Frits Millioen en zijne vrienden
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
FRITS MILLIOEN
EN ZIJNE VRIENDEN
DOOR
A. L. G. BOSBOOM-TOUSSAINT
's-GRAVENHAGE,
CHARLES EWINGS.
Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen.
FRITS MILLIOEN EN ZIJNE VRIENDEN.
EENE VERTELLING.
I.
»De catechisatie was uitgegaan," zooals de geijkte term luidde; »uitgevlogen" ware juister geweest, want een zwerm meisjes, kleine, groote, welgekleede, schraaltjes uitgedoste, stoven als joelende bijen wier korf werd verstoord, het huis van den dominé uit, en hortten in haar woeste vaart tegen een troep jongens aan die op hunne beurt de catechisatiekamer gingen innemen. De haast die ze hadden om de plaats binnen te dringen, waar menig hunner licht een _mauvais quart d'heure_ te wachten stond, mogen wij tot ons leedwezen niet aan vromen ijver en weetgierigheid toeschrijven, dat zou eene psychologische en eene historische onwaarheid zijn tegelijk--maar de woeste knapen hadden eene andere drijfveer. Als ze zich wat haastten, troffen ze al licht samen met enkele achterblijfstertjes en dat gaf dan aanleiding tot gestoei en pretmakerij.... ze hadden een vol uur strak en stemmig neer te zitten onder het oog van dominé, het was niet vreemd dat ze het oogenblik waarnamen, waarin deze een ommezientje naar zijne vrouw was gegaan en eene versche pijp stopte, om nog eens wat rumoer te maken! Nu! daaraan lieten zij het zich dan ook heden niet ontbreken, daar was een gedreun of er krijgertje werd gespeeld rondom de banken, ten laatste lieten zich een paar gesmoorde gillen uit meisjeskeelen hooren, waarvan het moeielijk was te beslissen of ze uit werkelijk leed dan wel uit schalke bangmakerij werden geslaakt.
Dominé was geabsorbeerd door zijne koffie en--»even de krant," daarbij te veel gewend aan allerlei geluiden om tusschenbeide te komen. In allen gevalle _hij_ was geen schoolmeester en voordat het nieuwe leeruur geslagen had, achtte hij het niet oorbaar en beneden zijne waardigheid om de catechisatiekamer binnen te treden. Ook was men daar gansch niet op zijne tusschenkomst gesteld, en liever dan die in te roepen vlogen een paar kleine juffertjes met gloeiende gezichtjes als gejaagde reeën de gang door om op den stoep door de wachtende dienstmeisjes, die intusschen met de groote jongens hadden geginnegapt--ontvangen te worden met eene gemaakte grimmigheid.
»Wel Saartje is me dat laten wachten!"
»Ik kan het niet helpen, Mie! zoo waar niet...."
»Mooi! kan _ik_ het dan helpen? en straks als je mama gromt, krijg ik de schuld dat ik zoo lang uitblijf."
»Neen, want ik zal zeggen zooals het is, de jongens waren zoo ondeugend en Dientje.... dag Dientje tot Maandag!" maar reeds werd het praatstertje door hare onvriendelijke _bonne_ wat ruw bij de hand gevat, en haastig voortgetrokken, er was niets meer te verstaan. Haar vriendinnetje werd weer op andere wijze begroet.
»Heden mijn tijd, Dientje! wat ziet uwé d'r haveluinig uit. Wat zal uwées tante knorren dat u zoo uit de leering komt!" was de uitroep met verwijt gemengd der tweede gedienstige, terwijl zij inmiddels het mogelijke deed om het scheefstaande hoedje recht te zetten en het omgeknoopte merinosche doekje wat ordelijk te schikken.
»Och, Trijntje! je weet niet hoe ik verschrikt ben," was het antwoord der kleine blonde met een stemmetje hijgend van agitatie en hoogroode wangen; »de jongens zijn weer zoo woest geweest, ze hebben gevochten, en ik ben in 't gedrang geraakt, omdat...."
»Ja! ja! juffertje wildzang--de jongens krijgen de schuld, maar de meisjes willen wel zoo, of waarom zijn Saartje en Dientje niet met de eersten mee weggegaan?" voegde Trijntje haar lachende toe, maar niet zonder een afkeurend hoofdschudden.
»Ik kon niet eerder Trijntje, heusch!"
»Als onze Dientje heusch zegt, dán is het waar; maar waarom kon dat dan ook niet?"
»O! dat's te lang om je nu op straat te vertellen...."
»Bestig, als het een geheim is laten we dan maar gauw maken dat we thuis komen, dan zal tante het er wel uit krijgen," en voort gingen ook die twee, de laatsten van het drukke troepje, dat de anders stille straat voor een oogenblik had verlevendigd.
II.
Met loffelijke getrouwheid hield dominé ook met de knapen een vol uur catechisatie, maar was ook toch zeker zelf niet minder in zijn schik dan zijne leerlingen, toen hij ook dezen hun afscheid kon geven, na eene korte vermaning om zich toch wat behoorlijk te gedragen bij het heengaan!
Of zij diep ter harte werd genomen is twijfelachtig, maar het was de laatste leering voor dien dag, botsing tusschen komenden en gaanden kon er dus niet ontstaan en de jongens gingen minder woest en jolig uiteen dan ze gekomen waren, enkelen zelfs, de allerlaatsten, slopen druiloorig door de gang onder een gedempt knorrend gemompel, dat alleen maar de poes van de juffrouw deed opschrikken, die zich, voor haar zelve zeer ten ontijde, in de gang had gewaagd.
Dominé was als altijd de eerste geweest om de muffe catechisatiekamer den rug toe te wenden en zijn vroolijk, luchtig studeervertrek op te zoeken. Voldaan met de betrekkelijke kalmte, naar zijn gevoelen door zijne krachtige allocutie veroverd, en met het genoegelijke vooruitzicht van eenige uren vrijen tijd, liet hij zich in zijn gemakkelijken armstoel neervallen, en zat eene wijle mijmerend neer zonder eene pen op te nemen of een boek in te zien. Maar welhaast scheen hij zich zelf dat toegeven aan het zoete _far niente_ te verwijten; met zekeren schrik hief hij zich op, halfluid mompelend:
»Hm ja! de woensdagspreek! van de liefhebberij kan weer niets komen. Van avond rekent Sanne op mij, morgenochtend weer twee catechisaties, het gaat niet, ik moet op mijn tekst denken!" en gehoorzamend aan de inspraak van zijn plichtgevoel nam hij plaats aan zijne schrijftafel, trok met zekere lusteloosheid een foliant naar zich toe, die bij 't openslaan bleek een Statenbijbel te zijn, bladerde daarin eenige oogenblikken met zichtbare onbeslistheid waar hij eigenlijk wezen wilde, en schoof dien daarna met een verdrietelijk voorhoofdsrimpelen ter zijde, weer zich lucht gevend in eene tusschenpoozende alleenspraak.
»Lastig! een tekst te vinden voor eene avond-weekbeurt! Hm, hm, om een paar dozijn hoorders." Na wat peinzens: »Ik zou nog wel eens die ... over de zachtmoedigheid, nu met een beetje verandering.... Neen, neen! dat gaat toch niet, alweer een oude preek, en daarbij de douairière van Klingelberg komt altijd 's Woensdags bij mij. 't Is zoo'n scherpe slimme feeks, zij mocht eens denken dat ik het expres op haar gemunt had.... ik wil niet voor piquant doorgaan, en waar men de hoofden tellen kan, en weet wat er al zoo in omgaat als men ze voor zich ziet, daar is het wijsheid zich te onthouden; die zijn mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benauwdheden, en er is verstoring voor wie zijne lippen wijd open doet. Salomo zal mij niet tevergeefs gewaarschuwd hebben.--Salomo! dat's een heerlijke inval!.... een van diens gulden spreuken ... en dan.... Van der Palm er eens eventjes op nagezien.... Wacht eens.... ik zal.... er wel komen! ik ben er al!" en zoo fier en verheugd als Archimedes toen hij zijn: »Ik heb het gevonden!" uitriep, rees dominé op om een der pas herdrukte Verhandelingen van den Leidschen hoogleeraar uit zijne boekenkast te halen, ten einde met diens vernuft en veelzijdige kennis zijne winst te doen. Arme beroemde redenaar! de geurige specerij en 't fijne attische zout dat uwe kernachtige vertoogen over de spreuken bevatte, werd bedreigd overgoten en verzwolgen te worden met het langnat van eens anders wijdloopigheid.... maar eer nog hoofd en hand zich tot het plegen van de schennis konden bereiden, hoorde men den dreunenden tred van de goede oude dienstmaagd door de gang slepen, de trap opkomen en weldra werd er eer driftig dan bescheiden aan de deur getikt. De ongelukkige man sidderde van zenuwachtig _malaise_. Stoornis, juist op het oogenblik dat hij noodig had al zijne aandacht onverdeeld te wijden aan den arbeid. Is het te verwonderen dat hij een knorrig »binnen!" hooren liet, en met zekeren wrevel vroeg:
»Wat is er Antje?"
»Dominé daar is vrouw Snibs, de uitdraagster, die u absoluut spreken wil."
»Och! dat lastige meubel, zij komt mij zeker weer een quasi-antiquiteitje opdringen. Luister Antje! vraag aan mijne vrouw of zij het niet voor mij kan afdoen?"
»Heel goed, dominé!" en Antje trok af.
Dominé luisterde nog eenige minuten in pijnlijke onzekerheid of zijne uitvlucht had gebaat, ten laatste werd hij rustig en haalde ruimer adem in de overtuiging dat zijne vrouw werkelijk dien lastpost had overgenomen. Daarna werd zijne gewenschte rust niet weer gestoord, voordat Antje opnieuw de trap opslofte om hem te waarschuwen dat het »eten klaar was." Waartoe hem langer te bespieden en dieper in te dringen in de geheimenissen zijner voorbereiding, wij hebben het reeds begrepen dat het voor dominé Willems (zoo heet onze man) gansch geene gemakkelijke taak was eene preek te maken. Gelijk dan ook zijne roeping tot zijn ambt gansch geene onweerstandelijke was geweest, de omstandigheden, eigen besluiteloosheid, gebrek aan wilskracht tegenover den drang zijner familie, hadden hem naar de academie gevoerd om theologie te studeeren, en later »op den stoel gebracht," zooals men destijds zeide, zonder dat schitrende gaven, of een speciale aanleg hem daartoe hadden aangewezen. Na een vierjarig verblijf op een dorp had hij een beroep gekregen naar de kleine welvarende stad, waar wij hem nu nog aantreffen, en waar hij sinds twintig jaar het ambt van predikant vervult, het herderlijk werk ingesloten, met de stipte goede trouw van een eerlijk daglooner, maar zonder iets van die heilige geestdrift, die hem een recht zou gegeven hebben om de profetische uitspraak op zich toe te passen: »De ijver van uw Huis heeft mij verslonden." Toch had hij er zwak op, hoe zwaar het hem ook viel, om »een goed stuk" te leveren, trachtte zijne hoorders te doordringen van het »nuttige en plichtmatige van een redelijken godsdienst," zorgde bij hen de overtuiging te vestigen van de altijd wijze en liefderijke wegen der Voorzienigheid, hun al het schadelijke en dwaze van de ondeugd voor te houden, op de »beminnenswaardigheid en de voordeelen van de deugd" te wijzen, en had in den regel het voorrecht zijne gemeente wel voldaan over hem naar huis te zien keeren, vooral dán, als hij het niet te lang had gemaakt, iets dat hem wel eens gebeurde, daar hij zoomin de gave van puntigheid als die der oorspronkelijkheid bezat, en de moeite die het hem kostte zijne gedachten of.... die van anderen met juistheid weer te geven, hem verplichtte om er eenige malen om heen te draaien, eer hij zich verzekerd achtte haar uitgesproken te hebben, iets wat zijne hoorders naïefweg deed zeggen, dat hij in herhalingen verviel! Hij had maar één collega, zijn jongere, in menig opzicht zijn tegenvoeter, met wien hij desniettemin in goede verstandhouding leefde, hetgeen hem reeds karakteriseert als een goedaardig, vredelievend man; ook werd hij in en buiten zijne gemeente geprezen als een braaf achtenswaardig mensch, op wiens handel en wandel niemand één vlek kon aanwijzen. Wij ook hebben niets op hem aan te merken dan dit eene, dat hij geen dominé had moeten worden. Zeker zou de heer Willems een verdienstelijk ambtenaar, een onberispelijk winkelier, mogelijk zelfs een niet verwerpelijk kunstenaar zijn geweest, maar dominé Willems--al was hij geen wolf in de schaapskooi--is niets meer dan de handwerksman, die de driestheid had gehad op te treden in een ambt dat profetische bezieling eischt, en als zoodanig is hij eene erbarmelijke figuur, eene treurige verschijning, mochten wij zeggen eene uitzondering. In zijn tijd, het eerste kwartaal van de 19de eeuw, was hij het niet, in den onzen zal hij het meer en meer worden. Uit licht verklaarbare oorzaak. Wie nú den predikstoel beklimt, weet dat hij _niet_ in een vasten burcht trekt waar hij onaangevochten zal blijven, maar dat hij den wal bestijgt eener vesting, die aan alle zijden blootligt en door tal van vijanden wordt bedreigd. Weerbaarheid, moedige kleinachting des gevaars, waakzame ijver zijn de eerste eischen die hem worden gedaan. Hetzij hij als aanvaller tegen de oude muren zal stormloopen, hetzij hij als verweerder die aanvallen heeft te weerstaan en de gewijde kerkelijke banier omhoog heffend, de stormloopers tegengaat, en de bresse vult, desnoods met zijn lijf. Flauwheid en gemakzucht vinden bij zulke stelling hunne rekening niet, er moet geestdrift, er moet wilskracht, er moet overtuiging, er moet gewilligheid tot zelfverloochening, er moet levendig gevoelde roeping zijn, of men zal zich teruggeschrikt zien van een ambt, dat als _beroep_ zooveel van zijne aantrekkelijkheid heeft verloren.
In de dagen van dominé Willems was dat nog zoo niet. In zijn kring werd hij gansch niet voor een droevige figuur aangezien--zeker bestond er eene kleine minderheid in den lande, die andere wenschen had, andere eischen deed dan door _hem en de zijnen_ te vervullen waren--maar zij was nog te zwak en te bescheiden om hare stem te verheffen. De laag van stof, waarmee de 18de eeuw het ijvervuur van de 16de en 17de had gedoofd--was niet op eenmaal afgeschud met het slaan van de 19de--de zon van den nieuwen dag ging op, onder wolken en nevelen, en schoot slechts hier en daar stralen uit, die leven en gloed beloofden. Men sprak veel van licht, maar men had geene kracht, men had niets zoo lief als de ruste; het wakker worden ging langzaam en moeielijk, wie maar even aan de alarmklok trok, werd als een lastige rustverstoorder uitgejouwd. In de kleine stad E.--ook, was men onder de leiding van dominé Willems behagelijk ingedommeld; hij zelf, die ter goeder trouw zijne volle instemming had gegeven aan het onderteekenings-formulier zooals het door de Synode van 1816 gewijzigd was, hield het er voor, dat de gouden eeuw voor de Nederlandsche Hervormde kerk was aangebroken.
Eene betamelijke vrijheid met verstandige beperking--ruimte voor alles en allen naar de eischen der beschaving en verlichting--alle rechten en vrijheden gewaarborgd en gehandhaafd door de bescherming van den Staat, eene zachte voogdij uitgeoefend door eene vaderlijke en welwillende regeering. Waarlijk, men kon niet meer verlangen, zonder te overvragen en te overdrijven, en van niets had de goede bezadigde man zulk een afkeer als van overdrijving in 't godsdienstige. Hij achtte zich zelf te zijn in de gezonde leer, en tot hiertoe waren er in zijne gemeente nog geen ijveraars en rustverstoorders opgestaan, om hem uit dit aangenaam zelfvertrouwen op te schrikken; daarbij was hij eenigszins hardhoorend op dit punt, en de stemmen hadden wel luid en ruw moeten zijn, om zoo terstond door hem verstaan te worden. Wij ook kunnen ons de moeite besparen, om hem de oogen voor zich zelf te openen; wij hebben gelukkig niet met den predikant te doen, maar met den mensch! met den liefhebber der kunst bovenal. Want de goede heer Willems had één zwak--zijne sterkte wellicht--zin voor de beeldende kunst. Of hij een juist oog had op hare voortbrengselen durven wij niet beslissen, maar hij had er groote liefde voor, dat is zeker. Hij teekende met vrij wat meer vaardigheid dan hij stelde, en zijne gelukkigste uren waren die, waarin hij zijne boeken en zijne preeken ter zijde kon schuiven, om zich neer te zetten voor eene tafel met portefeuilles en teekengereedschap, waar hij zich dan wijdde aan oefeningen in zijne geliefde kunst. Hetgeen zijn jongere collega, als hij hem in zoo'n uitspanningsuur betrapte, wel eens het (mogelijk wat malicieuse compliment) in den mond legde: »Gij hadt schilder moeten worden, collega!"
»Dat heb ik mij zelven óok wel eens gezegd, mijn waarde!" was dan zijn goelijk antwoord; »maar ziet ge, in mijne familie werd dat zoo niet voor een beroep aangemerkt! Iedereen raadde het mij af. Zoo'n beetje voor liefhebberij, ja, dàt kon er door, voerde men mij te gemoet, maar zulk een onzeker bestaan.... en als men dan geene middelen heeft.... gij begrijpt mij.'"
»Ja, ik begrijp wel dat men in uw kring er zoo over dacht, maar toch om alleen in onzen tijd te blijven, men kan wijzen op P. en K. en menig ander nog, die 't vaderland en de kunst tot sieraad strekken, en die er zelf wèl bij varen...."
»Gij hebt volkomen gelijk, Roestink, maar--ik.... was gepredestineerd om dominé te worden," bekende de goede man dan in zijne openhartigheid. »Mijn peetoom was zelf predikant, bezat eene belangrijke bibliotheek, die hij beloofde mij te vermaken als ik theologie studeeren wilde; ik kon daarbij op zijne vrijgevigheid rekenen in de academiejaren en zoolang ik geen beroep had."
»En.... zoo werd aan Pictura een priester ontfutseld, die misschien als een parel aan haar muzen-kroon zou hebben geschitterd."
»Hm! ja! maar dat is lang zoo zeker niet, en ziet gij, zoo ik een broddelaar ware geworden.... de kunst duldt geene middelmatigheid."
Om Roestinks mond plooide zich een satyriek glimlachje en hij wilde iets zeggen.
»Neen! het is zóó beter," vervolgde Willems. »Ik ben daarbij tevreden in mijn stand, met mijn lot en...."
»'t Was all' te vreên op God na," had dominé Roestink zijn collega kunnen toevoegen, maar hij deed dit niet.
»En ik, heb er een goeden collega bij gewonnen," zei hij met een handdruk tot afscheid, »en dàt was meenens."
III.
Een blik te werpen op het karakter en de eigenaardigheden van dominé Willems was ons noodig eer wij hem zien handelen, de kennis met zijne vrouw maken wij nu hij met haar aan tafel zit, iets jonger dan haar heer gemaal, telde zij »een rijpe veertig jaren," die zij niet verbloemde, integendeel, met wat goeden smaak en wat elegantie had zij er wat jonger kunnen uitzien, maar zij hield niet van opschik en aanstelling, betuigde zij, en hare eenige ambitie was altijd maar om in hare kleeding niets anders te zijn en te schijnen dan: »eene deftige, degelijke dominés-vrouw," en dit punt van hare eerzucht had zij dan ook bereikt; of zij nu ook daarbij voegde dien stillen en zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God, dat is eene andere vraag, die niet zoo gemakkelijk was af te doen als de kwestie van het toilet.
Zij werd nog juffrouw genoemd naar het gebruik van haar tijdperk, en hare kleeding was dan ook niet die van eene dame, die men als mevrouw zou aanspreken. Zondags ging zij ter kerke met een deftige zwart of bruin zijden japon; in de week in huis, was een _ginggang_ ruitje of een chitsje voldoende naar haar gevoelen. Eene muts met een tour--hoewel ze eigenlijk nog goed haar had--behoorde te zeer bij haar kostuum, dan dat zij er zich van zou hebben verschoond. Overigens, trots een rimpeltje hier en daar, een frisch teint; een paar groote bruine oogen, die wel wat koud en strak stonden, een klein maar snibbig mondje en een gebogen neus, schenen aan te duiden, dat de kalme goelijke aard van dominé hem wel eens te pas konden komen, om huiselijke stormen te stillen.
Hij zelf? Maar gij ziet hem daar immers voor u zitten in zijne lichtgrijzen poederjas, met zijn goelijk alledaagsch gelaat, rond, blozend, ternauwernood verlicht door een paar bleekblauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, en alleen bij zeldzame aanleiding voor een enkel oogenblik konden schitteren. Eene matige corpulentie, korten, dikken hals, blanke, welgevormde handen, het grijzend bruine haar tot effening van alle verschil met een laagje poeder overtogen, ademt alles aan en om hem heen kalmte, welvarendheid en ruste.
Maar zekere gloed, zekere geestdrift, iets van datgene wat het leven tot leven maakt, was noch in hem, noch in zijne huisvrouw, noch in zijne huiskamer op te merken. Alles is ordelijk, voegzaam, stil; de rust des doods.--Of Hendrik Willems werkelijk een goed kunstenaar zou geworden zijn, als hij aan zijne neiging had mogen toegeven?
Zooals wij hem nu tegenover zijne »huisvrouw" zien zitten, zouden wij er haast aan twijfelen; zeker is het, dat hij zijne geliefkoosde bezigheid _niet_ in de huiskamer overbracht, en er slechts dat deel zijner vrije uren aan wijdde, dat hij niet aan de gezelligheid en aan zijne vrouw achtte schuldig te zijn.
»Eene liefhebberij moet geen hartstocht worden," was de uitspraak waarmede hij niet zonder eene verzuchting zich die zelfverloochening oplegde; maar van eene liefhebberij, die zich nooit tot geestdrift, nooit tot hartstocht zal laten vervoeren, kan men dan ook voor de kunst niet veel verwachten.
Ongelukkig voor Willems was het daarenboven eene liefhebberij, die zijne vrouw niet deelde. Zij begreep niets van de kunst en zij was altijd veel beter in haar humeur als »dominé" haar 's avonds wat voorlas, eenig stichtelijk vertoog of iets uit de Brieven en Avondstonden van juffrouw Post, of eens een mooi vers van Feith of van Warnsinck, dan dat hij zijn tijd verbeuzelde met papier te vermorsen, met zwart krijt of potlood, en dat toch vaak weer verscheurd werd; men had er niets aan. En àls er dan nog eens wat van terecht kwam, was het eene teekening, die in de portefeuille bleef of die hij ergens aan den muur ophing zonder lijst of glas! Zij kon er geen moois in zien, en begreep niet dat iemand er aardigheid aan had. Waren het nog schilderijtjes geweest, die in vergulde lijsten gevat allerliefst meubelden in eene gezelschapskamer, dat ware iets anders; maar tot schilderen had dominé het nooit kunnen brengen, en daarom....
En daarom waren de teekeningen ook strengelijk naar studeer- en catechisatiekamer verbannen, terwijl de huiskamer en »de zaal" prijkten met allerlei kunstplaten in fraaie mahonyhouten en vergulde lijsten, meestal geschenken van »toegebrachte lidmaten," en waar de juffrouw nogal mee ophad, schoon een cadeautje in zilver haar toch eigenlijk wèl zoo lief was....
Willems zag dan wel eens glimlachend naar die soort van kunst op, of gaf alleen door een licht schouderophalen te kennen, dat hij het niet precies met haar eens was, maar haar duidelijk te maken, waarom niet, dat was den moriaan geschuurd, en de goede man hield niet van gewaagde ondernemingen.
En nu, dominé Willems was drie en twintig jaar getrouwd! Vindt iemand het vreemd, dat de vleugelen der inspiratie zich in die loodzware atmosfeer niet meer ontplooiden?
»En wat had vrouw Snibs te zeggen?" vroeg Willems, nadat hij zijn eetlust aan 't eenvoudig maal had bevredigd.
»Goed dat gij er maar niet om beneden zijt gekomen, dominé! Zij kwam met een brutale boodschap."
»Wat! Zij, die er door mij opgeholpen is, toen zij weduwe werd, en haar nering zoo bitter aan 't verloopen ging.... Mijne voorspraak bij de gegoede lieden."
»Die heeft ze nu niet meer noodig, en de dankbaarheid zit er niet diep, dat blijkt; zij kwam u zoo maar aanzeggen, dat zij haar jongen van de catechisatie neemt."
»Wel zoo! Wel zoo! En wat reden geeft zij daarvoor?"
»O! ze zei zoo ongeveer onder een lange omhaal van impertinenties, dat gij hem niet genoeg voorthelpt."
»Daar is ook al voorthelpen aan, zoo'n domme eend!"
»Volgens haar _moet_ hij er met Paschen _door_, en daar had dominé geen hoop op willen geven."
»Zeker niet! De jongen kent nooit zijne vragen.... en wat ik doe om hem er iets van aan 't verstand te brengen, het baat niet. En dan zou ik hem aannemen. Ik weet wel, met den kerkeraad kan men doen wat men wil, maar toch.... zoo mag ik er het handje niet mee lichten."
»Ten laatste zei ze, dat ze haar Pieter naar Roestink zond, omdat... die het ware licht had..."
»Wel, wel! zei ze dàt, nu, ik mag lijden dat Roestink er met _zijn_ licht een licht van maakt."
»Ja, maar 't is toch hatelijk en 't gebeurt wel meer, dat ze van u naar hem loopen, zou er ook opstokerij onder schuilen?"
»Och, wel neen! haal je nu dat maar niet in het hoofd."
»Gij, gij zijt altijd als het schaapje zonder gal! Maar die Roestink, ik weet het niet, hij is zoo grootsch, dat hij Dr. voor zijn naam mag zetten..."
»Hij! dat heb ik nooit opgemerkt."
»Mogelijk hij niet, maar zijne vrouw, dat nuf, die zich mevrouw laat noemen..."
»Dat komt haar toe."