Chapter 9
»C'est vrai," zeide hij, en daarop bonsoir brommende, was hij spoedig verdwenen. Ik scharrelde naar het kasteel terug, gaf het wachtwoord voor den schildwacht en pronkte, zeer voldaan, met mijn groote overjas, die mij door velen zoodanig benijd werd, dat zij er ook eens op uitgingen om iets dergelijks te bemachtigen.
In enkele dagen tijds waren de lijken vóór de bres geheel geplunderd door allerlei nachtelijke bezoekers; dat van den kolonel bleef geëerbiedigd. De gebruiken van den oorlog, zoowel als die der menschelijkheid, brachten mede, dat het stoffelijk overblijfsel van dezen held eene eervolle begrafenis toekwam; en onze bevelhebber, die de ridderlijkheid zelve was, droeg mij op om een witte vlag, als vredesein aan eene piek omhoog te steken en de lijken te gaan begraven, als de vijand dit toeliet.
Ik ging dus, vergezeld van eenige manschappen, met eene spade en een breekijzer naar buiten; maar de tirailleurs op den heuvel begonnen zoodanig op ons te vuren, dat er een onzer gewond werd. Ik keek naar den commandant, als om te zeggen: »moet ik doorgaan?" Hij wenkte met de hand om door te zetten, en ik begon naast een der dooden een graf te graven, waarop de vijand, mijn bedoeling ziende, het vuren staakte. Verscheidenen had ik nu reeds begraven, toen de commandant ook naar buiten en bij mij kwam, met plan om van de gelegenheid gebruik te maken om 's vijands positie te verkennen. Hij werd van uit het fort herkend en men raadde spoedig zijne bedoeling.
Wij stonden nu bij het lijk van den kolonel, gereed om dit de laatste eer te bewijzen, toen de commandant een brillanten ring aan een der vingers ziende zitten, tot een der matrozen zeide: »Neem hem dat ding maar af; hij heeft er nu toch niets meer aan." De man beproefde het, maar kon door de stijfheid van het lid, den ring niet op of neer krijgen. »Hij zal uw mes niet voelen", zeide de commandant. »Arme kerel, een vinger meer of minder maakt weinig voor hem uit; snijd maar af."
De matroos begon met zijn mes het vingerlid af te zagen, toen een vierentwintigponder, midden door onzen troep heenging, 's mans schoen van den voet medenam, en een ander de spade uit de hand sloeg. »Nu, stop hem er maar snel onder!" zeide de commandant.
Zoo gezegd, zoo gedaan; daar kwam een tweede schot, niet zoo netjes gericht als zijn voorganger, maar de kogel beploegde den grond aan onze voeten en joeg ons het zand in de oogen. Men begon het ons warm te maken. Het volk werd nu gelast om naar het kasteel terug te trekken, waaraan dadelijk gevolg werd gegeven. De commandant zelf echter liet zich niet zenuwachtig maken: hij wandelde doodbedaard terug, onverschillig voor de hagelbui van geweerkogels, die ons thans door de Zwitsers werden toegezonden. Te meer was dit voor mij niet alles, omdat ik als adjudant denzelfden langzamen pas naast den bevelhebber moest houden, terwijl ik elk oogenblik een kogel achterin kon krijgen en het litteeken in dat geval nooit zou hebben durven vertoonen. Ik vond zoo'n begrafenispas, na den afloop der eigenlijke plechtigheid, allesbehalve noodzakelijk; maar mijn dappere commandant, die nog nooit voor de Franschen op de loop was gegaan, vond geene aanleiding om daar juist heden mede te beginnen.
Onder dergelijke opmerkingen had ik achter hem geloopen, en, toen er meer en meer schoten vielen, stapte ik wat door, kwam eerst naast hem en wilde hem toen tusschen mij en het vuur in brengen. »Kolonel," zeide ik, »daar ik nog maar adelborst ben, stel ik veel minder prijs op de eer, dan u doet; wanneer het u dus hetzelfde is, zoude ik wel graag onder uwe lij willen blijven." Hij lachte en zeide: »o, ik wist niet, dat gij nog hier waart; ik dacht, dat gij met de anderen waart medegetrokken; maar nu gij toch uit uw gewonen doen zijt, mijnheer Mildmay, zal ik u maar liever voor mijne beschutting doen dienen. Mijn leven heeft hier nog eenige waarde, doch het uwe slechts weinig, en ik heb slechts eene boodschap te zenden om in uwe plaats van boord dadelijk een anderen adelborst te krijgen: dus wees zoo goed, laat u een beetje zakken en doe voor mij den dienst van kogelvanger!"
»Zeker, sir", zeide ik, »onmiddellijk"; en ik betrok den mij aangewezen post.
»Nu", zeide de commandant, »als zij je soms te pakken hebben, dan zal ik u op de schouders nemen!"
Ik betuigde mijne erkentelijkheid voor zijne goede bedoeling en voor de eer, die mij wachtte; maar ik hoopte, toch dat ik hem dien last niet zou bezorgen. Of nu de vijand medelijden had met mijne jeugd en onschuld, of dat zij opzettelijk misschoten, weet ik niet; maar wel, dat ik zeer blijde was heelhuids in het kasteel aan te landen en genoegen zou hebben genomen met elken maatregel, die mij weer aan het meer comfortabele leven in de voorlongroom aan boord zou teruggegeven hebben. Alle menschelijke genoegens zijn toch maar betrekkelijk, en nooit werd ik hiervan beter overtuigd, dan door de gebeurtenissen bij dit gedenkwaardige beleg. Het geluk, en de welbekende lafhartigheid der Spanjaarden, verlosten mij spoedig uit dezen toestand; zij gaven de citadel over en daardoor werd het verder behoud van het kasteel nutteloos. Wij verlieten het dus zoodra mogelijk en trokken met de noodige haast op onze sloepen terug, waar wij, in weerwil van het tot 't laatst volgehouden snelvuur der tirailleurs op den heuvel, behouden aankwamen en naar boord gingen.
Er was een merkwaardig iets bij voorgevallen. De Zwitsersche huurtroepen in Franschen en in Spaanschen dienst, dus vijandig tegenover elkander staande, vochten altijd met de grootste dapperheid en deden steeds hun plicht met onnavolgbare getrouwheid; doch, op zoo korten afstand geposteerd, en zoo veelvuldig met elkaar in aanraking komende, sloten zij onderling dikwijls een wapenstilstand van een kwartier, in welken tijd zij naar wederzijdsche vrienden onderzoek deden; dikwijls herkenden zij dan over en weer vaders, zoons of nauwe betrekkingen, die aan beide zijden strijd voerden. Nadat zij te zamen gelachen en grappen gemaakt hadden, werd de wapenstilstand weer opgeheven, en kort daarop mikten en vuurden zij weer, alsof zij volkomen vreemd aan elkander waren; maar, zooals ik vroeger al eens opgemerkt heb, was voor hen het oorlogen een beroep.
Van Rosas vertrokken wij nu weer, om ons met den admiraal bij Toulon te vereenigen; en, vernemende, dat eene batterij van zes metalen kanonnen, in de haven van Silva, kans had binnen weinige uren in handen der Franschen te vallen, liepen wij daar binnen en ankerden op pistoolschotsafstand daarvan. Zware gijnblokken werden nu op den top van elk der masten genaaid, daardoor stevige reepen geschoren en de einden daarvan den wal opgebracht, op de kanonnen gestoken en drie daarvan, één voor één met het spil naar boord opgedraaid. Het uiteinde was weer naar de batterij terug, om opnieuw opgestoken te worden, toen onze gasten aldaar door de Franschen overvallen werden en met verlies van één man, die gevangengenomen werd, naar den waterkant teruggejaagd werden.
De partij aan wal, niet sterk genoeg om weerstand te bieden, scheepte zich in met achterlating van eene sloep onder een heftig vuur van de Franschen, die zich intusschen achter steenen en rotsblokken opgesteld hadden. Dat vuur werd van boord goed en van tijd tot tijd ook met een zwaar schot beantwoord; maar zij hadden het voordeel van hunne stelling en bezorgden ons daardoor verscheidene gekwetsten. Met zonsondergang eindigde dit; toen kwam er van den wal een bootje door een Spanjaard geroeid en bracht een brief over van den kapitein, die de Fransche afdeeling commandeerde, aan onzen bevelhebber gericht. Die brief behelsde de beleefde groeten van den Franschen chef aan den onzen, »het speet hem, dat hij genoodzaakt was geweest ons overbrengen van de kanonnen te verhinderen, klaagde over het koude weer, en dat hij in zoo groote haast had moeten afmarcheeren, dat hem de tijd had ontbroken de noodige provisiën mede te nemen, en aangezien er altijd welwillendheid bestond entre braves gens,--of wij niet voor hem en zijne manschappen een kan of wat rum te missen hadden."
Dit verzoek werd met een beleefd briefje en door den gevraagden sterken drank beantwoord. De Engelsche bevelhebber hoopte, dat de Fransche kapitein het zich zoo aangenaam mogelijk zou maken en een bon repos mocht genieten. Doch onze commandant was van plan, den Franschman den drank te laten betalen, al was dit niet in klinkende munt; te één uur in den morgen zond hij de rekening in.
Het was op dat oogenblik stil als de dood; de Fransche wacht had zich verkwikt en was in het volle genot van des commandants zegening, toen deze ons de opmerking maakte, dat het toch zonde en jammer zou zijn, die eene sloep, die nog aan wal was te verliezen en de drie andere metalen vuurmonden achter te moeten laten;--hij stelde daarom voor een en ander te gaan halen. Vijf of zes der onzen ontkleedden zich, gingen zachtjes te water en zwommen zonder het minste leven te maken naar den wal. Het water was koud en benam mij zelfs korten tijd de ademhaling. Wij landden bij de batterij, verzekerden eerst onze sloep en kropen toen zachtjes naar de plaats, waar het eind van onzen reep nog naast de stukken lag. Onder het opsteken daarvan telden wij verscheidene Franschen, die er dicht-bij lagen, de wacht hielden, maar in diepen slaap waren.
Het zou ons gemakkelijk gevallen zijn hen allen te dooden, maar in aanmerking nemende, dat zij verkeerden onder den invloed van onze rum, verfoeiden wij een dergelijke inbreuk op de gastvrijheid. De meeste geweren echter, die zij naast zich neergelegd hadden, namen wij in bewaring, en, even stil als wij gekomen waren, klommen wij in de sloep, duwden af en roeiden naar boord terug met twee van de riemen. Het geplas daarvan deed enkelen der soldaten ontwaken, opspringen en met de hen overgebleven geweren op ons vuren. Hun aantal nam spoedig toe, want de schoten waren vele en juist, en daar het helder starlicht was en wij in onze naaktheid bijzonder in het oog vielen, hadden wij het hard te verantwoorden.
»Wegduiken," zeide ik, »is nog geen wegloopen," en zoo sprongen wij op twee man na, die de sloep moesten overbrengen, te water. Ik hield mij als een schildpad onder en kwam niet boven, vóór ik mijn hoofd tegen de scheepskoperhuid aanstootte; toen zwom ik den boeg rond en werd aan de van den vijand afgekeerde zijde opgepikt. Mijn commandant zou het nemen van dergelijke maatregelen van voorzorg zeker wel weer versmaad hebben, maar, ofschoon ik, evengoed als hij, mijn trots had, dacht ik met Falstaff, »dat bescheidenheid het beste deel van de dapperheid is," vooral bij een adelborst.
De in de sloep achtergeblevenen brachten deze veilig aan boord. Dáár had men nauwelijks onze riemslagen gehoord, of lustig werden de spillen gedraaid en de kanonnetjes huppelden als kangoeroes de rotsen af. Spoedig waren zij te water nog vóórdat de Franschen een hak naar de reepen konden doen. Toen vuurden zij er op in de hoop hen stuk te schieten, maar ook dit mislukte. Wij bezorgden de kanonnen aan boord, gingen nog voor het aanbreken van den dag onder zeil en stuurden op de vloot aan, die wij kort daarna bereikten. Hier vernam ik, dat mijn eigen schip een prachtig gevecht met een vijandelijk fregat had gehad, dit had genomen, doch daarbij zooveel schade had bekomen, dat het tot herstelling naar huis was gezonden en reeds van Gibraltar naar Engeland onder weg was.
Ik had aanbevelingsbrieven, aan den schout-bij-nacht gericht, bij mij. Deze vlagofficier was de tweede in het bevel, en ik ging die papieren bij Z. H. Ed.Gestr. afgeven. De vlaggekapitein bracht ze in persoon bij hem binnen en het niet overhoffelijke antwoord aan mij terug, dat ik daar aan boord kon komen, als ik daartoe genegen was, en blijven totdat mijn eigen schip in het station teruggekeerd was. Daar dit nu in mijne kraam te pas kwam, was ik genegen; doch de wijze, waarop mij deze gunst ten deel viel, ontsloeg mij van de dankbaarheid daarvoor. De ontvangst was niet zooals ik die verwacht had, en waren het niet brieven van hooggeplaatste personen en vrienden van den schout-bij-nacht geweest, dan zou ik liever gebleven zijn op dat laatste fregat, waarvan de commandant nog al met mij ingenomen was. Dit werd echter niet toegestaan.
Gevolgelijk ging ik op het vlaggeschip over; wat ik daar aan boord eigenlijk doen moest, heb ik nooit kunnen vatten, tenzij het diende om er eene soort van menagerie compleet te maken; ik vond er althans tusschen de zestig en zeventig adelborsten. De meesten hunner waren nog slechts kort aan boord en hadden nog zeer weinig dienst gezien, althans vergeleken bij mij, die in den korten tijd, dat ik gevaren had, al reeds zooveel ondervinding had opgedaan. Zij luisterden dan ook met groote belangstelling naar de »stukjes", die ik wist te vertellen, en waren allen brandende van verlangen om daartoe ook eens in de gelegenheid te komen. Talrijke aanvragen om overplaatsing, vooral aan boord van de fregatten, waren hiervan het gevolg, en daar de commandant begreep, dat ik hiervan de groote aanleiding was, werd ik er minder aangenaam om aangezien en kwam daardoor in geen goed blaadje te staan.
De commandant was een groote, scheefgevormde, breedgeschouderde man, met één dof oog, een paar dikke lippen en een weinig innemend voorkomen; hij droeg een paar zeer groote epauletten, was bijzonder lastig van humeur en, wanneer zijn drift werd opgewekt, waartoe niet veel noodig was, altijd heftig en schreeuwerig. Zijne stem had veel van den donder, en, als hij aan het uitvaren was tegen de arme jonkers, deden dezen mij altijd denken aan dien zenuwachtige vogel, die bedwelmd door het oog eener slang, zijn vermogen verliest en het monster in den bek vliegt. Was hij erg verontwaardigd, dan had hij de gewoonte zijne schouders op en neer te bewegen, en dan klapperden bij die gelegenheid zijne epauletten als de ooren van een dravenden olifant. Als hij in de verte een puntje van zijn neus gewaar werd of het geluid van zijne stem hoorde, vloog elke adelborst, die niet noodzakelijk blijven moest, weg als een der landkrabben op een West-Indisch zeestrand. Hij had het bijzonder op mij voorzien, vond altijd eene of andere aanmerking te maken en sprak schimpend over mij als: »die fregatsjonker."
Verbitterd door zijn onrechtvaardige handelingen, antwoordde ik eens op een brutale wijze op eene dergelijke aanduiding, en wanneer de schout-bij-nacht het niet verhinderd had, zou hij mij daarvoor op het halfdek lichamelijk afgestraft hebben; deze echter gaf te kennen, dat hij voor jonge officieren volstrekt geen voorstander van kastijding was. Dit redde mij voor het oogenblik; doch een aangenamer leven aan boord kreeg ik er niet door.
Onder de gewone excercitiën op de vloot behoorde ook het op alle schepen te gelijk, op sein van den admiraal, met zonsondergang reven der marszeilen. Bij die gelegenheden was er altijd veel wedijver om daarmede het eerste gereed te komen. Soms ging het er ruw bij toe; herhaaldelijk kwamen er ongelukken voor, en veelvuldige straffen werden er om uitgedeeld. Bij ons liep dan altijd de commandant als een razende stier op het halfdek te brullen en te schuimbekken. Eens dat het sein weer gedaan, de marszeilen gestreken en het volk op de raas uitgeënterd was, viel een arme kerel van de grootmarsra af overboord, onder weg, door met een schouder de rust te raken, zijn arm brekende. Ik zag, dat hij niet in staat was om te zwemmen, en bemerkende, dat hij zonk, sprong ik hem na en hield hem boven, tot er eene sloep kwam om ons op te visschen. Aangezien de zee kalm en de wind flauw was en het schip niet meer dan twee mijl liep, was het gevaar voor mij niet groot.
Toen ik aan dek kwam, vond ik den commandant dol van woede, omdat door dit ongeluk het weder in top hijschen der marszeilen eenigszins vertraagd was en wij daarmede bij de andere schepen achterkwamen. Hij dreigde den matroos met een pak slaag, omdat hij overboord gevallen was en joeg mij met scheldwoorden van het halfdek af. Dit was toch even onbillijk tegenover ons beiden. Ik heb, zoolang ik in dienst ben geweest, vooral in de hoogere rangen, nooit zoo'n onaangenaam mensch meer bijgewoond.
Kort daarop moesten wij naar Minorca om te victualieren, en daar trof ik, tot mijne groote vreugde, mijn eigen schip weer aan. Met een licht hart ging ik naar mijn oude boord terug, het vlaggeschip met vreugde verlatende. Zoolang ik bij hem aan boord was geweest, had de admiraal nooit een mond tegen mij opengedaan. Zoo zoude ik ook zeker het schip verlaten hebben, zonder door hem »goedendag" te zijn gewenscht, ware het niet geweest ter zake van een medepassagier, een grooten, hem toebehoorenden, hond. Zijn afscheidswoord, of, beter gezegd, het laatste, wat hij mij toevoegde, herinnert aan het geval van dien man, die blufte, dat de koning hem eens aangesproken had, en toen men hem vroeg, wat sire dan wel gezegd had, antwoordde: »Hij gelastte mij om uit den weg te gaan."
Ongeveer even vriendelijk ging het met den admiraal. Pompeï en ik stonden op de kampanje. Voor tijdpasseering had ik het beest een stuk leer toegestoken om op te knabbelen. Toevallig kwam de admiraal boven en dit ziende, vroeg hij, van wien de hond dit gekregen had? De stuurmansleerling wees op mij, waarop hij mij met zijn langen kijker dreigde en toevoegde: »Mijnheer, als gij ooit Pompeï weer een stuk leder durft geven, zal ik u van de campanje schoppen!"
Dit is al, wat ik van den admiraal te zeggen heb, en tevens alles, wat de admiraal ooit tegen mij zeide.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Tijdens ik aan boord van het vlaggeschip diende, ondergingen er twee man voor muiterij de doodstraf. Dit schouwspel was voor mij meer treffend, dan ik er ooit een bijgewoond had. Wanneer wij aan wal van een doodvonnis hooren spreken, dan brengen wij dit onwillekeurig in verband met een gepleegde vreeselijke misdaad. Bij den dienst ter zee is dit echter geheel anders; wat de krijgswetten een ernstig misdrijf noemen, is vaak niet veel anders dan eene handeling in de eerste opwelling van drift en meestal zeer ondoordacht gepleegd, en hoogst onbeduidend; daden, in één woord, die dikwijls niet gepleegd zouden zijn bij tijdige fermiteit en menschkundig toezicht van de meerderen.
De schepen hadden maanden en maanden op zee gekruist, en er bestond evenmin vooruitzicht tot behoorlijk werk, als tot terugkeer in eene haven. Inderdaad kan niets op den duur vervelender en eentoniger zijn, dan het al kruisende blokkeeren eener kust, dat is, wanneer alle schepen gebruikt worden tot het sluiten der havens en het bewaken van den vijand. Van de blokkeerende zeemacht zijn de fregatten nog het beste af: lichter, kleiner, handiger in hunne bewegingen, worden zij, ook om hun minderen diepgang, meer voor kleine schermutselingen en soms ook aanvallenderwijze gebezigd. Op die fregatten is het leven dan ook veel meer afwisselend dan aan boord van de linieschepen. Nadat het een tijdlang gesmeuld had, sloeg op het vlaggeschip, waarvan ik hierboven gesproken heb, eene ernstige misnoegdheid onder de mindere schepelingen tot oproer over. Natuurlijk was men dit spoedig meester; de belhamels werden voor den zeekrijgsraad gebracht, en twee hunner veroordeeld om aan de nokken eener ra van hun eigen schip opgehangen te worden, totdat de dood er op volgde. Twee dagen nadat het vonnis was uitgesproken, zoude het worden uitgevoerd.
Bij ons werden die krijgsraden altijd met de grootste plechtigheid gehouden en werden alle vormen stiptelijk in acht genomen om van de hoogsten in rang tot de minsten toe, een diepen indruk te maken. Te acht uren des morgens valt van het schip, waar een krijgsraad vergadert, een kanonschot en is de krijgsraadvlag aan den bezaansmast geheschen. Bij gunstig weder is het schip dan in zeer netten staat gebracht; de dekken zijn sneeuwwit geschuurd en vertoonen geen vlekje; de kooien zijn met zorg in de verschansingen gestuwd; het tuig is vierkant gebrast en het touwwerk stijfgehaald, zoodat nergens een los eind of eene bocht daartusschenin zichtbaar is; de kanonnen staan volkomen gericht tegen boord, en aan dek staat eene wacht van mariniers onder bevel van een luitenant gereed, om elk lid van den krijgsraad bij zijn komen aan boord, met de noodige, aan zijn rang verbonden eerbewijzingen te ontvangen. Vóór negen uren is de vergadering voltallig vereenigd in de kerk of in eene der kajuiten, waar in het midden eene lange met een groen kleed bedekte tafel gereed is. Voor elk der leden ligt papier, pen en inkt en de reglementen en de wetboeken liggen onder hun bereik. Nadat nog een schot gevallen en daarvan den voorzitter kennis is gegeven, opent deze de zitting. Aannemende, dat nu alle onderzoek vooraf heeft plaats gevonden, leest de secretaris de verschillende verhooren voor, en wordt den leden één voor één afgevraagd, of naar hunne meening voldoende licht over de zaak is verspreid, dan of zij het wenschelijk achten nog meer getuigen in verhoor te nemen. Wanneer op de eerste vraag een algemeen bevestigend, op de tweede een ontkennend antwoord gevolgd is, worden de beschuldigden, tusschen mariniers, door den provoost binnengeleid en aan de linkerzijde van den fiskaal, die aan het einde van de tafel gezeten is, geplaatst. Het hof wordt daarop herinnerd aan den te voren afgelegden eed: om onpartijdig recht te spreken en geene der mogelijk bestaande verzachtende omstandigheden uit het oog te verliezen. Na deze toespraak nemen de leden weder plaats.
Alle stukken en verklaringen worden dan opnieuw den beschuldigden voorgehouden en hun afgevraagd, of zij tegen het getuigde of tegen de getuigen ook bezwaren hebben. Zij verhalen van hunne zijde opnieuw het gebeurde. Brengen zij iets bij tot hunne eigene bezwaring, dan maakt het hof hen hierop opmerkzaam, onder de vriendelijke mededeeling: »wij verlangen van u geen getuigenis tegen uzelf, maar behandelen alleen wat anderen u ten laste kunnen leggen." Den arrestant wordt alle mogelijke hulp aangeboden. Is zijne verdediging afgeloopen, dan wordt hij in arrest teruggebracht en maakt zijne verklaring opnieuw een punt van beraadslaging uit, in verband met de getuigenverhooren en de vertrouwbaarheid der gehoorde getuigen. Wanneer dit afgeloopen is, geeft de fiskaal de wetsartikelen op, waartegen in dit geval gezondigd is geworden, en wordt in omvraag gebracht, bij het jongste lid van den krijgsraad te beginnen, ten eerste: »Zijn deze artikelen op het gepleegde feit toepasselijk?" en ten tweede: »Is het bewezen of niet bewezen, dat de arrestant schuldig is?"
Wanneer allen hunne stem hebben uitgebracht, is de meerderheid van slechts ééne voldoende voor het »schuldig" of »niet schuldig". De volgende vraag behelst: (nl. bij muiterij, desertie of andere kapitale misdaad) »Zal de straf zijn: laarzen, of de dood?" Weer vindt de stemming op dezelfde wijze plaats.
Stemt de meerderheid voor de straffe des doods, dan wordt daartoe door den fiskaal het vonnis geslagen en dit stuk door alle leden geteekend. Thans worden alle deuren geopend, de beschuldigde opnieuw binnengeleid; eene akelige stilte heerscht door het geheele schip, de krijgsraadsleden dekken het hoofd en zitten neder. Luid en indrukwekkend klinkt de stem van den fiskaal, die het vonnis leest; de gevangene wordt aan den provoost-geweldiger overgegeven, en deze bewaakt hem verder tot aan de executie.