets van den ernst des levens weten te vatten, en waar zij vroeger uit natuurlijke goedhartigheid, lief en vriendelijk was bij vlagen, toonde zij zich nu gelijkmoedig, toegevend, meewarig uit besef van plicht.

En Frits?

Toen Frits haar als eene achttienjarige jonge dame weerzag, vond hij haar wel veranderd, maar niet voor hem. Integendeel, de kinderlijke genegenheid was tot eene innige liefde gerijpt. Hij had vrijheid gevonden zijn hart te laten spreken, daar zijn talent toen reeds vruchten droeg, die een schoonen oogst schenen te waarborgen. Zijn eerste schilderijtje was bekroond en verkocht, bestellingen waren hem gedaan, zijn naam werd in de dagbladen vermeld als die van een veelbelovenden kunstenaar. Dominé Willems was ontslapen in de zoete voldoening dat hij der Nederlandsche kunst een belangrijken dienst had bewezen met zulk een talent aan hare beoefening te wijden. De heer Verburg had met het koor der blijde toejuiching ingestemd, en had het jonge paartje verrast met de verhooring hunner wenschen, eer zij zelven er voor hadden durven uitkomen. Zij waren geëngageerd; nog wel niet publiek, maar hun geheim is in het kleine stadje _le secret de la comédie_, al had de heer Verburg beslist, dat hunne verloving niet openlijk als eene uitgemaakte zaak zou beschouwd worden, voordat het huwelijk kon bepaald worden; en hun tijd van trouwen was nog niet dáár.

Dat »geheim engagement" duurt echter de menschen wel wat lang. De ongeduldigsten vinden goed er Claudine zoo van tijd tot tijd eens mee te plagen. De intiemsten vooral hebben zoo'n haast, dat zij haar wel eens ronduit vragen: »wanneer ze nu eindelijk de bruid wordt?"

Op dat alles antwoordt het meisje altijd zachtmoedig, maar met zekere vastheid: »dat zij voor zich nog niets geen haast heeft; iedereen weet het immers, zij is zoo gelukkig in haars vaders huis, zij kon nog niet besluiten hem alleen te laten!" Zij kon nog niet besluiten! Edelmoedige verloochening van het liefhebbend vrouwenhart. Zij nam de schuld op zich, en het was Frits, helaas! het was Frits zelf die van het eene jaar tot het andere de gewenschte ontknooping van zijn liefdesroman verschoof. Claudine begreep wel dat hij daarvoor zijne goede redenen moest hebben, zij twijfelde niet aan zijne trouw, maar toch de uitgestelde hoop krenkt het harte, en het hare leed onder die herhaalde teleurstelling, al was zij te fier om dat leed te klagen, te kloek om die wonde aan onbescheiden blikken bloot te geven. Ziedaar wat hare frissche blosjes reeds had doen verbleeken, ziedaar waarom haar nog jeugdig gelaat soms eene uitdrukking had van zachte zwaarmoedigheid, en waarom hare donkerblauwe oogen reeds iets verloren hadden van hun vroolijken glans. Haar vader was de laatste om iets van dit stille leed te begrijpen, dat zorgvuldig voor hem werd ontveinsd. Bij hem althans kon zij het voorwendsel niet laten gelden, waarmee zij de onbescheidenheid van vreemden terugwees. Zij wist hoezeer hij bereid was tot iedere schikking, tot ieder offer om het geluk van zijn kind te verzekeren, zonder eene scheiding noodig te maken. Meermalen had hij haar te kennen gegeven, dat hij zijne zaken aan kant zoude doen als zij trouwde om zijn verblijf te kunnen nemen in de plaats waar zij heentrok. Want dat Frits zich niet te E. zou vestigen, zelfs al had zijne moeder nog geleefd, dat sprak wel vanzelf. Maar Frits, wel verre van zich omtrent dit punt uit te spreken en den heer Verburg gelegenheid te geven om zich langzamerhand op zulke verandering voor te bereiden, roerde de _question brûlante_ zelfs niet aan in zijne brieven, die over alles handelden, behalve over 't geen Claudine recht had gehad er in te vinden, en die.... daarenboven hoe langer hoe zeldzamer werden. Weken aaneen waren er soms verloopen zonder dat zij iets van hem hoorde,--nu waren het reeds maanden waarin zij niets van hem vernam, dan van tijd tot tijd een kort bericht van vele drukten en bezwaren die het hem onmogelijk maakten haar uitvoerig te schrijven, maar die hij hoopte te overwinnen, en dan zou zij alles weten. »De schijn getuigde tegen hem, maar zij moest niet aan den schijn hechten en aan hem blijven gelooven; eenmaal hoopte hij zich te kunnen rechtvaardigen!"

»Kwam hij maar liever zelf," verzuchtte Claudine, wanneer zulke onbestemde mededeeling haar weer smartelijk had ontroerd, »met een enkel woord, met een blik, met een handdruk ware ik gerustgesteld omtrent zijn hart; als ik het slechts in zijn oog kon lezen, dat hij mij nog altijd liefheeft, zou ik al het andere werkelijk met dat geduld kunnen afwachten, waarvan ik voor de menschen den schijn aanneem. Maar hij komt nooit meer, nooit! 't Is of hij een schrik heeft van zijne arme vaderstad! En toch: Amsterdam ligt zoo dicht bij, hij behoeft nu niet meer met den beurtman te gaan, iederen dag rijdt er immers een wagen! De menschen beginnen er erg in te krijgen, en ik ben zeker dat zij onder elkaar vertellen, dat Frits mij verwaarloost! Was daarmee nu ook maar onder hen het praatje over mijn engagement uit, dan was het nog niets, dan had ik rust totdat Frits eens in triomf hier komt om mijn bruigom te worden; maar nu, nu is 't mij of hunne blikken van medelijden of van geheim leedvermaak mij met den dag duidelijker worden en meer onverdragelijk. Gelukkig nog dat vader zóó in de beslommeringen zijner zaken verdiept is, dat hij niets merkt, want als hij raden kon hoe dit alles mij hindert, zou hij gewis ongeduldig worden en knorrig tegen Frits, die zeker niet zóó handelen zou als hij anders kon! In stilte is vader zeker toch al ontevreden, want hij vraagt nooit meer of ik ook tijding heb, praat niet meer over onze toekomstige plannen en als ik van Frits spreek of iets zeg dat op onze vooruitzichten betrekking heeft, antwoordt hij niets, of met een glimlach en een onheilspellend schouderophalen! Dan moet ik mij nog groot houden en doen of ik geen de minste onrust of twijfel kende, en toch.... En toch...."