Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 8

Chapter 83,909 wordsPublic domain

Den volgenden morgen liep ik drie Spaansche visschersvaartuigen op. Zij hielden mij voor een Franschen kaper, lieten hunne lijnen slippen en maakten zeil. Ik kwam echter met hen op en loste een schot, waarop zij zich overgaven. Toen ik hen langs zijde liet komen en bevond, dat elk een vat wijn aan boord had, verklaarde ik dat deel hunner lading als contrabande prijs, maar bood eerlijk betaling aan voor hetgeen ik hun ontnam. Toen zij vernamen dat wij »Ingleses" waren, weigerden zij deze aan te nemen, in hunne blijdschap van niet in Fransche handen te zijn gevallen. Toen wist ik het door een geschenk van tabak met hen goed te maken. Zij boden mij van alles uit hun vaartuig aan, maar op een edele manier wees ik dit af, omdat ik nu had wat mij noodig was. Wij scheidden daarop in de beste stemming, zij roepende: »Viva Inglaterra!" en wij hunne gezondheid drinkende met hun eigen wijn.

Nog gingen er verscheidene dagen voorbij voor wij Gibraltar haalden; meestal waren de winden flauw bij zeer schoon weder; toen wij eenmaal de ontdekking gedaan hadden dat de visschersbooten wijn aan boord hadden, vulden wij daarvan, zoo dikwijls dit noodig was, onzen wijnkelder zonder bezwaar van de inkomende rechten; en ik had reden om te gelooven, dat Zijne Majesteit Koning George om onze vrijgevige handeling niets verloor van de hem toekomende populariteit. Toen wij eindelijk te Gibraltar binnenliepen, had ik nog een paar goede vaatjes over, om mijne kameraads te kunnen onthalen; hoewel het mij speet te ervaren, dat ons schip en al de vooruitgezonden prijzen reeds voor ons in de haven waren gekomen. Murphy echter kwam nog een dag na mij aan.

Ik stond toen juist bij ons op het halfdek; en tot mijne verbazing, hoorde ik hem rapporteeren, dat hij door een Franschen kaper achternagezeten was, doch dezen na een gevecht van vier uren, had doen afdeinzen;--zijn tuig had nog al schade geleden, maar hij had er niemand bij verloren. Ik liet dat praatje tot 's avonds doorgaan. Sommigen geloofden hem, maar anderen twijfelden aan het verhaal. Bij het diner in de longroom ging zijn bluf alle perken te buiten; en toen hij halfdronken mijn schoener met drie man ging vergrooten tot een zwaarbemande brik, werd ik onpasselijk van al die leugentaal, vertelde de geschiedenis naar volle waarheid en zond om den kwartiermeester, die bij mij was geweest, om te getuigen. Van dat tijdstip af, werd hij een voorwerp van algemeene verachting op het schip. Iedere leugen was een Murphy en iedere Murphy een leugenaar. Tegen dezen smaad kon hij niet langer op; en hij gevoelde zich ten laatste zoo weinig op zijn gemak, dat hij geen bezwaar maakte, toen de commandant hem eene overplaatsing voorstelde; zijn slechte naam bleef hem volgen, waar hij ging, en hij is nooit bevorderd geworden. Voor mij was het eene streelende zelfvoldoening mij volledig op dien man te hebben kunnen wreken en daarna de eerste aanleiding te zijn geweest voor zijne verwijdering uit een eervol beroep, dat hij te schande maakte.

Het was thans, voor de fregatten vooral, verre van rusttijd. Wanneer ik hier den naam van ons schip en van onzen bevelhebber noemde, dan zouden 's lands geschiedboeken getuigenis kunnen afleggen, hoe wij, veel meer dan menig ander, verdienstelijk zijn geweest in de zaak der Spaansche bevrijding. Het zuiden van Spanje werd het tooneel van een wreeden, bloedigen krijg. Ons station liep van Barcelona tot aan Perpignan op Fransch gebied. Onze dienst (juist een, waarvoor onze commandant een bijzondere geschiktheid bezat) bestond: in het verleenen van steun aan de guerrillabenden, het onderscheppen van 's vijands toevoer van levensmiddelen, zoowel wanneer deze langs de zee beproefd werd, als over den weg langs het zeestrand, en ook het verdrijven van den vijand uit elke versterking, waarin hij zich mocht genesteld hebben.

Voor tochten, die met dezen dienst in verband stonden, was ik dikwijls drie of vier weken aan een stuk van boord, behoorende tot eene divisie onder bevel van den derden officier. Dikwijls hadden wij daarbij veel ontberingen te verduren. Zoo konden wij gewoonlijk niet meer dan voor de eerste week voldoende levensmiddelen medevoeren. Op het punt van kleeding waren wij hoogst eenvoudig; met schoenen en kousen hielden wij ons niet op, aan linnengoed deden wij niet, en hoeden wisten wij haast niet meer hoe die er uitzagen; voor hoofddeksel wonden wij ons een doek om het hoofd en zoo klauterden wij, wanneer het voorkwam, over rotsen of baggerden door de natte ravijnen in gezelschap van onze nieuwe bondgenooten, de geharde bergbewoners.

Hoezeer dezen ook onze dapperheid bewonderden, voor onze ideeën en onze wijze van handelen hadden zij geene sympathie. Met een vroolijk hart deelden zij hun voedsel met ons, maar zij bleven altijd even hardvochtig tegenover gevangengenomen Franschen; en nooit gelukte het ons door overreding hun leven gespaard te krijgen, wanneer dezen daartoe onze tusschenkomst afsmeekten. Zij werden vóór onze oogen neergesabeld of anders naar den top van eenigen heuvel gesleept, van waar men het zicht had op eene Fransche versterking, en dáár, ten aanschouwe hunner landgenooten, wreedaardig verminkt.

Niet ten onrechte zal de lezer die afschuwelijke barbaarschheid veroordeelen, maar hij houde toch ook in het oog, dat bij dit volk door de langdurig ondergane mishandelingen alle gevoel was uitgedoofd. Roof, brand, moord en hongersnood was altijd de nasleep geweest van de invallen der Franschen; en hoezeer wij ook begaan waren met het lot der ongelukkigen, die thans in hunne handen vielen, hoe gaarne wij dit voor hen afgewend hadden, moesten wij toegeven, dat de wraakneming zeer te begrijpen was. Bij zulk een ongeregelden oorlog, leefden wij somtijds in overdaad, en andere keeren leden wij honger. Eens gebeurde het, dat wij, flauw van den honger, een monnik ontmoetten. Wij verzochten hem ons een plaats te wijzen, waar wij, hetzij met geld, hetzij met goede woorden of op eene andere wijze eten konden krijgen; maar hij wist niets en had ook geen geld, omdat, zooals hij zeide, zijne kloosterorde zulks verbood. Doch toon hij in zekere gejaagdheid van ons af wilde komen en zich omdraaide, meenden wij iets te hooren rammelen; en daar nu eenmaal de nood de wetten breekt, veroorloofden wij ons de vrijheid hem nader te onderzoeken. Werkelijk vonden wij een aardig sommetje geld, dat wij voor hem in bewaring namen, onder de verzekering, dat ons geweten ons die handeling voorschreef, omdat zijne orde hem verbood geld te hebben. Groot achtten wij ook voor hem het bezwaar niet, omdat hij leefde te midden eener bevolking, die niet zou kunnen gedoogen dat hij gebrek leed. Wij behielden den gemaakten buit, zetten die om in voedsel, kwamen spoedig daarop weer bij onzen troep en meenden dat de zaak daarbij blijven zou; maar de monnik was ons op eenigen afstand gevolgd, en wij zagen hem den heuvel opkomen waar wij gelegerd waren. Om ontdekking te voorkomen, maakten wij ons onkenbaar. De monnik diende zijne klacht in bij het guerrillahoofd, wiens oogen vlammen schoten over de onwaardige behandeling, die zijn priester beweerde ondervonden te hebben, en zeker zou er bloed gevloeid zijn, ware hij bij machte geweest de schuldigen aan te wijzen.

Ik trok een effen gezicht bij mijne veranderde kleeding, en toen hij mij bijzonder opnam, alsof hij vermoeden had, keek ik hem vierkant in de oogen, met de volle macht mijner weergalooze onbeschaamdheid, en vroeg hem in luiden en dreigenden toon in het Fransch, of hij mij soms voor een struikroover aanzag. Die vraag en de wijze, waarop hij gedaan werd, bracht den priester tot zwijgen, ofschoon hij nog niet voldaan scheen. Hij liet zich schijnbaar wijsmaken door eenigen van ons volk, dat hij vermoedelijk door een anderen troep was beroofd geworden, en op de vervolging daarvan ging hij nu af. Het was mij aangenaam hem te zien vertrekken. Bij het heengaan wierp hij nog een scherp onderzoekenden blik op mij, dien ik beantwoordde met eenen blik van kwalijk verborgen woede en minachting.

Eenigen tijd vóór bovenverhaalde geschiedenis was mijn schip tot andere diensten aangewezen; en daar ik toen geene gelegenheid had gehad om naar boord terug te keeren, werd ik tijdelijk op eenen anderen bodem overgeplaatst. Voor verdere bijzonderheden wordt naar het volgende hoofdstuk verwezen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De commandant van het fregat, waarop ik nu kwam, stond bij de zeemacht zoo goed aangeschreven, dat lord Collingwood bij voorkeur aan hem de meest vertrouwelijke zendingen opdroeg; zoo kregen wij de order om de Spanjaarden te helpen in hunne verdediging der gewichtige vesting Rosas in Catalonië. Hierboven is al met een enkel woord aangestipt dat de Fransche generaal St. Cyr die provincie was binnengetrokken en, eenmaal in het bezit van Figueras en Gerona, begeerige blikken sloeg op het kasteel Trinity, zuidoostwaarts gelegen, waarvan het bezit de voorloper van den val van Rosas moest zijn.

Mijn bevelhebber nam van die versterking de verdediging op zich, ofschoon eerst kort geleden die positie door een anderen zeeofficier, als onhoudbaar, was verlaten geworden. Hoewel ik slechts tijdelijk aan boord was, deed ik aanzoek om van de landingspartij te wezen en werd ik dienovereenkomstig medegezonden. Ter bestemden plaatse aangekomen, moest ik erkennen, dat de officier, die van de verdediging afgezien had, in mijne oogen nog zoo dom niet was. Het kasteel was niet veel meer dan een bouwval. Hoopen puin en houtwerk, gebroken affuiten en gesprongen kanonnen, schenen mij een zeer ongunstig slagveld toe. Het eenige voordeel, dat ik aan onze zijde kon opmerken, was: dat de bres, die onze aanvallers in een der muren geschoten hadden, te steil was voor beklimming en dat zij daarbij onder allerlei neerstortende steenen moesten bedolven worden, terwijl wij hen van alles naar het hoofd konden werpen. Daar hierop onze voornaamste kans gebouwd was, hadden wij slechts te beletten, dat de vijand de vóórwerken binnenkwam, die echter niet zeer veel te beteekenen hadden.

Tegenover dit voordeel stond een zeer ernstig nadeel. Het kasteel was gebouwd dicht bij den top van een steilen heuvel, waarvan het hooger gelegen deel in de macht was van den vijand, die zich hierdoor in hetzelfde horizontale vlak bevond met ons dak. Op die hoogte waren nu driehonderd Zwitsersche scherpschutters geposteerd, die, van achter aarden wallen op vijftig ellen afstand, een geregeld geweervuur op ons onderhielden. Elk hoofd, dat zich boven den muur blootgaf, was het doelwit voor wel twintig kogels tegelijk, en dezelfde onafgebroken hoffelijkheid betoonden zij ook aan onze sloepen bij hunne landing.

Op eenen anderen, meer Noordwaarts gelegen heuvel, dus meer landwaarts in, hadden de Franschen eene batterij van zes vierentwintigponders opgesteld. Die vroolijke buurman was slechts driehonderd el van ons verwijderd, en met uitzondering van den tijd, dien de stukken af en toe noodig hadden om te bekoelen, schoten zij door van zonsopgang tot zonsondergang. Ik had in mijne jonge jaren nooit kunnen denken, dat ik ooit zooveel kans zou loopen om tot eene zeef te worden geschoten, als zich hier in dit helsche kasteel aanbood. In werkelijkheid werden wij niet royaal behandeld, tegen zulk een macht waren wij niet bestand; maar onze bevelhebber was zeer onversaagd, en ik had gevraagd om mede te gaan, en dus nu geen recht van klagen. Het vuur, waaraan wij blootstonden, was zóó juist, dat wij na elk schot wel den steen konden aanwijzen, die bij het volgende getroffen zou worden, en herhaaldelijk werden er van onze manschappen gewond door splinters die van het graniet onzer muren afstoven, terwijl anderen, als patrijzen uit een vlucht, uitgepikt werden door de Zwitsersche bataljons op den nabijzijnden heuveltop.

Onze bezetting in het kasteel bestond uit honderd en dertig Engelsche matrozen en mariniers, eene compagnie Spaansche en eene andere, bestaande uit Zwitsersche troepen in Spaanschen dienst. Nooit was eenige krijgsmacht slechter betaald en gevoed en beter beschoten geworden. Wij hokten allen onder elkaar; vuil, van de vlooien levendig stroo, diende ons voor ligging; ons eten was naar evenredigheid even fijn; doch de bevelhebber had het niets beter dan de minste man. Vechten kan somtijds een aangename bezigheid zijn, maar overdaad is in alles schadelijk of onaangenaam; en hier hadden wij er meer dan genoeg van, zonder den trouwen compagnon, een behoorlijk maal eten op zijn tijd. Mij blijft het onbegrijpelijk, hoe een man zijn dienst behoorlijk kan blijven doen, zonder goede voeding; maar hier was ik met menig ander gedwongen dit te beproeven, en wanneer, wat dikwijls gebeurde, de sloepen niet aan wal konden komen, werd er pro forma toch voor ons eten geluid, omdat de commandant van een geregelden dienst hield, en in dit geval vulden wij onze magen slechts met koud water.

Menigmaal had ik mijn ouden oom hooren zeggen, dat niemand weet wat hij kan, vóór hij het beproefd heeft. Nu, hier gaf de vijand ons overvloedig gelegenheid om proeven af te leggen in vernuft, werkzaamheid, waakzaamheid en onthouding. Toen de arme Penelope, zoo zegt de fabelleer, haar net weefde, ontrafelde zij des nachts het werk van den dag. Met ons gebeurde het omgekeerde: gedurende den dag werd al onze arbeid van 's nachts weer vernietigd. Het nachtelijk duister werd gebruikt om de zandzakken te vullen voor het dichtmaken van eenige bres en voor het wegwerken van losse steenen, om opnieuw gereed te zijn 's vijands vuur te weerstaan, dat van zons opkomst af stellig weer zou beginnen. Dergelijke bezigheden, afgewisseld door aanhoudend en waakzaam wacht doen tegen overrompeling, namen zooveel van onzen rusttijd af, dat er van slapen al heel weinig inkwam, en, zooals gezegd is, vorderden onze maaltijden ook niet veel.

Een onzer verdedigingsmiddelen was zeer oorspronkelijk en zou zeker een ingenieur aan 't lachen gebracht hebben. De commandant liet van lange, grenen planken, die hij van boord ontbood, een soort van brugbedekking timmeren, die hij schuin af uit de bres liet hangen; deze liet hij met allerlei koksafval vet smeeren; konden nu de vijanden in onze stelling komen, dan moesten zij daarop springen en verdwenen met vliegende vaart langs dit hellende vlak in de droge gracht beneden, waar zij, omdat het eene aanmerkelijke valhoogte was, vrij onaangenaam gestemd aankwamen en veelal zouden hebben moeten wachten tot zij door of vanwege den dokter opgezocht werden; en als zij erg netjes beneden gekomen waren, stond het geheel aan hen, om hetzelfde nog eens te beproeven. Het was een soort van vernuftig uitgedachte muizenval; destijds gaven wij juist zooveel om het leven van een Franschman, als om dat van zoo'n kleinen nachtrustverstoorder.

Nog een ander kunstje was door ons verzonnen. Aan boord was eene groote voorraad vischhaken; deze werden overal geplant, waar verwacht kon worden, dat de vijand handen of voeten plaatsen zou. De bres zelf was ondermijnd, en de mijn geladen met bommen en handgranaten; geladen geweerloopen, tot aan de monding vol kogels, waren daarop gericht en op allerlei plaatsen vastgezet. Ziedaar onze verdedigingsmiddelen; in aanmerking nemende, dat wij in de drie weken, die wij nu op het kasteel waren, bij zulke kwade tegenkansen, slechts twintig man hadden verloren, zal men toestemmen, dat dit verwonderlijk was. Intusschen naderden wij eene oplossing.

Op een morgen, heel vroeg, was het mijne beurt van uitkijk. De laag mist, die in dat land 's nacht tusschen de heuvels hangt en in de dalen bijna tot op den bodem drukt, was aan het opstijgen en verdunnen en boven ons hoofd begon de glans der sterren te verbleeken, toen ik over den kasteelmuur in de richting van de bres keek. De commandant kwam juist te voorschijn en vroeg mij, waar ik zoo heen staarde. Ik antwoordde, dat ik dit zelf niet goed wist; maar dat zich een ongewoon verschijnsel voordeed in het dal over de bres. Hij luisterde een oogenblik, keek scherp door zijnen nachtkijker, en riep toen in eens op zijn flinken toon, doch gedempt uit: »Onder de wapens!--Daar komen zij!"

Binnen drie minuten was iedereen op zijn post, en, ofschoon alles vlug in zijn werk was gegaan, was er geen tijd te verliezen, want toen reeds was de zwarte colonne van den vijand, zich als een slang door de vallei voortkronkelende, duidelijk zichtbaar. Met de dappere volharding, waarvoor Napoleons troepen zoo bekend waren, begonnen zij in stilte de bres te beklimmen. Het was een angstig en gewichtig oogenblik, maar de kalmte en beslistheid van het kleine garnizoen waren er tegen opgewassen.

Het bevel ging rond om goed te mikken, en eene volle laag van de verdekt opgestelde kanonnen en geweren werd op het dichtste gedeelte van den vijand gelost. Zij kwamen tot staan,--en allerlei verwarde kreten stegen tot ons op. In verwarring werd eenige passen teruggetrokken, toen weer standgehouden en opnieuw tot den aanval voorwaarts gerukt; van toen af aan werd van weerszijden het vuur geregeld onderhouden. De groote vierentwintigponder-batterij, en de nog dichter bij gelegen Zwitsersche keursoldaten vuurden mede onverpoosd op ons en moedigden met luide juichtonen hunne kameraden tot de bestorming aan. Toen zij naderden en boven onze mijn kwamen, werd de mijnlont ontstoken, en met een donderenden slag vloog een groot aantal de lucht in om weer met het puin neer te komen en daaronder begraven te worden. Gekerm, gezucht, verwarde stemmen, Fransche angstkreten en Engelsche hoerrah's werden alle dooreen gehoord! De vreugdetonen der overwinnaars weerkaatsten van heuvel tot heuvel! Ruim bedeelden wij de aanvallers met handgranaten, en kegelden wij daarmede nog heele gelederen van de been. Ik moet erkennen, dat de Franschen zich flink hielden, ofschoon zij bij hoopen waren gevallen. Ik gilde van woede en opgewondenheid, en allen vochten wij als bulhonden, wel overtuigd, dat er geen kwartier gegeven zou worden.

Tien minuten had het vuren geduurd, menig dapper krijger had in 't zand gebeten; het hoofd der aanvalscolonne was door de mijnontploffing gedood; toch was onder hen de orde weer hersteld, en toen de dag aanbrak, was de hoofdmacht weer halverwege de bres voorwaarts gerukt. Weder naderde ons, onder aanvoering van hunnen kolonel, een uitgezochte troep van duizend man over de lijken hunner gevallen kameraden.

De dappere aanvoerder scheen even koel en berekenend, alsof hij eene danspartij leidde; met uitgetrokken degen wees hij op de bres, en duidelijk hoorden wij zijn: »suivez moi!" Ik was jaloersch op dien held--jaloersch, dat hij een Franschman was, en ik smeet hem een brandende handgranaat tusschen de voeten. Hij raapte deze op en wierp haar een grooten afstand van zich.

»Kijk mij zoo'n bedaarden kerel eens!" zeide de commandant, die naast mij stond, »ik zal hem er nog een geven;" maar ook deze schopte de ander met evenveel sang froid als waardigheid van zich af. »Die man schijnt voor niets gevoelig te zijn, dan voor een ons lood in zijne ledige maag; het is jammer zoo'n kranigen vent te dooden, maar er zit niets anders op."

Zoo zeggende, nam hij mij een geweer uit de handen, dat ik juist geladen had, mikte en vuurde; de vijandelijke aanvoerder wankelde, bracht de hand aan zijne borst en viel achterover in de armen van een zijner manschappen, waarvan eene partij de wapens neerlegde, en hem op hunne schouders namen, als onbewust van of onverschillig voor de slachting, die in hunne onmiddellijke nabijheid plaats vond. De kleine troep werd nu het doelwit van onze schutters; allen werden daarvan neergeschoten. De kolonel, opnieuw aan zichzelf overgelaten, kroop nog enkele passen verder, tot hij een klein boschje bereikte, geen tien el verwijderd van de plek, waar hij doodelijk gewond was. Hier viel hij neer; de degen, dien hij nog in de rechtervuist klemde, bleef tegen eene struik overeind en wees opwaarts, als toonde bij den weg, dien de geest van zijn heldhaftigen eigenaar gegaan was.

Met den dood van den kolonel ging de kans van dien dag voor de Franschen verloren. Wij zagen duidelijk, dat de overige officieren hun plicht deden, door woorden en voorbeeld hun manschappen vooruit zochten te drijven en voorgingen, maar alles was tevergeefs. Wij zagen hen eigenhandig hunne vluchtelingen doorsteken; doch ook dat bleef zonder uitwerking; voorloopig hadden zij van vechten genoeg. De eerste aandrang, het eerste vuur was bekoeld met den dood van hun aanvoerder, en langzamerhand werd het een algemeen sauve qui peut, dat den aanval besloot en ons den tijd liet om adem te halen en onze dooden te tellen.

Zoodra de Franschen uit hunne batterijen bespeurden, dat de aanval mislukt, en de aanvoerder der onderneming gesneuveld was, vuurden zij van daar nog eens duchtig op ons los. Ik stak mijn hoed op de punt mijner bajonet, boven den wal uit, en kreeg er in eene minuut tijds twintig kogelgaten in; gelukkig stak mijn hoofd er op dat oogenblik niet in.

Toen het vuren der batterijen ophield, wat nu en dan op gezette tijdstippen plaats vond, hadden wij gelegenheid om een onderzoek in te stellen naar het punt, waar wij aangevallen waren. Stormladders en lijken lagen in menigte daar ter plaatse. Al de gewonden waren medegedragen; in hunne grijze kapotjassen gekleed, lag daar tal van manschappen der Fransche keurbenden, als verbruikt kanonnenvleesch dooreen. Het was een treurig gezicht, die strijders van soms meer dan zes voet lang, die menigen grooten veldslag overleefd hadden, daar voor altijd onbewegelijk te zien!

De nachten waren koud, en ik nam mij in stilte voor een dier kapotjassen te bemachtigen en mijnen commandant de sabel van den gesneuvelden kolonel ten geschenke aan te bieden. Zoodra dus de duisternis ingevallen was, wandelde ik de bres uit en wist mij eerst meester te maken van een stormladder, die ik het kasteel binnenbracht. Zooveel voor den koning gedaan hebbende, ging ik een tweede maal uit om voor mijzelven te zorgen.

Het was toen juist pikdonker. Ik strompelde voort, tegen een hevigen stormwind in, die mij door groote stof- en kalkwolken bijna blind maakte; doch van den te volgen weg was ik volkomen zeker. Toch was het iets hyena-achtigs om in die duisternis mij te midden van zooveel dooden te bewegen, en er kwam een oogenblik, dat ik met afgrijzen aan mijnen toestand dacht. Tusschen de windvlagen in was het eene huiveringwekkende stilte, waarbij ik in de zwarte duisternis soms meende mijn angstig hart te hooren kloppen. Het is juist om zoodanige reden, dat ik weinig ingenomen ben met nachtelijke aanvallen; men kan zoo zelden ten volle op zijne manschappen staat maken; meestentijds mislukken zij, omdat zoo weinigen in het duister denzelfden moed bezitten als in het licht. Vrees en duisternis gaan altijd samen, de laatste verbergt de eerste en moedigt ze daarom aan.

Van het eene lijk naar het andere tastende, kroop ik behoedzaam voorwaarts. Bij het eerste lichaam, dat ik met de hand aanraakte, stolde mij bijna het bloed in de aderen. Ik voelde den ontvleesden elleboog van een grenadier, die door een handgranaat geveld was geworden. »Vriend," zeide ik, »naar den aard van uwe wond te oordeelen, is aan uwe overjas niet veel meer aan." Het naastvolgende voorwerp, dat ik bevoelde, had een beteren dood gehad. Een geweerkogel door het hoofd had hem van alle aardsche zorgen ontheven. Daar zijne erfgenamen niet bij de hand waren, maakte ik er geene gewetenszaak van, zijne kapotjas van hem over te nemen, wat nu nog niet eens heel gemakkelijk ging, omdat het lichaam koud en stijf was geworden.

Ik had nu evenwel mijn plan uitgevoerd, trok dadelijk mijn nieuw kleedingstuk aan en ging nu op 's kolonels degen af; maar hier scheen mij een Franschman vóór te zijn geweest. De kolonel lag er nog, stijf en wel, doch zijn zwaard was niet te vinden. Juist was ik op het punt terug te keeren, toen ik weer een vijand ontmoette, ditmaal geen dood maar een levend exemplaar.

»Qui vive?" vroeg een zachte stem.

»Anglais, bête," antwoordde ik zachtjes, en voegde er bij: »mais les corsaires ne se battent pas."